Landsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao

Publicatienummer: P.B. 2026, no. 3 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsverordening
Ministerie: Verkeer, Vervoer & Ruimtelijke Planning
Datum ondertekening: 22-10-2025
Datum inwerktreding: 03-10-1983
Geregistreerd in:
Klapper Afkondigingsblad ( HOOFDSTUK VII Openbare gezondheid)


LANDSBESLUIT van de 22ste oktober 2025, no. 25/2541, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
3 oktober 1983 n.v.t. n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2026, no. 3 n.v.t.

Hoofdstuk I
Begripsomschrijvingen

 

Artikel 1

Deze landsverordening verstaat onder:
Landsverordening : de Landsverordening grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning;
bouwwerk : elke constructie van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats waarvoor zij is bedoeld, hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
bouwen: : het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
gebouw : elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
slopen : het afbreken van een bouwwerk of van een gedeelte daarvan;
ministerie : het Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning;
verkavelen : het verdelen van een terrein dat zich in een hand bevindt, in twee of meer kavels voor bebouwingsdoeleinden.

 

Hoofdstuk II
Ontwikkelingsplannen

 

Artikel 2

Het ontwikkelingsplan geeft de op langere termijn na te streven ontwikkeling van het daarin begrepen gebied aan, waarbij rekening wordt gehouden met de algemene doelstellingen en met het ontwikkelingsprogramma respectievelijk vermeld in de artikelen 3 en 4 van de Landsverordening.

 

Artikel 3

  1. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning stelt ten behoeve van een goede ruimtelijke ontwikkeling en met het oog op de totstandkoming van ontwikkelingsplannen een onderzoek in naar de bestaande toestand en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van het Land.
  2. Dit onderzoek heeft met name betrekking op:
    a. de natuurlijke gegevens van het gebied;
    b. de bevolkingsontwikkeling;
    c. de ontwikkeling van de welvaartsbronnen;
    d. de sociale en culturele ontwikkelingen in de samenleving;
    e. de huisvesting;
    f. de detailhandelsvoorzieningen, scholen, gezondheids- en recreatieve voorzieningen;
    g. de rechtstoestand;
    h. de grondwaarde.

 

Artikel 4

  1. Het ontwikkelingsplan wordt bij landsverordening vastgesteld en bestaat uit:
    a. een samenvattend programma in hoofdlijnen, daaronder begrepen een toelichting van de doelstellingen, beleidsaspecten en richtlijnen waarop het ontwikkelingsplan steunt;
    b. een of meer kaarten (tekeningen), waarop de ontwikkeling wordt uitgebeeld of welke de doeleinden, beleidsaspecten of richtlijnen van het ontwikkelingsplan tonen;
    c. zo nodig bestemmingsvoorschriften als bedoeld in de hoofdstukken III en IV;
    d. een toelichting, tevens inhoudend een verslag van het aan het plan ten grondslag liggende onderzoek.
  2. Het ontwikkelingsplan dient als algemeen kader voor de ontwikkelingshulpplannen, meerjarenplannen en andere uitvoeringsprojecten.
  3. Het geeft voor zover mogelijk de fasen aan, waarin de uitvoering bij voorkeur dient te geschieden.

 

Artikel 5

Voordat een ontwerp-ontwikkelingsplan ter inzage gelegd wordt, houdt de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning op een door hem te bepalen plaats en tijdstip een of meer openbare hoorzittingen, waarop het voorontwerp wordt gepresenteerd en toegelicht en de aanwezigen in de gelegenheid worden gesteld hun mening over het voorontwerp kenbaar te maken.
De minister doet zich bijstaan door ter zake deskundigen.

 

Artikel 6

  1. Het ontwerp-ontwikkelingsplan ligt gedurende dertig dagen voor een ieder op het ministerie ter inzage.
  2. De terinzagelegging wordt tevoren bekend gemaakt in alle in het Nederlands en in het Papiamentu verschijnende dag- en nieuwsbladen, die in het land verspreid worden.
  3. De bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid tot het indienen van bezwaren.
  4. Een ieder kan binnen de hierboven genoemde termijn van dertig dagen bij de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning schriftelijke bezwaren indienen.

 

Artikel 7

Het vastgestelde ontwikkelingsplan ligt op het ministerie voor een ieder ter inzage.
De terinzagelegging wordt bekend gemaakt op de in artikel 6, tweede lid, aangegeven wijze.

 

Artikel 8

Telkens als de omstandigheden zulks vereisen, en tenminste eenmaal in de vijf jaren, wordt het ontwikkelingsplan herzien, en stelt de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning een verslag vast betreffende de algemene vooruitgang welke is gemaakt ten aanzien van de verwezenlijking van de doelstellingen, beleidsaspecten en richtlijnen van het plan, de gedeelten van het plan welke nog geldig en van kracht zijn, alsmede de gedeelten welke herziening behoeven, tezamen met de aanbevolen herziening daarvan.

 

Hoofdstuk III
Ontwikkelingsplannen met bestemmingsvoorschriften

 

Artikel 9

  1. Voor zover dit voor een goede ruimtelijke ontwikkeling nodig is, kunnen in het ontwikkelingsplan bestemmingsvoorschriften worden opgenomen, dan wel daaraan bij landsverordening later worden toegevoegd.
  2. De bestemming omschrijft de doeleinden, waarvoor de grond, waaronder mede worden verstaan de inhammen, baaien en overige wateren binnen de kustlijn, met het oog op een goede ruimtelijke ontwikkeling van het Land mag worden gebruikt.
  3. Als bestemmingen worden onder meer onderscheiden:
    a. woondoeleinden;
    b. bedrijfsdoeleinden;
    c. detailhandels- en dienstverleningsdoeleinden;
    d. recreatieve doeleinden;
    e. maatschappelijke doeleinden (openbaar nut);
    f. verkeersdoeleinden;
    g. agrarische doeleinden;
    h. doeleinden van landschaps- en natuurbehoud.
  4. De bestemmingsvoorschriften alsmede een ontwerp daarvan bestaan uit:
    a. een of meer bestemmingskaarten met bijbehorende verklaring, waarop de bestemming van de grond wordt aangewezen;
    b. bepalingen in verband met de bestemmingen.
  5. De bestemmingsvoorschriften kunnen beperkingen inhouden ten aanzien van het bouwen, het uitvoeren van andere werken of werkzaamheden in, op of boven de daarin begrepen grond en het gebruik van die grond en de zich daarop bevindende opstallen.
  6. De bestemmingsvoorschriften kunnen bindende regels bevatten omtrent de volgorde, waarin met de verwerkelijking van bepaaldelijk aangeduide onderdelen van het plan een aanvang mag worden gemaakt.

 

Artikel 10

Voordat een ontwerp-ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften, dan wel een ontwerp van bestemmingsvoorschriften ter inzage gelegd wordt, houdt de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning op een door hem te bepalen plaats en tijdstip een of meer openbare hoorzittingen, waarop het voorontwerp wordt gepresenteerd en toegelicht en de aanwezigen in de gelegenheid worden gesteld hun mening over het voorontwerp kenbaar te maken. De minister doet zich bijstaan door ter zake deskundigen.

 

Artikel 11

  1. Het ontwerp-ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften, dan wel het ontwerp van bestemmingsvoorschriften ligt gedurende dertig dagen voor een ieder op het ministerie ter inzage.
  2. De terinzagelegging wordt tevoren bekend gemaakt in alle in het Nederlands en in het Papiamentu verschijnende dag- of nieuwsbladen, die in het land verspreid worden.
  3. De bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid tot het indienen van bezwaren.
  4. Voor zover de ontwerp-bestemmingsvoorschriften volledige herbouw, daaronder niet begrepen herbouw na verwoesting door een calamiteit, uitsluiten van bouwwerken die op het tijdstip van terinzagelegging van de ontwerp-bestemmingsvoorschriften bestaan en die daarmede in strijd zijn, geeft de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning, tegelijkertijd met de bekendmaking, aan de op dat moment in de openbare registers van de hypotheekbewaarder voorkomende zakelijk gerechtigden op de grond of de opstallen binnen het gebied, waarop de ontwerp-bestemmingsvoorschriften betrekking hebben, in persoon kennis van de terinzagelegging, onder vermelding van de bevoegdheid tot het indienen van bezwaren bij de minister.
  5. Tegen het ontwerp-ontwikkelingsplan kan een ieder binnen de in het eerste lid genoemde termijn van dertig dagen bij de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning schriftelijke bezwaren indienen.
  6. Tegen de ontwerp-bestemmingsvoorschriften kunnen uitsluitend belanghebbenden binnen de in het eerste lid genoemde termijn van dertig dagen bij de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning schriftelijke bezwaren indienen.
  7. Alvorens de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning over de indiening bij de Staten van het ontwerp-ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften, dan wel de ontwerp-bestemmingsvoorschriften beslist, stelt de minister, zij die tijdig bezwaren hebben ingediend, in de gelegenheid hun bezwaren mondeling toe te lichten, op een door de minister te houden openbare hoorzitting, waarvan plaats en tijdstip door de minister zal worden bekendgemaakt.
    De minister doet zich bijstaan door ter zake deskundigen.
  8. De in het zevende lid bedoelde openbare hoorzitting wordt niet later gehouden dan dertig dagen nadat de termijn voor de indiening van bezwaren is verstreken.
  9. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning dient het ontwerp-ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften dan wel de ontwerp­bestemmingsvoorschriften binnen negentig dagen na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn in bij de Staten.
    Hij kan de indiening driemaal, telkens voor ten hoogste eenzelfde termijn, verdagen.

 

Artikel 12

  1. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning geeft van de genomen beslissing schriftelijke kennis aan hen die bij hem bezwaren hebben ingediend. De beslissing wordt met redenen omkleed.
  2. Het vastgestelde ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften dan wel de vastgestelde bestemmingsvoorschriften liggen voor een ieder op het ministerie ter inzage gedurende dertig dagen.
  3. De terinzagelegging wordt op de in artikel 11, tweede lid, bedoelde wijze bekend gemaakt.
  4. (vervallen)

 

Artikel 13

  1. Het vastgestelde ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften ligt, nadat het onherroepelijk is geworden, op het ministerie voor een ieder ter inzage.
  2. De terinzagelegging wordt bekend gemaakt op de in artikel 11, tweede lid, aangegeven wijze.

 

Hoofdstuk IV
Bestemmingsvoorschriften

 

Artikel 14

  1. De bestemmingsvoorschriften kunnen zowel gedetailleerde als globale aanwijzingen ten aanzien van de ruimtelijke vormgeving van het plangebied inhouden.
  2. Voor zover de bestemmingsvoorschriften niet overeenstemmen met bepalingen van de Bouw- en Woningverordening 1935 blijven deze bepalingen buiten toepassing.

 

Artikel 15

Gedetailleerde bestemmingsvoorschriften alsmede uitwerkingen bevatten duidelijke aanwijzingen met betrekking tot:
a. de bestemming van de gronden met vermelding, voor zover deze voor bebouwing in aanmerking komen, van de aard en afmetingen van de gebouwen, van hun plaatsing zowel ten opzichte van elkaar als ten opzichte van de weg en van de toelaatbaarheid van bouwwerken die geen gebouwen zijn;
b. de wegen en andere verkeersruimtes.

 

Artikel 16

  1. De bestemmingsvoorschriften kunnen bepalen, dat met inachtneming van in die voorschriften te stellen regels:
    a. de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning de bestemmingen kan of moet uitwerken (globale bestemming);
    b. de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning de bestemmingen binnen bepaalde grenzen kan wijzigen.
  2. De in het eerste lid bedoelde regels bepalen de mate van globaliteit van de uit te werken bestemming dan wel de mate waarin de bestemmingen mogen worden gewijzigd. De mate van globaliteit of de mogelijkheid tot wijzigen, dient een aantoonbaar verband te hebben met de in het plangebied op te lossen ruimtelijke problematiek.
  3. De uitwerkingsregels geven in elk geval aanwijzingen met betrekking tot de hoofdontsluiting van het gebied, de aard van de toelaatbare bebouwing, de bebouwingsdichtheid en de hoogte van de bebouwing.
  4. De in het eerste lid bedoelde regels bepalen ten aanzien van de uitwerking dat er slechts gebouwd mag worden overeenkomstig een rechtskracht hebbende uitwerking.
    Hiervan mag slechts worden afgeweken indien:
    a. het bouwplan in overeenstemming is met een reeds vastgesteld uitwerkingsplan of een daarvoor gemaakt ontwerp;
    b. voor zover nog geen toepassing is gegeven aan artikel 17, zesde lid, belanghebbenden op de in die bepaling aangegeven wijze in de gelegenheid zijn gesteld tegen het bouwplan, waarvoor vergunning wordt gevraagd, bezwaren in te dienen;
    c. vooraf van de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning een verklaring van geen bezwaar is ontvangen.
  5. De in het eerste lid bedoelde regels bepalen ten aanzien van de wijziging dat bouwwerken overeenkomstig de wijziging, voordat de wijziging rechtskracht heeft gekregen, slechts mogen worden opgericht indien:
    a. het bouwplan in overeenstemming is met een reeds vastgesteld wijzigingsplan of een daarvoor gemaakt ontwerp;
    b. voor zover nog geen toepassing is gegeven aan artikel 17, zesde lid, belanghebbenden op de in die bepaling aangegeven wijze in de gelegenheid zijn gesteld tegen het bouwplan, waarvoor vergunning wordt gevraagd, bezwaren in te dienen;
    c. vooraf van de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning een verklaring van geen bezwaar is ontvangen.

 

Artikel 17

  1. Een uitwerkings- of wijzigingsplan alsmede een ontwerp daarvan bestaat uit:
    a. een of meer uitwerkings- of wijzigingskaarten met bijbehorende verklaring, waarop de uitgewerkte of gewijzigde bestemmingen van de grond worden aangewezen;
    b. bepalingen in verband met de uitgewerkte of gewijzigde bestemmingen;
    c. een toelichting waarin de aan de uitwerking of wijziging ten grondslag liggende gedachten zijn weergegeven.
  2. De uitwerking of wijzing geschiedt zoveel mogelijk in overleg met belanghebbenden.
  3. Het ontwerp van een uitwerkings- of wijzigingsplan ligt gedurende vijftien dagen voor een ieder ter inzage op het ministerie.
  4. De terinzagelegging wordt tevoren bekend gemaakt in alle in het Nederlands en in het Papiamentu verschijnende dag- en nieuwsbladen, die in het land verspreid worden.
  5. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning geeft, tegelijkertijd met de bekendmaking, aan de op dat moment in de openbare registers van de hypotheekbewaarder voorkomende zakelijk gerechtigden op de grond of de opstallen binnen het gebied waarop de ontwerp-uitwerking of -wijziging betrekking heeft, in persoon kennis van de terinzagelegging onder vermelding van de bevoegdheid tot het indienen van bezwaren bij de minister.
  6. Belanghebbenden kunnen, binnen de hierboven genoemde termijn van vijftien dagen, bij de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning schriftelijke bezwaren indienen tegen de ontwerp-uitwerking of -wijziging.
  7. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning stelt het uitwerkings- of wijzigingsplan binnen dertig dagen na afloop van de in het derde lid genoemde termijn vast.
  8. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning geeft van de genomen beslissing schriftelijk kennis aan hen die bij hem bezwaren hebben ingediend. De beslissing wordt met redenen omkleed.
  9. Het vastgestelde uitwerkings- of wijzigingsplan ligt voor een ieder op het ministerie ter inzage gedurende vijftien dagen.
    De terinzagelegging wordt op de in het vierde lid bedoelde wijze bekend gemaakt.
  10. (vervallen)
  11. (vervallen)
  12. (vervallen)

 

Artikel 18

Het uitwerkings- en/of wijzigingsplan wordt geacht deel uit te maken van de bestemmingsvoorschriften behorende bij een ontwikkelingsplan. Het kan, zolang en voor zover de bestemmingen nog niet zijn verwerkelijkt, worden herzien op dezelfde wijze als waarop het tot stand gebracht is.

 

Hoofdstuk V
Beschermde stads- en dorpsgedeelten

 

Artikel 19

  1. Voor stads- en dorpsgedeelten, waarvan het algemeen aanzicht uit het oogpunt van historische, stedenbouwkundige en/of toeristische en culturele waarden bijzondere bescherming behoeft legt de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning een ontwerp-ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften ter inzage.
  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 9, vijfde lid, kunnen de bestemmingsvoorschriften ter bescherming van stads- of dorpsgedeelten beperkingen inhouden ten aanzien van het bouwen, slopen en uitvoeren van andere wijzigingen in het uiterlijk aanzien van de daarin begrepen stads- en dorpsgedeelten.
  3. Beperkingen omtrent het bouwen kunnen onder meer betreffen het gebruik, de samenstelling van de materialen, de gevelgeleding, de dakvorm en de perceelsindeling.
  4. Het bepaalde in artikel 11 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in de plaats van een termijn “dertig dagen” in het achtste lid wordt gelezen “zestig dagen”.

 

Hoofdstuk VI
Aanlegvergunningen

 

Artikel 20

  1. De bestemmingsvoorschriften kunnen bepalen, dat het verboden is binnen een bij de bestemmingsvoorschriften aan te geven gebied, bepaalde werken geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder schriftelijke vergunning van de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning.
  2. De bestemmingsvoorschriften bevatten tevens bepalingen omtrent de toelaatbaarheid van zodanige werken en werkzaamheden.
  3. De in het eerste lid bedoelde werken en werkzaamheden kunnen onder meer betreffen:
    a. het ontginnen, afgraven, ophogen, egaliseren of doen springen van de bodem;
    b. het aanleggen van wegen en andere terreinverhardingen;
    c. het aanbrengen van boven- of ondergrondse constructies, installaties of apparatuur;
    d. werken en werkzaamheden die de waterhuishouding en de grondwaterstand beïnvloeden;
    e. het aanbrengen van kaden of aanlegplaatsen;
    f. het vellen en rooien van bomen en andere begroeiing;
    g. het beplanten van gronden;
    h. het slopen van bouwwerken;
    i. het aanleggen van vuilnis- en schrootstortplaatsen.
  4. Het verzoek om een aanlegvergunning wordt schriftelijk ingediend bij de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning. De verzoeker is verplicht alle inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die nodig zijn ter beoordeling van het verzoek. De minister neemt binnen zestig dagen na ontvangst een beslissing op het verzoek. De minister kan deze termijn met ten hoogste eenmaal dertig dagen verlengen.
  5. De aanlegvergunning mag alleen en moet worden geweigerd indien het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met de bestemmingsvoorschriften of de krachtens deze voorschriften gestelde eisen.
  6. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning houdt de beslissing aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 25 is genomen dan wel een ontwerp-ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften, een ontwerp van bestemmingsvoorschriften of een ontwerp­herziening daarvan ter inzage is gelegd.
  7. De aanhouding duurt totdat het voorbereidingsbesluit is vervallen, de termijn genoemd in artikel 11, negende lid, is overschreden, dan wel de bestemmingsvoorschriften of de herziening daarvan onherroepelijk zijn of is geworden.
  8. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning kan in afwijking van het in het zesde lid bepaalde de vergunning verlenen indien het werk of de werkzaamheid niet in strijd is met de ontwerp-­bestemmingsvoorschriften of met de ontwerp-herziening daarvan en na vaststelling en terinzagelegging is gebleken dat tegen de onderdelen waarop het werk of de werkzaamheid betrekking heeft geen beroep is ingesteld.
  9. (vervallen)
  10. De aanlegvergunning kan worden ingetrokken:
    a. indien de aanlegvergunning op grond van door de verzoeker gegeven onjuiste of onvolledige inlichtingen en bescheiden is verleend;
    b. indien niet binnen een daarin bepaalde termijn met de werken of werkzaamheden is aangevangen;
    c. indien in strijd wordt gehandeld met de voorwaarden waaronder de aanlegvergunning is verleend.

 

Hoofdstuk VII
Gebruik

 

Artikel 21

  1. De bestemmingsvoorschriften kunnen bepalen dat het verboden is bouwwerken en onbebouwde gronden te gebruiken, te doen of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in de bestemmingsvoorschriften aan de grond gegeven bestemming.
  2. Indien de bestemmingsvoorschriften het in het eerste lid bedoelde verbod inhouden, wordt eveneens bepaald dat wanneer er geen dringende reden is om het meest doelmatige gebruik te beperken, de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning vrijstelling verleent van het verbod.
    Een dringende reden is in elk geval aanwezig indien door het voorgenomen andere gebruik – gezien de ligging van het bouwwerk of de gronden – het gebruik van gronden en bouwwerken in de omgeving in ernstige mate kan worden gestoord zonder dat zodanige stoornis zal zijn te voorkomen door het stellen van voorwaarden of op andere wijze.
  3. Het bepaalde in artikel 22, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Hoofdstuk VIII
Vrijstellingen en nadere eisen

 

Artikel 22

  1. De bestemmingsvoorschriften kunnen bepalen dat de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning, met inachtneming van de in die voorschriften te stellen regelen, bevoegd is vrijstelling te verlenen van de daarin aan te duiden bepalingen, dan wel nadere eisen te stellen omtrent de in die voorschriften omschreven onderwerpen.
  2. Alvorens de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning de vrijstelling verleent brengt het hoofd van de Uitvoeringsorganisatie Ruimtelijke Ordening en Planning, binnen veertien dagen na kennisgeving, ter zake advies uit.
  3. Het besluit tot het verlenen van vrijstelling van de bestemmingsvoorschriften of tot het stellen van nadere eisen geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.

 

Artikel 23

  1. Indien een landsverordening tot herziening van een ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften dan wel van bestemmingsvoorschriften is vastgesteld en ter inzage heeft gelegen, maar nog niet herroepelijk is geworden, kan de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning voor het desbetreffende gebied schriftelijk vrijstelling verlenen van de bestemmingsvoorschriften van het geldende plan.
  2. Vrijstelling kan slechts worden verleend:
    a. voor onderdelen van vastgestelde herziening waartegen geen beroep is ingesteld;
    b. indien het doel waarvoor de vrijstelling dient in overeenstemming is met de vastgestelde herziening.
  3. Het bepaalde in artikel 22, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 24

  1. Ten aanzien van bouwwerken, niet zijnde woningen, die strekken ter voorziening in een tijdelijke behoefte, kan de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning voor een termijn van ten hoogste vijf jaren vrijstelling verlenen van de bestemmingsvoorschriften, voor zover het bestemmingen betreft, die hiervoor uitdrukkelijk in de bestemmingsvoorschriften zijn aangewezen.
  2. Vrijstelling wordt in elk geval geweigerd, indien:
    a. niet aannemelijk is dat het bouwwerk gedurende ten hoogste vijf jaren of, indien vrijstelling is gevraagd voor een korter tijdvak, niet langer dan dat tijdvak in stand zal worden gehouden;
    b. aannemelijk is dat de bestemming binnen het gevraagde vrijstellingstijdvak zal worden gerealiseerd;
    c. aannemelijk is dat door het verlenen van vrijstelling een te beschermen stads- of dorpsgedeelte zal worden geschaad;
    d. aannemelijk is dat de belangen van derden op aangrenzende en nabijgelegen gronden in ernstige mate door het verlenen van de vrijstelling zullen worden geschaad.
  3. Het bepaalde in artikel 22, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Hoofdstuk IX
Voorbereidingsbesluiten

Artikel 25

  1. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning kan verklaren dat een ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften wordt voorbereid.
  2. Het voorbereidingsbesluit wordt na de vaststelling onverwijld medegedeeld aan de Staten.
  3. Bij het voorbereidingsbesluit wordt bepaald voor welk gebied het geldt.
  4. Bij het voorbereidingsbesluit kunnen beperkingen ten aanzien van het bouwen, het uitvoeren van andere werken of werkzaamheden in, op of boven de daarin begrepen grond en van het gebruik van die grond en de zich daarop bevindende opstallen worden gegeven.
    Voor het uitvoeren van deze werken of werkzaamheden, kan een schriftelijke vergunning, zoals bedoeld in artikel 20 worden geëist.
  5. Het voorbereidingsbesluit wordt bekend gemaakt in het Publicatieblad en ligt op het ministerie voor een ieder ter inzage.
  6. De terinzagelegging wordt bekend gemaakt in alle in het Nederlands en in het Papiamentu verschijnende dag- en nieuwsbladen, die in het land verspreid worden.
  7. Het voorbereidingsbesluit vervalt indien niet binnen een jaar na de dagtekening daarvan het ontwerp­ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften dan wel van bestemmingsvoorschriften ter inzage is gelegd. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning kan het voorbereidingsbesluit met ten hoogste een jaar verlengen. Het tweede, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing

 

Hoofdstuk X
Overgangsrecht in bestemmingsvoorschriften

Artikel 26

  1. De bestemmingsvoorschriften regelen de bevoegdheid ten aanzien van het behoud van bestaande bouwwerken en de voortzetting van het bestaande gebruik van de grond en de bouwwerken, een en ander naar de toestand op het tijdstip van terinzagelegging van het voorbereidingsbesluit, van het ontwerp­ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften of van de ontwerp-bestemmingsvoorschriften.
  2. De bestemmingsvoorschriften geven waarborgen ten aanzien van gedeeltelijke vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken of, indien deze door een calamiteit worden verwoest, gehele vernieuwing van die bouwwerken, mits de afwijking van de bestemmingsvoorschriften op generlei wijze wordt vergroot en de vergunning voor herbouw van het door de calamiteit verwoeste bouwwerk, binnen een termijn van drie jaar wordt aangevraagd.
  3. Voor de toepassing van dit artikel worden onder bestaande bouwwerken mede begrepen bouwwerken die op het in het in het eerste lid genoemde tijdstip in aanbouw waren, met dien verstande dat het bouwwerk op dat moment een waarde vertegenwoordigde van tenminste tien procent van de totale waarde die het bouwwerk zou hebben, indien het gebouwd zou worden overeenkomstig de bouwvergunning, een en ander volgens de waardebepalingen door de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning.

 

Hoofdstuk XI
Schadevergoeding

 

Artikel 27

  1. Indien belanghebbenden ten gevolge van de bestemmingsvoorschriften werkelijke schade lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te hunnen laste behoort te komen, en een minnelijke regeling ter zake van de verschuldigde schadevergoeding niet kan worden bereikt, wordt uit de landskas een vergoeding, door de rechter naar billijkheid te bepalen, aan de belanghebbende betaald.
  2. Voor de toepassing van dit artikel worden niet onder bestemmingsvoorschriften begrepen:
    a. de volgorde van verwerkelijking van het ontwikkelingsplan;
    b. de indeling van het wegennet of de kavelindeling;
    c. het aantal, de plaatsing, de afmetingen of het uiterlijk van de op te richten gebouwen.

 

Artikel 28

Teneinde tot een minnelijke regeling te komen van de verschuldigde schadevergoeding ten gevolge van de bestemmingsvoorschriften dient de belanghebbende die meent werkelijke schade te hebben geleden, zo spoedig mogelijk een verzoekschrift in bij de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning, vermeldende zoveel mogelijk de aard en omvang van de schade.

 

Hoofdstuk XII
Uitvoerings- en inrichtingseisen bij de planvorming

Artikel 29

Bij de voorbereiding van een ontwerp-ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften, dan wel van ontwerp­bestemmingsvoorschriften, dient er onderzoek gedaan te worden naar de uitvoerbaarheid van de bestemmingen welke in de naaste toekomst zullen worden gerealiseerd.

 

Artikel 30

De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning stelt voorschriften vast met betrekking tot:
a. de samenstelling van de coördinerende en interdisciplinaire voorbereidingsgroepen voor de ontwikkelingsplannen;
b. het overleg tussen diensten en organisaties binnen de overheid alsmede met instanties en organisaties buiten de overheid in het kader van de voorbereiding van ontwikkelingsplannen;
c. de schaal van kaarten;
d. de coderingen, kleuren en tekens op de kaarten.

 

Hoofdstuk XIII
Dwang- en Strafbepalingen

 

Artikel 31

  1. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke is bevoegd op kosten van de overtreders te doen wegnemen, beletten, verrichten of in vorige toestand herstellen datgene dat in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze landsverordening is of wordt gehouden, gemaakt of gesteld, ondernomen, weggelaten, beschadigd of weggenomen.
  2. Behalve in spoedeisende gevallen maakt de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning van deze bevoegdheid geen gebruik, dan nadat de belanghebbende schriftelijk is gewaarschuwd en hem de gelegenheid is gegeven om binnen een termijn van ten hoogste drie maanden de toestand in overeenstemming te brengen met het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde.

 

Artikel 32

  1. Overtreding van de bestemmingsvoorschriften, van de voorschriften van een voorbereidingsbesluit, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste vijfduizend gulden.
  2. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis of geldboete tot het dubbel van het gestelde maximum worden opgelegd.
  3. De in dit artikel bedoelde strafbare feiten worden beschouwd als misdrijven.
  4. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning draagt de ambtenaren, die belast worden met het toezicht op de naleving van deze landsverordening, voor aan de Gouverneur, opdat zij overeenkomstig artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering kunnen worden aangesteld en beëdigd als opsporingsambtenaar.

 

Hoofdstuk XIV
Verkavelingsplannen

(vervallen)

 

Artikel 33 tot en met artikel 40

(vervallen)

 

Hoofdstuk XV
Overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 41

  1. Deze landsverordening wordt aangehaald als: Landsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao.
  2. (vervallen)

 

Artikel 42

(vervallen)

Artikel 43

(vervallen)

 

Naar boven