
Bij exploit van 21 december 2021 van ondergetekende gerechtsdeurwaarder, Patrick Elogio Kirindongo, deurwaarder bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, St. Eustatius en Saba en bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao, kantoorhoudende te Curaçao, aan het adres Winston Churchillweg 72 L, waarvan een afschrift is gelaten aan de Edelachtbare Heer/Vrouwe Officier van Justitie bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao, die het oorspronkelijke voor “gezien” heeft getekend, is op verzoek van de openbare rechtspersoon STAAT DER NEDERLANDEN MINISTERIE VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER, THANS MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKRELATIES, gevestigd en kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage, Nederland, ten laste van Jeanelyn Antonia Aurora Virgen Soleana, zonder bekende woon- of verblijfplaats op Curaçao, betekening en bevel gedaan om binnen 2 dagen na heden aan de inhoud van voormelde executoriale titel te voldoen, en mitsdien tot betaling over te gaan.
Gerechtsdeurwaarder
P.E. Kirindongo
kenmerk 21.00797
Bij exploit van de zevenentwintigste december 2021, waarvan afschrift is gelaten aan de Ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het Gerecht in Eerste Aanleg op het eiland Curaçao, heb ik, ROBERTICO ALEJANDRIO RAMAZAN, deurwaarder voor burgerlijke zaken bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, St. Maarten, Bonaire, St. Eustatius en Saba en bij het Gerecht in Eeste Aanleg te Curaçao, wonende op Curaçao en kantoorhoudende aan de Roodeweg no. 159, ten verzoeke van de rechtspersoon naar buitenlands recht VIBAR TRANSPORT d.o.o. de heer ANDREJ BARLIC, gevestigd en wonende te Slovenië, beiden te dezer zake domicilie kiezende op Curaçao, aan de Pietermaai no. 23, ten kantore van de advocaat mr. A.C. van Hoof en aan de Roodeweg no. 159, ten kantore van R.A. Ramazan, gerechtsdeurwaarder, aan de vennootschap naar buitenlands recht, QUEEN EAGLE SOLUTIONS LTD, zonder bekende vestigingsplaats te Curaçao of daarbuiten, BETEKEND een verzoekschrift, met daarop de door E.A. Heer Rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curaçao, gestelde beschikking van de 22ste december 2021, alsmede de door mij, deurwaarder, uit kracht van voormelde beschikking opgemaakt beslag-exploiten, van de 27ste december 2021, houdende CONSERVATOIR-DERDEN-BESLAG onder de naamloze vennootschap BANCO DI CARIBE N.V., gevestigd en kantoorhoudende op Curaçao, aan de Schottegatweg Oost no. 205 en de naamloze vennootschap UNITED INTERNATIONAL BANK N.V., gevestigd en kantoorhoudende op Curaçao, aan de Kaya Richard J. Beaujon z/n, een en ander als in bedoelde exploiten omschreven;
De deurwaarder,
R.A. RAMAZAN.
Bij exploit van de zevenentwintigste december 2021, waarvan afschrift is gelaten aan de E.A. Heer Officier van Justitie bij het Gerecht in Eerste Aanleg op het eiland Curaҫao, heb ik, ROBERTICO ALEJANDRIO RAMAZAN, deurwaarder bij het Gerecht op Curaҫao, ten verzoeke van 1. COLIN DISS, 2. HANNAH DAVIE en 3. MICHAEL LEEDS, in hun hoedanigheid van “Joint Trustees” naar het recht van het Verenigd Koninkrijk in het faillissement van TALAL QAIS ABDULMUNEM AL ZAWAWI, requiranten, wonende en kantoorhoudende in het Verenigd Koninkrijk, die voor deze zaak tot aan het uiteinde der executie woonplaats kiezen te Curaçao aan het adres Mercuriusstraat no. 24, ten kantore van mr. W. Princée, advocaat ten kantore van Ox & Wolf Legal Partners, alsmede tot aan het uiteinde der executie te Curaçao, aan de Roodeweg no. 159 ten kantore van Robertico Alejandrio Ramazan, aan TALAL QAIS ABDULMUNEN AL-ZAWAWI, zonder bekende woon- of verblijfplaats in Curaçao of in het buitenland, BETEKEND, de grosse van een vonnis d.d. 21 juni 2021, gewezen door het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao.
De deurwaarder voornoemd,
R.A. RAMAZAN.
Bij exploit van de ondergetekende deurwaarder van de 28ste december 2021, waarvan afschrift is gelaten aan de E.A. Heer Officier van Justitie bij het Gerecht in Eerste Aanleg op het eiland Curaçao, die het oorspronkelijk exploit voor “gezien” heeft getekend, is ten verzoeke van de stichting FUNDASHON KAS POPULAR, gevestigd en kantoorhoudende op Curaçao, te dezer zake domicilie kiezende op Curaçao aan de Mercuriusstraat no. 15, ten kantore van notaris mr. M.F. Hu-A-Ng, aan de erven van wijlen de heer EDMUNDO CRISTOBAL FOENDOE, AANGEZEGD, dat op donderdag, 10 februari 2022, des voormiddags om of omstreeks 10.00 uur, ten overstaan van mr. M.F. Hu-A-Ng, of diens waarnemer, conform notariele akte, verleden op 22 november 1993, over zal gaan tot de openbare verkoop van het onroerend goed, plaatselijk bekend als Kaya Turmalina no. 79, een en ander als in bedoeld exploit omschreven;
De deurwaarder,
R.A. RAMAZAN.
No. 2021/011114

MINISTERIËLE BESCHIKKING
van de 22ste december 2021
De Minister van Algemene zaken
Overwegende:
Gelet op:
artikelen 16 en 17 van Landsverordening Veiligheidsdienst Curaçao[1];
artikelen 6, eerste tot en met derde lid en 8, eerste lid, van het Landsbesluit aanwijzing vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken[2];
Heeft besloten:
Artikel 1
In deze beschikking wordt verstaan onder:
a. de Minister: de Minister van Algemene Zaken;
b. het Hoofd: het Hoofd van de Veiligheidsdienst Curaçao;
c. het Adjunct-hoofd: het Adjunct-hoofd van de Veiligheidsdienst Curaçao;
d. de Landsverordening: de Landsverordening Veiligheidsdienst Curaçao;
e. het Landsbesluit: het Landsbesluit aanwijzing vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken.
Artikel 2
Artikel 3
Ondertekening van stukken op grond van mandaat krachtens deze beschikking vindt plaats op de volgende wijze:
De Minister van Algemene Zaken,
Namens deze,
(handtekening)
(naam functionaris)
(aanduiding functie gemandateerde)
Artikel 4
Het Hoofd, of in geval van diens belet of ontstentenis het Adjunct-hoofd, brengt iedere maand aan de Minister schriftelijk verslag uit over de wijze waarop van het in deze beschikking verleende mandaat gebruik is gemaakt.
Artikel 5
Artikel 2 is niet van toepassing op benoemingen in vertrouwensfuncties bij de Veiligheidsdienst Curaçao en vertrouwensfuncties waarbij werkzaamheden worden uitgevoerd ten behoeve van de Veiligheidsdienst Curaçao.
Artikel 6
Deze beschikking treedt in werking met ingang van de datum van dagtekening.
Artikel 7
Deze beschikking wordt in de Landscourant gepubliceerd.
Artikel 8
Deze beschikking wordt aangehaald als: Mandaatbeschikking verklaringen van geen bezwaar.
Willemstad, 22 december 2021
De Minister van Algemene Zaken,
G.S. PISAS
Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 september 2021, nummer WBN-CM 2021/4, houdende wijziging van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten
DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID,
Gelet op de Rijkswet op het Nederlanderschap, het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap;
Besluit:
Artikel I
De Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten wordt als volgt gewijzigd:
A
1-1-c Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, HRWN-CM wordt toegevoegd en komt te luiden:
1-1-c Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder moeder: de vrouw tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.
Definitie familierechtelijke betrekking(en)
Een minderjarige staat volgens Nederlands recht in familierechtelijke betrekking met één ouder dan wel in familierechtelijke betrekkingen met twee ouders. Het begrip ‘familierechtelijke betrekking’ doelt slechts op de familierechtelijke band, en dat is de juridische afstammingsrelatie (juridische afstammingsband) met de ouder (zie artikelen 1:197-1:199 BW/BW-CM). Andere juridische aspecten van ouderschap, zoals namenrecht, erfrecht, onderhoudsverplichting, gezagsrecht etc, vallen niet onder het begrip ‘familierechtelijke betrekking’. Dit valt ook op te maken uit de parlementaire stukken van de Wet conflictenrecht adoptie [28 457, nr. 3, p. 12], die later is opgenomen in Boek 10 BW.
B
1-1-d Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, HRWN-CM wordt toegevoegd en komt te luiden:
1-1-d Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.
Definitie familierechtelijke betrekking(en)
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c RWN.
C
5-alg Toelichting ad artikel 5, HRWN-CM komt te luiden:
5-alg Toelichting algemeen
Per 1 april 2003 zijn in het toenmalige artikel 5 RWN de woorden ‘de adoptief-vader of adoptief-moeder’ gewijzigd in: ‘ten minste één der adoptiefouders’, zulks in verband met de mogelijkheid van adoptie door personen van hetzelfde geslacht. Verder zijn op die datum de termijnen in het toenmalige eerste en derde lid van artikel 5 RWN aangepast aan de per 1 januari 2002 gewijzigde termijnen voor beroep en cassatie in verzoekschriftprocedures (zie artikel 358 respectievelijk artikel 426 WBRv).
Op 1 januari 2004 is artikel 5 RWN vervangen door de artikelen 5, 5a, 5b en 5c RWN (zie Stb. 2003, 284). Vernummering van artikel 5 RWN, zoals dat artikel gold vanaf 1 oktober 1998 (Stb. 1998, 303), werd nodig geacht in verband met de inwerkingtreding op 1 januari 2004 van de Wet conflictenrecht adoptie (Stb. 2003, 283).
Verklaring voor recht afgegeven voor 1 oktober 1998
Omstreeks 1997 is geoordeeld dat ook sprake is van verwerving van het Nederlanderschap door de minderjarige, indien door een Nederlandse rechter een verklaring voor recht werd afgegeven, inhoudende dat een buiten het Koninkrijk totstandgekomen adoptie rechtswerking binnen het Nederlandse recht heeft, én ten minste één van de adoptiefouders Nederlander was op het moment van de verklaring voor recht. Dit standpunt is met ingang van 1 oktober 1998 verlaten.
Voor buitenlandse adopties van vóór 1 oktober 1998 geldt het volgende.
Op grond van artikel 5 RWN, zoals dit artikel luidde tot 1 oktober 1998, heeft ook het Nederlanderschap verkregen de minderjarige vreemdeling ten aanzien van wie (cumulatief):
– vóór 1 oktober 1998; én
– een verklaring voor recht door een Nederlandse rechter is gegeven
– inhoudende dat de buiten het Koninkrijk tot stand gekomen adoptie rechtswerking binnen het Nederlandse recht heeft; én
– waarbij op het moment van de afgifte van de verklaring voor recht ten minste één van de adoptiefouders Nederlander was.
Per 1 april 2003 is de wijze van vaststelling van de dag, waarop het Nederlanderschap door adoptie verkregen wordt, anders geformuleerd. Vóór 1 april 2003 was bepaald, dat het Nederlanderschap verkregen werd op de dag dat de rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde had gekregen. De huidige, daarvan afwijkende, formulering houdt verband met het feit dat, sinds het procesrecht in zaken van personen- en familierecht op 1 april 1995 gewijzigd is, een adoptiebeschikking strikt genomen niet meer in kracht van gewijsde gaat, aangezien er altijd een kleine kans bestaat dat een onbekende belanghebbende alsnog hoger beroep instelt.
Het in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten bij rechterlijke uitspraak geadopteerde kind van vreemde nationaliteit verkrijgt het Nederlanderschap indien het op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig is en tenminste één van de adoptiefouders Nederlander is:
– op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg, of
– indien hoger beroep is ingesteld: op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep, of
– indien beroep in cassatie is ingesteld: op de dag van de uitspraak in cassatie.
Afhankelijk van de omstandigheden verkrijgt het kind het Nederlanderschap op één van de dagen, genoemd achter de bovenstaande aandachtstekens. Dit is de datum waarop de rechterlijke uitspraak in het algemeen niet meer open staat voor beroep.
Zou na het tijdstip van verkrijging van het Nederlanderschap alsnog tegen de adoptiebeschikking met succes beroep of beroep in cassatie worden ingesteld (door een destijds onbekende belanghebbende), dan gaat, mits het kind dan nog minderjarig is, in principe het verkregen Nederlanderschap verloren op grond van artikel 14, zesde (tot 1 maart 2017 tweede lid), RWN (zie voor verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend, de toelichting bij artikel 14, zesde lid).
Definitie familierechtelijke betrekking(en)
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c en d RWN en in paragraaf ‘5b-alg Toelichting algemeen’ bij de toelichting op artikel 5b RWN.
D
5b-alg Toelichting ad artikel 5b, HRWN-CM komt te luiden:
5b-alg. Toelichting algemeen
In de praktijk worden buitenlandse adopties niet erkend door de Nederlands-Antilliaanse rechter maar moeten deze buitenlandse adopties worden overgedaan conform artikel 1:227 BW-NA e.v. om een familierechtelijke betrekking tot stand te brengen.
In Europees Nederland kan dezelfde buitenlandse adoptie wellicht onmiddellijk van rechtswege worden erkend, als wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van artikel 6 of 7 Wet conflictenrecht adoptie (Wcad), die niet van toepassing is in Curaçao en Sint Maarten. Op 1 januari 2012 is de Wcad vervallen. Vanaf die datum is in Europees Nederland artikel 10:103 BW-NL tot en met artikel 10:112 BW-NL van toepassing. Alsdan verkrijgt het kind van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5b RWN. De RWN is een rijkswet, wat inhoudt dat het geadopteerde kind ook in Curaçao en Sint Maarten als Nederlander moet worden beschouwd. De tot 1 januari 2012 geldende (Europees Nederlandse) Wet conflictenrecht adoptie is echter geen rijkswet. De afstamming of familierechtelijke betrekking van het kind met de adoptieouder(s) wordt daarom niet zonder meer erkend in Curaçao en Sint Maarten want de Nederlands-Antilliaanse rechter moet zich eerst uitspreken over de afstamming. Met andere woorden: het geadopteerde kind wordt in Curaçao en Sint Maarten niet van rechtswege beschouwd als kind van Nederlandse ouders maar ontleent alvast wel aan hen het Nederlanderschap.
Definitie familierechtelijke betrekking(en)
Een minderjarige staat volgens Nederlands recht in familierechtelijke betrekking met één ouder dan wel in familierechtelijke betrekkingen met twee ouders. Het begrip ‘familierechtelijke betrekking’ doelt slechts op de familierechtelijke band, en dat is de juridische afstammingsrelatie (juridische afstammingsband) met de ouder (zie artikelen 1:197-1:199 BW/BWNA). Andere juridische aspecten van ouderschap, zoals namenrecht, erfrecht, onderhoudsverplichting, gezagsrecht etc, vallen niet onder het begrip ‘familierechtelijke betrekking’. Dit valt ook op te maken uit de parlementaire stukken van de Wet conflictenrecht adoptie [28457, nr. 3, p. 12], die later is opgenomen in Boek 10 BW.
Als een adoptie de oorspronkelijk bestaande juridische afstammingsband volledig verbreekt en in de plaats daarvan een nieuwe juridische afstammingsband vestigt met de adoptiefouder dan wordt dat een sterke adoptie genoemd. Gebeurt dat niet, dan wordt de adoptie een zwakke adoptie genoemd.
Artikel 5a RWN voorziet in de verkrijging van het Nederlanderschap als gevolg van adopties die met toepassing van het Adoptieverdrag 1993 tot stand zijn gekomen. Curaçao en Sint Maarten zijn geen partij bij dit verdrag. Het verdrag heeft uitsluitend betrekking op interlandelijke adoptie waarbij een kind vanuit een staat die partij is bij het verdrag ter adoptie is opgenomen door personen met gewone verblijfplaats in een andere staat die partij is bij het verdrag. Het kan dus gaan om adopties door personen die in Europees Nederland gevestigd zijn, maar ook om adopties van kinderen afkomstig uit de vreemde verdragsstaat A door personen met gewone verblijfplaats in de vreemde verdragsstaat B. Niet ter zake doet of de adoptie uiteindelijk in de verdragsstaat van herkomst van het kind dan wel in de verdragsstaat van opvang is uitgesproken. Dat het om een verdragsadoptie gaat, blijkt uit het certificaat dat wordt afgegeven in de verdragsstaat waar de adoptie is uitgesproken. Artikel 5a RWN regelt ook de verkrijging van het Nederlanderschap door een kind dat eerst onder het Adoptieverdrag 1993 is geadopteerd bij een ‘zwakke adoptie’ (d.w.z. een adoptie waardoor de familierechtelijke betrekkingen met de oorspronkelijke familie niet geheel zijn verbroken) is geadopteerd, welke adoptie vervolgens door een uitspraak van de Europees Nederlandse rechter is omgezet in een ‘sterke adoptie’ naar Europees Nederlands recht, waarbij deze betrekkingen alsnog zijn verbroken.
Artikel 5b RWN regelt de verkrijging van het Nederlanderschap in gevallen van interlandelijke adoptie waarin het Adoptieverdrag 1993 niet geldt tussen de bij de adoptie betrokken landen. Daarnaast regelt het de verkrijging van het Nederlanderschap als gevolg van een adoptie die is uitgesproken in de staat waarin zowel de adoptiefouders als het kind woonachtig waren.
Een in het buitenland tot stand gekomen adoptie (niet zijnde een adoptie conform het Haags adoptieverdrag) komt slechts in aanmerking voor erkenning op grond van artikel 10:103 BW-NL tot en met artikel 10:112 BW-NL als de adoptie op of na 1 januari 2004 tot stand is gekomen (zie artikel 10:112 BW-NL). Dit betekent voor de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit ex artikel 5b RWN dat verkrijging alleen plaats heeft ingeval van een adoptie die conform artikel 10:103 BW-NL tot en met artikel 10:112 BW-NL op of na 1 januari 2004 kan worden erkend. Kort gezegd: verkrijging op grond van artikel 5b RWN van het Nederlanderschap kan alleen plaatshebben bij adopties die buiten het Koninkrijk op of na 1 januari 2004 tot stand zijn gekomen.
Artikel 10:103 BW-NL tot en met artikel 10:112 BW-NL kent twee wijzen waarop een buitenslands tot stand gekomen adoptie (niet zijnde een adoptie conform het Haags adoptieverdrag) in de Nederlandse rechtsorde wordt dan wel kan worden erkend (artikel 10:108 BW-NL en artikel 10:109 BW-NL, voorheen artikelen 6 en 7 Wcad).
Erkende ‘zwakke’ adopties kunnen via de rechter worden omgezet. De omzetting is nodig voor de verkrijging van het Nederlanderschap. De artikelen 10:107 BW-NL tot en met 10:111 BW-NL zijn als bijlage opgenomen bij dit artikel.
Te onderscheiden zijn:
Bij artikel 10:108 BW-NL geldt dat het moet gaan om adoptiefouder(s) die, op het moment van de adoptie, gewone verblijfplaats hebben (heeft) buiten Europees Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Voor uitleg hoe deze van rechtswege erkenning in de praktijk moet worden beoordeeld, zie hieronder bij 5.3.
Bij artikel 10:109 BW-NL geldt dat het altijd gaat om adoptiefouder(s) die, op het moment van de adoptie, gewone verblijfplaats hebben (heeft) in Europees Nederland.
Let op! Dus niet van toepassing als de adoptiefouders woonachtig zijn in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Er is een procedure in Europees Nederland nodig om de buitenlandse adoptie te erkennen. Het betreft de procedure op grond van artikel 1:26 BW-NL. In deze procedure geeft de rechter een verklaring voor recht af, inhoudende dat de adoptie in Europees Nederland rechtsgeldig is.
Bewijsstuk erkenning: de rechterlijke verklaring
Alsdan beschikt betrokkene over een van een Nederlandse rechter afkomstige verklaring inhoudende een last tot toevoeging van een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte van de burgerlijke stand. Inschrijving van de adoptie in de registers van de burgerlijke stand is pas mogelijk nadat de verklaring ex artikel 1:26 BW-NL is verkregen.
De mogelijkheid bestaat dat een adoptie die van rechtswege (artikel 10:108 BW-NL) dan wel door middel van een verklaring voor recht op grond van artikel 1:26 BW-NL (artikel 10:109 BW-NL) binnen de Nederlandse rechtsorde is erkend niet tot rechtsgevolg heeft (gehad, naar vreemd recht) dat de bestaande familierechtelijke betrekkingen tussen het adoptiefkind en de oorspronkelijke ouder(s) verbroken zijn. Dit wordt een ‘zwakke adoptie’ genoemd. De erkenning in Europees Nederland (op grond van artikel 10:108 BW-NL dan wel artikel 10:109 BW-NL) wijzigt niets in de omstandigheid dat het een ‘zwakke adoptie’ is.
In deze gevallen biedt artikel 10:111 BW-NL de mogelijkheid een erkende ‘zwakke adoptie’ om te zetten in een adoptie naar Nederlands recht. Voor de verkrijging van het Nederlanderschap is dat nodig. Aan een ‘zwakke adoptie’ zit geen nationaliteitsgevolg in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Niet-erkende ‘zwakke adopties’ kunnen niet worden omgezet.
De omzetting betreft altijd een adoptie die niet leidde tot verbreking van de oorspronkelijke familierechtelijke betrekkingen. De omzetting bereikt dat de familierechtelijke betrekkingen tussen kind en de oorspronkelijke ouder(s) worden verbroken.
Deze rechterlijke omzettingsprocedure verloopt conform de procedure in de Uitvoeringswet Haags adoptieverdrag.
Bewijsstuk omzetting: rechterlijke omzetting
Overleggen betrokkenen aldus bij de gemeente de van een Nederlandse rechter afkomstige verklaring inhoudende dat de buitenlandse adoptie is omgezet in een Nederlandse adoptie, dan kan aan de hand van artikel 5b, tweede lid RWN worden bepaald óf het kind Nederlander is geworden.
Hier wordt benadrukt dat de bepalingen uit artikel 10:103 BW-NL tot en met artikel 10:112 BW-NL niet bepalend is voor de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door het geadopteerde kind. Bepalend daarentegen is artikel 5b RWN.
E
5b-1 Toelichting ad artikel 5b, eerste lid, HRWN-CM komt te luiden:
5b-1 Toelichting ad artikel 5b, eerste lid
Nederlander wordt ook het kind dat in het buitenland bij uitspraak van een ter plaatse bevoegde autoriteit wordt geadopteerd, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht adoptie (Wcad), die niet van toepassing is in Curaçao en Sint Maarten, vervallen. Vanaf die datum is in Europees Nederland artikel 10:103 BW-NL tot en met artikel 10:112 BW-NL van toepassing. Artikel 10:112 BW-NL bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:103 BW-NL tot en met artikel 10:112 BW-NL van toepassing is (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2004.
In Curaçao en Sint Maarten kunnen verklaringen van recht worden afgegeven.
Definitie familierechtelijke betrekking(en)
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c en d RWN en in paragraaf ‘5b-alg Toelichting algemeen’ bij de toelichting op artikel 5b RWN.
5.1 Kern artikel 5b, eerste lid RWN: ‘sterke adoptie’
Kern van artikel 5b, eerste lid (en onder b) RWN is dat de buitenlandse adoptie leidde tot verbreking van de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen. Dit wordt een ‘sterke adoptie’ genoemd. Of sprake is (geweest) van een ‘sterke adoptie’ volgt uit het van toepassing zijnde vreemde familierecht. Is dit niet het geval geweest: lees verder bij artikel 5b, tweede lid RWN. Landeninformatie uit 2019 over buitenlandse adopties is te vinden in de overzichtslijst Simple and full adoption van het International Reference Centre fort he Rights of Children Deprived of their Family, International Social Service (ISS/IRC); www.iss-ssi.org.
Het moet niet alleen gaan om een ‘sterke adoptie’. De adoptie moet ook in aanmerking komen voor erkenning in Europees Nederland, op grond van hetzij artikel 10:108 BW-NL of artikel 10:109 BW-NL. Onderscheiden naar artikel 10:108 BW-NL en artikel 10:109 BW-NL volgen hieronder twee overzichten met de voorwaarden voor de verkrijging van het Nederlanderschap. Voor de voorwaarden van artikel 10:108 BW-NL: zie onder 5.2, en zie voor de voorwaarden van artikel 10:109 BW-NL onder 5.4.
5.2 Concrete voorwaarden voor de verkrijging van het Nederlanderschap als artikel 10:108 BW-NL in het spel is, zijn:
Nogmaals: bij artikel 10:108 BW-NL geldt dat het moet gaan om adoptiefouder(s) die, op het moment van de adoptie, gewone verblijfplaats hebben (heeft) buiten Europees Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Het kind wordt Nederlander op de dag dat de buitenlandse adoptie niet langer (naar het recht van het adoptieland) vatbaar is voor aantasting door middel van het instellen van een rechtsmiddel tegen de adoptie.
5.3 Uitleg beoordeling erkenning van rechtswege van buitenlandse adoptie ex artikel 10:108 BW-NL.
Criteria beoordeling
De erkenningsvraag in geval van artikel 10:108 BW-NL zal doorgaans worden beantwoord door de ambtenaar van de burgerlijke stand, door de ambtenaar van de basisregistratie personen (BRP) of door de consulaire ambtenaar bij de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland. Wordt die vraag positief beantwoord dan is inschrijving van de desbetreffende registers mogelijk zonder dat een gerechtelijke erkennings- of exequaturprocedure nodig is. Wordt de inschrijving geweigerd, dan kan verzoeker zich tot de rechter wenden.
Leidraad bij de erkenning op grond van artikel 10:108 BW-NL is het afschrift van de buitenlandse adoptie-uitspraak. Dit buitenlandse document moet, zo nodig, te zijn gelegaliseerd of zijn voorzien van een apostille in het land van herkomst.
Ook moet met (als nodig: gelegaliseerde) bescheiden de gewone verblijfplaats van betrokkenen te worden aangetoond zowel op het moment van indiening van het adoptieverzoek als het moment van totstandkoming van de adoptie.
Tenzij er aanwijzingen zijn voor fraude, zal de ambtenaar zich, behalve genoemde bescheiden, geen andere bescheiden van andere buitenlandse bij de adoptie betrokken instanties behoeven te laten overleggen (nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, 28 457, 2002-2003, nr. 6, pp. 7 en 8.).
Situaties artikel 10:108 BW-NL
Als vermeld: bij de toepassing van artikel 10:108 BW-NL gaat het altijd om adoptiefouder(s) die, op het moment van de adoptie, gewone verblijfplaats heeft (hebben) (gehad) buiten Europees Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Onderstaand volgen twee overzichten met de voorwaarden voor de erkenning van rechtswege, onderscheiden naar gewone verblijfplaats van adoptiefouder(s) én adoptiefkind:
Overzicht situatie 1: alle betrokkenen woonachtig in het land waar de adoptie plaatsvond
Erkenning van rechtswege van een buitenlandse adoptie (niet zijnde een adoptie conform het Haags adoptieverdrag) geschiedt in het geval dat adoptiefouders én adoptiefkind hun gewone verblijfplaats hebben (gehad) in het land waar de adoptie plaatsvond als de adoptie is uitgesproken door de tot adoptie-uitspraken bevoegde autoriteit.
Het moet altijd gaan om een in het desbetreffende buitenland tot het uitspreken van adopties bevoegde instantie.
Zowel op het tijdstip van het indienen van het adoptieverzoek als de totstandkoming van de buitenlandse adoptie-uitspraak moeten adoptiefouders én adoptiefkind hun gewone verblijfplaats hebben gehad in het land waar de adoptie plaatsvond.
Ondanks het zojuist vermelde vindt tóch geen erkenning van rechtswege plaats als:
Overzicht situatie 2: adoptiefouders wonen in het ene vreemde land, het kind in het andere vreemde land
Voorwaarden voor erkenning van rechtswege van een buitenlandse adoptie (niet zijnde een adoptie conform het Haags adoptieverdrag) als de adoptie is uitgesproken in het land waar òf de adoptiefouder(s) zijn/hun gewone verblijfplaats heeft/hebben (gehad), òf het kind zijn gewone verblijfplaats heeft (gehad), zijn:
Ondanks het zojuist vermelde vindt tóch geen erkenning van rechtswege plaats als:
5.4 Concrete voorwaarden voor de verkrijging van het Nederlanderschap als artikel 10:109 BW-NL in het spel is, zijn:
Nogmaals: bij artikel 10:109 BW-NL geldt dat het altijd gaat om adoptiefouder(s) die, op het moment van de adoptie, gewone verblijfplaats hebben (heeft) in Europees Nederland. Let op! Dus niet van toepassing als de adoptiefouders woonachtig zijn in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Het kind verkrijgt het Nederlanderschap met ingang van de datum waarop de Nederlandse rechter een verklaring op grond van artikel 1:26 BW-NL heeft afgegeven. Deze verklaring is een constitutief vereiste voor de erkenning van de buitenlandse adoptie.
Voorbeeld
Mevrouw A heeft de Nederlandse nationaliteit en vestigt zich in 2012 in Malawi. In 2015 adopteert A volgens Malawisch recht kind B, geboren in Malawi in 2012. Malawi is in 2015 geen partij bij het Haags adoptieverdrag. Dit betekent dat artikel 5a RWN niet op deze adoptie van toepassing is, maar artikel 5b RWN. Uit de overgelegde stukken blijkt dat aan de adoptiebeslissing een behoorlijk onderzoek en een behoorlijke rechtspleging vooraf is gegaan. Ook blijkt dat de adoptie de namen van de minderjarige heeft gewijzigd (het kind heeft de geslachtsnaam van de adoptiefouder gekregen), dat de minderjarige een nieuwe geboorteakte heeft gekregen (daarop staat de adoptiefmoeder vermeld als moeder) en dat de adoptie is geregistreerd in het adoptieregister van Malawi. Er blijkt echter ook dat een adoptie naar Malawisch recht niet de erfrechtelijke band tussen het geadopteerde kind en zijn geboorte-ouder(s) verbreekt. De band blijft in tact voor zover die op het moment van de adoptie bestaat. Wel ontstaat er naar Malawisch recht een erfrechtelijke band met de adoptiefouders.
Omdat onder ‘familierechtelijke betrekkingen’ in artikel 5a RWN en 5b RWN moet worden verstaan: de ‘juridische afstammingsrelatie met de ouder’, en niet meer dan dat, is de conclusie dat hier sprake is van een sterke adoptie en van toepasbaarheid van artikel 5b, eerste lid RWN. Dit betekent dat het kind in dit geval de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Dit voorbeeld is tot stand gekomen aan de hand van een uitspraak van de Rechtbank Den Haag, van 22 december 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:14082).
F
Paragraaf 2.2.5.6/6-3 Toelichting ad artikel 6, derde lid, HRWN-CM komt te luiden:
Paragraaf 2.2.5.6. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten
Van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen. Indien geen sprake is van bewijsnood, wordt geen vrijstelling verleend.
Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.
In principe wordt geen bewijsnood aangenomen indien gebleken is dat sprake is van één van de onderstaande omstandigheden:
Er kunnen echter omstandigheden zijn dat ondanks dat één van bovenstaande omstandigheden zich heeft voorgedaan, toch sprake is van bewijsnood.
Syrië
Tot 1 augustus 2023 geldt dat in Syrië geboren vreemdelingen tijdelijk geen Syrisch paspoort noch een uit Syrië afkomstige geboorteakte hoeven te overleggen. De reden hiervoor is dat uit het ambtsbericht over Syrië uit juni 2021 gebleken is dat in Syrië nog steeds sprake is van een te instabiele situatie, waardoor het verkrijgen van documenten niet gevergd kan worden.
Etnisch Armenen uit Azerbeidzjan
Geboorteakte en paspoort
Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zij in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft.
Als de optant bij het afleggen van een optieverklaring stelt etnisch Armeen te zijn kan de Gouverneur via de Ketenservice telefoonlijn van de IND hierover navraag doen. Het gegeven dat betrokkene uit Azerbeidzjan afkomstig is volgt uit de PIVA aan de hand van de bij betrokkene geregistreerde geboorteplaats.
Voorbeelden bij bewijsnood
Voorbeeld 1
X, 19 jaar en van Chinese nationaliteit, wenst een optieverklaring af te leggen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e RWN. Sinds zijn derde woont hij met zijn ouders op Sint Maarten. X is geboren in Hong Kong. Toen de familie van X zich 16 jaar geleden op Sint Maarten vestigde (en verblijfsrecht kreeg) werden wel van zijn vader en moeder (vertaalde uittreksels uit) geboorteakten van Hong Kong overgelegd bij de bevolkingsadministratie, maar niet van X. Tijdens de voorlichtingsfase voorafgaand aan de indiening van zijn optieverklaring hoort X dat hij een recent, niet ouder dan zes maanden uit Hong Kong afkomstig uittreksel van zijn geboorteakte dient in te leveren bij de Gouverneur. Bovendien geldt met betrekking tot dit over te leggen document het nú van toepassing zijnde legalisatie- of apostillerecht. Dit betekent dat het in te leveren uittreksel volgens de nu geldende legalisatiecirculaire moet zijn voorzien van hetzij legalisatie, hetzij een apostillestempel (dit al naar gelang van het huidige regime bij geboorteakten uit de Volksrepubliek China) en dient er een vertaling in het Nederlands, Engels, Frans of Duits van het uittreksel te worden bijgevoegd, afkomstig van een beëdigd vertaler.
X stelt dat hij geen tijd van zijn baas krijgt om in Hong Kong het uittreksel van zijn geboorteakte te gaan halen. Bovendien heeft hij geen geld voor die dure reis en het allerergste van alles: hij heeft vliegangst. X ziet het niet zitten en vraagt de behandelende ambtenaar of sprake is van bewijsnood op grond waarvan hij niet een uittreksel uit zijn geboorteakte hoeft te overleggen.
De behandelend ambtenaar zoekt een oplossing. Van bewijsnood zoals de regels dit bedoelen, is hier op voorhand immers geen sprake. Van bewijsnood is alleen sprake als het totaal onmogelijk is om aan het uittreksel van de geboorteakte te komen, hetzij omdat door een (aangetoonde) verwoesting van het bevolkingsregister de geboorteakte niet meer bestaat (en er zijn geen kopieën van), hetzij omdat degene die de akte moet afhalen dat met gevaar voor eigen leven moet doen (wegens onveilige omstandigheden in het vreemde land). Tegen degene die (nu) geen vrij kan krijgen van zijn werkgever, kan de behandelend ambtenaar zeggen dat hij/zij mogelijkerwijs tijdens een volgende vakantie de geboorteakte kan afhalen. Het later indienen, als alle documenten aanwezig zijn, van de optieverklaring is hiervan dan het gevolg. Ook het financiële argument is niet een doorslaggevend argument, net zomin als de aangevoerde vliegangst. Om te beginnen bestaat mogelijk de oplossing dat een in Hong Kong verblijvend familielid van X voor hem het uittreksel opvraagt en het over de post naar X stuurt. Of kan X de akte via professionele rechtshulpverleners (bijvoorbeeld een advocatenkantoor) in Hong Kong laten opvragen. Mocht dit alles niet baten en kan het uittreksel op geen enkele wijze via een gemachtigde worden verkregen (hetgeen niet te verwachten is), dan kan de vliegangst als argument door de behandelend ambtenaar alléén worden geaccepteerd als X van zijn bewering een ondersteunende verklaring overlegt van een psychiater. Tenzij hij zijn land middels andere transportmiddelen (bijvoorbeeld boot) kan bereiken, om aldaar het gevraagde te verkrijgen. Alleen bij een door een ondersteunend bewijsstuk, afkomstig van een objectieve bron, aangetoonde onmogelijkheid tot verkrijging van het vereiste document is sprake van bewijsnood. De Gouverneur vraagt daarbij dus altijd om ondersteunend bewijs uit objectieve bron.
Voorbeeld 2
Bij het afleggen van haar optieverklaring overlegt betrokkene een Engelstalige verklaring van de ambassade van het land van herkomst. Uit de verklaring blijkt dat betrokkene een geboorteakte heeft proberen op te vragen en dat haar verzoek door is gestuurd naar het land van herkomst. Daar is echter gebleken dat haar geboortegegevens onvindbaar zijn in de betreffende archieven.
Deze verklaring op zich is niet voldoende om bewijsnood aan te tonen. Het zou immers kunnen dat betrokkene niet werkelijk geboren is in het land waar zij vandaan stelt te komen. Slechts wanneer er geen indicaties zijn dat betrokkene wellicht afkomstig is uit een ander land dan gesteld en wanneer de gegevens van betrokkene op de verklaring overeenkomen met de gegevens die zij eerder heeft verstrekt bijv. in de toelatingsprocedure, kan op grond van een dergelijke verklaring eventueel bewijsnood aangenomen worden. Andere stukken (zoals een schooldiploma of een doopakte uit het land van herkomst) waar ook dezelfde gegevens op vermeld staan, zouden het in dit geval makkelijker maken om het beroep op bewijsnood te accepteren.
G
Paragraaf 2.3.1/6-3 Toelichting ad artikel 6, derde lid, HRWN-CM komt te luiden:
paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid Gouverneur
Ingevolge artikel 19, eerste tot en met derde lid, BVVN neemt de Gouverneur uitsluitend optieverklaringen in ontvangst van de volgende personen:
Ingezetenen volgens de PIVA
Dit betreft de hoofdregel: optieverklaringen dienen te worden afgelegd bij de Gouverneur van het Land waar de optant als ingezetene is ingeschreven in de PIVA. Het feit dat de optieverklaring ook kan zien op minderjarige kinderen die in de optieverklaring delen en hun hoofdverblijf niet in dat Land hebben, doet daar niet aan af. Bij een zelfstandige optieverklaring ten behoeve van een minderjarige, is de autoriteit bevoegd behorende bij de plaats van inschrijving van de minderjarige. Dit geldt ook als de wettelijk vertegenwoordiger ergens anders is ingeschreven.
Personen met hoofdverblijf in een Land die niet in aanmerking komen voor inschrijving in de PIVA
Deze personen zijn vreemdelingen die vanwege hun bijzondere status niet in de PIVA van een Land zijn ingeschreven, maar wel hun hoofdverblijf hebben in dat Land. Zij kunnen de optieverklaring afleggen bij de Gouverneur van hun hoofdverblijf (artikel 19, tweede lid, BVVN). Dit betreft dan in het bijzonder personen die lid zijn van diplomatieke zendingen of consulaire posten of tot het administratieve of technische personeel behoren, en hun gezinsleden. Ook voor militairen van buitenlandse bases geldt dat zij niet worden ingeschreven in de PIVA van hun hoofdverblijf. Daarnaast kunnen er nog andere, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, categorieën vreemdelingen zijn, die op dezelfde wijze worden behandeld. Al deze vreemdelingen dienen hun optieverklaring af te leggen bij de Gouverneur van de plaats van hun hoofdverblijf. Overigens zal de eis van toelating die voor de meeste opties geldt, meestal in de weg staan aan de bevestiging van een optieverklaring afgelegd door een persoon als bedoeld in artikel 19, tweede lid, BVVN. Een bevestiging is wel mogelijk bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN en artikel II RRWN (2008).[1]
Personen met verblijf in het Land en nergens ter wereld hoofdverblijf
Deze personen zijn zogenaamde passanten. Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Omdat het aantal passanten beperkt is en voor de meeste opties als voorwaarde geldt dat de optant (al geruime tijd) zijn hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, zal niet vaak sprake zijn van een situatie als hier bedoeld. De situatie kan zich voordoen bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN en artikel II RRWN (2008). De Gouverneur van het Land waar een passant verblijf heeft neemt de optieverklaring van de passant in ontvangst (artikel 19, derde lid, BVVN).
Optieverklaringen van andere personen dan hierboven genoemd, worden niet door de Gouverneur in ontvangst genomen (artikel 19, vijfde lid, BVVN). Zo mogelijk deelt de Gouverneur aan de optant mee bij welk Land of diplomatieke post in het buitenland de verklaring wel in persoon kan worden afgelegd.
H
Paragraaf 2.3.2/6-3 Toelichting ad artikel 6, derde lid, HRWN-CM komt te luiden:
paragraaf 2.3.2. Ontvangstbevestiging
Optieverklaringen worden voorzien van een datum en dienststempel (artikel 19, zesde lid, BVVN). Daarna wordt een kopie van de optieverklaring, als bewijs van ontvangst, aan de optant meegegeven (artikel 19, vierde lid, BVVN). Vervolgens dient binnen dertien weken na de in ontvangstneming van de optieverklaring te worden beslist of de optieverklaring al dan niet wordt bevestigd. Deze termijn kan éénmaal met ten hoogste dertien weken worden verlengd (artikel 6, vijfde lid, RWN). Een verlenging van de termijn kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn indien de Gouverneur door tussenkomst van de Minister van Algemene Zaken aan de Minister van Buitenlandse Zaken verzoekt om verificatie van gegevens in het buitenland. Als de Gouverneur verlenging van de termijn noodzakelijk acht, deelt hij dit schriftelijk aan de optant mee. De Gouverneur is niet verplicht om de reden van de verlenging te vermelden.
I
Paragraaf 3.5.6/7 Toelichting ad artikel 7, HRWN-CM komt te luiden:
Paragraaf 3.5.6. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten
Van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen. Indien geen sprake is van bewijsnood, wordt geen vrijstelling verleend.
Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.
In principe wordt geen bewijsnood aangenomen indien gebleken is dat sprake is van één van de onderstaande omstandigheden:
Er kunnen echter omstandigheden zijn dat ondanks dat één van bovenstaande omstandigheden zich heeft voorgedaan, toch sprake is van bewijsnood.
Syrië
Tot 1 augustus 2023 geldt dat in Syrië geboren vreemdelingen tijdelijk geen Syrisch paspoort noch een uit Syrië afkomstige geboorteakte hoeven te overleggen. De reden hiervoor is dat uit het ambtsbericht over Syrië uit juni 2021 gebleken is dat in Syrië nog steeds sprake is van een te instabiele situatie, waardoor het verkrijgen van documenten niet gevergd kan worden.
Mocht een in Syrië geboren vreemdeling wel een uit Syrië afkomstige geboorteakte hebben, dan wordt deze door de bevoegde autoriteiten, na de gebruikelijke controle en akkoordbevinding, geregistreerd in de desbetreffende bevolkingsbasisregistratie.
Etnisch Armenen uit Azerbeidzjan
Geboorteakte en paspoort
Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft.
Bij het in ontvangstnemen van het naturalisatieverzoek beoordeelt de Gouverneur niet of de verzoeker daadwerkelijk etnisch Armeniër is. Bij het behandelen van het naturalisatieverzoek zal de IND aan de hand van het vreemdelingenrechtelijke dossier onderzoeken of de verzoeker in eerdere procedure(s) heeft gemeld etnisch Armeens te zijn en afkomstig uit Azerbeidzjan. De Gouverneur kan de PIVA raadplegen om te zien of de bij betrokkene geregistreerde geboorteplaats in Azerbeidzjan lag.
Voorbeelden bij bewijsnood
Voorbeeld 1
X, 19 jaar en van Chinese nationaliteit, wenst een verzoek om naturalisatie in te dienen. Sinds zijn derde woont hij met zijn ouders op Curaçao. X is geboren in Hong Kong. Toen de familie van X zich 16 jaar geleden op Curaçao vestigde (en verblijfsrecht kreeg) werden wel van zijn vader en moeder (vertaalde uittreksels uit) geboorteakten van Hong Kong overgelegd bij de bevolkingsadministratie, maar niet van X. Tijdens de voorlichtingsfase voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek om naturalisatie hoort X dat hij een recent, niet ouder dan zes maanden uit Hong Kong afkomstig uittreksel van zijn geboorteakte dient in te leveren bij de Gouverneur. Bovendien geldt met betrekking tot dit over te leggen document het nú van toepassing zijnde legalisatie- of apostillerecht. Dit betekent dat het in te leveren uittreksel volgens de nu geldende legalisatiecirculaire moet zijn voorzien van hetzij legalisatie, hetzij een apostillestempel (dit al naar gelang van het huidige regime bij geboorteakten uit de Volksrepubliek China) en dient er een vertaling in het Nederlands, Engels, Frans of Duits van het uittreksel te worden bijgevoegd, afkomstig van een beëdigd vertaler.
X stelt dat hij geen tijd van zijn baas krijgt om in Hong Kong het uittreksel van zijn geboorteakte te gaan halen. Bovendien heeft hij geen geld voor die dure reis en het allerergste van alles: hij heeft vliegangst. X ziet het niet zitten en vraagt de behandelende ambtenaar of sprake is van bewijsnood op grond waarvan hij niet een uittreksel uit zijn geboorteakte hoeft over te leggen.
De behandelend ambtenaar zoekt een oplossing. Van bewijsnood zoals de regels dit bedoelen, is hier op voorhand immers geen sprake. Van bewijsnood is alleen sprake als het totaal onmogelijk is om aan het uittreksel van de geboorteakte te komen, hetzij omdat door een (aangetoonde) verwoesting van het bevolkingsregister de geboorteakte niet meer bestaat (en er zijn geen kopieën van), hetzij omdat degene die de akte moet afhalen dat met gevaar voor eigen leven moet doen (wegens onveilige omstandigheden in het vreemde land). Tegen degene die (nu) geen vrij kan krijgen van zijn werkgever, kan de behandelend ambtenaar zeggen dat hij/zij mogelijkerwijs tijdens een volgende vakantie de geboorteakte kan afhalen. Het later indienen, als alle documenten aanwezig zijn, van het verzoek om naturalisatie is hiervan dan het gevolg. Ook het financiële argument is niet een doorslaggevend argument, net zomin als de aangevoerde vliegangst. Om te beginnen bestaat mogelijk de oplossing dat een in Hong Kong verblijvend familielid van X voor hem het uittreksel opvraagt en het over de post naar X stuurt. Of kan X de akte via professionele rechtshulpverleners (bijvoorbeeld een advocatenkantoor) in Hong Kong laten opvragen. Mocht dit alles niet baten en kan het uittreksel op geen enkele wijze via een gemachtigde worden verkregen (hetgeen niet te verwachten is), dan kan de vliegangst als argument door de behandelend ambtenaar alléén worden geaccepteerd als X van zijn bewering een ondersteunende verklaring overlegt van een psychiater. Tenzij hij zijn land middels andere transportmiddelen (bijvoorbeeld boot) kan bereiken, om aldaar het gevraagde te verkrijgen. Alleen bij een door een ondersteunend bewijsstuk, afkomstig van een objectieve bron, aangetoonde onmogelijkheid tot verkrijging van het vereiste document is sprake van bewijsnood. De Gouverneur vraagt daarbij dus altijd om ondersteunend bewijs uit objectieve bron.
Voorbeeld 2
Bij het indienen van haar verzoek om naturalisatie overlegt betrokkene een Engelstalige verklaring van de ambassade van het land van herkomst. Uit de verklaring blijkt dat betrokkene een geboorteakte heeft proberen op te vragen en dat haar verzoek door is gestuurd naar het land van herkomst. Daar is echter gebleken dat haar geboortegegevens onvindbaar zijn in de betreffende archieven.
Deze verklaring op zich is niet voldoende om bewijsnood aan te tonen. Het zou immers kunnen dat betrokkene niet werkelijk geboren is in het land waar zij vandaan stelt te komen. Slechts wanneer er geen indicaties zijn dat betrokkene wellicht afkomstig is uit een ander land dan gesteld en wanneer de gegevens van betrokkene op de verklaring overeenkomen met de gegevens die zij eerder heeft verstrekt bijv. in de toelatingsprocedure, kan op grond van een dergelijke verklaring eventueel bewijsnood aangenomen worden. Andere stukken (zoals een schooldiploma of een doopakte uit het land van herkomst) waar ook dezelfde gegevens op vermeld staan, zouden het in dit geval makkelijker maken om het beroep op bewijsnood te accepteren.
J
11-8 Toelichting ad artikel 11, achtste lid, HRWN-CM komt te luiden:
11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vader of moeder mede verstaan de adoptiefouder, indien de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken.
Uit dit artikellid volgt dat de man of vrouw die een kind heeft geadopteerd ook voor dat kind op dezelfde wijze als voor een eigen kind kan verzoeken om medeverlening[2] ). De adoptie moet dan wel in overeenstemming met de regels van internationaal privaatrecht tot stand zijn gekomen en de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen moeten zijn verbroken.
Definitie familierechtelijke betrekking(en)
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c en d RWN en in paragraaf ‘5b-alg Toelichting algemeen’ bij de toelichting op artikel 5b RWN.
K
Paragraaf 1/14-6 Toelichting ad artikel 14, zesde lid, HRWN-CM komt te luiden:
paragraaf 1. Algemeen
De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijzigingen van 2003 en 2010. Ten gevolge van artikel III RRWN 2000 heeft de redactie van het huidige artikel 14, zesde lid, RWN terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2.
Ingevolge dit artikellid gaat het Nederlanderschap voor een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend. Het Nederlanderschap moet dan wel zijn verkregen ingevolge artikel 3, 4, 5 oud, 5, 5a, 5b, 5c of 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, dan wel ingevolge artikel 4 RWN, zoals die bepaling luidde tot 1 april 2003 (dat betrof verkrijging van het Nederlanderschap door erkenning of wettiging door een Nederlander).
Op grond van artikel II, lid 4 RRWN 2009 gaat het Nederlanderschap voor minderjarigen op grond van dit artikel verloren als het Nederlanderschap is verkregen op grond van artikel II, lid 1 RRWN 2009 (optie op grond van het overgangsrecht).
Bij de verkrijging op grond van artikel 6, lid 1 onder c RWN en op grond van artikel II, lid 1 RRWN 2009 (optie na 01.03.2009 na een erkenning in de periode 01.04.2003 – 01.03.2009 door een Nederlandse man) is het Nederlanderschap verkregen door een optiebesluit en niet van rechtswege. De optieverklaring kan alleen afgelegd worden als het kind is erkend door een Nederlander. Als de familierechtelijke betrekking met de Nederlandse erkenner vervalt, dan gaat het Nederlanderschap ook automatisch verloren. Er is geen intrekkingsbesluit nodig.
Verlies als bedoeld zal echter niet intreden indien:
Bij het vervallen van familierechtelijke betrekkingen moet worden gedacht aan bijvoorbeeld: ontkenning vaderschap, vernietiging erkenning of herroeping adoptie.
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in op de dag waarop in het algemeen de rechterlijke uitspraak niet meer openstaat voor beroep, mits het kind op die dag (nog) minderjarig is.
Hierbij dient wel te worden bedacht dat, indien de beroepstermijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, die termijn ingevolge artikel 1 van de Algemene termijnenverordening wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Pas de dag daarop gaat dan het Nederlanderschap verloren.
Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak, die volgens de regelen van internationaal privaatrecht van Curaçao of St. Maarten moet worden erkend, dan gaat het Nederlanderschap verloren op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.
De persoon ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking vervalt, hoeft niet noodzakelijk Nederlander te zijn. Het kind kan namelijk via die persoon het Nederlanderschap ontlenen aan uitsluitend artikel 3, derde lid, RWN. Ook in dat geval moet worden gesteld dat het Nederlanderschap wordt ontleend aan de familierechtelijke betrekking met die persoon.
Immers, zonder bedoelde familierechtelijke betrekking had nooit sprake kunnen zijn van het Nederlanderschap ex artikel 3, derde lid, RWN. Met andere woorden, vervalt de familierechtelijke betrekking met de persoon via wie het Nederlanderschap wordt ontleend aan artikel 3, derde lid, RWN, ook dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
Definitie familierechtelijke betrekking(en)
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c en d RWN en in paragraaf ‘5b-alg Toelichting algemeen’ bij de toelichting op artikel 5b RWN.
L
Model 1.14 HRWN-CM is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 1.
M
Model 1.14-1b HRWN-CM is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 2.
N
Model 2.5 HRWN-CM is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 3.
O
Model 2.5a HRWN-CM is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 4.
Artikel II
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022.
Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant, de Curaçaosche Courant en de Landscourant van Sint Maarten worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 21 september 2021
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
namens deze,
J.W.H.M. Beaujean
directeur-generaal Migratie
Uitgegeven de
De Minister van Algemene Zaken,
TOELICHTING
ARTIKELSGEWIJS
A, B, C, D, E, J, K
In paragraaf 5b-alg, bij de toelichting op artikel 5b RWN, is voor het begrip ‘familierechtelijke betrekking(en)’ opgenomen dat dat begrip alleen de afstammingsrelatie omvat en dat andere juridische aspecten van ouderschap, zoals namenrecht, erfrecht, onderhoudsverplichting, gezagsrecht etc., niet onder het begrip ‘familierechtelijke betrekking’ vallen.
Deze definitie is volledigheidshalve ook opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c, RWN. In de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder d, RWN, paragraaf 5-alg bij de toelichting op artikel 5 RWN, bij de toelichtingen op artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie) RWN, op artikel 5b, eerste lid, RWN, op artikel 11, achtste lid HRWN, en in paragraaf 1 bij artikel 14, zesde lid, RWN, is een verwijzing naar deze definitie aangebracht.
Daarnaast is in de toelichting op artikel 5b, eerste lid, RWN een voorbeeld opgenomen.
F, I
Voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië geldt al langer (sinds eind 2014) de beleidsregel dat bewijsnood wordt aangenomen voor het paspoort en de geboorteakte. Het staand beleid dat Syrische vreemdelingen geen paspoort of geboorteakte hoeven te overleggen wordt verlengd met twee jaar tot 1 augustus 2023.
De motivering hiervoor is dat uit het ambtsbericht over Syrië uit juni 2021 blijkt dat in Syrië nog steeds sprake is van een instabiele situatie, waardoor het verkrijgen van documenten niet gevergd kan worden.
G, H
Sinds 10 oktober 2010 is de Gouverneur de bevoegde autoriteit op Curaçao en Sint Maarten als het gaat om optieverzoeken. Voorheen was dit in handen van de Gezaghebber. In de tekst van artikel 6-3, paragraaf 2.3.1 HRWN CM was deze wijziging al doorgevoerd. Ten onrechte was de titel van deze paragraaf niet mee gewijzigd. Met deze wijziging is ook de titel aangepast.
In artikel 6-3, paragraaf 2.3.1 en artikel 6-3, paragraaf 2.3.2 HRWN CM is verwezen naar een onjuist artikel uit de BVVN. Artikel 13 BVVN ziet immers op de BES. Met deze wijziging wordt dit gecorrigeerd naar het juiste artikel: artikel 19 BVVN. Dit artikel ziet namelijk wel op Curaçao en Sint Maarten.
Tenslotte is eilandgebied een gedateerde term. Per 10 oktober 2010 zijn Curaçao en Sint Maarten zelfstandige landen binnen het Koninkrijk. Deze term is daarom geactualiseerd met deze wijziging.
L
In WBN-CM 2021/1 is de model 2.3 aangepast. Daarin wordt limitatief opgesomd onder welke omstandigheden iemand niet in aanmerking komt voor verlening of verkrijging van het Nederlanderschap. De bijkomende straffen zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, Wetboek van Strafrecht zijn niet opgenomen in deze limitatieve opsomming.
Deze wijziging wordt nu ook doorgevoerd in model 1.14.
M, N, O
In het WBN 2021/4 zijn de afstandsbepalingen bij verkrijging van het Nederlanderschap voor een negental landen gewijzigd, waaronder Georgië, Libië, Oeganda en Sri Lanka.
In de Wet op het Georgische Staatsburgerschap is opgenomen dat de Georgische nationaliteit van rechtswege verloren gaat als voorafgaand aan de vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit geen toestemming is gevraagd aan de Georgische autoriteiten om ondanks deze naturalisatie de Georgische nationaliteit te mogen behouden.
De Libische nationaliteitwetgeving kent geen afstandsbepaling. Wel blijkt uit de nationaliteitswet van 2010 en uit het Algemeen Ambtsbericht Libië van 2020 dat de Libische nationaliteit van rechtswege verloren gaat als voorafgaand aan de vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit geen toestemming is gevraagd aan de Libische autoriteiten om ondanks deze naturalisatie de Libische nationaliteit te mogen behouden. De afstandsbepaling voor Libië wordt dus gewijzigd van C naar A in de landenlijst.
Uit de Oegandese nationaliteitswetgeving blijkt dat Oegandezen aan de Oegandese autoriteiten toestemming kunnen vragen om een andere nationaliteit aan te nemen met behoud van de Oegandese nationaliteit.
De Sri Lankaanse nationaliteitswetgeving maakt het mogelijk om toestemming te vragen aan de Sri Lankaanse autoriteiten om de Sri Lankaanse nationaliteit te behouden na het aannemen van een andere nationaliteit.
De bovengenoemde nationaliteiten zijn daarom verplicht met ingang van 30 augustus 2021 bij het indienen van een naturalisatieverzoek of een optieverklaring op grond van artikel 6, lid 1, onder e RWN een verklaring te ondertekenen dat de autoriteiten van het land van herkomst niet is gevraagd noch zal worden gevraagd om behoud van deze nationaliteit.
De modellen 1.14-1b en 2.5 HRWN CM zijn met het WBN 2021/4 in lijn gebracht met bovenstaande wijzigingen in de landenlijst. Model 2.5a wordt in dit WBN hierop aangepast, omdat per abuis dit model niet met het WBN van 2021/4 was gewijzigd.
Mauritanië is in de landenlijst niet recent gewijzigd. Echter, uit de landenlijst blijkt dat model 2.5a door deze nationaliteit ondertekend dient te worden bij verkrijging van het Nederlanderschap. Het niet opnemen van Mauritanië in dit model was dus een omissie. Met deze wijziging is dit hersteld.
Daarnaast geldt voor model 1.14-1b, 2.5 en 2.5a HRWN CM nog het volgende. Op grond van artikel 11 RWN hebben minderjarige kinderen die meenaturaliseren geen afstandsverplichting. Voor minderjarige kinderen die mee-opteren met een ouder die opteert op grond van artikel 6, eerste lid onder e RWN, geldt hetzelfde op grond van artikel 6 en 8 RWN.
Egyptische, Georgische, Libische , Mauritaanse, Oegandese, Sri Lankaanse en Zuid-Afrikaanse meerderjarige onderdanen, die na de naturalisatie of optie op grond van artikel 6, eerste lid, onder e RWN alleen nog de Nederlandse nationaliteit hebben, kunnen dus minderjarige kinderen hebben die ook Nederlander zijn geworden, maar die ook de oorspronkelijke nationaliteit bezitten zonder dat Nederland verwacht dat zij hier afstand van doen. Voor deze minderjarige kinderen hoeft dus niet te worden verklaard dat niet aan de autoriteiten van de eerste nationaliteit is gevraagd om behoud van die nationaliteit. Voor Oostenrijkse onderdanen geldt een uitzondering op grond van artikel 1, tweede lid van het Verdrag van Straatsburg. Daarom wordt van Oostenrijkse onderdanen wel gevraagd om te verklaren dat, ook namens hun minderjarige kinderen, niet om behoud van de Oostenrijkse nationaliteit is gevraagd.
De modellen 1,14-1b, 2.5 en 2.5a HRWN CM zijn hierop aangepast.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
namens deze,
J.W.H.M. Beaujean
directeur-generaal Migratie
Model 1.14 HRWN-CM: Verklaring verblijf en gedrag
(geslachts)na(a)m(en) : ………………………………………………………………………………………………….
voorna(a)m(en) : ………………………………………………………………………………………………….
geboortedatum : ………………………………………………………………………………………………….
geboorteplaats en geboorteland : ………………………………………………………………………………………………….
nationaliteit(en) : ………………………………………………………………………………………………….
adres : ………………………………………………………………………………………………….
postcode en woonplaats : ………………………………………………………………………………………………….
Ik verklaar dat:
– een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd heb gekregen en/of aan mij ten uitvoer is gelegd;
– een (voorwaardelijke) leer- of taakstraf opgelegd heb gekregen en/of heb uitgevoerd;
– een bijkomende straf zoals bedoeld in artikel 1:11, eerste lid, onder b, van de Strafwet van Curaçao en de Strafwet van Sint Maarten opgelegd heb gekregen en/of is uitgevoerd;
– een strafbeschikking van Naf. 1000,- of meer opgelegd heb gekregen en/of door mij is betaald;
– een transactie van Naf. 1000,- of meer heb aanvaard en/of aan mij ten uitvoer is gelegd;
– een geldboete van Naf. 1000,- of meer heb betaald of voorwaardelijk opgelegd gekregen;
– meerdere geldboetes heb betaald of voorwaardelijk opgelegd gekregen van ieder ten minste Naf. 500,- met een totaal van Naf. 1500,- of meer en/of een dergelijke straf als transactie heb aanvaard of is opgelegd door een strafbeschikking;
– een maatregel strekkend tot ontneming van de wederrechtelijk verkregen voordeel heb betaald of opgelegd gekregen waarbij de vordering Naf. 1000,- of meer bedraagt.
Al het bovenstaande geldt ook voor mijn minderjarige kinderen van 16 jaar en ouder.
Ik kan het bovenstaande niet verklaren gelet op de volgende bijzondere omstandigheden:
……………………………………………………………………………………………………………………..………………….
……………………………………………………………………………………………………………………..………………….
……………………………………………………………………………………………………………………..………………….
Ondertekening
Aldus naar waarheid ingevuld
……………………..………………………………………. ……………………..……………………………………….
(plaats) (datum) (handtekening optant)
Model 1.14-1b HRWN-CM:
Verklaring in verband met verlies van de Egyptische, Georgische, Libische, Mauritaanse, Oegandese, Oostenrijkse, Sri Lankaanse of Zuid-Afrikaanse nationaliteit
(geslachts)na(a)m(en) : ………………………………………………………………………………………
voorna(a)m(en) : ………………………………………………………………………………………
geboortedatum : ………………………………………………………………………………………
geboorteplaats en geboorteland : ………………………………………………………………………………………
nationaliteit(en) : ………………………………………………………………………………………
adres : ………………………………………………………………………………………
postcode en woonplaats : ………………………………………………………………………………………
Ik verklaar dat ik:
– niet aan de (aankruisen wat van toepassing is):
q Egyptische autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Egyptische nationaliteit;
q Georgische autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Georgische nationaliteit;
q Libische autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Libische nationaliteit;
q Mauritaanse autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Mauritaanse nationaliteit;
q Oegandese autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Oegandese nationaliteit;
q Oostenrijkse autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Oostenrijkse nationaliteit;
q Sri Lankaanse autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Sri Lankaanse nationaliteit;
q Zuid-Afrikaanse autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Zuid-Afrikaanse nationaliteit;
q Egyptische nationaliteit;
q Georgische nationaliteit;
q Libische nationaliteit;
q Mauritaanse nationaliteit;
q Oegandese nationaliteit;
q Oostenrijkse nationaliteit;
q Sri Lankaanse nationaliteit;
q Zuid-Afrikaanse nationaliteit;
Voor de Oostenrijkse nationaliteit gelden gedachtenstreepje 2 en 5 ook voor mijn onderstaande minderjarige kinderen voor wie ik medeoptie heb gevraagd.
Volledige na(a)m(en) kind(eren) geboortedatum
| 1. | |
| 2. | |
| 3. | |
| 4. | |
| 5. |
Toelichting als niet bereid (ook aangeven op welke uitzondering een beroep wordt gedaan):
………………………………………………………………………………………………………………………………………
………………………………………………………………………………………………………………………………………
………………………………………………………………………………………………………………………………………
………………………………………………………………………………………………………………………………………
………………………………………………………………………………………………………………………………………
Let op! Een beroep op een uitzondering moet altijd onderbouwd worden met bewijsstukken. Voor het verkrijgen van de stukken bent u zelf verantwoordelijk. Dit geldt ook voor de vertalingen en eventuele legalisatie of apostille van stukken. Als stukken zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, moet u ervoor zorgen dat het stuk wordt vertaald door een beëdigd vertaler, bij voorkeur in het Nederlands. De vertaling moet gehecht zijn aan het originele (kopie van het) document. De op dit moment geldende legalisatiecirculaire is van overeenkomstige toepassing.
……………………………………………….. ………………………………………………..
(plaats) )datum) (handtekening optant)
………………………………………………..
(dienststempel)
Model 2.5 HRWN-CM:
Verklaring in verband met verlies van de Egyptische, Georgische, Libische, Mauritaanse, Oegandese, Oostenrijkse, Sri Lankaanse of Zuid-Afrikaanse nationaliteit
(geslachts)na(a)m(en) : ………………………………………………………………………………………
voorna(a)m(en) : ………………………………………………………………………………………
geboortedatum : ………………………………………………………………………………………
geboorteplaats en geboorteland : ………………………………………………………………………………………
nationaliteit(en) : ………………………………………………………………………………………
adres : ………………………………………………………………………………………
postcode en woonplaats : ………………………………………………………………………………………
Ik verklaar dat ik:
– niet aan de (aankruisen wat van toepassing is):
q Egyptische autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Egyptische nationaliteit;
q Georgische autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Georgische nationaliteit;
q Libische autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Libische nationaliteit;
q Mauritaanse autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Mauritaanse nationaliteit;
q Oegandese autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Oegandese nationaliteit;
q Oostenrijkse autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Oostenrijkse nationaliteit;
q Sri Lankaanse autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Sri Lankaanse nationaliteit;
q Zuid-Afrikaanse autoriteiten heb gevraagd, en dit ook niet zal doen, om verlof tot behoud van de Zuid-Afrikaanse nationaliteit;
q Egyptische nationaliteit;
q Georgische nationaliteit;
q Libische nationaliteit;
q Mauritaanse nationaliteit;
q Oegandese nationaliteit;
q Oostenrijkse nationaliteit;
q Sri Lankaanse nationaliteit;
q Zuid-Afrikaanse nationaliteit;
Voor de Oostenrijkse nationaliteit gelden gedachtenstreepje 2 en 5 ook voor mijn onderstaande minderjarige kinderen voor wie ik medenaturalisatie heb gevraagd
Volledige na(a)m(en) kind(eren) geboortedatum
| 1. | |
| 2. | |
| 3. | |
| 4. | |
| 5. |
Toelichting als niet bereid (ook aangeven op welke uitzondering een beroep wordt gedaan):
………………………………………………………………………………………………………………………………………
………………………………………………………………………………………………………………………………………
………………………………………………………………………………………………………………………………………
………………………………………………………………………………………………………………………………………
Let op! Een beroep op een uitzondering moet altijd onderbouwd worden met bewijsstukken. Voor het verkrijgen van de stukken bent u zelf verantwoordelijk. Dit geldt ook voor de vertalingen en eventuele legalisatie of apostille van stukken. Als stukken zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, moet u ervoor zorgen dat het stuk wordt vertaald door een beëdigd vertaler, bij voorkeur in het Nederlands. De vertaling moet gehecht zijn aan het originele (kopie van het) document. De op dit moment geldende legalisatiecirculaire is van overeenkomstige toepassing.
………………………………………………………… …………………………………………………………
(plaats) (datum) (handtekening)
…………………………………………………………(dienststempel)
Model 2.5a: Verklaring in verband met verlies van de Egyptische/Georgische/Libische/Mauritaanse/Oegandese/Oostenrijkse/Sri Lankaanse/Zuid-Afrikaanse nationaliteit
Ambassade/Consulaat-Generaal te: ……………………….……
Ondergetekende,
(geslachts)na(a)m(en) : ……………………………………………………………………….
voorna(a)m(en) : ……………………………………………………………………….
geboortedatum : ……………………………………………………………………….
geboorteplaats en geboorteland : ……………………………………………………………………….
nationaliteit(en) : ……………………………………………………………………….
adres : ……………………………………………………………………….
postcode en woonplaats : ……………………………………………………………………….
Verklaart in verband met zijn/haar* verzoek om naturalisatie tot Nederlander dat hij/zij* en zijn/haar* minderjarig(e) kind(eren), vóór de totstandkoming van de naturalisatie, het hoofdverblijf niet zal/zullen* verplaatsen. Verklaart voorts dat door hem/haar* aan de Egyptische/Georgische/Libische/Mauritaanse/Oegandese/Sri Lankaanse/Zuid-Afrikaanse autoriteiten niet is gevraagd noch zal worden gevraagd om verlof tot behoud van de Egyptische/Georgische/Libische/Mauritaanse/Oegandese/Sri Lankaanse/Zuid-Afrikaanse* nationaliteit * / Verklaart dat door hem/haar* en zijn/haar* minderjarig(e) kind(eren) aan de Oostenrijkse autoriteiten niet is gevraagd noch zal worden gevraagd om verlof tot behoud van de Oostenrijkse nationaliteit*. Hij/zij* verklaart dat hij/zij* is gewezen op de bestaande uitzonderingen op de afstandsverplichting en dat hem/haar* is meegedeeld dat een beroep op die uitzonderingen niet meer mogelijk is na verkrijging van het Nederlanderschap.
Toelichting als verzoeker niet bereid is (tevens aangeven op welke uitzondering een beroep wordt gedaan):
……………………………………………………………………………………………………………………….
……………………………………………………………………………………………………………………….
……………………………………………………………………………………………………………………….
……………………. ………………………..……….
(plaats) (datum) (handtekening)
……………………………..…
[1]) RRWN van 27 juni 2008, stb. 270. Zie voor de inhoud van deze optieregeling ook de toelichting op artikel 6, eerste lid onder c, RWN, sub 6.
[2]) Met ‘eigen kind’ wordt hier bedoeld het kind van de moeder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, RWN en het kind van de vader als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.
P RO – D E O
E C H T S C H E I D I N G
Bij beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao van de 14de december 2021 is tussen Edselin Apolina WILLEMS, wonende te Curaçao, gemachtigde de advocate mr. E.A. Knoppel en Carlos Anthonie TRINIDAD, wonende te Curaçao, partijen op de 24ste september 1982 te Ter Aard, Nederland, binnen algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, de echtscheiding uitgesproken.
De gemachtigde,
mr. E.A. Knoppel.
ECHTSCHEIDING
Bij beschikking door het het Gerecht in Eerste Aanleg op Curaçao van 30 november 2021, is tussen MARJORIE KAMLAWATI RAGHUNATH, wonende op Curaçao en ANGEL ARTURO MEAUX, wonende op Curaçao, met elkaar gehuwd op Curaçao op 29 juni 1979 de ECHTSCHEIDING uitgesproken.
De Gerechtsdeurwaarder,
S.R.V. Rollins.
ESPLANADE B.V.
(in liquidatie)
Besluit tot ontbinding:
Bij besluit van de Bijzondere Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de vennootschap is beslo-ten de vennootschap per 15 december 2021 te ontbinden.
Rekening en verantwoording:
De vereffenaar heeft vastgesteld wat de omvang van de rechten en verplichtingen van de vennootschap zijn en heeft daarvan een balans opgemaakt die voor alle belanghebbenden ten kantore van de vennootschap ter inzage ligt.
Plan van Uitkering:
De vennootschap zal op korte termijn al haar schulden voldoen, waarna het resterend liquidatie-saldo aan de aandeelhouders zal worden voldaan overeenkomstig de bepalingen in de statuten van de vennootschap.
De Vereffenaar
Pattern Curaçao B.V., in liquidatie
De vereffenaar heeft vastgesteld dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn en dat derhalve ingevolge artikel 2:31 lid 7 BW Curaçao de vereffening van de Vennootschap is beëindigd.
De Vereffenaar.
FIDELITY CONSULTANCY N.V. (in liquidatie)
Bij een besluit van de Bijzondere Algemene Vergadering van Aandeelhouders van bovengenoemde vennootschap gehouden op 23 december 2021 is de vennootschap ontbonden.
De vereffenaar van de Vennootschap heeft terstond bij zijn aantreden vastgesteld dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn en dat de vereffening dus eindigt en dat de rechtspersoon hierbij ophoudt te bestaan, overeenkomstig artikel 31, lid 7 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
De Slotverantwoording ligt na heden voor belanghebbenden ter inzage ten kantore van de vennootschap en het Handelsregister.
De vereffenaar
Ontbinding
De Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de vennootschap Fonnes Management N.V (in liquidatie) heeft op 30 september 2021 besloten om de vennootschap te ontbinden.
Slotverantwoording
De vereffenaar heeft terstond bij zijn aantreden vastgesteld wat de rechten en plichten van de stichting zijn en dat er geen aan haar bekende baten aanwezig zijn conform artikel 2:31 lid 2 BW Curaçao.
De vereffenaar
Ontbinding
De Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de vennootschap Bergfjord N.V (in liquidatie) heeft op 30 september 2021 besloten om de vennootschap te ontbinden.
Slotverantwoording
De vereffenaar heeft terstond bij zijn aantreden vastgesteld wat de rechten en plichten van de stichting zijn en dat er geen aan haar bekende baten aanwezig zijn conform artikel 2:31 lid 2 BW Curaçao.
De vereffenaar
Ontbinding
De Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de vennootschap Shipping Company KE 1063 N.V (in liquidatie) heeft op 30 september 2021 besloten om de vennootschap te ontbinden.
Slotverantwoording
De vereffenaar heeft terstond bij zijn aantreden vastgesteld wat de rechten en plichten van de stichting zijn en dat er geen aan haar bekende baten aanwezig zijn conform artikel 2:31 lid 2 BW Curaçao.
De vereffenaar
Ontbinding
Het bestuur van G. House-Bonsai N.V. (in liquidatie) heeft op 31 oktober 2021 besloten om de vennootschap te ontbinden.
Slotverantwoording
De vereffenaar heeft terstond bij zijn aantreden vastgesteld wat de rechten en plichten van de naamloze vennootschap zijn en dat er geen aan haar bekende baten aanwezig zijn conform artikel 2:31 lid 2 BW Curaçao.
De vereffenaar
Ontbinding
Het bestuur van Light Power-BABA N.V. (in liquidatie) heeft op 31 oktober 2021 besloten om de vennootschap te ontbinden.
Slotverantwoording
De vereffenaar heeft terstond bij zijn aantreden vastgesteld wat de rechten en plichten van de naamloze vennootschap zijn en dat er geen aan haar bekende baten aanwezig zijn conform artikel 2:31 lid 2 BW Curaçao.
De vereffenaar
Ontbinding
Het bestuur van Light Power-Santiago N.V. (in liquidatie) heeft op 31 oktober 2021 besloten om de vennootschap te ontbinden.
Slotverantwoording
De vereffenaar heeft terstond bij zijn aantreden vastgesteld wat de rechten en plichten van de naamloze vennootschap zijn en dat er geen aan haar bekende baten aanwezig zijn conform artikel 2:31 lid 2 BW Curaçao.
De vereffenaar
Venus Equity Private Foundation (“de stichting”)
in liquidatie
SLOTVERANTWOORDING
Op 17 december 2021 heeft het bestuur van de stichting middels een bestuursbesluit besloten om de stichting te ontbinden per 17 december 2021.
De vereffenaar heeft direct na zijn aanstelling geconstateerd dat er geen aan hem bekende baten aanwezig zijn.
Namens de Vereffenaar
Mars Equity Private Foundation (“de stichting”)
in liquidatie
SLOTVERANTWOORDING
Op 17 december 2021 heeft het bestuur van de stichting middels een bestuursbesluit besloten om de stichting te ontbinden per 17 december 2021.
De vereffenaar heeft direct na zijn aanstelling geconstateerd dat er geen aan hem bekende baten aanwezig zijn.
Namens de Vereffenaar
KURAD CORPORATION N.V.
(in liquidatie)
Besluit tot ontbinding:
Bij besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de vennootschap is besloten de vennootschap per 10 december 2021 te ontbinden (zie bijgaand kopie notulen).
Rekening en verantwoording:
De vereffenaar heeft vastgesteld wat de omvang van de rechten en verplichtingen van de vennootschap zijn en heeft daarvan een balans opgemaakt die voor alle belanghebbenden ten kantore van de vennootschap ter inzage ligt.
Plan van Uitkering:
De vennootschap zal op korte termijn al haar schulden voldoen, waarna het resterend liquidatiesaldo aan de aandeelhouders zal worden voldaan overeenkomstig de bepalingen van de statuten van de vennootschap.
De Vereffenaar
Liquidatie
Palomar Distribution Holding N.V.
in liquidatie
Bij besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de vennootschap is besloten de vennootschap per 23 december 2021 te ontbinden.
De vereffenaar heeft bij zijn aantreden vastgesteld dat er geen aan hem bekende baten bekend waren. Ingevolge artikel 2:31 lid 7 BW eindigt de vereffening en houdt de rechtspersoon op te bestaan op het tijdstip waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn. De vereffenaar zal een slotverantwoording opstellen en deze ter inzage leggen ten kantore van de rechtspersoon en het handelsregister.
De vereffenaar
G.A.R.P. Holding & Finance B.V.(geliquideerd)
Bij besluit van de aandeelhouders van bovengenoemde vennootschap is besloten de vennootschap per 23 december te ontbinden en algeheel te liquideren. De vereffenaar heeft terstond bij zijn aantreden geconstateerd dat geen aan hem bekende baten aanwezig zijn, dat de vereffening derhalve is geëindigd en de vennootschap heeft opgehouden te bestaan; een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 31, lid 6 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
De gevolmachtigde van de Vereffenaar
LIQUIDATIE
STICHTING DIRECTIE PENSIOENFONDS CONSULDATA
OP 20 DECEMBER 2021 IS DOOR HAAR BESTUUR UNANIEM BESLOTEN OM MET ONMIDDELLIJKE INGANG TOT ONTBINDING EN ALGEHELE LIQUIDATIE VAN STICHTING DIRECTIE PENSIOENFONDS CONSULDATA OVER TE GAAN.
DE VEREFFENAAR HEEFT VASTGESTELD DAT OP VOORNOEMDE DATUM ER GEEN AAN HAAR BEKENDE BATEN AANWEZIG ZIJN. OVEREENKOMSTIG HET BEPAALDE IN ARTIKEL 31 Lid 6 jo. Lid 7 VAN BOEK 2 VAN HET BURGERLIJK WETBOEK CURAÇAO, HEEFT DE VEREFFENAAR HAAR SLOTVERANTWOORDING SAMENGESTELD EN DEZE TER KENNISNEMING VAN EEN IEDER NEERGELEGD TEN KANTORE VAN HET HANDELSREGISTER VAN DE KAMER VAN KOOPHANDEL TE CURAÇAO, ALSMEDE TEN KANTORE VAN DE STICHTING.
_________________________
G.A.R.P. Interimmanagement en Consulting B.V (geliquideerd)
Bij besluit van de aandeelhouders van bovengenoemde vennootschap is besloten de vennootschap per 23 december te ontbinden en algeheel te liquideren. De vereffenaar heeft terstond bij zijn aantreden geconstateerd dat geen aan hem bekende baten aanwezig zijn, dat de vereffening derhalve is geëindigd en de vennootschap heeft opgehouden te bestaan; een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 31, lid 6 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
De gevolmachtigde van de Vereffenaar
Adriatic Private Foundation (in liquidatie)
Bij het bestuursbesluit van 20 december 2021 werd besloten de stichting per 20 december 2021 te ontbinden.
Beheerder van de Vereffenaar.
NuStar Terminals Corporation N.V., in liquidatie
gevestigd op Curaçao, hierna “de Vennootschap”
Besluit tot ontbinding:
Bij besluit van de Buitengewone Algemene Vergadering van Aandeelhouders d.d. 14 december 2021 is besloten de Vennootschap per 14 december 2021 te ontbinden.
De gevolmachtigde van de Vereffenaar
NuStar Terminals International N.V., in liquidatie
gevestigd op Curaçao, hierna “de Vennootschap”
Besluit tot ontbinding:
Bij besluit van de Buitengewone Algemene Vergadering van Aandeelhouders d.d. 9 december 2021 is besloten de Vennootschap per 9 december 2021 te ontbinden.
De gevolmachtigde van de Vereffenaar
Stichting Shenzi gevestigd te Curaçao, met adres Kaya Flamboyan 9, (de “Stichting”) geeft te kennen dat de Stichting op 5 november 2021 is ontbonden.
Stichting Administratiekantoor Banzai, gevestigd te Curaçao, met adres Kaya Flamboyan 9, (de “Stichting”) geeft te kennen dat de Stichting op 5 november 2021 is ontbonden.
Sunview C.V. gevestigd te Curaçao, met adres Schottegatweg Oost 44, (de “CV”) geeft te kennen dat de CV op 5 november 2021 is ontbonden.
Repose N.V., geliquideerd
gevestigd op Curaçao, hierna “de Vennootschap”
De vereffenaar heeft vastgesteld dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn. Overeenkomstig artikel 31 lid 7 boek BW is door de onderhavige publicatie van dat feit de vereffening geëindigd en is de Vennootschap opgehouden te bestaan. De slotverantwoording wordt ter inzage gelegd ten kantore van het Handelregister.
Gevolmachtigde van de Vereffenaar
La-Brador Invest B.V. (“de vennootschap”)
in liquidatie
SLOTVERANTWOORDING
Op 30 december2021 heeft het bestuur van de vennootschap besloten om de vennootschap te ontbinden per 30 december 2021.
De vereffenaar heeft direct na zijn aanstelling geconstateerd dat er geen aan hem bekende baten aanwezig zijn.
De Vereffenaar
Amodo Insurance N.V.- in liquidatie
De vereffenaar van de naamloze vennootschap: Amodo Insurance N.V.- in liquidatie, statutair gevestigd te Curaçao, met adres Johan van Walbeeckplein 11, Curaçao (de “Vennootschap”) geeft te kennen dat de Vennootschap op 22 december 2021 is ontbonden op grond van artikel 2:31 lid 7 BW.
De Vereffenaar.
Stichting Administratiekantoor Rust Roest Beheer
(Geliquideerd)
Slotverantwoording
De liquidatie heeft plaatsgevonden nadat de vereffenaar bij zijn aantreden heeft geconstateerd dat er geen aan hem bekende baten aanwezig zijn.
Exgress (Antilles) N.V. treedt thans aan als bewaarder van de boeken en bescheiden van de vennootschap.
Liquidatie
Mercantil Bank (Curaçao) N.V.
In Liquidation
Established in Curaçao
at A.M. Chumaceiro Boulevard 1
During an extraordinary meeting of shareholders, held on 13 January 2021, it was resolved to dissolve the aforementioned company as of 13 January 2021.
The liquidation account and the approved plan of distribution of the Company are available for inspection by interested parties for a period of 30 days from the date of publication at the office of the Company and at the Chamber of Commerce and Industry of Curaçao.
The Liquidator
EPILOOG FOUNDATION
In liquidatie
Hierbij maakt het bestuur bekend dat besloten is tot ontbinding van de Stichting per 16 december 2020. Het Distributie Overzicht ligt ten inzage op het kantoor van de stichting vanaf datum van deze publicatie.
De Vereffenaar
Nesima Group B.V.
In liquidatie
Bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 7 december 2021 is besloten de vennootschap per 7 december 2021 te ontbinden.
De vereffenaar heeft terstond bij zijn aantreden vastgesteld dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn. De slotverantwoording is ter inzage gelegd ten kantore van het Handelsregister.
De Vereffenaar
Victoriant B.V.
in liquidatie, gevestigd op Curaçao
Besluit tot ontbinding:
In de Algemene Vergadering van Aandeelhouders gehouden op 21 december 2020 is besloten om de vennootschap per dezelfde datum te ontbinden.
Rekening en Verantwoording:
De Vereffenaar heeft vastgesteld wat de omvang van de rechten en verplichtingen van de vennootschap zijn en heeft daarvan een balans opgemaakt, hetwelk ter inzage ligt voor alle belanghebbenden ten kantore van de vennootschap.
Plan van Uitkering:
De vennootschap zal op korte termijn al haar schulden voldoen, waarna het resterend liquidatiesaldo aan de aandeelhouder zal worden voldaan overeenkomstig de bepalingen in de statuten van de vennootschap.
NETS HOLDING N.V.
(in liquidatie)
Besluit tot ontbinding:
Bij besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de vennootschap is besloten de vennootschap per 29 december 2021 te ontbinden (zie bijgaand kopie notulen).
Rekening en verantwoording:
De vereffenaar heeft vastgesteld wat de omvang van de rechten en verplichtingen van de vennootschap zijn en heeft daarvan een balans opgemaakt die voor alle belanghebben-den ten kantore van de vennootschap ter inzage ligt.
Plan van Uitkering:
De vennootschap zal op korte termijn al haar schulden voldoen, waarna het resterend liquidatiesaldo aan de aandeelhouders zal worden voldaan overeenkomstig de bepalingen van de statuten van de vennootschap.
De Vereffenaar
APM Group N.V. – geliquideerd
Hetgeen van het vermogen van de Vennootschap na voldoening van de vorderingen der schuldeisers resteerde, is aan de anndeelhouder uitgekeerd.
De vereffenaar van de Vennootschap heeft vastgesteld dat geen aan hem bekende baten aanwezig zijn.
De vereffenaar.
SOFIDIC N.V. in liquidatie
In de op 3 november 2021 gehouden Algemene Vergadering van Aandeelhouders van Sofidic N.V. in liquidatie is besloten om met ingang van 3 november 2021 tot ontbinding en algehele liquidatie van de vennootschap over te gaan.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 31 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao, heeft de Vereffenaar met ingang van 16 december 2021 haar Rekening en Verantwoording en Plan van Uitkering ter kennisneming van een ieder neergelegd ten kantore van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel te Curaçao, alsmede ten kantore van de vennootschap tot en met 28 januari 2022.
BEDROCK INDUSTRIES CURAÇAO B.V. in liquidatie
Bij Besluit van aandeelhouders is besloten om met ingang van 30 juni 2021 tot ontbinding en algehele liquidatie van Bedrock Industries Curaçao B.V. in liquidatie (de “Venootschap”) over te gaan.
Slotverantwoording met betrekking tot de liquidatie van de Vennootschap, opgericht naar het recht van de Curaçao, statutair gevestigd te Curaçao, en kantoorhoudende aan de Presidente Romulo Betancourt Boulevard 16-D, Willemstad, Curaçao.
De vereffenaar heeft bij aantreden vastgesteld dat geen aan hem bekende baten aanwezig zijn en dat derhalve ingevolge 2:31 lid 7 BW Curaçao de vereffening van de Vennootschap is beëindigd en de Vennootschap heeft opgehouden te bestaan.
De Vereffenaar
World Ceramic Holding N.V., geliquideerd
gevestigd op Curaçao, hierna “de Vennootschap”
SLOT VERANTWOORDING:
De vereffenaar heeft na voldoening van alle schulden van de Vennootschap vastgesteld dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn en dat derhalve ingevolge art. 2:31 lid 6 BW Curaçao de vereffening van de Vennootschap is beëindigd.
De Vereffenaar
World Ceramic Private Foundation, geliquideerd
gevestigd op Curaçao, hierna “de Stichting”
SLOT VERANTWOORDING:
De vereffenaar heeft na voldoening van alle schulden van de Stichting vastgesteld dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn en dat derhalve ingevolge art. 2:31 lid 6 BW Curaçao de vereffening van de Stichting is beëindigd.
De Vereffenaar
Steadfast Corporation N.V. in liquidatie
(de “Vennootschap”)
Bij de Algemene Vergadering van Aandeelhouders gehouden op 28 december 2021 is besloten om de Vennootschap te ontbinden.
De Vereffenaar heeft terstond bij zijn aantreden vastgesteld dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn. Overeenkomstig artikel 2:31 lid 6 BW is door de onderhavige publicatie van dat feit, de vereffening beëindigd en is de Vennootschap opgehouden te bestaan.
De slotverantwoording wordt ter inzage gelegd ten kantore van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van Curaçao.
De Gevolmachtigde van de Vereffenaar
DELTA INVESTMENTS N.V., in liquidatie
(hierna te noemen “de vennootschap”)
In een Algemene Vergadering van Aandeelhouders van DELTA INVESTMENTS N.V., gehouden op 29 december 2021 is besloten de vennootschap per 28 december 2018 te ontbinden.
Rekening en Verantwoording en het Plan van Uitkering
De rekening en verantwoording en het plan van uitkering liggen ter inzage voor alle belanghebbenden ten kantore van de vennootschap.
De Vereffenaar
BOUGAINVILLE PRIVITE FOUNDATION, in liquidatie
(hierna te noemen “de Private Foundation”)
Bij bestuursbesluit van 28 december 2021 is het besluit genomen om de Private Foundation per diezelfde datum te ontbinden.
Rekening en Verantwoording en het Plan van Uitkering
De rekening en verantwoording en het plan van uitkering liggen ter inzage voor alle belanghebbenden ten kantore van de Private Foundation.
De Vereffenaar
Halliburton Curacao Holdings B.V., in liquidatie
gevestigd op Curaçao, hierna “de Vennootschap”
Besluit tot ontbinding:
Bij besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders d.d. 22 december 2021 is besloten de Vennootschap per 22 december 2021 te ontbinden.
De gevolmachtigde van de Vereffenaar
Columba Corporation N.V., geliquideerd
Gevestigd op Curaçao
De vereffenaar heeft terstond bij zijn aantreden vastgesteld dat geen aan hem bekende baten aanwezig zijn. Overeenkomstig artikel 31 lid 7 Boek 2 BW is door de onderhavige publicatie van dat feit de vereffening geëindigd en is de entiteit opgehouden te bestaan.
De slotverantwoording wordt ter inzage gelegd ten kantore van het handelsregister.
De vereffenaar
Jivji Holdings N.V. in liquidatie
(de “Vennootschap”)
Bij de Algemene Vergadering van Aandeelhouders gehouden op 29 december 2021 is besloten om de Vennootschap te ontbinden.
De Vereffenaar heeft terstond bij zijn aantreden vastgesteld dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn. Overeenkomstig artikel 2:31 lid 6 BW is door de onderhavige publicatie van dat feit, de vereffening beëindigd en is de Vennootschap opgehouden te bestaan.
De slotverantwoording wordt ter inzage gelegd ten kantore van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van Curaçao.
De Vereffenaar
Pan Genetics N.V., geliquideerd
gevestigd op Curaçao, hierna “de Vennootschap”
SLOT VERANTWOORDING:
De Vereffenaar heeft na voldoening van alle schulden van de Vennootschap vastgesteld dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn en dat derhalve ingevolge art. 2:31 lid 6 BW Curaçao de vereffening van de Vennootschap is beëindigd.
De Vereffenaar
Dayles Investments N.V.
(Geliquideerd)
KVK-registratienummer: 100235
De vereffenaar heeft terstond bij aantreden vastgesteld dat geen aan hem bekende baten aanwezig zijn en dat derhalve ingevolge 2:31 lid 7 BW Curaçao de vereffening van Dayles Investments N.V. is beëindigd.
Datum: 21 december 2020
Vereffenaar: Corporate Assistants and Managers N.V.
Leostar Investments A N.V. (“de vennootschap”)
in liquidatie
SLOTVERANTWOORDING
Op 28 december 2021 heeft de directie van de vennootschap middels een aandeelhoudersvergadering besloten om de vennootschap te ontbinden per 28 december 2021.
De vereffenaar heeft direct na zijn aanstelling geconstateerd dat er geen aan hem bekende baten aanwezig zijn.
Namens de Vereffenaar
Leostar Investments B N.V. (“de vennootschap”)
in liquidatie
SLOTVERANTWOORDING
Op 28 december 2021 heeft de directie van de vennootschap middels een aandeelhoudersvergadering besloten om de vennootschap te ontbinden per 28 december 2021.
De vereffenaar heeft direct na zijn aanstelling geconstateerd dat er geen aan hem bekende baten aanwezig zijn.
Namens de Vereffenaar
De vereffenaar van de naamloze vennootschap Chrispine Corporation N.V. (in liquidatie), statutair gevestigd te Curaçao, met adres Schottegatweg Oost 44, (de “Vennootschap”) geeft te kennen dat de Vennootschap op Juli 24, 2015, is ontbonden, dat hem niet is gebleken van enige baten of schulden, en dat de Vennootschap is opgehouden te bestaan per December 30, 2021.
STICHTING BLUE MOON, in liquidatie
(hierna te noemen “ de Foundation”)
Bij bestuurbesluit van 28 december 2021 is het besluit genoemen om de Foundation per diezelfde datum te ontbinden.
Rekening en Verantwoording en het Plan van Uitkering
De rekening en verantwoording en het plan van uitkering liggen ter inzage voor alle belanghebbenden ten kanotre van de Foundation.
De Vereffenaar
Aankondiging
ONDER CURATELE STELLING
Op verzoek van de kinderen mevr. Lorraine M. Wieske, wonende op Curaçao, Liliane M. Romeo-Wieske, wonende op Sint Maarten en mevr. Lisette M. Wieske, wonende in Nederland, heeft het Gerecht in eerste Aanleg van Curaçao bij beschikking van 16 december 2021,
mevr. Olga Maria Laureana Maynard w/v Wieske, geboren op 4 juli 1930 te Curaçao, onder curatele gesteld, met benoeming van mevr. Lorraine Marie Wieske, tot curator.
Curator
Lorraine Wieske
Curaçao, 22 december 2021
ONDER CURATELE STELLING
Op verzoek van ZHEIDA LAZARA OROVIO ALPIZAR, wonende in Curaçao, heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao bij beschikking van 16 december 2021, genummeerd CUR202102510, STEFANI DEL CARMEN MORENO OROVIO, geboren op 5 november 1997 te Caracas, Venezuela, onder curatele gesteld, met benoeming van mevrouw ZHEIDA LAZARA OROVIO ALPIZAR, geboren op 16 augustus 1967 te Havana, Cuba, tot curator.
ZHEIDA LAZARA OROVIO ALPIZAR,
Curator.