Landsbesluit Regeling Hulpverlening Arbeidszorg Curaçao - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsbesluit Regeling Hulpverlening Arbeidszorg Curaçao

Publicatienummer: P.B. 2026, no. 9 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Landsbesluit, houdende algemene maatregelen
Ministerie: Sociale Ontwikkeling, Arbeid & Welzijn
Datum ondertekening: 21-10-2025
Datum inwerktreding: 20-01-1971
Geregistreerd in:
Klapper Afkondigingsblad ( HOOFDSTUK XII Maatschappelijke zorg; verzekeringswezen)


Landsbesluit van de 21ste oktober 2025, no. 25/2526, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van het Eilandsbesluit Regeling Hulpverlening Arbeidszorg Curaçao

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
20 januari 1971      n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2026, no. 8 (GT) n.v.t.
8 maart 1983 28 februari 1983 Bijlage III, sub 9d
16 april 1983 28 februari 1983 Bijlage III, sub 5
19 maart 1985 1 februari 1985 Bijlage I

Hoofdstuk I
Algemene bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van het bepaalde bij dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt verstaan onder
a. arbeidszorg : de vorm van maatschappelijke zorg welke beoogt zoveel
mogelijk de gelegenheid te scheppen tot het op passende wijze opnemen of opgenomen blijven in het arbeidsproces van de aanvrager die daar onvrijwillig buiten staat of dreigt te geraken en als gevolg daarvan in maatschappelijke nood verkeert of dreigt te verkeren, een en ander op zodanige wijze dat aanvrager in zijn onderhoud eventueel het onderhoud van zijn gezin kan voorzien;
b. hulpverlening : de hulpverlening op grond van arbeidszorg;
c. de dienst : de dienst welke door de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn is ingesteld ten behoeve van en belast met de arbeidszorg;
d. de medische adviseur : de geneeskundige die door de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn is aangewezen voor alle gevallen waarin door het hoofd van dienst ten behoeve van een doelmatige hulpverlening een beroep op zijn diensten als geneeskundige wordt gedaan;
e. de psychologische adviseur : de psycholoog die door de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn is aangewezen voor alle gevallen waarin door het hoofd van dienst ten behoeve van een doelmatige hulpverlening een beroep op zijn diensten als psycholoog wordt gedaan.
Hoofdstuk II
De hulpverlening

Artikel 2

De hulpverlening bestaat uit:
a. arbeidsbemiddeling;
b. beroepskeuzevoorlichting;
c. tewerkstelling bij een vakopleiding;
d. tewerkstelling bij een sociale werkplaats, waaronder tevens wordt verstaan een werkverband, d.w.z. een organisatorische eenheid waarin werkobjecten worden uitgevoerd;
e. tewerkstelling bij een aanvullend werkvoorzieningsproject.

Artikel 3

Onder hulpverlening valt tevens de taak van de dienst om de aanvrager zo veel mogelijk bij te staan in het zoeken naar een oplossing van zijn persoonlijke en gezinsmoeilijkheden door:
a. het geven van voorlichting en advies aan aanvrager en het zo veel mogelijk bevorderen van zijn zelfwerkzaamheid;
b. een van de vormen van hulpverlening als genoemd onder het vorige artikel indien dit kan bijdragen tot het tot oplossing brengen van de moeilijkheden;
c. het geven van voorlichting of advies ter zake aan personen of instellingen tot wier taak of bevoegdheid het behoort de belangen van de aanvrager te behartigen en zijn moeilijkheden tot een oplossing te brengen.

Artikel 4

Aanvragen om hulpverlening dienen aan de dienst te worden gericht door het zich persoonlijk bij de dienst melden van aanvrager onder overlegging van de identiteitskaart als bedoeld in het eerste lid van artikel 1 van de Landsverordening identiteitskaarten .

Artikel 5

De aanvrager wordt en blijft, indien hij daarvoor in aanmerking komt, ingeschreven in de arbeidskrachtenregistratie en in de arbeidsbemiddelingsregistratie als bedoeld in hoofdstuk III en blijft eveneens als werkzoekend ingeschreven ingeval van hulpverlening door tewerkstelling.

Artikel 6

1. In de daarvoor naar het oordeel van het hoofd van de dienst in aanmerking komende gevallen wordt zo spoedig mogelijk een onderzoek ingesteld naar de omstandigheden van de aanvrager, de noodzaak van hulpverlening en de aangewezen wijze van hulpverlening. Daarbij wordt met de aanvrager zoveel mogelijk overleg gepleegd en overeenkomstig zijn redelijke wensen gehandeld.
2. Het resultaat van het onderzoek als vorenbedoeld wordt in een voorlichtingsrapport vastgesteld, welk voorlichtingsrapport de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn wordt toegezonden.

Artikel 7

Het hoofd van de dienst is bevoegd hulpverlening te weigeren of te staken indien de aanvrager naar het oordeel van het hoofd van de dienst niet voldoende medewerking verleent aan het onderzoek als bedoeld in artikel 6 of in verband met de hulpverlening gegeven voorschriften en opdrachten niet nakomt.

 

Hoofdstuk III
De arbeidsbemiddeling

Artikel 8

De dienst als het orgaan van de openbare arbeidsbemiddeling tussen werkzoekenden en werkgevers in het Land is werkzoekende aanvragers zoveel mogelijk behulpzaam bij het zoeken naar een passende betrekking en werkgevers bij het zoeken naar een geschikte arbeidskracht.

Artikel 9

Onder arbeidsbemiddeling is tevens begrepen de bijzondere arbeidsbemiddeling, namelijk de bemiddeling ten behoeve van jeugdige personen, fysiek en psychisch mindervaliden, reclassenten en in het algemeen van aanvragers die bijzondere moeilijkheden ondervinden om in het arbeidsproces te worden opgenomen.

Artikel 10

Met betrekking tot de gevolgen van de arbeidsbemiddeling, welke verricht wordt mede aan de hand van de bepalingen van de Landsverordening van de 4e juli 1946 houdende de instelling van een arbeidsbureau , zoals gewijzigd, draagt de dienst generlei verantwoordelijkheid.

Artikel 11

De dienst wordt slechts geacht bekend te zijn met het begin of einde van een werkstaking of uitsluiting indien daarvan schriftelijk is kennis gegeven aan het hoofd van de dienst.

Artikel 12

De dienst verleent geen bemiddeling aan aanvragers die, op grond van de voorwaarden waaronder zij in het Land zijn toegelaten, vergunning tot werken behoeven, tenzij blijkt dat de minister van Justitie of een door hem aan te wijzen ambtenaar daartegen geen bezwaar heeft.

Artikel 13

Werkzoekende aanvragers worden als zodanig ingeschreven onder het vastleggen van alle gegevens welke voor een doelmatige arbeidsbemiddeling benodigd zijn.

Hoofdstuk IV
De beroepskeuzevoorlichting

Artikel 14

Door middel van de beroepskeuzevoorlichting wordt aanvrager door de dienst in de gelegenheid gesteld om, met zoveel mogelijk kennis van ter zake belangrijke omstandigheden en inzicht in eigen mogelijkheden, zelf een beslissing te nemen omtrent de keuze van een beroep of de opleiding naar een beroep. Met betrekking tot de gevolgen van gegeven beroepskeuzevoorlichting draagt de dienst generlei verantwoordelijkheid.

Artikel 15

Onder beroepskeuzevoorlichting is tevens begrepen de bijzondere beroepskeuzevoorlichting, namelijk de beroepskeuzevoorlichting aan aanvragers met bepaalde gebreken en moeilijkheden.

Artikel 16

Aanvrager dient medewerking te verlenen aan een onderzoek waarbij wordt nagegaan:
a. over welke persoonlijkheid en capaciteiten aanvrager beschikt;
b. in welke situatie aanvrager verkeert en welke wensen bij hem met betrekking tot de keuze van een beroep leven;
c. welke concrete mogelijkheden voor aanvrager aanwezig zijn, mede getest aan gegevens waaronder de dienst beschikt omtrent eisen welke beroep en opleiding stellen, de arbeidsmarkt en de te verwachten economische ontwikkeling.

Artikel 17

Indien het hoofd van dienst dit ten behoeve van het op een verantwoorde wijze uitbrengen van een beroepskeuze-advies noodzakelijk acht, dient aanvrager medewerking te verlenen aan een door de psychologische adviseur en (of) de medische adviseur in te stellen onderzoek.

Artikel 18

De dienst draagt zorg dat door middel van openbare voorlichting, onder gebruikmaking van alle daartoe geschikte publiciteitsmedia, de kennis van de beroepen wordt verdiept en verspreid en een juiste voorstelling van de verscheidene beroepen en wat daarvoor vereist is, wordt bevorderd.

Hoofdstuk V
De vakontwikkeling voor Volwassenen

Artikel 19

Tewerkstelling bij een vakopleiding voor volwassenen geschiedt met het doel om de aanvrager, die onvrijwillig buiten het arbeidsproces staat of dreigt te geraken, en daardoor in maatschappelijke nood verkeert of dreigt te verkeren door scholing of bijscholing in een bepaald beroep, onder zodanige omstandigheden dat hij in zijn onderhoud eventueel van zijn gezin kan voorzien, de gelegenheid te geven in het arbeidsproces te worden opgenomen of opgenomen te blijven.

Artikel 20

Indien tewerkstelling bij een vakopleiding voor volwassenen plaatsvindt op preventieve gronden en aanvrager in het levensonderhoud van zichzelf en van zijn eventueel gezin kan voorzien, geschiedt de tewerkstelling gedeeltelijk. Het gestelde in de artikelen 36 tot en met 41 is daarbij niet van toepassing.

Artikel 21

Vooraleer een aanvrager bij een vakopleiding wordt tewerkgesteld dient, onverminderd het bepaalde in hoofdstuk VIII, vast te staan dat aanvrager lichamelijk en geestelijk voldoende aanleg en geschiktheid bezit om in het gekozen beroep te worden geschoold of bijgeschoold en dat er geen medische bezwaren bestaan tegen het uitoefenen van het door aanvrager gekozen beroep.

Artikel 22

Het hoofd van dienst stelt het leerplan, het leerrooster en de duur van een vakopleiding voor volwassenen vast en stelt de tewerkgestelden in de gelegenheid om als afsluiting van de vakopleiding een examen af te leggen en een diploma te behalen.

Artikel 23

Aan aanvragers die in een onderneming werkzaam zijn en door hun werkgever in een beroep worden geschoold of bijgeschoold kan door de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn, gehoord het hoofd van dienst, een opleidingstoeslag, bestaande uit een bedrag per aanvrager per dag, worden verstrekt indien vaststaat dat aanvragers en vakopleiding voldoen aan de in en krachtens deze regeling gestelde bepalingen.

Hoofdstuk VI
De Sociale Werkplaatsen

Artikel 24

Tewerkstelling bij een sociale werkplaats geschiedt met het doel om de aanvrager, die om hoofdzakelijk in hemzelf gelegen oorzaken niet of voorlopig niet in het normale arbeidsproces kan worden opgenomen en daardoor in maatschappelijke nood verkeert of dreigt te verkeren, door het bieden van aangepaste werkgelegenheid, zodanig dat hij in zijn onderhoud eventueel van zijn gezin kan voorzien, in de gelegenheid te stellen zijn arbeidsgeschiktheid te verbeteren dan wel in stand te houden.

Artikel 25

Vooraleer een aanvrager bij een sociale werkplaats wordt tewerkgesteld dient, onverminderd het bepaalde in hoofdstuk VIII, vast te staan dat aanvrager lichamelijk en geestelijk in staat is tot productiviteit door het regelmatig verrichten van aangepaste arbeid en het daarmee leveren van een kwantitatieve arbeidsprestatie van ten minste eenderde van een redelijke minimumprestatie in het normale arbeidsproces in dezelfde soort arbeid ofwel van een arbeidsprestatie welke onder het vorenomschreven niveau ligt doch waarvan verwacht mag worden dat deze door oefening op dit peil kan worden gebracht, alsmede dat tegen het verrichten van deze arbeid geen medische bezwaren bestaan.

Artikel 26

In de sociale werkplaats wordt de tewerkgestelde zoveel mogelijk belast met een taak, bij voorkeur in groepsverband te verrichten, welke hem in de gelegenheid stelt zijn arbeidsgeschiktheid te ontwikkelen.

Artikel 27

De tewerkgestelde wordt periodiek, doch ten minste een maal per zes maanden beoordeeld, aan de hand van een door het hoofd van de dienst vastgestelde richtlijn waarin de volgende beoordelingspunten zijn verwerkt:
a. kwantiteit van het leverde werk;
b. kwaliteit van het geleverde werk;
c. toewijding en interesse;
d. houding ten opzichte van de omgeving en de interne voorschriften;
e. zorg voor materiaal, gereedschap en gebouw.

Artikel 28

Zo dikwijls als het hoofd van de dienst dit noodzakelijk acht, doch ten minste een maal in de zes maanden, wordt een onderzoek ingesteld naar de vraag of er in de geestelijke of lichamelijke gesteldheid of anderszins in de situatie van de tewerkgestelde wijzigingen zijn ingetreden en of er in verband daarmee wijziging in de wijze van hulpverlening dient te worden gebracht.

Hoofdstuk VII
De aanvullende Werkvoorziening

Artikel 29

Tewerkstelling bij een aanvullend werkvoorzieningsproject geschiedt met het doel om de aanvrager, die als gevolg van een bestaand tekort aan werkgelegenheid vooralsnog niet in het normale arbeidsproces kan worden opgenomen en daardoor in maatschappelijke nood verkeert of dreigt te verkeren, door het bieden van werkgelegenheid, zodanig dat hij in zijn onderhoud eventueel van zijn gezin kan voorzien, in de gelegenheid te stellen zijn arbeidsprestatievermogen en maatschappelijke zelfstandigheid in stand te houden en vergroten.

Artikel 30

Vooraleer een aanvrager bij een aanvullend werkvoorzieningsproject, (sociale werkvoorzieningsproject), wordt tewerkgesteld dient, onverminderd het bepaalde in hoofdstuk VIII, vast te staan:
a. dat aanvrager door arbeidsbemiddeling geen passende betrekking in het normale arbeidsproces kan worden geboden;
b. dat de wenselijkheid en mogelijkheid van tewerkstelling bij een vakopleiding voor volwassenen of bij een sociale werkplaats niet aanwezig is;
c. dat behalve aanvrager ook diens werkloze gezinsleden van zestien jaar en ouder, van wie dit redelijkerwijze kan worden gevergd, als werkzoekend bij de dienst staan ingeschreven.

Artikel 31

De tewerkgestelde wordt zoveel mogelijk belast met een taak, overeenkomende met zijn vermogens, waardoor zijn arbeidsprestatievermogen en daarmee zijn maatschappelijke zelfstandigheid wordt bevorderd.
Hierbij dient een arbeidsprestatie te worden geleverd welke ten minste gelijk is aan een redelijke minimumprestatie in het normale arbeidsproces in dezelfde arbeid.

Artikel 32

De tewerkgestelde wordt periodiek, doch ten minste eens in het half jaar, door de leiding van het aanvullende werkvoorzieningsproject beoordeeld aan de hand van een door het hoofd van dienst vastgestelde richtlijn waarin de volgende beoordelingspunten verwerkt zijn:
a. de aanpassing van de tewerkgestelde aan de omstandigheden en verhoudingen op het aanvullende werkvoorzieningsproject, waaronder de zorg voor materiaal en gereedschap, en de toewijding aan de opgedragen taak;
b. de kwantiteit en de kwaliteit van het geleverde werk.

Artikel 33

Mede aan de hand van het resultaat van de beoordeling als bedoeld in het vorige artikel wordt door het hoofd van de dienst met betrekking tot de tewerkgestelde periodiek, doch ten minste eens in het half jaar, nagegaan of het gewenst en mogelijk is.
a. de tewerkstelling te wijzigen door aanvrager een andere taak aan te wijzen;
b. de tewerkstelling te wijzigen door aanvrager te werk te stellen bij een vakopleiding voor volwassenen;
c. door bemiddeling aanvrager een passende betrekking in het normale arbeidsproces te bezorgen;
d. de tewerkstelling om enige andere reden te wijzigen of te beëindigen.

Hoofdstuk VIII
De tewerkstelling in het algemeen

Artikel 34

1. Het hoofd van de dienst kan een aanvrager tewerkstellen op een van de wijzen zoals bedoeld in artikel 2 sub c, d en e, indien vast staat dat:
a. aanvrager voor hulpverlening in aanmerking komt;
b. de wijze van tewerkstelling welke hij verzoekt in zijn geval aangewezen is;
c. aanvrager de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt;
d. voldaan is aan het gestelde in artikel 5;
e. aanvrager lichamelijk en geestelijk in staat is de werkzaamheden, welke hem opgedragen zullen worden, te verrichten;
f. gelegenheid tot de aangewezen tewerkstelling bestaat.
2. Alvorens een aanvrager tewerk te stellen op een van de wijzen, zoals bedoeld in het vorige lid, dient het hoofd van dienst voorafgaande toestemming van de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn te verkrijgen.

Artikel 35

Tewerkstelling vindt niet plaats dan nadat aan de hand van een onderzoek door de medische adviseur is komen vast te staan dat aanvrager voldoet aan de voorwaarden als genoemd onder e van het vorige artikel alsmede noch in lichamelijk noch in geestelijk opzicht gevaar oplevert voor de omgeving waarin hij wordt tewerkgesteld. Indien het wegens bijzondere omstandigheden wenselijk is om reeds voordat de medische adviseur aanvrager heeft onderzocht tot tewerkstelling over te gaan dan is deze tewerkstelling voorlopig en vindt het medische onderzoek zo spoedig mogelijk plaats.

Artikel 36

1. De tewerkstelling bij een vakopleiding voor volwassenen geschiedt onder het toekennen van een geldelijke uitkering te berekenen aan de hand van de in bijlage I bij deze regeling vastgestelde bepalingen.
2. De tewerkstelling bij een sociale werkplaats geschiedt onder het toekennen van een geldelijke uitkering te berekenen aan de hand van de in bijlage II bij deze regeling vastgestelde bepalingen.
3. De tewerkstelling bij een aanvullend werkvoorzieningsproject geschiedt onder het toekennen van een geldelijke uitkering te berekenen aan de hand van de in bijlage III bij deze regeling vastgestelde bepalingen.

Artikel 37

Met betrekking tot de door de tewerkgestelde te verrichten opdrachten en werkzaamheden wordt door het hoofd van dienst een rooster vastgesteld en bekendgemaakt, waarbij zoveel mogelijk rekening gehouden wordt met:
a. een totaal aantal uren van maximaal veertig per week;
b. een vrije zaterdag en zondag;
c. met de zondag gelijkgestelde feestdagen, waaronder zijn te verstaan de dagen welke als zodanig voor de landsdienaren gelden.

Artikel 38

Het hoofd van de dienst kan ten behoeve van de tewerkgestelden voorlichtings- en vormingsactiviteiten in het rooster opnemen.

Artikel 39

Na een jaar onafgebroken tewerkstelling heeft de tewerkgestelde recht op twaalf dagen vrijstelling van werk met behoud van de geldelijke uitkering. Deze vrijstelling wordt ten minste voor de helft aaneensluitend verleend. Ongeacht de duur van de tewerkstelling kan het hoofd van dienst de tewerkgestelde buitengewone vrijstelling van werk met behoud van de geldelijke uitkering toestaan volgens de regels welke gelden voor het verlenen van buitengewone verlof met behoud van het volle loon aan arbeiders in landsdienst.

Artikel 40

a. In geval van ziekte of ongeval wordt de tewerkgestelden, gedurende ten hoogste één jaar, geneeskundige behandeling, geneesmiddelen en verpleging in de derde klasse van een daartoe aangewezen ziekeninrichting op kosten van het Land verstrekt, indien en voor zover de behandelende geneeskundige zulks nodig acht. Indien het ongeval de tewerkgestelde is overkomen in verband met de hem opgedragen werkzaamheden, wordt hem geneeskundige behandeling, geneesmiddelen en verpleging in de derde klasse van een daartoe aangewezen ziekeninrichting op kosten van het Land verstrekt indien voor zover en zo lang de behandelende geneeskundige zulks nodig acht.
b. In geval van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval behoudt de tewerkgestelde gedurende ten hoogste één jaar recht op de hem toegekende minimumuitkering. Indien het ongeval de tewerkgestelde is overkomen in verband met de hem opgedragen werkzaamheden heeft de tewerkgestelde na verloop van het bovenbedoelde jaar recht op een uitkering in geld welke wordt toegekend en berekend op de wijze als vastgelegd in artikel 5 van de Landsverordening Ongevallenverzekering met dien verstande dat bij de berekening in plaats van het dagloon wordt genomen het bedrag van de aan de tewerkgestelde toegekende minimumuitkering per week gedeeld door vijf.

Artikel 41

Bij het overlijden van een tewerkgestelde, die kostwinner is voor gezins- of familieleden, wordt aan laatstgenoemden de uitkering uitbetaald tot en met vier weken na het overlijden.
In het geval bedoelde gezins- of familieleden minderjarig zijn geschiedt de uitbetaling aan de voogd. Bij het overlijden van een tewerkgestelde die geen kostwinner voor gezins- of familieleden is wordt de uitkering tot en met de dag van overlijden uitbetaald aan de nabestaanden, die daarvoor in aanmerking komen. Indien het overlijden van de tewerkgestelde het gevolg is van een ongeval hem in verband met de hem opgedragen werkzaamheden overkomen hebben zijn nagelaten betrekkingen recht op een uitkering in geld toegekend en berekend op de wijze als vastgelegd in de bepalingen van artikel 5 van de Landsverordening Ongevallenverzekering met dien verstande dat bij de berekening in plaats van het dagloon wordt genomen het bedrag van de aan de tewerkgestelde toegekende minimumuitkering per week gedeeld door vijf.

Artikel 42

De tewerkgestelde, die de hem bekende voorschriften van de dienst niet nakomt of de hem gegeven dienstopdrachten niet of niet op de juiste wijze uitvoert, dan wel zich in andere zin misdraagt, kan door het hoofd van dienst disciplinair worden gestraft met:
a. mondelinge berisping;
b. schriftelijke berisping;
c. schorsing gedurende ten hoogste twee weken onder verlies van de geldelijke uitkering;
d. beëindiging van de tewerkstelling.
De reden van schorsing of beëindiging van de tewerkstelling dient schriftelijk te worden vastgelegd.

Artikel 43

Het hoofd van de dienst kan indien de omstandigheden dit wenselijk of noodzakelijk maken de tewerkstelling beëindigen of wijzigen.

Artikel 44

Tewerkstelling, wijziging van de tewerkstelling, wijziging van de uitkering en beëindiging van de tewerkstelling, door het hoofd van dienst geschiedt bij beschikking. Het origineel van de beschikking wordt toegezonden aan de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn.

Artikel 44a

1. Van een beschikking tot wijziging van de tewerkstelling, wijziging van de uitkering en beëindiging van de tewerkstelling van het hoofd van dienst staat voor de belanghebbende beroep open op de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn binnen veertien dagen na de datum waarop een afschrift van de beschikking is verzonden.
2. De Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn beslist zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen een maand na de dagtekening van het beroepschrift.

Hoofdstuk X
Slotbepalingen

Artikel 45

(vervallen)

Artikel 46

1. Dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt aangehaald als: Landsbesluit Regeling Hulpverlening Arbeidszorg Curaçao .
2. (vervallen)

BIJLAGE I

1. Een tewerkgestelde bij de vakopleiding beroepsmusicus ontvangt een geldelijke uitkering van Cg 75,- (vijfenzeventig gulden) per week.
2. De Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn kan op voorstel van het hoofd van dienst een tewerkgestelde een geldelijke uitkering toekennen, die de uitkering, bedoeld sub 1 overschrijdt.
3. Wanneer er sprake is van de een of andere vorm van samenwerking met bedrijven en/of een leerlingenstelsel, kan de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn op voorstel van het hoofd van dienst de geldelijke uitkering gelijkstellen aan die, welke geldt voor werkzaamheden verricht door geschoolde tewerkgestelden bij de aanvullende werkvoorzieningsprojecten.

BIJLAGE II

De geldelijke uitkering aan tewerkgestelden bij de sociale werkplaatsen wordt vastgesteld als volgt:
1. De tewerkgestelde ontvangt per week een geldelijke uitkering welke mede afhankelijk is van de door hem gedurende die week bij het werk geleverde prestatie.
2. De hoogte van de geldelijke uitkering is zodanig vastgesteld, dat mede wordt voldaan aan de voorwaarde, dat de prikkel om een werkkring in de particuliere sector te blijven zoeken, voor de tewerkgestelde aanwezig blijft.
3. De geldelijke uitkering welke aan de tewerkgestelde in verband met de door hem verrichte werkzaamheden bij een veertigurige werkweek wordt toegekend is gebonden aan het minimum van Cg 76,- per week en Cg 1,90 per uur.
4. De vaststelling van de geldelijke uitkering geschiedt door aan de tewerkgestelde boven het minimum een premie toe te kennen te bepalen naar de geleverde productie om de veertien dagen.
5. Over de uren van afwezigheid van het werk in verband met ziekte, ongeval, vakantie, buitengewone vrijstelling van werk e.d. wordt aan een tewerkgestelde de minimumuitkering toegekend, vermeerderd met de toegekende premie over een termijn van achtentwintig dagen berekend, dit geoorloofd verzuim van het werk voorafgaande.
6. Bij gedwongen stilstand van het werk wordt aan de tewerkgestelde de minimumuitkering toegekend, vermeerderd met de toegekende premie over een termijn van achtentwintig dagen berekend, deze geoorloofde onproductieve omstandigheid voorafgaande.
7. a. Ingeval van onwettig verzuim van werkuren of gedeelten daarvan binnen de vastgestelde werktijden wordt aan de tewerkgestelde geen uitkering over deze uren of gedeelten daarvan toegekend. Dertig minuten of minder worden als een gedeelte van een uur beschouwd.
b. Geen korting op de uitkering wordt toegepast voor de werkuren, dat de tewerkgestelde door overmacht zijn werkzaamheden niet heeft kunnen uitvoeren.
Van overmacht zal er sprake zijn wanneer bewezen is dat de overmacht aanwezig is en dat het voor de tewerkgestelde redelijkerwijs door die overmacht niet mogelijk is aan zijn verplichtingen te voldoen.
Verzuim van werk door dagen waarop niet is gewerkt, zware regens of andere weersinvloeden wordt slechts als overmacht aangemerkt, voor zover dat verzuim van ongewone duur is geweest en niet het gevolg is van schuld of nalatigheid van de tewerkgestelde.
8. Om de veertien dagen zal de door de tewerkgestelde geleverde productie worden gewaardeerd.
9. a. Het premiebedrag per uur voor verrichte werkzaamheden bedraagt als volgt:
A. voor ruim voldoende Cg 0,95
B. voor voldoende productie Cg 0,67
C. voor onvoldoende productie Cg 0,48
b. onder ruim voldoende productie wordt verstaan een productie die een gemiddelde arbeidsproductie overschrijdt;
c. onder voldoende productie wordt verstaan een productie die gelijk is aan een gemiddelde arbeidsproductie;
d. onder onvoldoende productie wordt verstaan een productie die beneden een gemiddelde arbeidsproductie blijft.
10. a. Boven en behalve de geldelijke uitkering genieten de gehuwde tewerkgestelden een kindertoelage:
1o. voor hun ongehuwde wettige, gewettigde en/of stiefkinderen beneden de leeftijd van 18 jaar; laatstgenoemden voor zover zij geheel ten laste van de tewerkgestelde komen;
2o. voor kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar, die deel uitmaken van het gezin van het tewerkgestelde en die hij geheel als eigen kinderen onderhoudt en opvoedt en die niet door hun eigen ouders of hun voogden kunnen worden onderhouden en opgevoed.
b. Het bepaalde sub a is niet van toepassing op natuurlijke kinderen van de tewerkgestelde, tenzij een van de ouders is overleden en de tewerkgestelde deze kinderen heeft erkend, dan wel voogdij over deze kinderen uitoefent en bedoelde kinderen deel uitmaken van zijn gezin en geheel als eigen kinderen door hem wordt onderhouden en opgevoed.
c. Voor de toepassing van het bepaalde sub a worden met kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar gelijkgesteld:
1o. kinderen van achttien tot vijfentwintig jaar, wier tijd behoudens in geval van ziekte of vakantie geheel of grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs;
2o. kinderen van achttien tot vijfentwintig jaar, die naar het oordeel van het bevoegde gezag ten gevolge van ziekte of lichaamsgebreken blijvend buiten staat zijn om met arbeid die voor hun krachtens is berekend, eenderde te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen van gelijke leeftijd in staat zijn met arbeid te verdienen.
d. De kindertoelage bedraagt Cg 10,- per week per kind.
e. Het recht op kindertoelage is aanwezig over dezelfde tijd als die waarvoor de tewerkgestelde recht heeft op de geldelijke uitkering.
f. Onverminderd het bepaalde sub 5 wordt de kindertoelage volledig genoten zolang de tewerkgestelde in het genot is van de ziekteverlofsuitkering, de geldelijke uitkering in verband met een dienstongeval dan wel ziekengeld.
g. De kindertoelage wordt toegekend met ingang van de dag, waarop de aanspraak ontstaat.
h. De kindertoelage wordt gelijktijdig met de geldelijke uitkering uitbetaald.
i. Indien de tewerkgestelde heeft nagelaten opgave te verstrekken van een kind of van kinderen voor wie aanspraak op kindertoelage bestaat, zal indien deze nalatigheid wordt hersteld, de datum van ingang van de kindertoelage worden bepaald met ingang van de dag, waarop de aanspraak is ontstaan.

BIJLAGE III

De geldelijke uitkering aan tewerkgestelden bij de aanvullende werkvoorzieningsprojecten wordt vastgesteld als volgt:
1. De tewerkgestelde ontvangt per week een geldelijke uitkering welke mede afhankelijk is van de door hem gedurende die week bij het werk geleverde prestatie.
2. De hoogte van de geldelijke uitkering is zodanig vastgesteld dat mede wordt voldaan aan de voorwaarden dat de prikkel om een werkkring in het vrije bedrijf te aanvaarden voor de tewerkgestelde aanwezig blijft.
3. De geldelijke uitkering welke aan de tewerkgestelde in verband met de door hem verrichte werkzaamheden bij een veertigurige werkweek wordt toegekend is gebonden aan het minimum van Cg 94,40 per week en Cg 2,36 per uur.
4. De vaststelling van de geldelijke uitkering geschiedt door aan de tewerkgestelde boven het minimum een premie toe te kennen te bepalen naar het aantal gewerkte uren, naar de aard van de gedurende deze uren verrichte werkzaamheden en naar een behaald prestatiecijfer.
5. Over de uren van afwezigheid van het werk in verband met ongeval, ziekte, buitengewone vrijstelling van werk, de krachtens de Arbeidsregeling 2000 met de zondag gelijkgestelde dagen en de dag van verkiezing voor de Staten wordt aan een tewerkgestelde de minimum uitkering per uur toegekend, vermeerderd met de laatst genoten premie.
Ingeval van ziekte of ongeval is voor elke dag dat de tewerkgestelde afwezig is overlegging van een geneeskundige verklaring door de tewerkgestelde verplicht.
6. Ingeval van onwettig verzuim van werkuren wordt aan de tewerkgestelde geen uitkering over de verzuimde uren toegekend.
7. Aan het eind van elke werkweek wordt het gedrag, de werkijver en de prestaties van een tewerkgestelde tezamen in een prestatiecijfer gewaardeerd en aan de hand daarvan wordt vastgesteld in welke mate aan een tewerkgestelde een premie wordt toegekend.
Het onderstaande schema wordt gevolgd:
1. (slecht) : geen premie
2. (onvoldoende) : geen premie
3. (twijfelachtig) : 50 % van de premie
4. (voldoende) : 100% van de premie
5. (goed) : 100% van de premie
8. a. Het premiebedrag per uur voor de gedurende dat uur verrichte categorieën der werkzaamheden bedraagt voor:
geschoolde werkzaamheden Cg 1,66 per uur
ongeschoolde werkzaamheden Cg 1,36 per uur
b. Onder geschoolde werkzaamheden wordt verstaan:
timmerwerk schilderwerk
metselwerk pijpfitterswerk
tegelzetten betonvlechtwerk
rioleringsaanleg dakbedekking
lassen en branden elektra-aanleg
glas inzetten metaalbewerking.
c. Onder ongeschoolde werkzaamheden wordt verstaan:

graafwerk (gaas) terreinscheiding aanbrengen
saneringswerk beton en metselspecie aanmaken
hakwerk verbrandingswerkzaamheden
snoeien magazijnwerkzaamheden
transportwerkzaamheden grond bewerken
schoonmaakwerkzaamheden overige niet-geschoolde werkzaamheden
9. a. Boven en behalve de geldelijke uitkering genieten de gehuwde tewerkgestelden een kindertoelage:
1o. voor hun ongehuwde wettige, gewettigde en/of stiefkinderen beneden de leeftijd van 18 jaar, laatstgenoemden voor zover zij geheel ten laste van de tewerkgestelde komen;
2o. voor kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar die deel uitmaken van het gezin van de tewerkgestelde die hij geheel als eigen kinderen onderhoudt en opvoedt en die niet door hun eigen ouders of voogden kunnen worden onderhouden en opgevoed, elk afzonderlijk geval door de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn te beoordelen.
b. Het bepaalde in sub-a is niet van toepassing op natuurlijke kinderen van de tewerkgestelde, tenzij de moeder van deze kinderen is overleden en de tewerkgestelde deze kinderen heeft erkend, dan wel voogdij over deze kinderen uitoefent en bedoelde kinderen deel uitmaken van zijn gezin en geheel als eigen kinderen door hem worden onderhouden en opgevoed, elk afzonderlijk geval door de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn te beoordelen.
c. Voor de toepassing van het bepaalde sub-a worden met kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar gelijkgesteld:
1o. kinderen van achttien tot vijfentwintig jaar, wier tijd behoudens in geval van ziekte of vakantie geheel of grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs:
2o. kinderen van achttien tot vijfentwintig jaar, die naar het oordeel van het bevoegde gezag ten gevolge van ziekte of gebreken blijvend buiten staat zijn om met arbeid, die voor hun krachten is berekend, een derde te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen van gelijke leeftijd in staat zijn met arbeid te verdienen.
d. De kindertoelage bedraagt Cg 10,- per week per kind.
e. Het recht op kindertoelage is aanwezig over dezelfde tijd als die waarover de tewerkgestelde recht heeft op de geldelijke uitkering.
f. Onverminderd het bepaalde sub 5 wordt de kindertoelage volledig genoten zolang de tewerkgestelde in het genot is van de ziekteverlofsuitkering, de geldelijke uitkering in verband met een dienstongeval dan wel ziekengeld.
g. De kindertoelage wordt toegekend met ingang van de dag, waarop de aanspraak ontstaat.
h. De kindertoelage wordt gelijktijdig met de geldelijke uitkering uitbetaald.
i. Indien de tewerkgestelde heeft nagelaten opgave te verstrekken van een kind of van kinderen voor wie aanspraak op kindertoelage bestaat zal, indien deze nalatigheid wordt hersteld, de datum van ingang van de kindertoelage worden bepaald met ingang van de dag, waarop de aanspraak is ontstaan.

Naar boven