Havenreglement Curaçao 1936 - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Havenreglement Curaçao 1936

Publicatienummer: P.B. 2026, no. 179 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsverordening
Ministerie: Verkeer, Vervoer & Ruimtelijke Planning
Datum ondertekening: 07-05-2026
Datum inwerktreding: 16-01-1937
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK IX Verkeer en vervoer )


LANDSBESLUIT van de 7de mei 2026, no. 26/1244, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van het Havenreglement Curaçao 1936

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
16-01-1937 n.v.t. n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2026, no. 179 (GT) n.v.t.

Artikel 1

a. In deze landsverordening wordt verstaan onder:
Schottegat : het Schottegat met alle daarin en daaraan gelegen baaien.
Haven : de Sint Annabaai, het Schottegat en het Waaigat, het Rifwater en Zaquito.
Binnenvaartuig : een schip bij uitzondering buiten de haven in zee varende.
Havenmeester : de als zodanig aangestelde ambtenaar of diens vervanger.
Dag : de tijd tussen zonsopkomst en zonsondergang.
Nacht : de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst.
b. In deze landsverordening is onder kapitein begrepen degene, die de kapitein vervangt. Onder kapitein wordt mede verstaan schipper.
c. In deze landsverordening is onder “eigenaar van een schip” mede te verstaan “degene die het beheer over het schip heeft in welke hoedanigheid ook.”

Artikel 2

Het toezicht over de haven en de handhaving van deze landsverordening zijn opgedragen aan de Havenmeester, de Onderhavenmeester, de loodsen, de hulploodsen en de ambtenaren van de Havenveiligheidsinspectie.
Er is beroep op de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning van door de betrokken autoriteiten uit kracht van de artikelen 11, 28 en 29 genomen maatregelen en/of beslissingen.

Artikel 3

a. Kapiteins van binnenkomende vaartuigen mogen niemand en niets aan boord toelaten of van boord laten gaan, zolang zulks krachtens de quarantaine-voorschriften niet geoorloofd is, zolang het vaartuig niet door de douane is ingeklaard en het politieonderzoek niet is afgelopen.
b. Kleine vaartuigen, motorboten, pontjes en dergelijke moeten zich, tot na afloop van quarantaine-, douane- en politieonderzoek op tenminste 5 meter afstand van het schip verwijderd houden.
c. Eigenaars van het schip, hun vertegenwoordigers, agenten, of gemachtigden en hun employés, kunnen zich, mits voorzien van een door de Inspecteur der Belastingen en de minister van Justitie of een door hem aan te wijzen ambtenaar voor akkoord getekend legitimatiebewijs, zodra de quarantaine-voorschriften zich daartegen niet verzetten, aan boord begeven, en de bepaling van lid b blijft dan ten aanzien van hun vaartuigen of van hun lichters, welke moeten dienen voor het lossen en laden van het schip, buiten toepassing.
d. Kapiteins van de in de havens liggende schepen dragen zorg, dat zonder toestemming van de minister van Justitie of een door hem aan te wijzen ambtenaar geen schepeling, die krachtens de geldende wettelijke regelingen nopens de toelating in Curaçao niet tot verblijf of tijdelijk verblijf in Curaçao wordt toegelaten zonder een voorafgaande vergunning, aan wal gaat ter zake van afdanking of ontslag, tenzij het betreft schepelingen, als hiervoor omschreven, die in Curaçao zijn aangemonsterd, in welk geval afdanking of ontslag niet mag plaats hebben zonder voorkennis van de minister van Justitie of een door hem aan te wijzen ambtenaar.

Artikel 4

a. De Havenmeester regelt voor alle vaartuigen de ligplaatsen in de haven; ten aanzien van ligplaatsen aan kaden en dergelijke, die eigendom zijn van of verhuurd zijn aan particulieren, houdt hij zich aan de opgave van de eigenaars of huurders, voor zover verenigbaar met orde en veiligheid in de haven, zulks ter beoordeling van de Havenmeester.
b. Geen vaartuigen, met uitzondering van sleepboten, binnenvaartuigen en vaartuigen van minder dan 50 ton van 2.83 m³ bruto inhoud, mogen in de haven van ligplaats veranderen, zonder toestemming van de Havenmeester, behoudens het bepaalde onder c.
c. Het verhalen langszijde een en dezelfde werf van de ene plaats naar de andere, alsmede van een klein schip van het ene gedeelte van een groot schip langszij dit laatste naar het andere gedeelte daarvan, mag worden gedaan zonder toestemming van de Havenmeester zolang voor het een en ander geen trossen over de haven behoeven te worden gebracht.
d. Aan publieke aanlegplaatsen aan het zuidelijk gedeelte van de Handelskade en aan de Havenstraat, zomede langs de scheepstrappen, behoudens verbod van de kapitein, mogen motorboten en ponten alleen vastmaken voor het onmiddellijk in- of ontschepen van passagiers of bagage.

Artikel 5

a. Alle vaartuigen, welke in de haven varende zijn dan wel binnenkomen of uitvaren, zijn gehouden zich te gedragen naar de seinen, bedoeld in de tabel van seinen voor de scheepvaart, welke door de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning wordt vastgesteld.
b. Zolang de brug niet geopend is, of de haven versperd is, mag een vaartuig dat buiten is, niet de haven invaren en moet een uitvarend vaartuig zoveel mogelijk vaart minderen, stoppen of vastmaken.
c. In de Sint Annabaai moeten alle andere varende vaartuigen, ruimte maken voor een vaartuig, dat binnenkomt of uitvaart.
d. Indien een vaartuig tussen zonsopkomst en zonsondergang de haven in- of uitvaart, is het verplicht de vlag van zijn nationaliteit te vertonen.

Artikel 6

Bij het varen in de Sint Annabaai moeten stoom- en motorvaartuigen een zodanige matige vaart lopen, als nodig is om nadelige golfslag en zuiging te voorkomen en toch voldoende manoeuvreervaardigheid te behouden.

Artikel 7

a. Binnenvaartuigen moeten, wanneer zij in de Sint Annabaai in de richting van of naar het Schottegat varende zijn, steeds die zijde van het vaarwater houden, welk gelegen is aan de stuurboords (rechter) zijde van het vaartuig.
b. In geen geval mogen zij op korte afstand voor in- of uitgaande stoom- of motorschepen uitvaren.
c. De Sint Annabaai kruisende binnenvaartuigen moeten wijken voor vaartuigen, welke in de langsrichting van de haven varen.
d. In het Schottegat worden de internationale uitwijkbepalingen gevolgd, welke op zee en ruime vaarwaters gelden.

Artikel 8

Behalve gedurende het in- en uitvaren is het verboden ankers te laten vallen of te laten slepen op plaatsen in de haven, waar, blijkens waarschuwingsborden of waarschuwingstekens, telegraaf-, waterleiding-, dan wel elektrische kabels, buisleidingen of kabels van de brug in of op de havenbodem liggen.

Artikel 9

a. Tenzij met vergunning van de Havenmeester is het de kapitein, buiten het geval van noodzakelijkheid uit een oogpunt van navigatie, verboden te ankeren op plaatsen, waar dit de scheepvaart zou kunnen belemmeren.
b. Het is verboden, schepen, welke langs een kade gemeerd liggen, met het voor- of achterschip buiten de kadelengte te doen uitsteken, indien dit de vaart zou kunnen belemmeren, zulks ter beoordeling van de Havenmeester.
c. Het is verboden te vissen of netten te plaatsen in of voor de ingang van de haven en op plaatsen, waar zulks hinderlijk kan zijn voor de scheepvaart, zulks ter beoordeling van de Havenmeester.

Artikel 10

Eigenaars, gebruikers en bezitters van particuliere gronden moeten gedogen, dat vaartuigen, die in de haven manoeuvreren, van de daartoe dienstige middelen op hun gronden geplaatst of daarin aangebracht, kosteloos gebruik maken, onverminderd hun recht op schadevergoeding volgens de wet.
Het is een ieder verboden handelingen te verrichten, die het manoeuvreren van vaartuigen in de haven belemmeren of verhinderen of het losraken van schepen ten gevolge hebben.

Artikel 11

De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning kan op kosten van het Land, en onder verplichting tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, wanneer daartoe grond bestaat, bij niet overeenstemming door de Rechter bij vonnis te bepalen, indien de dringende omstandigheden een onverwijld handelen vorderen, op particuliere eigendommen, aan of bij de haven gelegen, alles doen plaatsen of wegnemen, wat door de Havenmeester nodig wordt geacht voor de veiligheid van de vaartuigen.
Tot dat doel kunnen die particuliere eigendommen door de Havenmeester en door hem te zenden personen worden betreden en verzet hiertegen of tegen het doen plaatsen of wegnemen van hetgeen in de vorige alinea is bedoeld, kan desnoods met de sterke arm gekeerd worden, onverminderd de toepassing van de strafwet indien daartoe termen zijn.

Artikel 12

a. Ieder vaartuig, dat niet varende of manoeuvrerende is, moet behoorlijk verankerd liggen, of gemeerd aan de daarvoor bestemde of geschikte hulpmiddelen, ter beoordeling van de Havenmeester.
b. De Havenmeester kan gelasten, dat trossen volgens zijn aanwijzing worden bijgeplaatst, of dat trossen dan wel kettingen, die volgens zijn inzicht hinderlijk of gevaarlijk kunnen zijn voor andere vaartuigen of voor de kade, steiger of de daarop geplaatste of zich daarin bevindende voorwerpen, zullen worden verwijderd dan wel verplaatst.
c. Het is verboden trossen, langer dan nodig is voor de te maken manoeuvre, dwars over de haven te laten staan.
d. De kapitein van een vaartuig, dat gereed is om te vertrekken, mag een uur voor het vermoedelijk tijdstip van vertrek trossen over de haven doen uitbrengen, mits deze terstond zinken.

Artikel 13

a. Indien lichters en/of andere vaartuigen gemeerd aan de buitenzijde van in de Sint Annabaai liggende vaartuigen, naar het oordeel van de Havenmeester gevaar opleveren voor een veilige doorvaart, is hij bevoegd een of meer van die lichters door de eigenaar of de kapitein van de lichter of op hun kosten met eigen middelen te doen verwijderen.
b. Wanneer enige vaartuigen naast elkaar gemeerd liggen, is de overgang van de buiten liggende vaartuigen over de binnen liggende en omgekeerd vrij.

Artikel 14

De kapitein van een in of aan het voor grote schepen bestemd vaarwater liggend vaartuig, of, indien het vaartuig geen kapitein heeft, de eigenaar, is verplicht te zorgen, dat:
1. aan boord zowel overdags als ‘s nachts een mannelijk persoon boven de 18 jaar aanwezig is, met uitzondering van aan boord van vaartuigen van minder dan 10 ton van 2,83 M³ bruto inhoud en van aan boord van binnenvaartuigen.
2. het nodige personeel te zijner onmiddellijke beschikking is om het vaartuig binnen een door de Havenmeester te stellen redelijke termijn te verhalen.

Artikel 15

Het is verboden in de haven met enig vuurwapen te schieten; evenwel mogen oorlogsschepen in het Schottegat saluutschoten geven, tenzij, ter beoordeling van de Havenmeester, derden daarvan hinder of gevaar kunnen ondervinden.

Artikel 16

Behoudens voor zover bij internationale overeenkomsten toegestaan, is het ingevolge artikel 3 van de Telegraaf en Telefoonverordening 1909 verboden, anders dan met toestemming van de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning een scheepsradiostation te gebruiken in de haven van Curaçao. Tenzij onder bijzondere omstandigheden de eisen van goed zeemanschap afwijking van dit verbod noodzakelijk maken.

Artikel 17

Het is verboden ‘s nachts in de Sint Annabaai de stoomfluit of sirene te gebruiken, uitgezonderd in de volgende gevallen:
1. bij brand of ander onheil aan boord;
2. voor varende schepen voor het geven van attentiesein of uitwijkseinen.

Artikel 18

Het is verboden op werven, kaden en andere terreinen, in de nabijheid van de haven gelegen, zomede op in de haven varende of stilliggende vaartuigen verblindende lichten in gebruik te stellen op zodanige wijze, dat daardoor voor de scheepvaart gevaar of hinder ontstaan kan.

Artikel 19

a. Vaartuigen van twee of meer meter breedte, welke in de haven in of aan het vaarwater voor grote schepen te anker of gemeerd liggen, moeten ‘s nachts de lichten voeren, die in de verordening van de 24ste september 1897 zijn voorgeschreven voor te anker liggende vaartuigen; bij gemeerd liggen langs een goed verlichte kade en in speciale gevallen, kan hiervan op aanvraag vrijstelling door de Havenmeester worden verleend.
b. Lichters en ponten, welke geen mast hebben, mogen het witte licht boven het dek bevestigen, mits het rondom goed zichtbaar is.
c. Indien enige vaartuigen naast elkaar zijn gemeerd, zijn de voorschriften onder sub a en b alleen van toepassing op het buitenste vaartuig.
d. Vaartuigen van minder dan twee meter breedte hoeven geen wit licht te voeren, mits zij gemeerd liggen op een plaats, waar zij naar het inzicht van de Havenmeester geen gevaar voor aanvaring opleveren.
e. Vaartuigen, welke in de haven varende of manoeuvrerende zijn, moeten ‘s nachts de lichten voeren, welke voorgeschreven zijn in de in lid a van dit artikel genoemde verordening, behoudens dat vaartuigen van minder dan 10 ton van 2,83 M³ bruto inhoud een helder wit licht gevende lantaarn tonen van een goed zichtbare plaats af; binnenvaartuigen, welke niet mechanisch voortbewogen worden, kunnen ermee volstaan dit licht aangestoken gereed te hebben en het te tonen bij nadering van andere vaartuigen, zo tijdig als nodig is om aanvaring te voorkomen.

Artikel 20

Eigenaars van werven, kaden of steigers aan de haven welke in gebruik zijn, zijn verplicht voor een zodanige verlichting van die werven, kaden en steigers zorg te dragen, dat deze over de gehele lengte langs de waterkant goed zichtbaar zijn, terwijl de lichten van boven afgeschermd moeten zijn en niet verblindend mogen werken op de scheepvaart.

Artikel 21

a. Het is verboden aan boord van een vaartuig, tenzij met vergunning van de Havenmeester, of op de openbare kaden, tenzij met vergunning van de Commandant van de Brandweer handelingen te verrichten, welke gevaar voor brand opleveren; de door de Havenmeester of de Commandant van de Brandweer gegeven voorschriften moeten onverwijld worden opgevolgd.
b. Van broeiing of brand aan boord moet door de betrokken kapitein onverwijld kennis worden gegeven aan de Commandant van de Brandweer, de Havenmeester en de Politie.
c. Indien aan boord van een zeilvaartuig of binnenvaartuig brand is ontstaan, is de kapitein, in afwachting van de bevelen van de Commandant van de Brandweer, verplicht doeltreffende maatregelen te nemen ter blussing van de brand en alles in het werk te stellen om te voorkomen, dat de brand overslaat op in de nabijheid van zijn vaartuig gelegen andere vaartuigen, gebouwen of opslagterreinen.
De kapitein is bovendien verplicht de Commandant van de Brandweer zoveel mogelijk behulpzaam te zijn en diens bevelen, voor wat betreft het blussen van de brand, de beveiliging van de omgeving en die van de gehele haven, op te volgen.
Is het een stoom- of motorvaartuig, dan moet hij tevens de voortstuwingswerktuigen zodra mogelijk voor gebruik gereed doen maken.
d. De Commandant van de Brandweer regelt het bluswerk en neemt maatregelen ter beveiliging van de omgeving van het brandende schip en van de gehele haven zo mogelijk in overleg met de kapitein en de Havenmeester en, indien het betreft een brand op schepen ingericht voor het vervoer van ruwe oliën en petroleumproducten hetzij verpakt of in bulk, bovendien zo mogelijk in overleg met de Directeur van de olie-installatie, diens vervanger of gemachtigde. Hij heeft de algehele leiding over het beschikbare blusmateriaal.

Artikel 22

a. Het is verboden een vaartuig, dat een gehele of gedeeltelijke lading gasoline of andere licht ontvlambare vloeistof (S.G. lager dan 0.78) in bulk aan boord heeft, in de Sint Annabaai bezuiden Rancamasten te meren of in het Schottegat te ankeren.
b. Het is verboden in de Sint Annabaai bezuiden Rancamasten een zeilvaartuig te meren, dat een gehele of gedeeltelijke lading gasoline of andere licht ontvlambare vloeistof (S.G. lager dan 0.78) aan boord heeft, alsmede zodanige stoffen op genoemde plaats in een zeilvaartuig te laden.
c. Gelijk verbod geldt voor alle vaartuigen welke ligplaats wensen te nemen aan de Handelskade.

Artikel 23

a. Een vaartuig, geladen zijnde of geweest zijnde met of bezig zijnde met lossen van petroleumproducten in bulk, voert overdag een rode vlag, ‘s nachts een rode lamp.
b. Het is verboden zonder speciale vergunning van de Havenmeester langszijde van schepen die bezig zijn met laden en lossen van een lading gasoline of andere licht ontvlambare vloeistof (S.G. lager dan 0.78) in bulk, te komen met kleine zich onder eigen kracht voortbewegende vaartuigen; het is verboden aan boord van deze schepen te roken of met open vuur te werken.
c. Deze bepalingen gelden ook voor schepen, welke gasoline of andere licht ontvlambare vloeistof (S.G. lager dan 0.78) innemen teneinde de ruimen schoon te maken.

Artikel 24

a. Wanneer een vaartuig in de haven dreigt te zinken of gezonken is, of wanneer een voorwerp, dat hinder of gevaar kan opleveren voor de scheepvaart, overboord is gevallen en gezonken is, of wanneer een anker verloren is, moet de kapitein en bij een sleep de leider van de sleep daarvan onverwijld kennis geven aan de Havenmeester.
b. In afwachting van de bevelen van de Havenmeester moet de kapitein van enig vaartuig, dat dreigt te zinken, dit zo spoedig mogelijk buiten het vaarwater voor grote schepen van de haven brengen naar een plaats, waar het buiten het vaarwater aan de grond gezet kan worden.
c. Wanneer een vaartuig of een voorwerp dat naar het oordeel van de Havenmeester gevaar of hinder voor de scheepvaart kan opleveren, in de haven gezonken is, is deze bevoegd de kapitein of de eigenaar van het vaartuig of de leider van de sleep te bevelen om, met inachtneming van de termijnen door hem bepaald voor de aanvang en voor de beëindiging van de daartoe nodige werkzaamheden, dat vaartuig of voorwerp te doen verwijderen.

Artikel 25

Het is verboden ballast of andere zinkende of drijvende stoffen of voorwerpen, krengen of bedorven waren in de haven te werpen, ballast in of in de onmiddellijke nabijheid van de haven uit te pompen of de haven te verontreinigen met olie. Voor een vaartuig, dat olie laadt of lost, wordt de kapitein voor het storten van olie in de haven of op de kaden of werven verantwoordelijk gesteld, indien zulks door de schuld van het vaartuig of diens bemanning geschiedt; bij het storten van olie van werven, pieren of kaden af wordt de ter plaatse verantwoordelijke persoon verantwoordelijk gehouden.

Artikel 26

De kapitein van een vaartuig, dat de haven in- of uitvaart, dan wel verhaalt onder loodsaanwijzing, is verplicht zich te gedragen naar de hem door de loods gegeven aanwijzingen met betrekking tot de regeling van de scheepvaart.

Artikel 27

a. Wanneer een vaartuig schade heeft toegebracht of bekomen, is de kapitein en, wanneer een loods aan boord is, deze laatste verplicht hiervan ten spoedigste kennis te geven aan de Havenmeester.
b. Op verzoek van een van de belanghebbende partijen maakt de Havenmeester een proces-verbaal op, vermeldende zijn bevindingen in de verklaringen van de door hem ter zake gehoorde personen.
In geval schade is toegebracht aan publiek eigendom maakt de Havenmeester steeds een dergelijke proces-verbaal op en wordt tevens de som vermeld, waarvoor de schade kan worden hersteld, volgens een door hem met de Sector-directeur Verkeer en Vervoer opgemaakte raming.
c. In gevallen waarin proces-verbaal is opgemaakt ontvangen de gezagvoerder van het betrokken vaartuig en andere belanghebbende partijen een afschrift hiervan.

Artikel 28

a. De Havenmeester is bevoegd in dringende gevallen ten koste en ten gevare van overtreders, indien naar zijn inzicht mogelijk en raadzaam na voorafgaande waarschuwing desvereist met geweld, te doen wegnemen of beletten en te doen verrichten, al wat in strijd met deze landsverordening of met de krachtens deze landsverordening door hem uitgevaardigde bevelen is of wordt gedaan of nagelaten; de uit dien hoofde gemaakte kosten moeten voor het vertrek van het vaartuig ten kantore van de Ontvanger op vordering van de Havenmeester zijn voldaan, tenzij voor de betaling van die kosten een naar het oordeel van de Havenmeester voldoende zekerheid is gesteld.
b. De Havenmeester is bevoegd het vertrek van een vaartuig te verhinderen in de gevallen, waarin het vertrek in strijd zou zijn met deze landsverordening of met andere landsverordeningen, of wanneer het loodsgeld of andere aan het Land verschuldigde gelden niet ten kantore van de Ontvanger zijn voldaan, dan wel ter beoordeling van de Havenmeester daarvoor geen voldoende zekerheid is gesteld.
c. De in lid a en b van dit artikel aan de Havenmeester gegeven bevoegdheden hebben geen betrekking op aan het Rijk of aan Curaçao behorende schepen en op vreemde oorlogsschepen.
d. Het is de kapitein van een zich in de haven bevindend vaartuig verboden door enige handeling of nalatigheid de veiligheid van het havenverkeer op enigerlei wijze in ernstig gevaar te brengen.

Artikel 29

De vergunning tot het vertrek (vertrekpas) zal door de Ontvanger worden ingetrokken, wanneer hem mocht blijken, dat de schipper nog geldelijke verplichtingen aan het Land heeft, dan wel wanneer wegens een begane overtreding zekerheidsstelling gewenst wordt, tenzij op andere wijze voldoende zekerheid is gesteld.

Artikel 30

De in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren alsmede de bij landsbesluit aangewezen ambtenaren zijn gerechtigd zich te allen tijde aan boord van een in de haven liggend schip te begeven of particuliere werven of kaden te betreden, ter uitoefening van hun dienst. Oorlogsschepen zijn van dit recht tot betreding uitgezonderd.

Artikel 31

Het is verboden in de haven te kadraaien.

Artikel 32

Het leggen van meerboeien mag slechts met vergunning en op aanwijzing van de Havenmeester geschieden.
Bij overtreding van dit voorschrift is de Havenmeester bevoegd te gelasten de gelegde meerboei weg te nemen, dan wel zulks op kosten van de overtreders te laten doen.

Artikel 33

Het is verboden in de haven te dreggen of te baggeren zonder toestemming van de Havenmeester.

Artikel 34

Indien uit vaartuigen stoom of water ontsnapt of wordt uitgepompt en zulks ongerief of gevaar voor in de nabijheid zijnde vaartuigen, kaden of werven oplevert, is de kapitein verplicht maatregelen tot afdekking te nemen.

Artikel 35

a. Waar in deze landsverordening aan een vaartuig verplichtingen worden opgelegd, is de kapitein voor de nakoming daarvan aansprakelijk.
b. De eigenaar van een vaartuig moet zorg dragen, dat te allen tijde een persoon belast is met het gezag over vaartuig en bemanning en is gehouden desverlangd de Havenmeester mede te delen, wie deze persoon is. Dit lid is niet van toepassing op binnenvaartuigen.
c. Zolang het gezag over een vaartuig niet aan enig persoon is opgedragen en door deze aanvaard, wordt de aansprakelijkheid, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, gedragen door de eigenaar van het vaartuig.

Artikel 36

Overtreding van de verbodsbepalingen of niet naleving van de overige voorschriften van deze landsverordening, uitgezonderd de ambtelijke, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste vijfduizend gulden.
Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, of vrijwillig voldaan is aan de voorwaarde door de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie krachtens artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht gesteld, kan de schuldige gestraft worden met een hechtenisstraf van ten hoogste vier maanden of een geldboete van ten hoogste tienduizend gulden.

Artikel 37

De feiten, bij deze landverordening strafbaar gesteld, worden beschouwd als overtredingen.

Artikel 37a

De artikelen 2, 3, 4, sub a, 5, sub d, 8, 9, 10, 11, 12, sub a en b, 13, sub b, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, alsmede de artikelen 23 tot en met 37 zijn van overeenkomstige toepassing op Bullenbaai, Caracasbaai, Fuikbaai, Sint Michielsbaai, Spaanse water, Piscaderabaai, Santa Marthabaai en de wateren rondom Klein-Curaçao.

Artikel 38

Deze landsverordening zal in de Engelse, Franse, Duitse, Spaanse talen en in het Papiaments worden vertaald.
Gedrukte exemplaren daarvan, zowel in het Nederlands als in de overige hiervoor genoemde talen, zullen tegen betaling van de kostprijs ten kantore van de Havenmeester verkrijgbaar worden gesteld.

Artikel 39

(vervallen)

Artikel 40

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Havenreglement Curaçao 1936.

Naar boven