Hoofdstuk I
Inleidende bepalingen
Artikel 1
Deze landsverordening verstaat onder:
oorlogsletsel : het lichamelijk, of geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten als zodanig in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden, welke met de oorlogvoering onverbrekelijk samenhangen, een en ander voor zover dat letsel is ontstaan binnen het rechtsgebied van Curaçao, of elders is overkomen aan een persoon, die deel uitmaakt van de Curaçaose weermacht of naar buiten het Gebiedsdeel uitgezonden hulpdiensten;
oorlogsslachtoffer : ieder, aan wie oorlogsletsel is overkomen;
nabestaanden : de in artikel 19 genoemde personen;
kostwinner : ieder, die een of meer nabestaanden te zijnen laste heeft, welke voor hun levensonderhoud geheel of hoofdzakelijk van hem afhankelijk zijn;
vijandelijke onderdanen : de personen, die voor de toepassing van de Curaçaose Regeling Rechtsverkeer in Oorlogstijd als vijandelijke onderdanen worden aangemerkt;
de commissie : de op voet van artikel 6 ingestelde commissie;
arbeidsinkomen : elke uitkering, welke iemand als vergoeding voor zijn arbeid van zijn werkgever ontvangt, daaronder begrepen tantièmes, gratificaties, kinder- en duurtetoeslagen en dergelijke, alsmede de fooien of andere ontvangsten van derden, welke verband houden met zijn beroepsarbeid; voorts, indien de vergoeding voor arbeid geheel of gedeeltelijk daaruit bestaat, de vrije huisvesting en de verstrekkingen in natura, beide volgens de waarde ter plaatse van de verstrekking op haar geldswaarde geschat;
verder het zuiver inkomen, dat iemand uit een door hem uitgeoefend beroep geniet, alsmede de zuivere opbrengst uit een zelf gedreven onderneming, voor zover deze niet valt aan te merken als rente van het daarin geïnvesteerde kapitaal;
tenslotte het pensioen of de onderstand welke iemand in verband met een vroeger door hem beklede dienstbetrekking geniet;
ingezetenen : een ieder, die in Curaçao zijn hoofdverblijf heeft.
Artikel 2
- Deze landsverordening is niet van toepassing op niet-ingezetenen en degenen, die in vreemde krijgs- of staatsdienst zijn.
- Vijandelijke onderdanen en in verband met oorlogsomstandigheden geïnterneerde personen, alsmede hun nabestaanden kunnen aan de bepalingen van deze landsverordening geen aanspraken op tegemoetkoming ontlenen.
Artikel 3
- Aanspraak op tegemoetkoming komt toe aan ieder ingezetene, aan wie oorlogsletsel overkomt en voor wie geen wettelijke dan wel bijzondere voorziening is getroffen.
- Het in deze verordening bedoelde oorlogsletsel wordt voor de toepassing van artikel 20 van de ,,Curaçaosche Pensioenverordening 1938” , ten aanzien van de ambtenaren waarop die verordening betrekking heeft, beschouwd als in en door de uitoefening van hun ambt te zijn bekomen.
- Voor het geval dat de voorziening in het eerste lid bedoeld ongunstiger mocht zijn dan in deze landsverordening bepaald, gelden de hiernavolgende bepalingen behalve ten aanzien van de beroepsmilitairen van land- en zeemacht.
Artikel 4
Aan personen, die oorlogsletsel hebben bekomen, alsmede aan de nabestaanden van personen, die ten gevolge van zodanig letsel zijn overleden, wordt ten laste van de geldmiddelen van Curaçao tegemoetkoming verleend op voet van de bepalingen van deze landsverordening.
Artikel 5
- Hij die in strijd met wat redelijkerwijze van hem verwacht kon worden welbewust een handeling verricht of nalaat, ten gevolge waarvan hij of zijn kostwinner enig oorlogsletsel bekomt of ten gevolge waarvan een zodanig oorlogsletsel verergert, kan, evenmin als zijn nabestaanden, aan de bepalingen van deze landsverordening aanspraken op tegemoetkoming ter zake van dat letsel ontlenen.
- Indien toepassing van het in het eerste lid bepaalde tot ernstige onbillijkheid zou leiden, is de Gouverneur bevoegd de commissie te machtigen daarvan af te wijken.
Artikel 6
- Door de Gouverneur wordt voor de uitvoering van deze landsverordening een commissie ingesteld, welke behoudens beroep op de Gouverneur, bij uitsluiting beslist ten aanzien van de toekenning, de herziening en de intrekking van uitkeringen en andere tegemoetkomingen op voet van de bepalingen van deze landsverordening.
- De samenstelling en de werkwijze van deze commissie worden voor zover zulks niet reeds bij deze landsverordening is geschied, door de Gouverneur geregeld.
Artikel 7
De Gouverneur kan, de Raad van Ministers gehoord, in de gevallen, waarin de bij of krachtens deze landsverordening gegeven voorschriften niet voorzien, zomede indien bijzondere redenen daartoe nopen, zo nodig met afwijking van die voorschriften, voor ieder geval afzonderlijk of voor meer gevallen gezamenlijk, een beslissing nemen ten aanzien van toekenning herziening en intrekking van uitkeringen en andere tegemoetkomingen aan oorlogsslachtoffers of hun nabestaanden.
Hoofdstuk II
Van de tegemoetkoming aan oorlogsslachtoffer
en hun nabestaanden in het algemeen
Artikel 8
Hij, aan wie enig oorlogsletsel is overkomen, heeft ter zake van dat letsel aanspraak op:
a. uitkeringen als hieronder nader vermeld;
b. vrije geneeskundige behandeling onder nader door de Gouverneur te stellen voorwaarden en te geven voorschriften.
Artikel 9
- Onder vrije geneeskundige behandeling in het voorgaande artikel bedoeld is begrepen, indien zulks nodig wordt geacht, vrije verpleging alsmede heelkundige behandeling, het verstrekken van kunstmiddelen, voor zover deze onontbeerlijk zijn voor het herstel van redelijke levensomstandigheden voor de patiënt en onderricht in het gebruik van die kunstmiddelen.
- (vervallen)
Artikel 10
- Hij, die zijn 18de levensjaar voltooid hebbende ter zake van het hem overkomen oorlogsletsel onder geneeskundige behandeling is en een week na het ontstaan van dat letsel nog niet in staat is zijn werkzaamheden te hervatten, heeft met ingang van de dag na die van het ontstaan van het letsel, – en degene die de 18-jarigen leeftijd nadien bereikt met ingang van zijn 18de verjaardag – tot en met de dag, waarop hij uit de geneeskundige behandeling wordt ontslagen, dan wel weer in staat is tot het hervatten van zijn werkzaamheden of tot het verrichten van andere naar het oordeel van de commissie hem passende arbeid, aanspraak op een tijdelijke periodieke uitkering tot een bedrag, berekend naar de bepalingen van het volgende hoofdstuk.
- De in het eerste lid bedoelde aanspraak wordt opgeschort ten aanzien van oorlogsslachtoffers, die en voor zolang zij deel uitmaken van de weermacht.
Artikel 11
- Hij, die op het tijdstip, waarop de in artikel 10 bedoelde uitkering een einde neemt, naar het oordeel van de commissie geheel of voor een belangrijk deel ongeschikt is tot het verrichten van hem passende arbeid, heeft met ingang van de dag na dat tijdstip voor de verdere duur van zijn ongeschiktheid aanspraak op een periodieke invaliditeitsuitkering tot een bedrag, berekend naar de bepalingen van het volgende hoofdstuk.
- Hij, die zich ter zake van het hem overkomen oorlogsletsel niet onder geneeskundige behandeling heeft gesteld, dan wel zich zonder gegronde reden voortijdig aan zodanige behandeling heeft onttrokken, kan slecht aanspraak doen gelden op een invaliditeitsuitkering als bedoeld in het voorgaande lid, indien blijkt, dat zijn ongeschiktheid tot werken niet door passende geneeskundige behandeling had kunnen zijn voorkomen. Als ingangsdatum voor de uitkering wordt in dit geval aangemerkt de dag na die, waarop hij de daartoe strekkende aanvraag heeft gedaan.
- Aan personen beneden de leeftijd van 18 jaar, die op het tijdstip van het ontslag uit de geneeskundige behandeling naar het oordeel van de commissie blijvend invalide zijn, kan tot de dag, waarop zij hun 18de levensjaar hebben voltooid, naar door de Gouverneur te stellen regelen, kosteloos onderwijs worden verstrekt op die scholen, dan wel in die vakken, welke naar het oordeel van de commissie voor hen in verband met hun lichamelijke toestand en met het oog op het verkrijgen van de nodige geschiktheid tot het verrichten van hun passende arbeid het meest doelmatig worden geacht.
- De in het voorgaande lid bedoelde personen hebben, indien zij bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaren naar het oordeel van de commissie geheel of voor een belangrijk deel ongeschikt zijn tot het verrichten van hun passende arbeid, met ingang van de dag, waarop zij hun 18de levensjaar hebben voltooid, voor de verdere duur van hun ongeschiktheid aanspraak op een uitkering als bedoeld in het eerste lid.
- De commissie kan, daartoe termen vindende, met tijdelijke afwijking van het bepaalde in het eerste en vierde lid, aan personen, die hun 18de levensjaar hebben voltooid, in plaats van een periodieke invaliditeitsuitkering kosteloos onderwijs als bedoeld in het derde lid doen verstrekken.
Artikel 12
Aan hem, te wiens laste de kosten van de begrafenis van een ten gevolge van het hem overkomen oorlogsletsel overleden persoon zijn gekomen, kunnen door de Commissie de gedane uitgaven, voor zover de redelijkheid daarvan wordt aangetoond, tot een maximum van tweehonderd gulden worden vergoed.
Artikel 13
- De nabestaanden van hem, die ten gevolge van het hem overkomen oorlogsletsel is overleden, of van wie naar het oordeel van de commissie moet worden aangenomen, dat hij ten gevolge van enig oorlogsletsel is overleden, hebben, voor zover zij voor hun levensonderhoud geheel of hoofdzakelijk van de overledene afhankelijk waren met ingang van de dag na die van het overlijden of vermoedelijk overlijden van het oorlogsslachtoffer aanspraak op een periodieke pensioenuitkering tot een bedrag, berekend naar de bepalingen van het volgende hoofdstuk. Een weduwe wordt geacht voor haar levensonderhoud geheel of hoofdzakelijk van haar overleden echtgenoot afhankelijk te zijn geweest.
- Indien iemand binnen twee maanden, nadat hem enig oorlogsletsel is overkomen, ten gevolge van dat letsel is overleden, kan de commissie aan de personen, die tezamen met de overledene een gezin vormden en die op grond van het bepaalde in het vorige lid aanspraak hebben op een periodieke pensioenuitkering, bovendien een uitkering ineens toekennen tot een bedrag berekend naar de bepalingen van het volgende hoofdstuk.
Artikel 14
De commissie is bevoegd om, wanneer een periodieke uitkering tot een gering bedrag anders dan voorlopig behoort te worden toegekend en verwacht kan worden, dat de uitkering gedurende meer dan vijf jaren zal moeten worden gedaan, op verzoek van de rechthebbende of zijn wettige vertegenwoordiger zodanige uitkering om te zetten in een uitkering ineens tot een bedrag, berekend naar de bepalingen van het volgende hoofdstuk. De omzetting wordt geweigerd, indien naar het oordeel van de commissie onvoldoende waarborgen bestaan, dat de uitkering ineens in het werkelijk belang van de rechthebbende zal worden besteed.
Hoofdstuk III
Van de omvang van de uitkeringen
Artikel 15
Bij de berekening van het bedrag van de in het voorgaande hoofdstuk genoemde uitkeringen gelden de volgende bepalingen.
Artikel 16
- Als grondslag voor de berekening van de uitkering per maand wordt genomen 1/12 gedeelte van het gehele bedrag aan arbeidsinkomen, dat door het oorlogsslachtoffer is genoten gedurende het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag, waarop hem het oorlogsletsel is overkomen.
- Indien het oorlogsslachtoffer gedurende het in het eerste lid genoemde jaar geen arbeidsinkomen heeft genoten dan wel een arbeidsinkomen, dat aanzienlijk geringer is geweest dan het in voorgaande jaren genotene, kan de commissie, rekening houdende met de omstandigheden van ieder geval, een ander tijdvak van een jaar in aanmerking nemen onmiddellijk voorafgaande aan een tijdstip, dat niet meer dan drie jaar voor de dag waarop hem het oorlogsletsel overkwam, of – indien het oorlogsslachtoffer tot de weermacht behoort – voor de dag, waarop hij laatstelijk voor de dienst is opgeroepen, mag zijn gekozen.
- Indien het oorlogsslachtoffer, voordat hem het oorlogsletsel overkwam nog geen jaar in het genot van arbeidsinkomen was, zal als grondslag voor de berekening dienen een door de commissie te bepalen bedrag, bij het bepalen waarvan zij rekening zal houden met het gemiddelde arbeidsinkomen over een maand dat een gelijksoortig persoon met overeenkomstig ontwikkeling als aanvangsinkomen pleegt te ontvangen.
- Indien de naar de bepalingen van de voorafgaande leden van dit artikel afgeleide grondslag meer bedraagt dan Cg 600,-, komt het meerdere voor de berekening van een uitkering niet in aanmerking.
Artikel 17
Behoudens het bepaalde bij artikel 21 bedraagt de tijdelijke uitkering genoemd in artikel 10 over het tijdsverloop van een maand een door de commissie vast te stellen bedrag, hetwelk gedurende de eerste drie maanden ten hoogste 80% van de in artikel 16 aangegeven grondslag zal bedragen, en gedurende de daaropvolgende maanden ten hoogste 50% van die grondslag.
Artikel 18
- Behoudens het bepaalde bij artikel 21 bedraagt de invaliditeitsuitkering genoemd in artikel 11 over het tijdsverloop van een maand:
a. ingeval van algehele ongeschiktheid 50% van de in artikel 16 aangegeven grondslag;
b. ingeval van gedeeltelijke ongeschiktheid een percentage van die grondslag, als aangegeven in de aan deze landsverordening gehechte tabel, met dien verstande, dat indien de ongeschiktheid niet in verband staat met een van de op deze tabel voorkomende verminkingen, dan wel naar het oordeel van de commissie door de verminking alleen niet voldoende is bepaald, de invaliditeitsuitkering door de commissie zal worden vastgesteld op een deel van de sub a genoemde uitkering in verhouding tot de verloren geschiktheid tot werken.
- Indien de ongeschiktheid niet in verband staat met een van de op de tabel, bedoeld in het eerste lid, sub b, voorkomende verminkingen, dan wel, naar het oordeel van de commissie, door de verminkingen alleen niet voldoende is bepaald, mag voor verlies of onbruikbaarheid van enig lichaamsdeel nooit een hogere graad van arbeidsongeschiktheid worden vastgesteld dan het in bedoelde tabel voor verlies van het betrokken lichaamsdeel aangegeven maximum invaliditeitspercentage.
- Indien de tot een invaliditeitsuitkering gerechtigde een of meer personen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder c en d geheel of hoofdzakelijk te zijnen laste heeft, kan de commissie zijn uitkering met ten hoogste 10% daarvan voor ieder kind of iedere ouder verhogen, met dien verstande, dat de verhoging in totaal niet meer dan 30% van de uitkering zal bedragen, en de gehele uitkering het bedrag van Cg 300,- niet zal mogen overschrijden.
- De invaliditeitsuitkeringen, die worden toegekend over een tijdvak liggende binnen de eerste drie maanden na het ontstaan van het oorlogsletsel, kunnen door de commissie worden verhoogd tot ten hoogste 80% van de in artikel 16 aangegeven grondslag.
Artikel 19
- Behoudens het bepaalde bij artikel 21, bedraagt de pensioenuitkering, genoemd in het eerste lid van artikel 13, over het tijdsverloop van een maand:
a. voor de vrouw, met wie de overledene gehuwd was op het tijdstip, waarop hem het oorlogsletsel overkwam en met wie hij nog gehuwd was op het tijdstip van het overlijden, een percentage van de in artikel 16 aangegeven grondslag, dat gesteld wordt op 30% van de eerste Cg 100,-, 25% van de tweede Cg 100,-, 20% van de derde Cg 100,- en 15% van het resterend bedrag van die grondslag;
b. voor de man, met wie de overledene gehuwd was op het tijdstip, waarop haar het oorlogsletsel overkwam en met wie zij nog gehuwd was op het tijdstip van het overlijden zoveel als zij in de regel tot zijn levensonderhoud bijdroeg, doch niet meer dan de onder a bedoelde percentages van de in artikel 16 aangegeven grondslag;
c. voor elk ongehuwd wettig, wettelijk erkend kind, alsmede voor elk ongehuwd stief- of pleegkind, alsook voor elk ongehuwd ouderloos kleinkind, allen beneden de leeftijd van 18 jaren, die de overledene op het tijdstip waarop hem het oorlogsletsel overkwam, bestonden, 10% van de in artikel 16 aangegeven grondslag, tot een maximum van 50%;
d. voor een of beide ouders, of bij ontstentenis van deze voor een of beide grootouders, alsook voor een of beide schoonouders, welke de overledene op het tijdstip, waarop hem het oorlogsletsel overkwam, bestonden, zoveel als deze in de regel tot hun onderhoud bijdroeg, doch niet meer dan de onder a bedoelde percentage van de in artikel 16 aangegeven grondslag.
- De uitkeringen aan de gezamenlijke nabestaanden van een oorlogsslachtoffer zullen over het tijdsverloop van een maand niet meer dan 50% van de in artikel 16 aangegeven grondslag bedragen. Zo nodig wordt elke uitkering daartoe evenredig verminderd.
Artikel 20
Indien het arbeidsinkomen, dat als grondslag voor de berekening van de uitkeringen wordt genomen, geheel of ten dele uit pensioen of onderstand bestaat, kan de commissie de in artikelen 17, 18 en 19 bedoelde uitkeringen verdubbelen, voor zover zij gebaseerd zijn op dat pensioen of die onderstand, met dien verstande dat de uitkeringen nimmer het bedrag van de in artikel 16 aangegeven grondslag en bovendien nimmer het bedrag van Cg 300,- zullen mogen overschrijden.
Artikel 21
De commissie zal bij het vaststellen van het bedrag van de uitkeringen, voor zolang zij zulks wenselijk acht, de overeenkomstig de vier voorgaande artikelen berekende uitkeringen verminderen met de uitkeringsgerechtigde uit anderen hoofde toevloeiende inkomsten, welke voortspruiten uit op het tijdstip van het ontstaan van de aanspraak op uitkering reeds bestaande of op dat tijdstip ontstane bronnen.
Artikel 22
- Indien op voet van het bepaalde bij artikel 14 omzetting plaats heeft van een periodieke uitkering in een uitkering ineens, zal deze laatste het 60-voud van de eerste bedragen.
- Wanneer de omzetting geschiedt, nadat een of meer betalingen van de periodieke uitkeringen hebben plaats gevonden, zullen de gedane betalingen in mindering worden gebracht van het ingevolge het voorgaande lid berekende bedrag van de uitkering ineens.
Artikel 23
De in artikel 13, tweede lid, bedoelde uitkering ineens bedraagt ten hoogste 2 maal de in artikel 16 aangegeven grondslag.
Hoofdstuk IV
Van de aanvraag van de tegemoetkomingen
Artikel 24
Tegemoetkomingen op voet van de bepalingen van deze landsverordening worden toegekend op aanvraag van het oorlogsslachtoffer, van een of meer van zijn nabestaanden dan wel van derden, die naar het oordeel van de commissie geacht kunnen worden voor en namens het oorlogsslachtoffer of een of meer van zijn nabestaanden op te treden.
Artikel 25
- Vrije geneeskundige behandeling en verpleging worden geacht te zijn aangevraagd door het enkele inroepen van geneeskundige hulp door of voor het oorlogsslachtoffer.
- De overige tegemoetkomingen op voet van de bepalingen van deze landsverordening worden mondeling of schriftelijk aangevraagd bij de commissie.
Artikel 26
Een aanvraag voor tegemoetkomingen, als bedoeld in het tweede lid van het voorgaande artikel gaat steeds vergezeld van een zo volledig mogelijke opgave van gegevens betreffende de aard en de oorzaak van het bekomen oorlogsletsel en de persoon van het oorlogsslachtoffer.
Hoofdstuk V
Van het onderzoek van de aanvragen
Artikel 27
Na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, stelt de commissie een onderzoek in naar:
1e. de oorzaak en de aard van het voorval;
2e. de identiteit en de verblijfplaats van de getroffene;
3e. het door het voorval veroorzaakte letsel;
4e. de namen en woonplaatsen van de nabestaanden, die ingevolge deze landsverordening enige aanspraak op tegemoetkoming kunnen hebben;
5e. het bedrag, dat krachtens het bepaalde bij artikel 16 als grondslag voor de berekening van de uitkeringen moet worden genomen;
6e. het bedrag en de aard van de inkomsten, die degenen, die aanspraak op enige uitkering maken, na het ontstaan van het oorlogsletsel toevloeien.
Artikel 28
- De commissie houdt het in het voorgaande artikel bedoelde onderzoek zelf, of doet het houden
a. door een of meer van haar leden;
b. door een of meer nader door de Gouverneur aan te wijzen personen;
- De door de commissie met enig onderzoek belaste personen geven aan de hun verstrekte opdrachten met de meeste spoed gevolg.
Artikel 29
- Ieder is verplicht alle door of namens de commissie in verband met het in artikel 27 bedoelde onderzoek verlangde inlichtingen te verstrekken.
- De commissie, alsmede de door de commissie met enig onderzoek belaste personen zijn bevoegd om, indien dat voor een onderzoek noodzakelijk is, daarbij als getuige of als deskundige te horen ieder, die omtrent een van de in artikel 27 genoemde punten inlichtingen zou kunnen geven, daaronder begrepen de getroffene; de opgeroepenen zijn verplicht te verschijnen en behoudens wettige redenen van verschoning mede te delen, wat hun omtrent de te onderzoeken punten bekend is of hun diensten als deskundige te verlenen.
- De verschenen getuigen en deskundigen genieten een schadeloosstelling benevens vergoeding van reiskosten op voet van het tarief van justitiekosten in strafzaken.
Hoofdstuk VI
Van de toekenning van de tegemoetkomingen
en de betaalbaarstelling van de uitkeringen
Artikel 30
- Behoudens het bepaalde bij artikel 7 worden alle tegemoetkomingen door de commissie op voet van de bepalingen van deze landsverordening vastgesteld en toegekend.
- Indien het in artikel 27 bedoelde onderzoek niet binnen bekwamen tijd kan worden beëindigd, kan voorlopige toekenning van een tegemoetkoming plaats vinden.
- De uitbetalingen, gedaan krachtens een voorlopige toekenning, zijn niet voor terugvordering vatbaar, tenzij blijkt, dat de toekenning een gevolg is geweest van het opzettelijk verzwijgen van opgaven of het opzettelijk doen van valse opgaven door degene, aan wie de uitbetaling is geschied.
Artikel 31
Bij het toekennen van een geldelijke uitkering kan de commissie bepalen, dat in mindering van de uit te betalen sommen zullen worden gebracht zodanige bedragen, als zij geraden acht in verband met de omstandigheid, dat aan het oorlogsslachtoffer of zijn nabestaanden buiten de voorschriften van deze landsverordening om door de militaire of burgerlijke autoriteiten reeds betalingen ter zake van bekomen oorlogsletsel zijn gedaan.
Artikel 32
- De commissie reikt van elk besluit tot toekenning van een uitkering een bewijs uit aan de rechthebbende. Het model van het bewijs wordt door de Gouverneur vastgesteld.
- Indien een aangevraagde tegemoetkoming wordt geweigerd, worden de redenen van de weigering de aanvrager schriftelijk medegedeeld.
Artikel 33
De betaalbaarstelling en de uitbetaling van de uitkering geschieden overeenkomstig door de Minister van Financiën vast te stellen voorschriften.
Artikel 34
- De vergoeding voor begrafeniskosten, de uitkeringen in eens en de reeds verschenen termijnen van periodieke uitkeringen worden binnen 8 dagen na de toekenning daarvan betaalbaar gesteld.
- Periodieke uitkeringen worden maandelijks betaalbaar gesteld en wel op de eerste werkdag van de maand, volgende op die waarover de uitkering loopt.
- Indien een periodieke uitkering wordt toegekend met ingang van een dag na de eerste van de maand zal het bedrag van de eerste termijn zoveel dertigste van het bedrag van de uitkering belopen, als die maand na de ingangsdatum van de uitkering nog dagen telt.
- Indien een periodieke uitkering een einde neemt op een dag voor de laatste van de maand, zal het bedrag van de laatste termijn zoveel dertigsten van het bedrag van de uitkering belopen, als er tot en met de datum van beëindiging van de uitkering dagen in die maand zijn verlopen.
- De uitkeringen, welke niet zijn ingevorderd binnen een jaar na de dag van de betaalbaarstelling, worden niet meer uitbetaald, tenzij de rechthebbenden ten genoegen van de commissie aantonen, dat zij de uitkeringen niet hebben kunnen invorderen.
Artikel 35
- De uitkeringen aan minderjarigen worden uitbetaald aan hun wettige vertegenwoordiger dan wel aan een derde, die naar het oordeel van de commissie daarvoor in aanmerking komt.
- De uitkeringen, bedoeld in de artikelen 10 en 11 kunnen op verzoek van het oorlogsslachtoffer dan wel ambtshalve door de commissie worden betaalbaar gesteld aan de daarvoor in aanmerking komende nabestaanden.
Hoofdstuk VII
Van het vervallen van de aanspraak op een tegemoetkoming
Artikel 36
Elke aanspraak op een tegemoetkoming op voet van de bepalingen van deze landsverordening vervalt, indien de tegemoetkoming niet binnen een jaar na het ontstaan van de aanspraak daarop is aangevraagd.
Artikel 37
- Elke aanspraak op een tegemoetkoming vervalt met ingang van de dag na die van het overlijden van de rechthebbende op de tegemoetkoming.
- Elke aanspraak op een tegemoetkoming, welke een vreemdeling heeft, vervalt met ingang van de dag na die, waarop die vreemdeling Curaçao metterwoon verlaat.
Artikel 38
Elke aanspraak op een toegekende periodieke uitkering vervalt, indien de uitkering gedurende drie achtereenvolgende jaren niet is ingevorderd.
Artikel 39
- De aanspraak op voortgezette vrije geneeskundige behandeling en verpleging vervalt, indien de rechthebbende zich zonder gegronde reden voortijdig aan zodanige behandeling of verpleging onttrekt.
- Als gegronde reden in de zin van het eerste lid wordt onder andere aangemerkt de vrees voor een ernstige operatieve behandeling.
Artikel 40
- De aanspraak op een periodieke uitkering vervalt gedurende de tijd, dat de rechthebbende een vrijheidsstraf van drie maanden of langer ondergaat.
- De commissie is bevoegd voor de tijd, gedurende welke ingevolge het in het eerste lid bepaalde de aanspraak is vervallen, aan de nabestaanden van de veroordeelde een periodieke uitkering toe te kennen, ten hoogste tot het bedrag, dat aan de veroordeelde was toegekend.
Artikel 41
- De aanspraak op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a, vervalt met ingang van de dag na die, waarop de vrouw hertrouwt.
- De aanspraak op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder c, vervalt met ingang van de dag na die, waarop het kind zijn 18de levensjaar heeft voltooid dan wel een huwelijk heeft aangegaan.
- Indien meer personen tezamen een uitkering als bedoeld in artikel 19 genieten, is het vervallen van de aanspraak van een van hen van geen invloed op de aanspraken van de anderen.
Hoofdstuk VIII
Van de herziening en de intrekking van uitkeringen
Artikel 42
- Wanneer na een beslissing nopens toekenning, weigering, intrekking of wijziging van een uitkering fouten of omstandigheden bekend worden, welke, indien zij daarvoor bekend waren geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid, of indien de toestand, welke de maatstaf vormde bij het nemen van een zodanige beslissing, verandering ondergaat, kan de commissie ambtshalve of op verzoek van belanghebbenden een nieuwe beslissing ter zake nemen. Op deze beslissing zijn dezelfde bepalingen van toepassing als op de oorspronkelijke beslissing met dien verstande dat voor het in artikel 21 bedoelde tijdstip in de plaats treedt het tijdstip van de nieuwe beslissing.
- Inkomsten, voortvloeiende uit door de uitkeringsgerechtigde na het tijdstip van het ontstaan van de aanspraak op uitkering nieuw aangevangen arbeid, worden niet in mindering van zijn uitkering gebracht gedurende de eerste twee jaren na dat tijdstip.
- Ten aanzien van de uitbetalingen, gedaan krachtens een vroegere toekenning is het bepaalde bij artikel 30, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 43
- Onverminderd het bepaalde in het voorgaande artikel zal de commissie ambtshalve elke beslissing, houdende toekenning of wijziging van een periodieke uitkering, na verloop van telkens twee jaren, nadat zij is genomen, aan heroverweging onderwerpen en ter zake, na een hernieuwd onderzoek op voet van de bepalingen van het vijfde Hoofdstuk, beslissen tot voortzetting, herziening of intrekking van de periodiek uitkering.
- Het bepaalde in de slotzin van het eerste lid en in het derde lid van het voorgaande artikel is in dit geval mede van toepassing.
- De commissie zal bij haar onderzoek met name vaststellen, of er sedert haar laatste beslissing veranderingen zijn ingetreden:
a. in de burgerlijke staat van de rechthebbende;
b. in het arbeidsinkomen en de overige inkomsten van de rechthebbende;
c. in de toestand van ongeschiktheid tot werken, indien de rechthebbende ter zake van zodanige ongeschiktheid een uitkering genoot;
d. in andere omstandigheden welke op haar laatste beslissing van invloed zijn geweest.
- Behalve op veranderingen, als in het voorgaande lid bedoeld, kan de commissie een besluit tot vermindering of intrekking van een periodieke uitkering gronden op de beslissing, dat de rechthebbende heeft nagelaten voor de verbetering van zijn economische positie te doen, wat redelijker wijze van hem verwacht kon worden.
- Zolang de nieuwe beslissing bedoeld in het eerste lid van dit artikel nog niet is genomen, blijft de laatst genomen beslissing van de commissie van kracht.
Hoofdstuk IX
Strafbepalingen
Artikel 44
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie wordt gestraft hij, die niet of niet behoorlijk nakomt een van de ingevolge artikel 28, tweede lid, en artikel 29 op hem rustende verplichtingen.
Artikel 45
Met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
1e. hij, die opzettelijk omtrent een van de in artikel 26 bedoelde gegevens een valse opgave doet;
2e. hij, die, in het geval bedoeld in artikel 29, tweede lid, opgeroepen als getuige of deskundige, omtrent hetgeen hem gevraagd wordt opzettelijk een valse verklaring aflegt.
Artikel 46
- Degene, aan wie een periodieke uitkering is toegekend, alsmede hij, die zodanige uitkering heeft aangevraagd, is verplicht aan de commissie alle hem bekende veranderingen mede te delen, welke ten aanzien van de in artikel 43, derde lid, genoemde omstandigheden plaats vinden. Het niet nakomen van deze verplichting wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie.
- Hij, die in een geval, als bedoeld in het voorgaande lid opzettelijk een valse mededeling doet, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 47
- De leden van de commissie, benevens alle personen die door een zodanige commissie belast zijn met het verrichten van enige werkzaamheid alsook de personen, die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van aanvragen, zijn verplicht tot geheimhouding van al hetgeen hun bij de vervulling van hun taak is bekend geworden, voor zover niet de juiste uitvoering van die taak mededeling daarvan vordert.
- Hij, die opzettelijk de bij het voorgaande lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie.
- Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie.
- Indien het feit ten nadele van een bepaald persoon is gepleegd, wordt het slechts vervolgd op diens klacht.
Artikel 48
De bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als misdrijven, behalve de feiten strafbaar gesteld bij de artikelen 44, 46, eerste lid en 47, derde lid, die als overtredingen worden aangemerkt.
Artikel 49
Met het opsporen van de bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de ambtenaren, die in het algemeen belast zijn met het opsporen van strafbare feiten, mede belast de leden van de commissie.
Hoofdstuk X
Slotbepalingen
Artikel 50
- De uitkeringen zijn onvervreemdbaar, niet vatbaar voor verpanding of belening, evenmin voor executoriaal of conservatoir beslag, noch voor faillissementsbeslag, behalve tot verhaal van het verschuldigde wegens levering van levensbehoeften verstrekt aan degene, tegen wie het beslag gedaan wordt en tot verhaal van onderhoud, waartoe degene, die de uitkering geniet voor de wet is gehouden.
- De lastgeving om enige uitkering te ontvangen kan steeds worden herroepen. Alle hiermee strijdige overeenkomsten zijn nietig.
- Deze bepalingen worden op het bewijs van toekenning van de uitkering afgedrukt.
Artikel 51
Alle stukken en geschriften opgemaakt in verband met de naleving van de voorschriften, bij of krachtens deze landverordening gegeven, zijn vrij van zegel en van het recht van registratie.
Artikel 52
Hetgeen verder ter uitvoering van deze landsverordening nodig is, wordt door de Gouverneur geregeld.
Artikel 53
- (vervallen)
- Deze landsverordening wordt aangehaald als: Algemene oorlogsongevallenregeling.