| Publicatienummer: | P.B. 2014, no. 56, zoals laatstelijk gewijzigd bij P.B. 2016, no. 39 (Geconsolideerde Tekst) |
| Categorie: | Geconsolideerde Tekst Landsverordening |
| Ministerie: | Sociale Ontwikkeling, Arbeid & Welzijn |
| Datum ondertekening: | 27-05-2014 |
| Datum inwerktreding: | Nog niet bekend |
| Geregistreerd in: |
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK XII Maatschappelijke zorg; verzekeringswezen)
|
LANDSBESLUIT van de 27ste mei 2014, no. 14/1149, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering.
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht tot en met | Datum ingetrokken | Betreft | Vindplaats | Zittingsjaar |
| 18 juli 1960;
1 september 1960 |
n.v.t. | n.v.t. | Geconsolideerde tekst | P.B. 2014, no. 56. | n.v.t. |
| Wijzigingen | |||||
| 1 januari 2015 | n.v.t. | n.v.t. | Art. 26, tweede lid | P.B. 2014, no. 115 | n.v.t. |
| 3 september 2016 | 1 januari 2016 | n.v.t. | Art. 29A, zesde lid | P.B. 2016, no. 37; P.B. 2016, no. 56 | n.v.t. |
| 30 juli 2016 | n.v.t. | n.v.t. | Art. 1 | P.B. 2016, no. 39 | n.v.t. |
| n.v.t. | n.v.t. | Art. 2 | n.v.t. | ||
| n.v.t. | n.v.t. | Art. 7a, eerste lid | n.v.t. | ||
| n.v.t. | n.v.t. | Art. 7a, tweede t/m negende lid | n.v.t. | ||
| n.v.t. | n.v.t. | Art. 7a, tiende lid | n.v.t. | ||
| n.v.t. | n.v.t. | Art. 22a, eerste lid | n.v.t. | ||
| 1 januari 2017 | n.v.t. | n.v.t. | Art. 7, eerste lid | n.v.t. | |
| n.v.t. | n.v.t. | Art. 7, tweede lid | n.v.t. | ||
| n.v.t. | n.v.t. | Art. 7, derde lid | n.v.t. | ||
| n.v.t. | n.v.t. | Art. 7a, eerste lid | n.v.t. | ||
| n.v.t. | n.v.t. | Art. 7a, vierde lid | n.v.t. | ||
| n.v.t. | n.v.t. | Art. 7a, vijfde lid | n.v.t. | ||
| n.v.t. | n.v.t. | Art. 7a, vijfde lid | n.v.t. | ||
| n.v.t. | n.v.t. | Art. 7a, tiende lid | n.v.t. | ||
| n.v.t. | n.v.t. | Art. 8 | n.v.t. | ||
| n.v.t. | n.v.t. | Art. 20, eerste lid | n.v.t. |
Doorlopende tekst
HOOFDSTUK 1
Algemene bepalingen
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde wordt verstaan onder:
de Minister : de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn;
de Bank : de Sociale Verzekeringsbank;
Ingezetene : degene met een geldige verblijfstitel die in het bevolkingsregister is ingeschreven en metterwoon in Curaçao is gevestigd;
de inspecteur : de Inspecteur der Belastingen van Curaçao.
1. Waar iemand metterwoon is gevestigd, hangt af van het middelpunt van het maatschappelijk en economisch leven van betrokkene en wordt naar de omstandigheden beoordeeld, voor zover in dit artikel niet anders is bepaald.
2. Degene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Curaçao zal verblijven, is niet metterwoon in Curaçao gevestigd.
3. Degene, die Curaçao metterwoon verlaat, maar binnen een jaar zich aldaar weer metterwoon vestigt, wordt voor de toepassing van artikel 5 geacht ook tijdens diens afwezigheid in Curaçao te hebben gewoond, tenzij blijkt, dat hij tijdens zijn afwezigheid op het grondgebied van Nederland of van een vreemde staat heeft gewoond.
4. Degene, die tijdelijk in Curaçao verblijft en hetzij in Nederland woont, hetzij aldaar geacht wordt te wonen volgens de daar geldende wetgeving inzake de belasting naar het inkomen,wordt als niet in Curaçao wonend beschouwd, indien zijn tijdelijk verblijf niet langer dan een jaar duurt.
1. In de uitvoering van de in deze landsverordening geregelde verzekering wordt voorzien door de Bank, met dien verstande, dat de heffing van de premies geschiedt door de Inspecteur.
2. Voor zover de uitvoering van de in deze landsverordening geregelde verzekering geschiedt door de Bank, kan de Minister nadere regelen stellen met betrekking tot de te voeren administratie en de registratie der verzekerden.
1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen bevoegdheden met betrekking tot de uitvoering van deze landsverordening worden toegekend aan instanties van het Land en kunnen aan die instanties aanwijzingen en voorschriften worden gegeven.
2. In de gevallen, waarin ingevolge het bepaalde in het vorige lid aan instanties van het Land bevoegdheden zijn toegekend, zijn de bepalingen van deze landsverordening en van de tot haar uitvoering genomen besluiten van toepassing, met inachtneming van de wijzigingen, welke de aard van het onderwerp vordert.
HOOFDSTUK II
De kring der verzekerden
1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze landsverordening is degene, die de leeftijd van vijftien jaar, doch niet die van 65 jaar heeft bereikt, indien hij:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch in de inkomstenbelasting wordt aangeslagen als in Curaçao wonende belastingplichtige;
c. geen ingezetene is en evenmin geacht kan worden blijvend buiten Curaçao te wonen, doch terzake van buiten Curaçao verrichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van Curaçao, mits hij Nederlander is.
2. Niet verzekerd is de vreemdeling, die niet geacht kan worden blijvend in Curaçao te wonen en die terzake van in Curaçao verrichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van een andere mogendheid.
3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen personen, die niet ingevolge het eerste lid verzekerd zijn, als verzekerden in de zin van deze landsverordening worden aangemerkt.
4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan van het bepaalde in het eerste lid worden afgeweken:
a. ten aanzien van vreemdelingen;
b. ter voorkoming van samenloop van de verzekering ingevolge deze landsverordening met een overeenkomstige regeling buiten Curaçao;
c. in de gevallen van tijdelijk verblijf of tijdelijke werkzaamheden hier te lande;
d. ten aanzien van echtgenoten en overige gezinsleden van de in het tweede lid en van de in dit lid onder b. en c. bedoelde personen.
HOOFDSTUK III
Het ouderdomspensioen
§ 1. Het recht op ouderdomspensioen
Degene, die verzekerd is geweest en de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, heeft overeenkomstig de bepalingen van deze landsverordening recht op ouderdomspensioen.
1. Het ouderdomspensioen bedraagt NAf 862,00 per maand. Voor de degene die geen ingezetene is, bedraagt het ouderdomspensioen NAf. 775,80 per maand.
2. De pensioenbedragen, bedoeld in het eerste lid, worden bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, met inachtneming van het derde lid aangepast.
3. Aanpassing van de pensioenbedragen heeft plaats met ingang van de eerste dag van enig kalenderjaar op basis van het percentage van de reële economische groei voor de maand augustus daaraan voorafgaande ten opzichte van het percentage van de reële economische groei voor de maand augustus van het daaraan voorafgaande jaar.
1. Degene aan wie een ouderdomspensioen is toegekend en die gehuwd is met iemand die jonger is dan 65 jaar heeft recht op een toeslag van ten hoogste NAf 591,00 per maand, voor zover:
c. sprake is van gezamenlijke huishouding; en
d. het gezamenlijk inkomen niet meer dan NAf 12.000,00 per jaar bedraagt.
Indien één van de echtgenoten geen ingezetene is of beiden dat niet zijn, bedraagt voor de toepassing van dit artikel de toeslag ten hoogste NAf 531,90 per maand.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gezamenlijke huishouding verstaan: het hoofdverblijf hebben op hetzelfde adres en het tevens zorg dragen voor elkaar
3 De toeslag wordt door de Bank betaalbaar gesteld aan degene met wie degene aan wie het ouderdomspensioen is toegekend, gehuwd is. De betaling geschiedt als regel maandelijks.
4. De toeslag eindigt:
a. degene met wie degene aan wie het ouderdomspensioen is toegekend, gehuwd is, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;
b. bij ontbinding van het huwelijk in de gevallen, genoemd in artikel 248 van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao;
c. bij overlijden van degene aan wie het ouderdomspensioen is toegekend of van degene met wie degene aan wie het ouderdomspensioen is toegekend, gehuwd is;
d. wanneer er geen sprake meer is van gezamenlijke huishouding;
e. wanneer degene aan wie het ouderdomspensioen is toegekend of de gehuwde met degene aan wie het ouderdomspensioen is toegekend, geen ingezetene meer is;
f. bij intrekking van het pensioen of de toeslag;
g. wanneer het gezamenlijk inkomen, bedoeld in het eerste lid, meer dan NAf 12.000,– per jaar bedraagt.
5. Onder inkomen in het eerste en vierde lid, onderdeel g, wordt verstaan het belastbaar inkomen, bedoeld in de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (P.B. 1956, no. 9) , verminderd met het ingevolge deze landsverordening uitgekeerde pensioen.
6. De toeslag eindigt met ingang van de maand, volgende op die, waarin het feit of de omstandigheid, bedoeld in het vierde lid, heeft plaats gehad onderscheidenlijk is ontstaan, die het einde ten gevolge heeft.
7. De artikelen 12, 13, tweede tot en met vierde lid, 14, 15, 16, 18, 19, 22, 22a tot en met 22c, 23, 24, tweede lid, 34, 37, 38, 44, eerste lid, 47, 48 en 52 zijn van overeenkomstige toepassing op de toeslag.
8. Op de toeslag wordt een korting toegepast van:
a. 2% voor elk kalenderjaar, dat degene die gehuwd is met een persoon als bedoeld in het eerste lid, behoudens in bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen gevallen, na het bereiken van de 15-jarige, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd van degene met wie hij gehuwd is niet verzekerd is geweest.
b. 3% voor elke jaarpremie ingevolge deze landsverordening, welke degene die gehuwd is met een persoon als bedoeld in het eerste lid, schuldig nalatig is geweest te betalen.
9. Artikel 20 is van overeenkomstige toepassing op de toeslag met dien verstande dat bij overlijden van degene, met wie degene aan wie het ouderdomspensioen is toegekend, is gehuwd, een bedrag van viermaal het ouderdomspensioen, genoemd in artikel 7, eerste lid, wordt uitbetaald.
10. De bedragen, genoemd in het eerste en vierde lid, onderdeel f, worden ingeval van aanpassing van het pensioenbedrag als bedoeld in artikel 7, tweede lid, op overeenkomstige wijze aangepast.
1. Op de bedragen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, wordt een korting toegepast van 2% voor elk kalenderjaar, dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de 15-jarige, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet verzekerd is geweest.
2. Op de bedragen, genoemd in artikel 7, eerste lid, wordt een korting toegepast van 3% voor elke jaarpremie ingevolge deze landsverordening, welke de pensioengerechtigde schuldig nalatig is geweest te betalen.
3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden, gehoord de Bank, regels gesteld omtrent de herleiding van gedeelten van jaarpremies tot gehele jaarpremies en van gedeelten van kalenderjaren, bedoeld in het eerste en tweede lid, alsmede artikel 7a, tot gehele kalenderjaren.
4. Na de korting, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt het ouderdomspensioen afgerond op volle guldens.
§ 2. Toekenning, ingang, intrekking, herziening, betaling en einde van het ouderdomspensioen
1. Het ouderdomspensioen alsmede een verhoging van het ouderdomspensioen wordt op aanvraag toegekend door de Bank.
2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid is de Bank bevoegd het ouderdomspensioen alsmede een verhoging van het ouderdomspensioen ambtshalve toe te kennen.
De aanvraag om ouderdomspensioen alsmede een verhoging van het ouderdomspensioen wordt ingediend ter plaatse door de Minister aangewezen.
1. Het ouderdomspensioen gaat in op de eerste dag van de maand volgende op die, waarin de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een ouderdomspensioen niet eerder ingaan dan een jaar vóór de eerste dag der maand, volgende op die, waarin de aanvraag werd ingediend of waarin de ambtshalve toekenning plaats vond. De Bank kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken.
1. Het ouderdomspensioen wordt door de Bank ingetrokken of herzien, wanneer degene aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde, daarvoor niet of niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.
2. De herziening van het ouderdomspensioen, welke voortvloeit uit een wijziging der omstandigheden en welke een verhoging van dit pensioen tot gevolg heeft, gaat in op de eerste dag der maand, volgende op die, waarin de wijziging dier omstandigheden heeft plaats gevonden. Het bepaalde in artikel 11, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De intrekking van het ouderdomspensioen of de herziening daarvan, welke een verlaging van dit pensioen tot gevolg heeft, gaat, behoudens in bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen gevallen, in op de eerste dag der maand, volgende op die, waarin de dag der dagtekening van de kennisgeving ingevolge artikel 37, eerste lid onder a is gelegen.
4. De herziening van het ouderdomspensioen, welke verband houdt met het bepaalde in het laatste lid van artikel 7, gaat, in afwijking van het bepaalde in het tweede en derde lid, in op de dag, met ingang waarvan op grond van het laatste lid van artikel 7, de in dat artikel genoemde bedragen zijn herzien.
5. Ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel kunnen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere voorschriften worden gegeven. Daarbij kunnen tevens regelen worden gesteld met betrekking tot schorsing en opschorting van de uitbetaling van het ouderdomspensioen.
1. Het ouderdomspensioen wordt betaalbaar gesteld door de Bank. De betaling geschiedt als regel maandelijks.
2. In geval het pensioen in het buitenland wordt uitbetaald, worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op het pensioen in mindering gebracht.
3. Wanneer een gepensioneerde een ander machtigt om het ouderdomspensioen in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstermijn, aanvangende na de dag, waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening, onderscheidenlijk intrekking der machtiging.
4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regelen worden vastgesteld inzake de betaalbaarstelling van het ouderdomspensioen door organen, welke belast zijn met de uitbetaling van pensioen uit anderen hoofde dan ingevolge deze landsverordening.
1. Indien een krachtens deze landsverordening gepensioneerde in een gesticht of door of vanwege een instelling van weldadigheid, door het openbare gezag erkend, wordt verzorgd of verpleegd, en de kosten van verzorging of verpleging geheel of gedeeltelijk ten laste komen van een openbaar lichaam of een instelling van weldadigheid als vorenbedoeld, kan op verzoek van het desbetreffende orgaan het ouderdomspensioen over volle kalendermaanden, gelegen binnen de duur van de verzorging of verpleging, voor zover het over die maanden nog niet is uitbetaald, aan het desbetreffende orgaan worden uitbetaald, met dien verstande, dat aan dat orgaan niet meer wordt uitbetaald dan de te zijnen laste komende kosten van verzorging en verpleging bedragen.
2. Voorzover in verband met het bepaalde in dit artikel het ouderdomspensioen niet werd uitbetaald aan de gepensioneerde, wordt het na het overlijden van de gepensioneerde, voorzover nodig in afwijking van het in artikel 17 bepaalde, tot en met de laatste dag der maand, waarin het overlijden plaats vond, uitbetaald aan het in het eerste lid van dit artikel bedoelde orgaan.
De termijnen van het ouderdomspensioen, welke niet zijn ingevorderd binnen twee jaar na de eerste dag waarop zij konden worden ingevorderd, worden niet meer uitbetaald.
1. Behoudens het bepaalde in het volgende lid zijn de eenmaal uitbetaalde termijnen van het ouderdomspensioen niet vatbaar voor terugvordering.
2. Indien het ouderdomspensioen krachtens het bepaalde in artikel 12, derde lid met terugwerkende kracht is herzien of ingetrokken, kan hetgeen aan pensioen te veel of ten onrechte is uitbetaald, geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd, dan wel op het later uit te betalen pensioen in mindering worden gebracht.
1. Onverminderd het overigens in deze landsverordening bepaalde eindigt het ouderdomspensioen door:
1e. overlijden;
2e. intrekking.
2. Het ouderdomspensioen eindigt, behoudens het overigens in deze landsverordening bepaalde, met ingang van de maand volgende op die, waarin het feit heeft plaats gehad of de omstandigheid is ontstaan, die het einde ten gevolge heeft.
1. Het ouderdomspensioen is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening;
c. behoudens voor zover dit dient tot verhaal van onderhoud, waartoe de gepensioneerde volgens wettelijke regeling is gehouden, niet vatbaar voor executoriaal of conservatoir beslag, noch voor faillissementsbeslag.
2. Voor zover op grond van het eerste lid, onder c beslag wordt gelegd, mag dit niet meer bedragen dan een derde gedeelte van het bedrag van het ouderdomspensioen.
3. Volmacht tot ontvangst van ouderdomspensioen, onder welke vorm of welke benaming ook, door de gepensioneerde verleend, is steeds herroepelijk.
4. Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig.
1. De Bank is bevoegd om op grond van verdragen, convenanten en andersoortige overeenkomsten met uitvoerders van instellingen van sociale voorzieningen, het ouderdomspensioen van een pensioengerechtigde te verminderen ter ontneming van een ten onrechte verkregen voordeel van de pensioengerechtigde op het gebied van sociale voorzieningen.
2. De Bank is eveneens bevoegd om het ouderdomspensioen van een pensioengerechtigde te verminderen ter ontneming van een ten onrechte verkregen voordeel van de pensioengerechtigde op het gebied van de door de Bank uitgevoerde sociale verzekeringswetten.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde vermindering kan ineens geschieden indien het ten onrechte genoten voordeel niet groter is dan een derde deel van het door de Bank verstrekte ouderdomspensioen. In alle andere gevallen kan de vermindering niet meer bedragen dan een derde deel van het ouderdomspensioen.
§ 3. De gevolgen van het overlijden van een pensioengerechtigde,
dan wel van het overlijden van zijn echtgenote,
respectievelijk haar echtgenoot
1. Na het overlijden van degene, aan wie een ouderdomspensioen is toegekend, wordt het pensioen tot en met de laatste dag van de maand waarin het overlijden heeft plaats gehad, uitbetaald.
2. De uitbetaling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt aan de persoon of personen, die daarvoor naar het oordeel van de Bank op billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt onderscheidenlijk komen, mits deze daartoe binnen zes maanden na het overlijden een verzoek bij de Bank heeft, onderscheidenlijk hebben, ingediend.
1. Na het overlijden van degene, aan wie een ouderdomspensioen is toegekend, wordt een bedrag ineens, gelijk aan viermaal het maandbedrag van ouderdomspensioen waarop recht bestond in de maand van het overlijden uitbetaald aan de persoon of personen, die daarvoor naar het oordeel van de Bank op billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt, onderscheidenlijk komen, mits deze daartoe binnen zes maanden na het overlijden een verzoek bij de Bank heeft, onderscheidenlijk hebben, ingediend.
2. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt betaalbaar gesteld in de maand volgende op die, waarin een verzoek als bedoeld in het eerste lid, bij de Bank is ingediend.
§ 4. Voorziening bij vertrek uit Curaçao
1. Aan de verzekerde, die Curaçao metterwoon verlaat, wordt door de Bank op diens verzoek een verklaring afgegeven, vermeldende het aantal jaren dat de verzekerde voor zijn rechten krachtens deze landsverordening kan doen gelden tot aan de dag van zijn vertrek uit Curaçao. Alvorens deze verklaring wordt afgegeven moet de verzekerde de door hem verschuldigde premie, tot aan de dag van zijn vertrek, voldoen.
2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden, gehoord de Bank, regelen vastgesteld met betrekking tot de toekenning en betaalbaarstelling van ouderdomspensioen-en, voor personen die buiten Curaçao wonen.
§ 5. Waarborg verplichtingen voortvloeiende
uit deze Landsverordening
Het Land waarborgt zonder enig voorbehoud de betaling door de Bank van het ouderdomspensioen en het bedrag genoemd in artikel 20, waarop krachtens deze landsverordening aanspraak bestaat.
§ 6. Kerstuitkering
1. Degene, die in enig jaar in de maand september recht heeft op ouderdomspensioen en ingezetene is, heeft in dat jaar recht op kerstuitkering.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder degene, die recht heeft op ouderdoms-pensioen, mede verstaan degene, aan wie op grond van artikel 19 ouderdomspensioen wordt uitbetaald.
1. De kerstuitkering bedraagt 100 pct. van het bedrag aan ouderdomspensioen, waarop recht bestond in de maand september.
2. De uitbetaling van de kerstuitkering vindt eenmaal per jaar ambtshalve plaats in de eerste helft van de maand december. De Minister kan terzake nadere regelen stellen.
3. Het bedrag van de kerstuitkering, dat niet is ingevorderd binnen zes maanden na de eerste dag waarop het kon worden ingevorderd, wordt niet meer uitbetaald.
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 13, 14, 16, 18, 19, 22 en 34 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de kerstuitkering, voor zover bij of krachtens deze paragraaf niet anders is bepaald.
De Minister kan met betrekking tot het bepaalde in deze paragraaf nadere regelen stellen. Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 22b, tweede lid.
HOOFDSTUK IV
De op te brengen middelen
De middelen tot dekking van de ingevolge deze landsverordening uit te keren pensioenen en uitkeringen als bedoeld in artikel 20 en van de aan de uitvoering van deze landsverordening verbonden kosten, alsmede de middelen benodigd voor het vormen en in stand houden van een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te bepalen reserve, worden gevonden door het heffen van premies van de verzekerden en uit overige inkomsten.
1. De premies worden gestort in een door de Bank te beheren Ouderdomsfonds.
2. De ingevolge deze landsverordening uit te keren pensioenen, de uitkeringen bedoeld in artikel 20 alsmede de aan de uitvoering van deze landsverordening verbonden kosten komen ten laste van het Ouderdomsfonds.
Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot de belegging van de gelden van het Ouderdomsfonds
1. De premie wordt, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden, geheven over het premie-inkomen, zijnde het door de verzekerde in een kalenderjaar genoten inkomen en vastgesteld in een percentage van dat inkomen. Ten aanzien van degene, die slechts een gedeelte van een kalenderjaar verzekerd is geweest, treedt dit gedeelte voor het kalenderjaar in de plaats.
2. Onder inkomen wordt verstaan: het belastbaar inkomen in de zin van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (P.B. 1956, no. 9) , vermeerderd met de krachtens laatstgenoemde landsverordening als persoonlijke last in aftrek toegelaten premies algemene ouderdomsverzekering en algemene weduwen- en wezenverzekering en verminderd met de ingevolge deze landsverordening en de Landsverordening Algemene Weduwen- en Wezenverzekering (P.B. 1965, no. 194) uitgekeerde pensioenen en gedane uitkeringen. Tot het inkomen wordt niet gerekend de rente waarover rentebelasting wordt geheven als bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening regelende de inhouding van de inkomstenbelasting op rente-inkomen.
3. Indien het inkomen meer bedraagt dan NAf 100.000,00 per jaar, wordt over het meerdere een premie van 1% geheven. Het bedrag van NAf 100.000,00 wordt naar tijdsruimte evenredig verlaagd ten aanzien van degene, die niet het gehele jaar verzekerd is geweest.
4. Van verzekerden, die niet of niet het gehele kalenderjaar in dienstbetrekking werkzaam zijn en wier inkomen minder dan NAf 6.379,87 per jaar bedraagt, wordt de premie, voor zover deze niet bij wijze van inhouding is geheven, niet geheven.
5. Van verzekerden die niet of niet het gehele kalenderjaar in dienstbetrekking werkzaam zijn en wier inkomen niet minder dan NAf 6.379,87 doch minder dan NAf 51.788,74 per jaar bedraagt, wordt de premie, bedoeld in het eerste lid, voor zover deze niet bij wijze van inhouding is geheven, overeenkomstig bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te stellen regels slechts voor een deel geheven .
6. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid nadere regels worden vastgesteld en kunnen de bedragen, genoemd in het derde tot en met vijfde lid, ingeval van aanpassing van het pensioenbedrag als bedoeld in artikel 7, tweede lid, op overeenkomstige wijze worden aangepast.
1. Het in artikel 26, eerste lid, bedoelde premiepercentage bedraagt 15%, met dien verstande dat een vrijstelling wordt verleend voor 6% van de premievoet. De premievoet bedraagt NAF 9.340 minus 33,8% van het premie-inkomen, maar niet meer dan het premie-inkomen. Het premiepercentage kan worden aangepast bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, gehoord de Bank.
2. Van het in artikel 26, derde lid, genoemde inkomen wordt een premie van 6% geheven ten laste van de werknemer rekening houdend met het bepaalde in het eerste lid.
3. Als regel wordt het premiepercentage telkens voor een periode van vijf jaren vastgesteld, en wel zodanig, dat het totaal van de over de eerstvolgende periode te ontvangen premies voldoende zal zijn om daaruit de uitgaven van het Ouderdomsfonds over dat tijdvak te voldoen, alsmede om de in artikel 23 bedoelde reserve te vormen en in stand te houden.
4. De in dit artikel bedoelde bedragen en percentages kunnen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, gehoord de Bank, worden aangepast.
De Minister van Financiën is bevoegd, met inachtneming van het vastgestelde premiepercentage, de ingevolge deze landsverordening verschuldigde premies te doen berekenen volgens tabellen. Bij het opstellen van deze tabellen en voor de toepassing daarvan bepaalt de Minister van Financiën de door hem nodig geachte afrondingen.
1. Tenzij bij of krachtens deze landsverordening anders is bepaald, geschiedt de heffing van de ingevolge deze landsverordening verschuldigde premie, onder verrekening van eventueel krachtens het tweede lid geheven premies, bij wege van aanslag en met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regelen, met dien verstande, dat aan de verzekerde, die niet wordt aangeslagen in de inkomstenbelasting, niettemin een aanslag wordt opgelegd voor de door hem verschuldigde premies.
2. De premie van de verzekerden, die in dienstbetrekking werkzaam zijn, wordt geheven bij wege van inhouding door de werkgever. Indien de ingevolge artikel 26 lid 1 in totaal over een jaar verschuldigde premie door inhouding is geheven, blijft het bepaalde in het vorige lid buiten toepassing.
3. Het bepaalde in de artikelen 3, leden 2, 3, 4, en 5, 4, leden 2 en 4, 21, lid 1, 21a, 21b, 21c en 21d, van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ingevolge deze landsverordening verschuldigde premies, met dien verstande dat in de plaats van “inhoudingsplichtige(n)” telkens gelezen wordt “werkgever(s)”.
4. Invordering van de premie, de administratieve boete en al hetgeen de Bank verder uit hoofde van deze landsverordening te vorderen heeft, heeft plaats volgens de regels, welke van toepassing zijn op de invordering van de directe belastingen, met dien verstande dat de Bank in plaats van de Ontvanger met de invordering is belast.
5. De Minister en de Minister van Financiën geven voorschriften inzake hetgeen nader geregeld moet worden met betrekking tot de heffing, de invordering en de afdracht van de premie ingevolge deze landsverordening.
6. Met betrekking tot het in dit artikel bepaalde kunnen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere regelen worden vastgesteld voor bepaalde personen of groepen van personen.
1. De werkgever is verplicht de premie, die hij over een tijdvak van een maand of korter heeft ingehouden of had moeten inhouden binnen 15 dagen na het einde van die maand, op aangifte af te dragen. Indien de inhouding over een tijdvak van langer dan een maand geschiedt, is de werkgever verplicht de premie, binnen vijftien dagen na het einde van dat tijdvak, op aangifte af te dragen.
2. De aangifte wordt gelijktijdig met de afdracht gedaan bij de Bank. Indien evenwel krachtens artikel 4 een instantie is aangewezen, geschiedt de aangifte bij die instantie.
3. De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden uitstel van het indienen van de aangifte verlenen.
4. De inspecteur kan van de werkgever die de premie over een tijdvak van langer dan een maand moet afdragen, vorderen dat hij binnen vijftien dagen na het einde van elke maand een gedeelte van de in te houden premie bij wijze van voorlopige betaling afdraagt.
5. Ook in de gevallen, dat geen premie behoeft te worden ingehouden, moet aangifte op de in de vorige leden aangegeven tijden ingediend worden. Personen, die stellen geen werkgever te zijn, moeten niettemin de hen verstrekte aangifte-formulieren binnen vijftien dagen na het einde van de maand, waarin de aangifte-formulieren hen zijn verstrekt, indienen.
6. De inspecteur verstrekt de inhoudingsplichtige het benodigde aantal aangifte-formulieren, hetzij op diens verzoek, hetzij ambtshalve.
7. De artikelen 6 en 6A van de Algemene landsverordening Landsbelastingen zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Indien de premie geheel of gedeeltelijk niet binnen de voorgeschreven tijd is afgedragen kan de te weinig afgedragen premie door middel van een aanslag, op te leggen ten name van de werkgever, worden ingevorderd. De werkgever is gerechtigd het nageheven bedrag te verhalen op zijn werknemer voor zover het betrekking heeft op van de werknemer ten onrechte niet ingehouden premie.
2. De in deze aanslag te begrijpen premie kan bij wijze van boete verhoogd worden met ten hoogste honderd procent doch tenminste vijftien gulden. De werkgever is niet gerechtigd deze boete op zijn werknemers te verhalen.
3. Indien aan de verplichting opgelegd in het vijfde lid van het vorige artikel niet wordt voldaan en ten gevolge daarvan de aanslag in zijn geheel moet worden verminderd, bedraagt de boete vijftien gulden.
1. Indien bij het vaststellen van de premie-aanslag of bij controle van de door de werkgevers ingehouden premie blijkt dat teveel of te weinig is ingehouden dan wel teveel of te weinig is betaald op een voorlopige premie-aanslag, wordt het meerdere gerestitueerd en het mindere alsnog ingevorderd.
2. Geen restitutie of invordering als bedoeld in het vorige lid heeft plaats, indien het te restitueren of alsnog in te vorderen bedrag lager is dan NAf 5,-.
3. In het geval als bedoel in het tweede lid blijft het opleggen van de definitieve premie-aanslag achterwege.
1. Indien een verzekerde nalatig is gebleven de over een bepaald jaar verschuldigde premie geheel of gedeeltelijk te betalen, houdt de Bank, indien zij besluit, dat van een schuldig nalaten sprake is, daarvan aantekening. Hiervan wordt de verzekerde in kennis gesteld.
2. In de gevallen, waarin aantekening is gesteld als bedoeld in het eerste lid, kunnen de verzekerden alsnog gedurende vijf jaren na de kennisgeving van de aantekening de verschuldigde premies geheel of gedeeltelijk betalen. Voor zover de verschuldigde premies alsnog zijn betaald, wordt de aantekening als bedoeld in het eerste lid doorgehaald en de verzekerde voor de betreffende periode niet geacht schuldig nalatig te zijn geweest.
3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen terzake van het bepaalde in de vorige leden, nadere regelen worden vastgesteld.
1. Degene, op wie volgens de bepalingen van deze landsverordening de plicht rust premie te betalen, is verplicht aangifte te doen van zijn inkomen.
2. In de gevallen waarin geen aangifte is gedaan en als gevolg daarvan ten onrechte geen of onvoldoende premie is betaald, wordt de verzekerde geacht over het betreffende jaar schuldig nalatig te zijn geweest in de betaling der premie.
1. Verzekerden en gewezen verzekerden, beneden een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te bepalen leeftijd, welke niet hoger mag worden gesteld dan 65 jaar, zijn in de gevallen, onder de voorwaarden en overeenkomstig het tarief, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te bepalen, tot premiebetaling bevoegd over tijdvakken, gelegen na het bereiken van de leeftijd van vijftien jaar, waarover zij niet verzekerd zijn of geweest zijn.
2. Degene, die van zijn bevoegdheid bedoeld in het eerste lid gebruik maakt, wordt over de tijd, waarover de premie is betaald, als verzekerde beschouwd.
HOOFDSTUK V
Het verstrekken van inlichtingen
De gepensioneerde aan wie, alsmede het orgaan aan hetwelk het pensioen ingevolge het bepaalde in artikel 14 geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald, zijn verplicht van elke verandering van feiten en omstandigheden, welke tot intrekking of verlaging van het pensioen aanleiding kan geven, schriftelijk mededeling te doen aan de Bank, binnen veertien dagen nadat genoemde feiten en omstandigheden zich voordoen.
1. Een ieder is verplicht aan de Bank, aan een orgaan, belast met de uitvoering van enig deel van deze landsverordening of aan enig door of vanwege een dezer instanties aangewezen persoon de ten behoeve van de uitvoering der landsverordening van hem gevraagde inlichtingen te geven.
2. De inlichtingen moeten, indien dit wordt verzocht, schriftelijk worden verstrekt binnen een door een in het eerste lid bedoelde instantie of persoon schriftelijk te stellen termijn.
3. Een ieder is verplicht aan een in het vorige lid bedoelde instantie of aan een door of vanwege deze daartoe aangewezen persoon desgevraagd inzage te verlenen van boeken, bescheiden en andere informatiedragers voor zover dit nodig is ten behoeve van de uitvoering van deze landsverordening.
1. Publiekrechtelijke lichamen zijn verplicht op de door de Minister aan te geven wijze kosteloos hun medewerking te verlenen tot het verkrijgen van de inlichtingen, benodigd voor de uitvoering dezer landsverordening.
2. (vervallen)
HOOFDSTUK VI
Bezwaar en beroep
1. Aan de belanghebbende wordt schriftelijk kennis gegeven van een beslissing ingevolge deze landsverordening, welke
a. verband houdt met het recht op en de uitbetaling van pensioen, uitkering of kerstuitkering, dan wel
b. betrekking heeft op een aantekening als bedoeld in het eerste lid van artikel 31.
2. Een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid vermeldt de dagtekening van de beslissing, de gronden, waarop deze berust, alsmede bij wie beroep kan worden ingesteld.
3. Het in het vorige leden bepaalde is ten aanzien van een beslissing inzake het recht op kerstuitkering slechts van toepassing, indien de belanghebbende zulks verzoekt.
Tegen een beschikking waarvan ingevolge artikel 37 schriftelijk kennis is gegeven staat -behoudens indien het betreft een beschikking ingevolge artikel 19, derde lid, voor zover die uitkering op billijkheidsgronden is toegekend, of een beschikking ingevolge artikel 20, derde lid, dan wel een beschikking ingevolge artikel 22 c, eerste lid, juncto artikel 13, tweede lid, of artikel 19, derde lid- voor belanghebbende binnen zes weken na de dag waarop deze is gegeven, beroep open bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
1. Voor zover bij of krachtens deze landsverordening niet anders is bepaald zijn, naar gelang de ingevolge deze landsverordening verschuldigde premies en boeten bij wege van aanslag, dan wel bij wijze van inhouding worden geheven, de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regelen inzake de rechtsmiddelen van overeenkomstige toepassing.
2. De inspecteur doet op een bezwaarschrift eerst uitspraak nadat is komen vast te staan, dat geen feiten en omstandigheden in geding zijn, welke tevens van belang zijn voor de heffing van inkomstenbelasting, dan wel voor zover zulks wel het geval is, de beslissing daaromtrent voor de heffing van die belasting onherroepelijk is geworden.
3. Met betrekking tot een navorderingsaanslag, welke geheel of gedeeltelijk berust op feiten, welke mede tot het opleggen van een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting ten laste van belanghebbende aanleiding hebben gegeven, neemt de termijn voor het instellen van beroep eerst een aanvang op de datum, waarop laatstbedoelde navorderingsaanslag onherroepelijk is komen vast te staan.
4. Tegen hetgeen omtrent de toepassing van artikel 2 dezer landsverordening, alsmede omtrent het belastbaar inkomen in de zin van de landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (P.B. 1956, no. 9) voor de heffing van die belasting onherroepelijk is komen vast te staan, is beroep niet toegelaten.
HOOFDSTUK VII
Overgangsbepalingen
(vervallen)
HOOFDSTUK VIIA
Toezicht
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde zijn belast de daartoe bij landsbesluit aangewezen personen. Een zodanige aanwijzing wordt bekend gemaakt in De Curaçaosche Courant.
2. De krachtens het eerste lid aangewezen personen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
a. alle inlichtingen te vragen;
b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
c. alle plaatsen, met uitzondering van woningen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van door hen aangewezen personen.
3. Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, verschaft met behulp van de sterke arm.
4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de krachtens het eerste lid aangewezen personen.
5. Een ieder is verplicht aan de krachtens het eerste lid aangewezen personen alle medewerking te verlenen die in het kader van de toezichtsuitoefening op grond van het tweede lid wordt gevorderd.
HOOFDSTUK VIII
Strafbepalingen
1. Hij, die niet voldoet aan de verplichting, opgelegd in artikel 34, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. De werkgever die niet voldoet aan de verplichting, opgelegd in artikel 58, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van ten hoogste duizend gulden . Deze straf kan worden opgelegd voor elk geval, waarin een werkgever voor een zijner werknemers de in dit lid bedoelde verplichting niet nakomt.
3. Hij, die niet of niet volledig voldoet aan de verplichting hem opgelegd in artikel 29A wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de derde categorie.
Hij, die op grond van bij of krachtens deze landsverordening vastgestelde bepalingen gehouden is inlichtingen of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen of een verklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet dan wel opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.
Hij, die op andere wijze dan door het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift, dat bestemd is tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk een opgave doet in strijd met de waarheid, zulks met het oogmerk om aldus een uitkering of een hogere uitkering ingevolge deze landsverordening te verkrijgen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.
Overtredingen van bepalingen van een krachtens deze landsverordening vastgesteld landsbesluit, houdende algemene maatregelen, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van ten hoogste honderd gulden.
(vervallen)
1. Met de opsporing van de bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, belast de daartoe bij landsbesluit aangewezen ambtenaren. Een zodanige aanwijzing wordt bekend gemaakt in De Curaçaosche Courant.
2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vereisten waaraan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren dienen te voldoen.
(vervallen)
1. De in artikel 43a bedoelde personen zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun bij het toezicht op de naleving der bij of krachtens deze landsverordening vastgestelde bepalingen is bekend geworden, voor zover die geheimhouding niet in strijd is met deze of een andere algemene verordening.
2. Hij, die de bij het vorige lid opgelegde geheimhouding opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie.
3. Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de eerste categorie.
4. Geen vervolging heeft plaats dan op klachte van hen, te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
De in de artikelen 44, derde lid, 45, 46 en 51 bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven, de in de artikelen 44, eerste en tweede lid, en 47 bedoelde strafbare feiten als overtredingen beschouwd.
HOOFDSTUK IX
Slotbepalingen
Hetgeen overigens nog ter uitvoering van deze landsverordening nodig is, wordt bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, geregeld.
Indien in de pensioenregeling van een pensioenfonds of van een werkgever vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 55 bepalingen zijn opgenomen, krachtens welke op het uit te keren pensioen een wettelijk ouderdomspensioen geheel of gedeeltelijk in mindering wordt gebracht, dient bij de toepassing van deze bepalingen in acht te worden genomen:
1. dat het uit te keren of reeds toegekende pensioen met niet meer wordt verminderd dan met het deel van het ouderdomspensioen, dat evenredig is aan het gedeelte van de ingevolge deze landsverordening verschuldigde premie, dat de werkgever of het pensioenfonds voor zijn rekening neemt;
2. dat, behoudens in door de Minister aan te wijzen gevallen, een verhoging van het ouderdomspensioen ingevolge deze landsverordening, welke plaats vindt na de datum van beëindiging van de actieve deelneming aan de pensioenregeling, niet op het pensioen in mindering wordt gebracht;
3. dat niet in mindering mag worden gebracht 2% van het ouderdomspensioen voor elk jaar, dat de pensioengerechtigde na zijn pensionering de volle premie voor eigen rekening heeft betaald;
4. dat niet in mindering mag worden gebracht 2% van het ouderdomspensioen van de weduwe van de pensioengerechtigde voor elk jaar, dat de pensioengerechtigde na zijn pensionering de volle premie voor eigen rekening heeft betaald;
5. dat het uit te keren reeds toegekende pensioen, indien dat wegens het niet-bereiken van het voor een volledig pensioen benodigde aantal dienst- of deelnemersjaren niet volledig is, met niet meer wordt verminderd dan met het deel van het voor vermindering in aanmerking komende gedeelte van het ouderdomspensioen ingevolge deze landsverordening, dat evenredig is aan het deel, dat het door de werkgever of het pensioenfonds uit te keren pensioen uitmaakt van het volledig pensioen;
6. dat indien een ouderdomspensioen uit meer dan één vervulde dienstbetrekking wordt genoten en op grond van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel meerdere werkgevers en (of) meerdere pensioenfondsen een korting op het door hen uit te keren ouderdomspensioen kunnen toepassen, het totale voor vermindering in aanmerking komende gedeelte van het ingevolge deze landsverordening toegekende ouderdomspensioen over deze werkgevers en (of) pensioenfondsen dient te worden verdeeld in verhouding tot het aantal dienst of deelnemersjaren van de pensioengerechtigde bij elk dezer werkgevers en (of) pensioenfondsen;
7. dat niet in mindering mogen worden gebracht aanpassingen van de pensioenbedragen ingevolge het bepaalde in artikel 7, eerste lid.
1. Wijzigingen in de pensioenregeling van een pensioenfonds of werkgever, waarbij:
a. bepalingen worden opgenomen krachtens welke het ouderdomspensioen ingevolge deze landsverordening geheel of gedeeltelijk in mindering wordt gebracht op het door het fonds of de werkgever in uitzicht gestelde of reeds toegekende pensioen dan wel
b. bepalingen, als bedoeld in artikel 54, worden herzien dan wel hieraan een nadere inhoud wordt gegeven;
c. de pensioenregeling, geldend voor de reeds in dienst zijnde werknemers, wordt aangepast aan de voorzieningen ingevolge deze landsverordening, behoeven de goedkeuring van de Minister.
2. Indien in een Pensioenregeling, bepalingen worden opgenomen als bedoeld in lid 1 onder a, dient bij de toepassing van deze bepalingen in acht te worden genomen, dat, behoudens in door de minister aan te wijzen gevallen, een verhoging van het ouderdomspensioen ingevolge deze landsverordening, welke plaats vindt na beëindiging van de actieve deelneming aan de Pensioenregeling niet op het pensioen in mindering wordt gebracht.
Ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 54 en 55 kunnen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere regelen worden vastgesteld.
De wijzigingen, als bedoeld in artikel 55, waarvoor de goedkeuring van de Minister is verkregen, zijn bindend voor al degenen, die onder de betreffende pensioenregeling zijn gepensioneerd, dan wel uitzicht hebben op een pensioen.
1. Werkgevers, die personen in dienst hebben, die krachtens deze landsverordening verzekerd zijn, betalen aan deze werknemers ter compensering van de door hen verschuldigde premie een toeslag op het loon, welke ten minste gelijk is aan 9% van het loon waarover premie krachtens deze landsverordening verschuldigd is, daarbij geen rekening houdend met de vrijstelling, bedoeld in artikel 27, eerste lid.
2. Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde percentage kan bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, gehoord de Bank, worden aangepast
Wanneer het Ouderdomsfonds tijdelijk niet voldoende middelen heeft tot dekking van de uitkeringen en kosten, welke op grond van het tweede lid van artikel 24 ten laste van dit fonds komen, verstrekt het Land renteloze voorschotten aan het fonds onder door de Minister en de Minister van Financiën te stellen voorwaarden.
Alle ingevolge deze landsverordening opgemaakte en overgelegde stukken, verzoekschriften en beschikkingen zijn vrij van het recht van zegel en van de formaliteit van registratie.
Deze landsverordening kan worden aangehaald als “Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering”.
De artikelen van deze landsverordening treden in werking op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen verschillend kan worden gesteld, met dien verstande, dat artikel 55 in werking treedt met ingang van de dag na die der afkondiging van deze landsverordening.