Regeling zeearbeid - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Regeling zeearbeid

Publicatienummer: P.B. 2014, no. 46
Categorie: Landsbesluit
Ministerie: Verkeer, Vervoer & Ruimtelijke Planning
Datum ondertekening: 06-06-2014
Datum inwerktreding: 24-06-2014
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK IX Verkeer en vervoer)


LANDSBESLUIT, HOUDENDE ALGEMENE MAATREGELEN, van de 6de juni 2014, houdende tijdelijke uitvoering van het Maritiem Arbeidsverdrag (Regeling zeearbeid)

§ 1 Algemene bepalingen

Artikel 1

In de bepalingen gegeven bij of krachtens dit landsbesluit wordt verstaan onder:
a. minister: de minister belast met scheepvaart;
b. certificaat zeearbeid; een certificaat als bedoeld in voorschrift 5.1.3, derde lid, van het Verdrag;
c. Curaçaos schip: een schip dat in Curaçao te boek is gesteld en op grond van in Curaçao geldende regelgeving de vlag van het Koninkrijk voert;
d. Curaçaos zeeschip: een Curaçaos schip van 500 GT of meer dat een internationale reis onderneemt;
e. internationale reis: een reis vanuit een haven naar een haven gelegen in een andere Staat;
f. scheepsbeheerder: eigenaar van een schip of een andere natuurlijke of rechtspersoon die de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van een schip van de eigenaar heeft overgenomen;
g. STCW-Verdrag: het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144);
h. Verdrag: het op 23 februari 2006 te Geneve tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93) ), en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen en aanhangsels;
i. norm: een norm opgenomen in deel A van de Code bij het Verdrag;
j. richtlijn: een richtlijn opgenomen in deel B van de Code bij het Verdrag;
k. voorschrift: een voorschrift opgenomen in de Code bij het Verdrag;
l. verklaring naleving zeearbeid: verklaring, bedoeld in norm, 5.1.3, tiende lid, van het Verdrag, bestaande uit deel I en deel II, waaruit de maatregelen blijken die zijn genomen om te waarborgen dat de eisen gesteld bij of krachtens deze landsverordening voortdurend worden nageleefd;
m. zeearbeidsovereenkomst: overeenkomst tussen een zeewerkgever en een zeevarende, waarbij de zeevarende zich verbindt arbeid aan boord van een schip te verrichten en de zeewerkgever zich verbindt de voorschriften gegeven in het verdrag en bij of krachtens dit landsbesluit jegens de zeevarende na te leven;
n. zeewerkgever: een scheepsbeheerder of een werving- of bemiddelingsbureau.

Artikel 2

De bepalingen gegeven bij of krachtens dit landsbesluit zijn van toepassing op Curaçaose schepen, met uitzondering van:
a. schepen die uitsluitend varen op wateren binnen of dicht grenzend aan beschutte wateren of gebieden waar havenvoorschriften gelden;
b. vissersvaartuigen;
c. oorlogsschepen en marinehulpschepen;
d. pleziervaartuigen;
e. reddingsvaartuigen.

Artikel 3

  1. Onverminderd artikel 2 zijn de bepalingen gegeven bij of krachtens dit landsbesluit van toepassing op zeevarenden werkzaam aan boord van Curaçaose schepen waar ter wereld deze zich bevinden.
  2. In de bepalingen gegeven bij of krachtens dit landsbesluit wordt onder zeevarende verstaan een natuurlijke persoon die in enige hoedanigheid werkzaamheden aan boord van een schip verricht.
  3. Bij ministeriële regeling met algemene werking, kunnen, na overleg met scheepsbeheerders en zeevarenden, of vertegenwoordigende organisaties daarvan, categorieën werkzaamheden aan boord van een schip worden aangewezen, waarbij de personen die deze verrichten niet als zeevarende worden aangemerkt.

Artikel 4

  1. De scheepsbeheerder draagt ervoor zorg dat een Curaçaos schip een exemplaar van het Verdrag in de Nederlandse of Engelse taal aan boord heeft.
  2. Op aanvraag van de scheepsbeheerder kan de minister voor Curaçaose schepen kleiner dan 200 GT die geen internationale reizen ondernemen een ontheffing geven van de verplichtingen gesteld bij of krachtens dit landsbesluit.
  3. Bij ministeriële regeling met algemene werking worden regels gesteld voor de beoordeling van een aanvraag voor ontheffing als bedoeld in het tweede lid, alsmede de kosten verbonden aan het verlenen van de ontheffing.

§ 2 Certificering

Artikel 5

  1. De scheepsbeheerder draagt ervoor zorg dat aan boord van een Curaçaos zeeschip zich bevinden een:
    a. geldig certificaat zeearbeid; en
    b. een geldige verklaring naleving zeearbeid.
  2. Het certificaat en de verklaring worden op een voor de bemanning zichtbare plaats opgehangen of geplaatst.
  3. Op schriftelijke aanvraag verstrekt de minister aan een scheepsbeheerder een certificaat zeearbeid en een verklaring naleving zeearbeid. Voor afgifte van een certificaat zeearbeid is Cg 375,00 aan de Maritieme Autoriteit Curaçao verschuldigd.
  4. Een certificaat zeearbeid wordt enkel verstrekt, indien uit de door de scheepsbeheerder opgestelde verklaring naleving zeearbeid, deel II, en na het onderzoek, bedoeld in artikel 8, afdoende blijkt dat voor het desbetreffende schip ten aanzien van de zeevarenden wordt voldaan aan de voorschriften van het Verdrag of dit besluit met betrekking tot:
    a. minimumleeftijd als bedoeld in artikel 13, eerste lid;
    b. geneeskundige verklaringen als bedoeld in artikel 13, tweede lid;
    c. kwalificaties van zeevarenden als bedoeld in de in Curaçao geldende regelgeving ter uitvoering van het STCW-verdrag;
    d. zeearbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 14;
    e. arbeidsbemiddeling en het ter beschikking stellen van arbeidskrachten als bedoeld in de artikelen 13, eerste lid en 14;
    f. arbeids- en rusttijden als bedoeld in de in Curaçao geldende regelgeving ter uitvoering van het STCW-verdrag;
    g. bemanningssamenstelling en –aantal als bedoeld in de in Curaçao geldende regelgeving ter uitvoering van het STCW-verdrag;
    h. huisvesting en voorzieningen voor zeevarenden aan boord als bedoeld in artikel 16;
    i. voeding en drinkwater als bedoeld in de artikelen 17 tot en met 19;
    j. gezondheid, veiligheid en ongevallenpreventie als bedoeld in artikel 20;
    k. medische zorg aan boord als bedoeld in de artikelen 21 tot en met 24;
    l. klachtenprocedures aan boord als bedoeld in artikel 25; en
    m. betaling van lonen als bedoeld in artikel 15, tweede lid.
  5. Een aanvraag voor verstrekking van een verklaring naleving zeearbeid, deel I, geldt als aanvraag als bedoeld in het derde lid. Voor verstrekking van een verklaring is Cg 375,00 aan de Maritieme Autoriteit Curaçao verschuldigd.
  6. De minister stelt de tekst van de verklaring naleving zeearbeid, deel I, vast. De tekst kan in de Engelse taal worden vastgesteld.
  7. Bij ministeriële regeling met algemene werking, kunnen nadere regels worden vastgesteld met betrekking tot de aanvraag, beoordeling en afgifte van een certificaat zeearbeid en een verklaring naleving zeearbeid, alsmede met betrekking tot de kosten die hieraan zijn verbonden.

Artikel 6

  1. Bij aankoop van een schip buiten Curaçao kan de minister een interimcertificaat zeearbeid verstrekken, indien naar zijn oordeel de scheepsbeheerder voldoet aan artikel 5, vierde lid, en:
    a. de scheepsbeheerder naar het oordeel van de minister deugdelijke procedures heeft vastgesteld ter naleving van de voorschriften gegeven bij of krachtens het Verdrag;
    b. de kapitein bekend is met de voorschriften van het Verdrag; en
    c. informatie is aangeleverd voor de verstrekking van een certificaat zeearbeid.
  2. Voor afgifte van een interimcertificaat is Naf. 375,00 aan de Maritieme Autoriteit Curaçao verschuldigd.
  3. Een interimcertificaat is maximaal zes maanden geldig.
  4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een schip die buiten Curaçao in aanbouw is.

Artikel 7

  1. Een certificaat zeearbeid vervalt, indien:
    a. een deel van het schip wordt verbouwd, waarvoor bij of krachtens het Verdrag eisen gelden;
    b. in de inrichting of uitrusting, waarvoor bij of krachtens het Verdrag eisen gelden, ingrijpende wijzigingen worden aangebracht;
    c. het schip een buitenlands schip wordt;
    d. het tijdvak waarvoor het certificaat geldt, is verstreken;
    e. de tijdens de geldigheidsduur van het certificaat verplicht gestelde onderzoeken niet of niet tijdig hebben plaatsgevonden, behoudens in bij ministeriële regeling met algemene werking omschreven bijzondere gevallen;
    f. het schip van naam verandert of een ander letterteken of nummer krijgt, of het schip niet langer wordt beheerd door de scheepsbeheerder vermeld op het certificaat maritieme arbeid.
  2. De minister kan een certificaat intrekken, wanneer blijkt dat:
    a. de bouw, de inrichting of de uitrusting van het schip in belangrijke mate afwijkt van de gegevens van het certificaat;
    b. het schip of de scheepsbeheerder niet langer voldoet aan het Verdrag of aan de voor het desbetreffende schip afgegeven verklaring naleving zeearbeid, en de vereiste corrigerende maatregelen niet zijn getroffen.
  3. Bij ministeriële regeling met algemene werking kan worden bepaald dat certificaten in daarin genoemde gevallen vervallen, indien het schip aan zijn oorspronkelijke bestemming wordt onttrokken.
  4. De scheepsbeheerder zendt een vervallen of ingetrokken certificaat zo spoedig mogelijk aan de minister.

Artikel 8

  1. De door de minister aangewezen ambtenaren of door hem erkende rechtspersonen onderzoeken of een schip voldoet aan de bepalingen van het Verdrag en van dit besluit, die gelden voor het type schip.
  2. Het onderzoek vindt in elk geval plaats:
    a. bij aanvraag voor afgifte van een zeebrief als bedoeld in artikel 15 van het Zeebrievenbesluit Curaçaose en Sint Maartense zeeschepen;
    b. ten minste elke drie jaar na initiële afgifte van een certificaat zeearbeid en een verklaring naleving zeearbeid;
    c. bij ontvangst van een klacht die niet bij voorbaat ongegrond kan worden beschouwd met betrekking tot de naleving van het Verdrag.
  3. Aan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
  4. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
    a. de aanwijzing van de rechtspersonen, bedoeld in het eerste lid;
    b. de wijze van en voorwaarden voor erkenning, de intrekking van de erkenning indien niet meer aan deze voorwaarden wordt voldaan, en de bekendmaking van een erkenning of intrekking van een erkenning.
  5. Als erkende rechtspersonen als bedoeld in het eerste lid worden in elk geval aangemerkt die rechtspersonen die zijn aangewezen tot het verrichten van onderzoeken naar de veiligheid van een schip of ter voorkoming van verontreiniging door schepen.

§ 3 Gegevens bemanning

Artikel 9

  1. Er is een register zeevarenden.
  2. In het register worden de volgende persoonsgegevens van een zeevarende opgenomen:
    a. naam, geboortedatum, geboorteplaats en nationaliteit;
    b. adres en woonplaats of normale verblijfplaats;
    c. naam, adres en overige contactgegevens van zeewerkgever;
    d. contactgegevens van naaste verwanten;
    e. vaarbevoegdheden;
    f. datum meest recente medische keuring;
    g. afschrift zeearbeidsovereenkomst;
    h. totale diensttijd aan boord van een Curaçaos schip.
  3. Het register wordt gehouden door de minister.
  4. Een ieder betrokken bij de verwerking van persoonsgegevens van een zeevarende is gehouden tot geheimhouding.
  5. Het deel van het register dat betrekking heeft op vaarbevoegdheden is openbaar, waarbij de nodige maatregelen worden getroffen ter bescherming van de overige persoonsgegevens tegen ongeoorloofde toegang.
  6. Op aanvraag wordt aan een zeevarende een verklaring verstrekt die betrekking heeft op zijn diensttijd als bedoeld in het tweede lid, onderdeel h.
  7. Bij ministeriële regeling met algemene werking, worden regels gesteld met betrekking tot de inrichting en het beheer van het register, alsmede met betrekking tot de kosten verbonden aan inschrijving in het register, wijziging of doorhaling van een registratie en afgifte van een afschrift als bedoeld in het zesde lid.

Artikel 10

  1. De scheepsbeheerder draagt ervoor zorg dat een zeevarende die werkzaamheden gaat verrichten aan boord van een zeeschip, is opgenomen in het register zeevarenden.
  2. Alle persoonsgegevens die betrekking hebben op een zeevarende worden enkel bewerkt voor zover noodzakelijk in het kader van een zeearbeidsovereenkomst.

Artikel 11

  1. De scheepsbeheerder draagt ervoor zorg dat vóór 1 januari van elk kalenderjaar de Maritieme Autoriteit Curaçao beschikt over de op die datum geldende bemanningslijst voor het desbetreffende schip.
  2. De kapitein draagt ervoor zorg dat de bemanningslijst telkens wordt bijgewerkt als zeevarenden monsteren.
  3. De kapitein draagt ervoor zorg dat bij het aandoen van een haven de bijgewerkte bemanningslijst aan boord is en op verzoek aan de desbetreffende havenautoriteiten wordt verstrekt.
  4. De bemanningslijst wordt opgemaakt naar het model vastgesteld bij ministeriële regeling met algemene werking.
  5. De scheepsbeheerder draagt ervoor zorg dat bemanningslijsten ten minste vijf jaar worden bewaard.
  6. De scheepsbeheerder zendt onverwijld een bemanningslijst naar de Maritieme Autoriteit Curaçao, indien deze daar om verzoekt.

Artikel 12

  1. Er is een Centraal inspectieregister.
  2. Het register wordt door de minister beheerd in overeenstemming met de minister belast met arbeid en de minister belast met gezondheid.
  3. In het register worden de inspectierapporten met betrekking tot de werk- en leefomstandigheden van zeevarenden aan boord geregistreerd.
  4. Het register is openbaar.
  5. Bij ministeriële regeling met algemene werking, worden nadere regels gesteld omtrent de inrichting en het beheer van het register.

§ 4 Arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden

Artikel 13

  1. Bij het te werk stellen van zeevarenden aan boord van een schip draagt de scheepsbeheerder ervoor zorg dat wordt voldaan aan norm A1.1 en norm A3.2, achtste lid, van het verdrag.
  2. Bij het te werk stellen van een zeevarende aan boord van een schip draagt de scheepsbeheerder ervoor zorg dat een zeevarende beschikt over een geldige geneeskundige verklaring dat voldoet aan norm A1.2, tenzij de minister een ontheffing heeft verleend als bedoeld in het achtste lid van de norm.

Artikel 14

  1. Bij het te werk stellen van zeevarenden aan boord van een schip door tussenkomst van een werving- of bemiddelingsbureau:
    a. maakt de scheepsbeheerder gebruik van bureaus gevestigd in een Staat aangesloten bij het Verdrag, of een bureau dat is onderzocht door een rechtspersoon als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, en een positieve beoordeling heeft verkregen, of een bureau waarvan de scheepsbeheerder kan bewijzen dat deze het Verdrag naleeft;
    b. stelt deze vast dat het bureau aan de zeevarende geen kosten in rekening brengt of heeft gebracht voor de werving- of bemiddeling; en
    c. de zeevarende beschikt over een zeearbeidsovereenkomst met het bureau dat voldoet aan norm A2.1.
  2. Het eerste lid, onderdelen b en c, zijn van overeenkomstige toepassing indien een scheepsbeheerder tevens zeewerkgever is.

Artikel 15

  1. De zeewerkgever draagt ervoor zorg dat de totstandkoming en uitvoering van een zeearbeidsovereenkomst voldoet aan norm A2.1.
  2. De zeewerkgever draagt zorg voor betaling van lonen overeenkomstig norm A2.2 met inachtneming van richtlijn B2.2, in het bijzonder de principes neergelegd in richtlijn B2.2.2, vierde lid.
  3. Een zeevarende bouwt gedurende het dienstverband aanspraak op jaarlijks verlof met behoud van loon op overeenkomstig norm A2.4, tweede lid, met inachtneming van richtlijn B2.4.
  4. Indien de scheepsbeheerder niet tevens de zeewerkgever is, stelt deze schriftelijk vast dat het eerste en tweede lid, worden toegepast.

Artikel 16

  1. De scheepsbeheerder draagt ervoor zorg dat de huisvesting en voorzieningen aan boord van een Curaçaos schip gebouwd voor inwerkingtreding van dit besluit voldoet aan voorschrift 3.1 met in achtneming van richtlijn B3.1.
  2. De kapitein draagt zorg voor regelmatige inspectie van de verblijfsruimten en recreatieve voorzieningen ter vaststelling dat deze schoon, bewoonbaar en in goede staat van onderhoud zijn. Van de inspecties wordt een rapport opgemaakt dat ter inzage beschikbaar blijft.
  3. Bij beschikking van de minister kan een scheepsbeheerder voor een bepaald schip afwijken van het eerste en tweede lid, indien:
    a. afwijking wenselijk is ter tegemoetkoming aan uitdrukkelijke verschillen van levensbeschouwelijke of culturele aard tussen zeevarenden, zonder dat er sprake is van discriminatie;
    b. de afwijking redelijk is; en
    c. deze niet leidt tot verblijfsruimten die van mindere kwaliteit zijn dan als niet was afgeweken.
  4. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 17

  1. De scheepsbeheerder voorziet de zeevarenden en overige opvarenden aan boord van voedsel en drinkwater van voldoende hoeveelheid, kwaliteit, voedingswaarde en variëteit, gelet op de behoeften van het schip met inachtneming van culturele of levensbeschouwelijke verschillen, waarbij in elk geval de volgende normen gelden:
    a. bij het vaststellen van de voorraden aan boord wordt rekening gehouden met het aantal zeevarenden aan boord, de levensbeschouwelijke en culturele verschillen, de duur en de aard van de reis;
    b. de organisatie van de voedselvoorziening is gericht op de bereiding van de maaltijden en overig voedsel op hygiënische wijze.
  2. De kapitein draagt zorg voor regelmatige inspectie van de voorraden en de ruimten en apparatuur voor opslag, bewerking en bereiding van voedsel en drinkwater ter vaststelling dat deze schoon en in goede staat van onderhoud zijn. Van de inspecties wordt een rapport opgemaakt dat ter inzage beschikbaar blijft.
  3. Aan een zeevarende worden geen kosten in rekening gebracht in verband met de voedselvoorziening aan boord.

Artikel 18

  1. Elke zeevarende betrokken bij de bereiding van maaltijden en overige eet- en drinkwaren, beschikt over de vaardigheden en kwalificaties vereist voor de uitoefening van deze functie.
  2. Een scheepsbeheerder stelt een zeevarende enkel als scheepskok te werk indien deze:
    a. beschikt over een certificaat van een erkende koksopleiding in Curaçao of een andere Staat aangesloten bij het Verdrag, en
    b. waaruit blijkt dat de zeevarende over kennis en vaardigheden beschikt ten aanzien van voedingswaarden, het opstellen van gevarieerde en gebalanceerde maaltijden, en het bereiden, verwerken en bewaren van eet- en drinkwaren aan boord.

Artikel 19

  1. In spoedeisende gevallen kan de minister op aanvraag van de scheepsbeheerder ontheffing verlenen van artikel 18, tweede lid, voor een bepaald schip en voor een beperkte periode.
  2. De persoon op wie de aanvraag betrekking heeft beschikt over voldoende kennis en ervaring op het gebied van voedselveiligheid, persoonlijke hygiëne en het bereiden, bewerken en bewaren van eet- en drinkwaren aan boord.
  3. De ontheffing wordt verleend tot voor de voortzetting van de reis tot de eerst volgende aanloophaven of voor een periode van maximaal één maand.

Artikel 20

De scheepsbeheerder draagt ervoor zorg dat aan zeevarenden de bescherming van hun gezondheid wordt geboden die samenhangt met hun werkzaamheden rekening houdende met de specifieke eisen gesteld aan deze bescherming in verband met het werk aan boord van een schip.

Artikel 21

  1. De scheepsbeheerder draagt ervoor zorg dat aan boord maatregelen van preventieve aard worden genomen, waaronder het bieden van informatie en voorlichting over de voorkoming van overdraagbare ziekten en de bevordering van een gezonde levensstijl.
  2. De kapitein draagt ervoor zorg dat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden uitgevoerd.

Artikel 22

  1. De scheepsbeheerder draagt ervoor zorg dat aan een zeevarende de medische en tandheelkundige zorg wordt gegeven welke deze vereist en welke redelijkerwijze aan boord kan worden geboden, waarbij de zorg zoveel mogelijk vergelijkbaar is aan de zorg die aan de wal wordt gegeven.
  2. De scheepsbeheerder draagt ervoor zorg dat een zeevarende een geneeskundige of een tandheelkundige zo nodig voor verdere behandeling kan raadplegen zodra het schip zich in een haven bevindt.
  3. De zeevarende is geen kosten verschuldigd voor de zorg, bedoeld in het eerste en tweede lid.
  4. Bij ministeriële regeling met algemene werking wordt het model van het formulier voor de registratie van de gezondheidstoestand van een zeevarende vastgesteld. Het formulier wordt gebruikt bij de communicatie met een geneeskundige of tandarts aan de wal.
  5. Een formulier en de persoonsgegevens daarop vermeld worden enkel gebruikt ten behoeve van de medische behandeling van de zeevarende, en worden beschermd tegen ongeoorloofde inzage of toegang, indien elektronisch gehouden.

Artikel 23

  1. De scheepsbeheerder draagt ervoor zorg dat een schip beschikt over de bij ministeriële regeling met algemene werking voorgeschreven medische uitrusting, bestaande uit geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota, alsmede medische apparatuur, met de daarbij behorende controlelijsten en handleidingen met inachtneming van internationale standaarden.
  2. De scheepsbeheerder stelt de kapitein in staat ervoor zorg te dragen dat de medische uitrusting in goede staat verkeert, wordt aangevuld en zonodig wordt vernieuwd, zodra dit mogelijk is, in ieder geval met voorrang tijdens de normale bevoorradingsprocedures.
  3. De scheepsbeheerder draagt ervoor zorg dat de kapitein aan boord in elk geval beschikt over de volgende internationaal aanvaarde handleidingen in de meest recente uitgave:
    a. de Internationale medische handleiding voor schepen;
    b. de Handleiding voor medische eerste hulp bij ongevallen met gevaarlijke stoffen;
    c. het Document for Guidance – An international training guide, uitgegeven door de Internationale Maritieme Organisatie; en
    d. het medisch gedeelte van het Internationaal Seinboek.

Artikel 24

  1. Indien een schip onder normale omstandigheden binnen acht uur gekwalificeerde medische zorg en medische voorzieningen kan bereiken, draagt de scheepsbeheerder ervoor zorg dat aan boord ten minste een zeevarende is aangewezen die bij ongevallen of ziekten onmiddellijk maatregelen van eerste hulp kan nemen en medisch advies ontvangen per radio of satelliet kan uitvoeren.
  2. Andere schepen dan die, bedoeld in het eerste lid, beschikken over ten minste een zeevarende met als vaste taak van de functie, het bieden van medische zorg en het toedienen van medicijnen, waaronder intraveneuze toediening, waardoor deze in staat is een doeltreffende bijdrage te leveren aan het gecoördineerde systeem van medische bijstand aan schepen op zee.
  3. Zeevarenden als bedoeld in het eerste en tweede lid, beschikken over de kwalificaties en vaardigheden voorgeschreven in het STCW-Verdrag.
  4. Een zeevarende als bedoeld in het eerste en tweede lid, volgt in elk geval vijfjaarlijks een herhalingscursus om deze in staat te stellen zijn kennis en vaardigheden op peil te houden en te vergroten en op de hoogte te blijven van nieuwe ontwikkelingen.
  5. Indien een zeeschip honderd of meer opvarenden vervoert en een internationale reis onderneemt van langer dan drie dagen, draagt de scheepsbeheerder ervoor zorg dat een geneeskundige aan boord is belast met het verlenen van medische zorg.
  6. De minister kan besluiten dat een schip anders dan, bedoeld in het vijfde lid, een geneeskundige aan boord heeft, indien de duur of de aard van de reis, of het aantal zeevarenden aan boord, hiertoe aanleiding geeft.
  7. De kapitein organiseert de arbeid van de zeevarende, bedoeld in het tweede lid, zodanig dat deze zijn taak kan uitvoeren met inachtneming van de voorgeschreven arbeids- en rusttijden.
  8. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen regels worden gegeven met betrekking tot de inrichting van de medische zorg aan boord met inachtneming van geldende internationaal aanvaarde standaarden.

Artikel 25

  1. De scheepsbeheerder draagt ervoor zorg dat aan boord van elk Curaçaos schip een procedure is vastgesteld voor de behandeling van klachten van zeevarenden met betrekking tot de naleving van het Verdrag of dit besluit, overeenkomstig richtlijn B5.1.5, tweede lid.
  2. Iedere zeevarende ontvangt voor aanvang van zijn werkzaamheden aan boord van de kapitein een afschrift van de aan boord geldende klachtenprocedure.
  3. De scheepsbeheerder draagt ervoor zorg dat een zeevarende die een klacht indient wordt beschermd tegen intimidatie.
  4. Elke belanghebbende kan bij de minister een klacht indienen met betrekking tot de naleving van het Verdrag en dit besluit.
  5. Bij ministeriële regeling met algemene werking worden regels gesteld voor de indiening en afhandeling van klachten in overeenstemming met richtlijn B5.1.5, tweede lid.

Artikel 26

  1. De minister houdt een register van ongevallen, verwondingen en ziekten.
  2. De scheepsbeheerder rapporteert periodiek en onder gebruikmaking van een daartoe door de minister verstrekt formulier of toegang tot een elektronisch bestand, over ongevallen, verwondingen of ziekten aan boord. Het model van het formulier wordt bij ministeriële regeling met algemene werking vastgesteld.

Artikel 27

De kapitein en de scheepsofficieren gedragen zich aan boord ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu en het scheepvaartverkeer zoals het een goed zeeman betaamt.

§ 5 Toezicht op buitenlandse schepen

Artikel 28

De minister draagt zorg voor toezicht op de naleving van het Verdrag door buitenlandse schepen die havens in Curaçao aandoen overeenkomstig voorschrift 5.2.1 en norm A5.2.1.

§ 6 Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 29

Dit landsbesluit wordt aangehaald als: Regeling zeearbeid.

Artikel 30

Dit landsbesluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking.

Naar boven