| Publicatienummer: | P.B. 2024, no. 22 |
| Categorie: | Ministeriële regeling met algemene werking |
| Ministerie: | Algemene Zaken en Minister President |
| Datum ondertekening: | 21-02-2024 |
| Datum inwerktreding: | 23-02-2024 |
| Geregistreerd in: |
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK XIV Landsverdediging)
|
MINISTERIËLE REGELING met algemene werking van de 21ste februari 2024, houdende uitvoering van artikel 2 van de Rijkssanctiewet en de artikelen 2, 3, 4 en 7 van de Sanctielandsverordening
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht tot en met | Datum ingetrokken | Betreft | Vindplaats | Zittingsjaar |
| 23-02-2024 | n.v.t. | n.v.t. | uitvoering art. 2 Rijkssanctiewet; artt. 2, 3, 4 en 7 Sanctielandsverordening | P.B. 2024, no. 22 | n.v.t. |
Hoofdstuk I. Verbodsbepalingen
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 7, eerste lid, en
artikel 8 van Verordening (EU) nr. 2018/1542 van de Raad van de Europese Unie van 15 oktober 2018 betreffende beperkende maatregelen tegen de proliferatie en het gebruik van chemische wapens (PbEU 2018, L 259).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, artikel 11, en artikel 24, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2368/2002 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2002 tot uitvoering van de Kimberleyprocescertificering voor de internationale handel in ruwe diamant (PbEG L 358).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 9 van Verordening (EU) nr. 2019/796 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2019 betreffende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen die de Unie of haar lidstaten bedreigen (PbEU 2019, LI 129).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste en tweede lid, artikel 9, eerste lid, en artikel 10 van Verordening (EU) nr. 2020/1998 van de Raad van de Europese Unie van 7 december 2020 betreffende beperkende maatregelen tegen ernstige schendingen van de mensenrechten (PbEU 2020, LI 410).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 3, eerste, tweede en derde lid, en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 753/2011 van de Raad van de Europese Unie van 1 augustus 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, groepen, ondernemingen en entiteiten in verband met de situatie in Afghanistan (Pb L 199).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1 bis, eerste lid, artikel 1 ter, eerste lid, artikel 1 ter bes, artikel 1 quater, eerste lid, artikel 1 quinquies, eerste lid, artikel 1 sexies, eerste lid en tweede lid, artikel 1 septies, eerste en tweede lid, artikel 1 octies, eerste lid, en lid 1 bis, artikel 1 nonies, eerste lid, artikel 1 decies, eerste lid, en lid 1 bis, artikel 1 undecies, artikel 1 undecies bis, eerste lid, artikel 1 undecies ter, artikel 1 duodecies, eerste lid, artikel 1 terdecies, eerste lid, artikel 1 quaterdecies, artikel 1 sedecies, eerste lid, artikel 1 septiesdecies, eerste lid, artikel 1 octiesdecies, eerste lid, artikel 1 noviesdecies, eerste lid, artikel 1 vicies, eerste lid, artikel 1 unvicies, eerste lid, artikel 1 duovicies, eerste lid, artikel 1 quinvicies, eerste lid, artikel 1 sexvicies, eerste lid, artikel 1 septvicies, artikel 1 septvicies bis, eerste lid, artikel 1 septvicies ter, artikel 1 septvicies quater, eerste lid, artikel 2, eerste, tweede en derde lid, artikel 5, artikel 8 ter, eerste lid, en artikel 8 quinquies, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 765/2006 van de Raad van de Europese Unie van 18 mei 2006 betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne (PbEU, L 134).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 3, eerste en tweede lid, artikel 3 bis, eerste, derde en vierde lid, artikel 3 ter, eerste lid, artikel 3 quater, eerste lid, artikel 4 bis, eerste en tweede lid, artikel 4 sexies, eerste lid en artikel 4 octies, van Verordening (EU) nr. 401/2013 van de Raad van de Europese Unie van 2 mei 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Myanmar/Birma en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 194/2008 (PbEU L 121).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 8 van Verordening 2015/1755 van de Raad van de Europese Unie van 1 oktober 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi (Pb L 257).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 5, eerste en tweede lid, artikel 11, eerste lid, en artikel 12 van Verordening 224/2014 van de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek (Pb 2014, L70).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1 bis, artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 6, eerste lid, en artikel 7 ter van Verordening (EG) nr. 1183/2005 van de Raad van de Europese Unie van 18 juli 2005 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die handelen in strijd met het wapenembargo tegen de Democratische Republiek Congo (PbEG L193).
Het is verboden te handelen in strijd met de artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 9, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 2024/287 van de Raad van de Europese Unie van 12 januari 2024 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Guatemala (PbEU 15 januari 2024, nummer 00287).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 6 en artikel 12, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1284/2009 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2009 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen ten aanzien van de Republiek Guinee (PbEG L 346).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2 en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 377/2012 van de Raad van de Europese Unie van 3 mei 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van bepaalde personen, entiteiten en lichamen die de vrede, de veiligheid of de stabiliteit van de Republiek Guinee-Bissau bedreigen (Pb L 119).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 3, artikel 10, eerste lid en artikel 11, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 2022/2309 van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2022 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Haïti (PbEU 2022, L 307).
Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 8, eerste lid, en 9, eerste lid, van Verordening (EU) 2024/386 van de Raad van de Europese Unie van 19 januari 2024 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen degenen die gewelddadige acties door Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad steunen, faciliteren of mogelijk maken (PbEU 19 januari 2024, nummer 00386).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste, tweede en derde lid, artikel 7 en artikel 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad van de Europese Unie van 7 juli 2003 betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2465/96 (PbEG L 169).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1 bis, artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 9, eerste lid, en artikel 10 van Verordening 1352/2014 van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2014 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Jemen (Pb L 365).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 2 bis, eerste lid, artikel 3, eerste lid, artikel 4, artikel 5, eerste tot en met vierde lid, artikel 15, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en artikel 18, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2016/44 van de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2016 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van Verordening (Pb EU L 12).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 2017/1770 van de Raad van de Europese Unie van 28 september 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Mali (PbEU 2017, L 251).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid, artikel 9 en artikel 11, eerste lid, van Verordening (EU) 2023/888 van de Raad van de Europese Unie van 28 april 2023 betreffende beperkende maatregelen in verband met acties die de situatie in de Republiek Moldavië destabiliseren (PbEU 2023, L 114).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 9 van Verordening (EU) nr. 2019/1716 van de Raad van de Europese Unie van 14 oktober 2019 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Nicaragua (PbEU 2019, L 262).
Het is verboden te handelen in strijd met de artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 9, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 2023/2406 van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2023 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Niger (PbEU 24 oktober 2023, nummer 02406).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 8, eerste lid, en artikel 9 van Verordening 208/2014 van de Raad van de Europese Unie van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (Pb 2014, L66).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste en tweede lid, artikel 5, eerste en derde lid, artikel 6, eerste lid, artikel 8 en artikel 10, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2022/263 van de Raad van de Europese Unie van 23 februari 2022 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de erkenning van de niet onder het gezag van de regering vallende gebieden in de oblasten Donetsk en Loehansk van Oekraïne en het bevel aan de Russische strijdkrachten om die gebieden binnen te trekken (PbEU L 42I).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 2bis, eerste lid, artikel 2ter, eerste en tweede lid, artikel 2quater, eerste en derde lid, artikel 2quinquies, eerste en tweede lid, en artikel 4 van Verordening (EU) nr. 692/2014 van de Raad van de Europese Unie van 23 juni 2014 betreffende beperkende maatregelen, als antwoord op de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol (Pb L 183).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2bis, eerste lid, artikel 2 ter, eerste lid, artikel 2 quater, eerste lid, artikel 3, eerste en vierde lid, artikel 3 bis, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, artikel 7 bis, eerste lid, artikel 8, eerste lid, artikel 9, artikel 11, artikel 11 bis, eerste lid, artikel 11 ter, eerste lid, artikel 11quater, eerste lid, artikel 12, eerste lid, artikel 13, eerste en tweede lid, artikel 14, artikel 19, tweede lid, artikel 24, artikel 25, artikel 26, eerste en vierde lid, artikel 26 bis, eerste lid aanhef en derde lid, artikel 27 bis en artikel 29, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/2011 (Pb L 16).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 5, eerste en tweede lid, artikel 9, eerste lid, en artikel 10 van Verordening (EU) nr. 747/2014 van de Raad van de Europese Unie van 10 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Soedan en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 131/2004 en Verordening (EG) nr. 1184/2005 (Pb 2014, L 203).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 2 bis en artikel 9 van Verordening 101/2011 van de Raad van de Europese Unie van 4 februari 2011 betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Tunesië (Pb 2011, L31)
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 2019/1890 van de Raad van de Europese Unie van 11 november 2019 betreffende beperkende maatregelen in het licht van ongeoorloofde booractiviteiten van Turkije in het oostelijk deel van de Middellandse Zee (PbEU 2019, L 291).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 3, artikel 6, eerste lid, artikel 7, eerste lid, artikel 8, eerste en tweede lid, artikel 12, eerste lid, en artikel 14 van Verordening (EU) nr. 2017/2063 van de Raad van de Europese Unie van 13 november 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela (PbEU 2017, L 295).
Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, 3, 6 en 8 van Verordening (EG) nr. 314/2004 van de Raad van de Europese Unie van 19 februari 2004 inzake beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zimbabwe (PbEG L 55).
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 5, eerste tot en met derde lid, artikel 14, eerste lid, en artikel 15 van Verordening (EU) nr. 2015/735 van de Raad van de Europese Unie van 7 mei 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zuid-Soedan en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 748/2014 (Pb L 117).
Een verbod op grond van dit hoofdstuk is niet van toepassing in gevallen, bepaald in de betreffende Verordening.
Hoofdstuk II Bevoegde autoriteiten
Voor de toepassing van Hoofdstuk I is de Minister van Financiën de bevoegde autoriteit voor wat betreft:
a. de overdracht, vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard;
b. het verlenen van ontheffing voor het gebruik van bevroren middelen of tegoeden;
c. financiële en bancaire aangelegenheden, zoals het verlenen van financiering en financiële bijstand, de verstrekking van leningen, kredieten en verzekeringen of herverzekeringen, het openen van bankrekeningen, het uitbreiden van een deelneming of het oprichten van een joint venture en de vestiging van financiële instellingen;
d. het verlenen van vrijstellingen, vergunningen, het in ontvangst nemen en het doen van meldingen met betrekking tot de onderwerpen bedoeld in de onderdelen a, b of c.
Voor de toepassing van Hoofdstuk I is de Minister van Verkeer, Vervoer, en Ruimtelijke Planning de bevoegde autoriteit voor wat betreft:
a. het laden, vervoeren of lossen van aardolie, inclusief ruwe olie en geraffineerde aardolieproducten;
b. vaar- en luchtvaartuigen;
c. het verlenen van toegang tot havens aan vaartuigen of tot het vliegen in en/of het landen op het grondgebied van Curaçao en het vliegen in de FIR van Curaçao aan luchtvaartuigen;
d. vastgoed, inclusief bedrijfspanden;
e. het verlenen van vrijstellingen, vergunningen, het in ontvangst nemen en het doen van meldingen met betrekking tot de onderwerpen bedoeld in de onderdelen a, b, c of d.
Hoofdstuk III. Wapenembargo’s
Het is verboden om militaire goederen, alsmede militaire technologie, dan wel onderdelen daarvan, direct of indirect te verkopen of te leveren aan, door of uit te voeren naar, dan wel over te dragen aan, daaronder begrepen over te brengen naar, natuurlijke personen, rechtspersonen of entiteiten in of voor gebruik in of ten behoeve van de hierna aangewezen landen of personen of entiteiten, ongeacht het land van oorsprong:
a. de personen of entiteiten, genoemd in bijlage I van Besluit 2011/486/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 1 augustus 2011 (Pb L199) (Afghanistan);
b. Belarus;
c. Birma/ Myanmar;
d. Centraal-Afrikaanse Republiek;
e. Democratische Republiek Congo;
f. de personen of entiteiten aangewezen bij punt 19 van Resolutie 2653 (2022) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties ingestelde comité dan wel aan of ten behoeve van de in bijlage II van Besluit (GBVB) 2022/2319 van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2022 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Haïti (Pb EU 2022, L 47) opgenomen personen en entiteiten (Haïti);
g. Irak;
h. Iran;
i. de personen of entiteiten die door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, of door het op grond van punt 19 van Resolutie 2140 (2014) ingestelde comité, zijn aangewezen alsmede naar de personen die namens hen of op hun aanwijzing handelen in Jemen;
j. Democratische Volksrepubliek Korea;
k. Libanon en Syrië;
l. Libië;
m. Rusland;
n. Soedan;
o. Somalië;
p. Syrië;
q. Venezuela;
r. Zimbabwe;
s. Zuid-Soedan.
Artikel 3.1, onderdeel c, geldt niet voor een opleiding of een samenwerking met als doel het versterken van democratische beginselen, het versterken van de rechtstaat of de eerbiediging van het internationale recht, waaronder de internationale mensenrechten in Birma.
Artikel 3.1, onderdeel c, geldt niet voor een opleiding of een samenwerking met als doel het versterken van democratische beginselen, het versterken van de rechtstaat of de eerbiediging van het internationale recht, waaronder de internationale mensenrechten in Birma.
Artikel 3.1, onderdeel g, is niet van toepassing met vooraf verleende ontheffing van de Minister van Algemene Zaken op de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van wapentuig en aanverwant materiaal dat door de regering van Irak of de bij Resolutie 1151 (2003) van de Veiligheidsraad ingestelde multinationale troepenmacht is benodigd ter uitvoering van Resolutie 1546 (2004) van de Veiligheidsraad.
Artikel 3.1, onderdeel h, geldt niet voor voertuigen, niet zijnde gevechtsvoertuigen, die zijn gemaakt van of uitgerust met materiaal dat bescherming biedt tegen kogels en die uitsluitend bestemd zijn voor de bescherming van personeel van de Europese Unie en haar lidstaten in Iran.
Artikel 3.1, onderdeel k, is niet van toepassing op de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van wapens en aanverwant materieel of de levering van technische bijstand, financiering en financiële bijstand, diensten als tussenhandelaar en andere diensten in verband met wapens en aanverwant materieel, indien vooraf toestemming is verleend door de bevoegde autoriteit, genoemd in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1412/2006, en:
a. de goederen of diensten niet, direct of indirect, worden geleverd of verleend aan een van de milities die volgens de Resoluties 1559 (2004) en 1680 (2006) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties moeten worden ontwapend,
b. de transactie is goedgekeurd door de Libanese regering of UNIFIL, en
c. de goederen of diensten zijn toegestaan door UNIFIL in het kader van haar missie of door de Libanese strijdkrachten.
Artikel 3.1, onderdeel l, geldt niet voor de levering, de verkoop, de overdracht of de door- of uitvoer van:
a. wapens en verwante materialen waarvoor voorafgaand goedkeuring is verleend door het Comité, bedoeld in punt 24 van Resolutie 1970 (2011) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
b. niet-dodelijke militaire uitrusting die uitsluitend bestemd is voor humanitaire of beschermende doeleinden, dan wel voor de bijstand aan de Libische regering bij beveiliging of ontwapening;
c. handvuurwapens, lichte wapens en verwante materialen die tijdelijk naar Libië worden uitgevoerd uitsluitend voor gebruik door personeel van de Verenigde Naties, vertegenwoordigers van de media en humanitaire medewerkers en ontwikkelingswerkers en hun personeel onder de voorwaarde dat het Comité, bedoeld onder a, vooraf op de hoogte is gesteld en niet binnen vijf dagen na die kennisgeving negatief heeft besloten.
1. Artikel 3.1, onderdeel m, laat de levering van reserveonderdelen en de verstrekking van diensten voor de instandhouding en veiligheid van binnen de Unie bestaande capaciteiten, onverlet.
2. Artikel 3.1, onderdeel m, laat de uitvoering van vóór 1 augustus 2014 gesloten contracten of aanvullende overeenkomsten die nodig zijn voor de uitvoering daarvan, alsmede de levering van reserveonderdelen en de verstrekking van diensten voor de instandhouding en veiligheid van binnen de Unie bestaande capaciteiten, onverlet.
4. Het verbod, bedoeld in artikel 3.1, onderdeel m, of in het tweede lid, geldt niet in geval van:
a. verkoop, levering, overdracht, uitvoer, invoer, aanschaf of vervoer van hydrazine (CAS 302-01-2) in concentraties van 70 procent of meer,
b. invoer, aanschaf of vervoer van asymmetrisch dimethylhydrazine (CAS 57-14-7),
c. verkoop, levering, overdracht, uitvoer, invoer, aanschaf of vervoer van monomethylhydrazine (CAS 60-34-4), bestemd voor gebruik in draagraketten die door Europese lanceerdienstverleners worden bediend, voor lanceringen van Europese ruimteprogramma’s of voor het van brandstof voorzien van satellieten door Europese satellietbouwers. De hoeveelheid uitgevoerde hydrazine wordt berekend overeenkomstig de lanceringen of de satellieten waarvoor die uitvoer plaatsvindt en bedraagt niet meer dan een totale hoeveelheid van 800 kg voor iedere individuele lancering of satelliet. De hoeveelheid uitgevoerde monomethylhydrazine wordt berekend overeenkomstig de lancering of lanceringen of de satellieten waarvoor die uitvoer plaatsvindt. Voorafgaand aan de transactie geldt een vergunningsplicht.
Artikel 3.1, onderdeel o, is niet van toepassing in geval het een levering, verkoop of overdracht betreft van:
a. materieel dat uitsluitend bestemd is voor de ondersteuning van of het gebruik door personeel van de Verenigde Naties, met inbegrip van de bijstandsmissie van de Verenigde Naties in Somalië (UNSOM);
b. materieel dat uitsluitend bestemd is voor de ondersteuning van of het gebruik door de overgangsmissie van de Afrikaanse Unie in Somalië (Atmis) en haar strategische partners, die uitsluitend optreden op basis van het meest recente strategisch concept van de Afrikaanse Unie (AU), en in samenwerking en samenspraak met Atmis;
c. materieel dat uitsluitend bestemd is voor de ondersteuning van of het gebruik door de Europese Unie voor opleidings- en ondersteuningsactiviteiten, Turkije, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika, alsmede alle andere staatstroepen die actief zijn in het kader van het transitieplan voor Somalië (Somalia Transition Plan – STP), of die een overeenkomst inzake de status van de strijdkrachten of een memorandum van overeenstemming met de federale regering van Somalië hebben om de doelstellingen van resolutie 2662 (2022) van de VN-Veiligheidsraad te dienen, mits zij het krachtens punt 11 van resolutie 751 (1992) van de VN-Veiligheidsraad ingestelde Sanctiecomité van dergelijke overeenkomsten in kennis stellen;
d. materieel dat uitsluitend bestemd is voor de ontwikkeling van de Somalische veiligheidsinstanties en politie-instanties op nationaal en lokaal niveau, ter beveiliging van de Somalische bevolking. Voor leveringen van de in de bijlagen II en III van Besluit 2010/231/GBVB vermelde goederen en het verstrekken van technisch advies, financiële en andere bijstand, alsmede opleiding in verband met militaire activiteiten, is desbetreffende goedkeuring of kennisgeving vereist, en wel als volgt:
het leveren, verkopen of overdragen van wapentuig en alle soorten aanverwant materieel zoals vermeld in bijlage II van Besluit 2010/231/GBVB, uitsluitend bestemd voor de ontwikkeling van de Somalische veiligheids- en politie-instanties, ter beveiliging van de Somalische bevolking, moet vooraf door het Sanctiecomité worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 1, vierde lid, van Besluit 2010/231/GBVB, en is toegestaan tenzij het Sanctiecomité binnen vijf werkdagen na ontvangst van een dergelijke kennisgeving van Somalië, de lidstaten of internationale, regionale of sub-regionale organisaties die de bijstand verlenen, een negatief besluit heeft genomen;
van het leveren, verkopen of overdragen van wapentuig en alle soorten aanverwant materieel zoals vermeld in bijlage III van Besluit 2010/231/GBVB, uitsluitend bestemd voor de ontwikkeling van de Somalische veiligheids- en politie-instanties, ter beveiliging van de Somalische bevolking, moet het Sanctiecomité ter informatie vijf werkdagen van tevoren in kennis worden gesteld overeenkomstig artikel 1, vierde lid, van Besluit 2010/231/GBVB, door Somalië, de lidstaten of internationale, regionale of sub-regionale organisaties die de bijstand verlenen;
e. materieel dat uitsluitend bestemd is voor de ondersteuning van of het gebruik door personeel van de Verenigde Naties, vertegenwoordigers van de media, medewerkers van humanitaire organisaties en ontwikkelingswerkers en aanverwant personeel louter voor persoonlijk gebruik tijdelijk naar Somalië worden uitgevoerd;
f. niet-dodelijke militaire uitrusting, uitsluitend voor humanitair gebruik of ter bescherming, door de lidstaat of internationale, regionale of sub-regionale organisatie.
Het verbod, bedoeld in artikel 3.1, onderdeel p, is niet van toepassing in geval de invoer of vervoer van chemische wapens of gerelateerd materiaal plaatsvindt overeenkomstig punt 10 van Resolutie 2118 (2013) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en de desbetreffende besluiten van de Uitvoerende Raad van de OPCW, conform de doelstelling van het Verdrag inzake chemische wapens.
Artikel 3.1, onderdeel s, is niet van toepassing op de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van:
a. militaire goederen uitsluitend bestemd ter ondersteuning van of voor gebruik door personeel van de Verenigde Naties (VN), daaronder begrepen de VN-missie in Zuid-Soedan (UNMISS) en de tijdelijke VN-veiligheidsmacht van Abyei (UNISFA);
b. niet-dodelijke militaire uitrusting uitsluitend bestemd voor humanitair of beschermend gebruik na voorafgaande kennisgeving aan het krachtens Resolutie 2206 (2015) opgerichte Comité van de Veiligheidsraad;
c. beschermende kleding voor persoonlijk gebruik, met inbegrip van scherfwerende vesten en militaire helmen, die door personeel van de VN, vertegenwoordigers van de media, door medewerkers van humanitaire organisaties, ontwikkelingswerkers en aanverwant personeel tijdelijk naar Zuid-Soedan wordt uitgevoerd;
d. militaire goederen die tijdelijk naar Zuid-Soedan worden uitgevoerd door een staat die, overeenkomstig het internationaal recht, actie onderneemt gericht op de bescherming of de evacuatie van onderdanen van die staat en van de personen voor wie deze staat in Zuid-Soedan consulair verantwoordelijk is, na voorafgaande kennisgeving aan het Comité;
e. militaire goederen aan of ter ondersteuning van de regionale taskforce van de Afrikaanse Unie, uitsluitend bestemd voor regionale operaties ter bestrijding van het Verzetsleger van de Heer en na voorafgaande kennisgeving aan het Comité;
f. militaire goederen uitsluitend bedoeld ter ondersteuning van de uitvoering van het vredesakkoord, na voorafgaande kennisgeving aan het Comité;
g. militaire goederen mits vooraf goedgekeurd door het Comité.
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking.
Deze regeling wordt aangehaald als: Omnibus-Sanctieregeling Curaçao.