Algemene landsverordening Landsbelastingen - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Algemene landsverordening Landsbelastingen

Publicatienummer: P.B. 2013, no. 53, zoals laatstelijk gewijzigd bij   P.B. 2024, no. 40
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsverordening
Onderwerp(en): Landsbelastingen
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 24-04-2013
Datum inwerktreding: Nog niet bekend
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK IV Belastingen)


LANDSBESLUIT van de 24ste april 2013, no. 13/0990, houdende vaststelling van de tekst van de Algemene landsverordening Landsbelastingen

DOORLOPENDE TEKST

Datum
inwerkingtreding
Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken

 

Betreft Vindplaats Zittingsjaar
1 januari 2014 n.v.t. Art 1, g -k.t.l.;
Art 2
P.B. 2013, no. 54 n.v.t

1 januari 2015;
3 september 2016 v.w.b. Art I, onderdeel F (de wijziging van art 6a, lid 2) bij P.B. 2016, no. 37.

1 januari 2016 n.v.t. Art 3, lid 1 en 2;
Art 3b, lid 1 t/m 6;
Art 6, lid 6 vervalt;
Art 6a ingevoegd;
Art 6a, lid 2
P.B. 2014, no. 114 n.v.t.
1 januari 2015 n.v.t. Art 1, k toegevoegd P.B. 2014, no. 115 n.v.t.

26 september 2015;
1 januari 2016 v.w.b. de wijziging van art 1, lid 1.

n.v.t. Art 1, lid 1;
Art 2, lid 2;
Hfst VII afd 2 – artt 61 t/m 65 vervallen
P.B. 2015, no. 53 2014-2015-072
1 januari 2016 n.v.t. Art 2, lid 2;
Art 31;
Art 62,lid 6
P.B. 2015, no. 80 2015-2016-070
1 januari 2016 resp.
1 januari 2017
n.v.t. Art 3b, lid 7;
Art 4, lid 3, en lid 4 toegevoegd;
Art 5 lid 1 k.t.l. en een nieuw lid 2 onder vernummering;
Art 6, lid 1 t./m 6;
Art 6, lid 7 vervalt;
Art 6a, lid 2 en een nieuw lid 4 na vernummering;
Art 7, lid 1,3 en 4;
Art 8, lid 1, 5 en 6;
Art 9, lid 1;
Art 14, lid 4;
Art 28a, lid 1 k.t.l.;
Art 29, lid 1, lid 5 toegevoegd;
Art 32a, lid 1 en 3;
Art 39, lid 3 toegevoegd;
Art 43, lid 11 en 12 toegevoegd;
Art 44a, lid 1 k.t.l.;
Art 45, lid 6 k.t.l., lid 9 k.t.l.;
Art 48 k.t.l..
P.B. 2016, no. 37 2015-2016-093
2 januari 2017 n.v.t. Art 45, lid 8. P.B. 2016, no.39 2015-2016-074
1 januari 2017 n.v.t. Art 2, lid 2, l, m en n toegevoegd. P.B. 2016, no. 78 2016-2017-099
16 juni 2018;
Bij Lb v.w.b. Art II, onderdeel I, art. 62
n.v.t. Art 2, lid 2, c;
Art 6, lid 3 k.t.l.;
Art 6, lid 7, 8 en 9 ingevoegd;
Art 6a vervallen;
Art 21b ingevoegd;
Art 28a, lid 1 en 2;
Art 43, lid 1, d toegevoegd;
Art 45, lid 6 k.t.l.;
Art 45, lid 9 vervallen;
Art 45, lid 7 t/m 12 na vernummering en 15 t/m 17 toegevoegd;
Art 49, lid 1 p toegevoegd;
Hoofdstuk IX nieuw ingevoegd na vernummering.
P.B. 2018, no. 30 2017-2018-123

5 juli 2018;
16 mei 2024
v.w.b. Art VII, onderdeel C (de wijziging van art 44, lid 10) bij P.B. 2024, no. 40

1 juli 2018 n.v.t. Art 43, lid 13 toegevoegd;
Art 44, lid 10;
Art 45, lid 2;
Art 45, lid 16 k.t.l..
P.B. 2018, no. 33 2017-2018-130
29 december 2018

 

1 juli 2028 v.w.b. de wijziging in art 3b, 6, 28a en 49

n.v.t. Art 3b. lid 2 b k.t.l.;
Art 6, lid 5;
Art 28a, lid 1 k.t.l.;
Art 28a, lid 2 k.t.l.;
Art 28a, lid 6;
Art 43, lid 14 toegevoegd;
Art 45, lid 6, 7, 8 (3x) en 9;
Art 49, lid 1 l k.t.l.;
Art 59, lid 2 toegevoegd;
P.B. 2018, no. 83 2017-2018-135
1 januari 2020 n.v.t. Art 21c ingevoegd;
Art 43, lid 14.
P.B. 2019, no. 92 2019-2020-156

16 mei 2024;
Bij Lb. v.w.b. Art I, onderdeel F (de invoeging  van art 5a)

1 januari 2020 v.w.b. de wijziging in art 43 n.v.t. Art 1, lid 1 k.t.l.;
Art 2, lid 2 i k.t.l.;
Art 3, lid 1,2 en 3;
Art 3b, lid 1;
Art 4, lid 2;
Art 5a ingevoegd;
Art 6, lid 1, 2, 4 k.t.l. en 5 k.t.l.;
Art 29, lid 5;
Art 32a, lid 1;
Art 33, lid 3 k.t.l.;
Art 34, lid 4;
Art 43, lid 13 k.t.l.;
Art 43, lid 14;
Art 44, lid 5 h;
Art 44, lid 10 k.t.l.;
Art 45, lid 6, 7 (3x), 8 (2x), 9, 14 en 16;
Art 48, lid 1 en 2;
Art 57;
P.B. 2024, no. 40 2023-2024-218

HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen

Artikel 1

  1. De bepalingen van deze landsverordening gelden bij de heffing van:
    a. inkomstenbelasting als bedoeld in de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943;
    b. loonbelasting als bedoeld in de Landsverordening op de Loonbelasting 1976;
    c. winstbelasting als bedoeld in de Landsverordening op de winstbelasting 1940;
    d. scheepstonnagebelasting als bedoeld in de Landsverordening op de Scheepstonnagebelasting 2007;
    e. overdrachtsbelasting als bedoeld in de Overdrachtsbelastingverordening 1908;
    f. successie- en overgangsbelasting als bedoeld in de Successiebelastingverordening 1908;
    g. onroerendezaakbelasting als bedoeld in de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014;
    h. omzetbelasting als bedoeld in de Landsverordening omzetbelasting 1999;
    i. rentebelasting als bedoeld in de Landsverordening van de 30ste december 2014 regelende de inhouding van de inkomstenbelasting op rente-inkomen.
  2. De bepalingen van deze landsverordening zijn van overeenkomstige toepassing op binnen Curaçao gevestigde lichamen, die niet aan belastingheffing zijn onderworpen dan wel van belastingheffing zijn vrijgesteld.

Artikel 2

  1. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Belastingverordening:

deze landsverordening, de in artikel 1 bedoelde heffings-verordeningen, alsmede alle ter uitvoering van die landsverordeningen gegeven wettelijke regelingen;

b. Lichamen: verenigingen en andere rechtspersonen, vennootschappen en doelvermogens;
c. belastingen

de belastingen, genoemd in artikel 1, met inbegrip van de administratieve boeten die ingevolge de belastingverordening kunnen worden opgelegd.

  1. De belastingverordening verstaat onder:
a. Minister: de Minister van Financiën;
b. Directeur: de Sectordirecteur Fiscale Zaken;
c. Inspecteur:

de Inspecteur der Belastingen en, uitsluitend voor de toepassing van Hoofdstuk VI, de Ontvanger en de Directeur van de Stichting Belastingaccountantsbureau en door de Minister bij ministeriële regeling met algemene werking, aangewezen medewerkers van zelfstandige bestuursorganen;

d. Ontvanger: de functionaris die belast is met de invordering van de door de Inspecteur vastgestelde aanslagen;
e. Belastingaanslag: de voorlopige aanslag, de aanslag, de navorderingsaanslag alsmede de naheffingsaanslag;
f. Belastingplichtige: de natuurlijke of rechtspersoon van wie op grond van een belastingverordening belasting wordt geheven;
g. het Gerecht: het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken;
h. bevoegde autoriteit: de door een staat tot het uitwisselen van inlichtingen aangewezen persoon of instantie;
i. open commanditaire

vennootschap:

de commanditaire vennootschap waarvan de beherend vennoot, na daartoe door elk van de vennoten te zijn gemachtigd, aan de Inspecteur schriftelijk meedeelt dat de commanditaire vennootschap als open commanditaire vennootschap wil worden aangemerkt. Een mededeling als bedoeld in de vorige volzin is van toepassing met ingang van de datum van oprichting van de commanditaire vennootschap ingeval gedaan binnen drie maanden na oprichting van de commanditaire vennootschap. In alle andere gevallen is de mededeling van toepassing met ingang van het eerstvolgende boekjaar volgend op het jaar waarin de mededeling is gedaan. De mededeling is van toepassing op het gehele verdere bestaan van de open commanditaire vennootschap.
j. Crib-nummer: een door de Inspecteur toegekend identificatienummer;
k. ID-nummer: een door het bevolkingsregister toegekend nummer;
l. monument: een onroerende zaak, welke voor ten minste vijftig jaar vervaardigd is en die van algemeen belang wordt geacht wegens zijn schoonheid, zijn kunstwaarde, zijn betekenis voor de wetenschap, de geschiedenis van het Land of zijn volkskundige waarde;
m. beschermd monument: een monument, welke is ingeschreven in het openbaar register voor beschermde monumenten, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Monumenteneilandsverordening Curaçao of een onroerende zaak in de binnenstad, bedoeld in onderdeel n, is gelegen;
n. binnenstad:

het stadsgebied en het havengebied die door United Nations Educational Scientific and Cultural Organization als historisch gebied van Curaçao zijn erkend en die bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aangewezen wordt als het historische gedeelte van Willemstad.

 

 

Artikel 2a

  1. De Inspecteur kan mandaat verlenen aan ambtenaren met de heffing en invordering van belasting belast en aan medewerkers van de Stichting Belastingaccountantsbureau.
  2. De Ontvanger en de Directeur van de Stichting Belastingaccountantsbureau kunnen mandaat verlenen aan respectievelijk ambtenaren met de invordering van belasting belast en aan medewerkers van de Stichting Belastingaccountantsbureau.
  3. Het mandaat wordt schriftelijk verleend.
  4. Het mandaat omvat alle bevoegdheden die uit de belastingverordening voortvloeien, maar kan door de Inspecteur worden beperkt.
  5. De mandaatgever blijft bevoegd de gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen.
  6. De mandaatgever kan het mandaat te allen tijde intrekken.

Artikel 3

  1. Waar in de belastingverordening wordt gesproken van:
    a. de bestuurder van een lichaam, wordt daaronder begrepen de besturende vennoot van een vennootschap en de binnenlandse vertegenwoordiger van een niet binnen Curaçao gevestigd lichaam, alsmede in geval van ontbinding degene die met de vereffening is belast;
    b. vereniging, wordt daaronder begrepen het samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid die maatschappelijk met een vereniging gelijk kan worden gesteld;
    c. transparante vennootschap, wordt daaronder begrepen het lichaam waarbij het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld dat in overeenstemming met de in artikel 3b neergelegde procedure te kennen heeft gegeven dat het lichaam voor toepassing van de landsverordeningen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen a, c of i, behandeld wenst te worden als een vennootschap, als bedoeld in de Landsverordening personenvennootschap ;
    d. Curaçao, wordt daar mede onder begrepen het buiten de territoriale zee van Curaçao gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, voor zover het Koninkrijk der Nederlanden daar op grond van het internationale recht ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van natuurlijke rijkdommen soevereine rechten mag uitoefenen, alsmede de in, op of boven dat gebied aanwezige installaties en andere inrichtingen ten behoeve van de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen in dat gebied.
  2. Onverminderd het in het eerste lid, onderdeel c, bepaalde, kan een lichaam slechts als transparante vennootschap worden aangemerkt, indien:
    a. alle aandelen in haar kapitaal luiden op naam;
    b. de statuten een aanbiedingsregeling voor de overdracht van aandelen bevatten, waarin aan de aandeelhouder die één of meer aandelen wil vervreemden, de verplichting wordt opgelegd om slechts aan een mede aandeelhouder of aan een derde ‒ die gelijktijdig met de overdracht aan het bestuur van het lichaam, een verklaring overlegt akkoord te gaan met de behandeling van het lichaam als een vennootschap, als bedoeld in de Landsverordening personenvennootschap zoals bepaald in deze landsverordening ‒ aandelen over te dragen;
    c. het bestuur van de rechtspersoon een register bijhoudt waarin de namen en adressen van de uiteindelijke gerechtigden die een belang van 10 procent of meer hebben in de rechtspersoon zijn opgenomen.
  3. Voor doeleinden van hoofdstukken I en III van de Landsverordening internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen wordt een transparante vennootschap behandeld als ware het een aan een belasting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen c en i, onderworpen lichaam.

Artikel 3a

  1. Waar in een landsverordening als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen a, c of i, wordt gesproken van naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen, of andere vennootschappen of verenigingen waarbij het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld, wordt daaronder niet begrepen de transparante vennootschap.
  2. Voor de toepassing van de landsverordeningen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen a, c of i, wordt het inkomen en vermogen van de transparante vennootschap aangemerkt als het inkomen en vermogen van de deelgerechtigden tot het vermogen van de transparante vennootschap.

Artikel 3b

  1. Een lichaam wordt overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel c, behandeld als een vennootschap, als bedoeld in de Landsverordening personenvennootschap, indien door of namens het bestuur van het lichaam, na daartoe door elk van haar aandeelhouders afzonderlijk te zijn gemachtigd, een schriftelijk verzoek wordt ingediend bij de Inspecteur. De Inspecteur beslist binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in de eerste volzin bij voor bezwaar vatbare beschikking.
  2. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan uitsluitend worden ingediend door:
    a. een in het jaar van het verzoek of daaraan voorafgaand jaar opgericht lichaam; of
    b. een reeds eerder bestaand lichaam, indien het lichaam in het jaar van het verzoek of het daaraan voorafgaande jaar geen deelneming heeft waarvan de winst op grond van het bepaalde in artikel 11, vierde lid, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940, gedeeltelijk buiten aanmerking is gebleven.
  3. Een lichaam als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is verplicht het verzoek, bedoeld in het eerste lid, binnen drie maanden na de oprichting van het lichaam, in te dienen.
  4. Een lichaam als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is verplicht het verzoek, bedoeld in het eerste lid, voorafgaand aan of binnen drie maanden na aanvang van het boekjaar waarin het lichaam als transparante vennootschap wenst te worden behandeld, in te dienen.
  5. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, bevat tevens de bij ministeriële regeling met algemene werking nader aan te duiden gegevens omtrent de identiteit van de deelgerechtigden tot het vermogen van het lichaam.
  6. Onder oprichting als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt tevens begrepen de omzetting van een lichaam in een lichaam waarbij het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld, op grond van artikel 303 van Boek 2, dan wel artikel 832 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, indien deze omzetting zou leiden tot het ontstaan van een belastingplicht in Curaçao.
  7. Een eenmaal op grond van het eerste en het tweede lid uitgebrachte keuze voor de behandeling als vennootschap, als bedoeld in de Landsverordening personenvennootschap, werkt met ingang van de datum van oprichting en voor wat betreft het lichaam, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, met ingang van het boekjaar, bedoeld in het vierde lid.
  8. Indien de transparante vennootschap niet meer aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid of artikel 3, tweede lid, voldoet, wordt deze vennootschap, met ingang van het boekjaar waarin niet langer voldaan wordt aan evengenoemd lid, niet meer behandeld als een vennootschap, als bedoeld in de Landsverordening personenvennootschap. Het is het lichaam in dat geval niet toegestaan nogmaals een verzoek als bedoeld in het eerste lid in te dienen.
  9. Indien een lichaam schriftelijk aan de Inspecteur verzoekt om niet langer overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel c, als een vennootschap, als bedoeld in de Landsverordening personenvennootschap, te worden behandeld, vangt de belastingplicht van dit lichaam aan met ingang van het boekjaar volgend op het boekjaar waarin het verzoek is gedaan.

Artikel 3c

De artikelen 1, 3 en 5 van de Algemene termijnenlandsverordening zijn van overeenkomstige toepassing op de termijnen genoemd in de belastingverordening.

Artikel 4

  1. Waar iemand woont of een lichaam is gevestigd, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
  2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen welke in Curaçao hun thuishaven hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Curaçao beschouwd.
  3. Een trust wordt geacht zijn woonplaats in Curaçao te hebben, indien de trust:
    a. volgens het recht van Curaçao is ingesteld;
    b. in Curaçao is gevestigd; of
    c. ingevolge de trustakte slechts één trustee heeft en deze in Curaçao woont of aldaar gevestigd is.
    Of een naar buitenlands recht ingestelde trust is gevestigd in Curaçao wordt, indien het voorgaande niet van toepassing is, naar de omstandigheden beoordeeld.
  4. Iedere belastingplichtige is verplicht de Inspecteur de gegevens omtrent diens woon- of vestigingsplaats schriftelijk te verstrekken. Bij wijziging van die plaats worden de gegevens binnen een maand na de wijziging verstrekt. Bij het niet nakomen van deze verplichting kan de belastingplichtige zich niet beroepen op een onjuiste bekendmaking van belastingaanslagen, beschikkingen dan wel andere schriftelijke stukken van de functionarissen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a, b, c en d.

 

Artikel 5

  1. De vaststelling van een belastingaanslag geschiedt door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de Inspecteur. De dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag. De Inspecteur stelt het aanslagbiljet ter invordering van de daaruit blijkende belastingaanslag aan de Ontvanger ter hand.
  2. De Inspecteur vermeldt op het aanslagbiljet in ieder geval:
    a. de mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift en de termijn waarbinnen dat moet geschieden;
    b. de termijn of termijnen waarbinnen de verschuldigde belasting moet worden betaald;
    c. de dagen en uren waarop het ontvangkantoor is geopend.
  3. De belastingplichtige is verplicht de belastingaanslag binnen twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet te betalen voor zover de heffingsverordening niet anders bepaalt.
  4. In afwijking van het tweede lid is een voorlopige aanslag, gedagtekend vóór 1 november van het belastingjaar waarop deze betrekking heeft, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar overblijven. Op de laatste dag van elk van die maanden vervalt een termijn.
  5. In afwijking van het tweede lid is de naheffingsaanslag invorderbaar een maand na dagtekening van het aanslagbiljet.

Artikel 5a

(nog niet in werking getreden)

HOOFDSTUK II
Heffing van belasting

Afdeling 1
De aangifte

Artikel 6

  1. De Inspecteur kan eenieder die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is uitnodigen tot het doen van aangifte.
  2. Eenieder die daartoe een verzoek doet, wordt in ieder geval uitgenodigd tot het doen van aangifte.
  3. In de uitnodiging tot het doen van aangifte wordt de wijze aangegeven waarop aangifte wordt gedaan, wordt opgave verlangd van gegevens en kan overlegging of toezending worden gevraagd van gegevensdragers, waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn.
  4. Eenieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden de aangifte te doen door in de aangifte gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, te ondertekenen en in te dienen.
  5. Bij ministeriële regeling met algemene werking wordt het model van de aangiftebiljetten vastgesteld.
  6. Bij ministeriële regeling met algemene werking wordt bepaald voor welke belastingen en onder welke voorwaarden het doen van aangifte en het toezenden van gegevensdragers langs elektronische weg zal geschieden.
  7. Bij het indienen van een aangifte langs elektronische weg wordt door de Inspecteur terstond een ontvangstbewijs afgegeven.
  8. De Inspecteur draagt er zorg voor dat een elektronische aangifte voldoet aan de maximale betrouwbaarheids- en vertrouwelijkheidseisen, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat de langs elektronische weg verstuurde gegevens worden gecodeerd middels encryptie.
  9. Bij ministeriële regeling, met algemene werking kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere regels worden gesteld.

Artikel 7

  1. Met betrekking tot belastingen welke bij wege van aanslag worden geheven, moet de aangifte binnen een door de Inspecteur gestelde termijn van ten minste twee maanden na het uitnodigen tot het doen van aangifte bij de Inspecteur worden ingeleverd.
  2. De Inspecteur maant, na verloop van de in het eerste lid bedoelde termijn, de belastingplichtige aan binnen een door hem te stellen termijn van ten minste vijf werkdagen aangifte te doen, tenzij uitstel voor het doen van aangifte overeenkomstig artikel 9 is verleend.
  3. Bij de inlevering van de aangifte wordt op verzoek een ontvangstbewijs afgegeven.
  4. De belastingplichtige die niet binnen zes maanden na het ontstaan van de belastingschuld is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden binnen vijftien dagen na afloop van deze termijn de Inspecteur om een uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
  5. Het vierde lid is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat over dat tijdvak, na verrekening van voorheffingen, geen belasting verschuldigd is of geen aanslag zal worden opgelegd.
  6. Een belastingschuld waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, wordt geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak of de belastingplicht eindigt.

Artikel 8

  1. Met betrekking tot belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, moet de aangifte worden gedaan bij de Inspecteur of de Ontvanger.
  2. Heeft de aangifte betrekking op een tijdvak, dan wordt zij gedaan binnen een termijn van vijftien dagen na het einde van dat tijdvak. Heeft de aangifte betrekking op een tijdstip, dan wordt zij gedaan binnen een termijn van vijftien dagen na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
  3. Het tijdvak waarover voor de loonbelasting en de omzetbelasting aangifte moet worden gedaan is de kalendermaand.
  4. De Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen met betrekking tot het doen van aangifte over een afwijkend tijdvak.
  5. De belastingplichtige dan wel inhoudingsplichtige die niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting moet worden betaald de Inspecteur om een uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
  6. De Directeur kan bepalen onder welke voorwaarden de aangifte anders dan bij de Inspecteur of de Ontvanger kan worden gedaan.

Artikel 9

  1. De Inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden uitstel verlenen voor het indienen van de aangifte en kan daarbij voorwaarden stellen. Uitstel wordt niet langer verleend dan tot achttien maanden na de datum waarop de belastingschuld is ontstaan.
  2. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt elke termijn die met de aangifte of het opleggen van een aanslag verband houdt met de duur van het verleende uitstel verlengd.
  3. In afwijking van hetgeen in deze landsverordening is bepaald, is de belastingplichtige en de inhoudingsplichtige die Curaçao metterwoon wenst te verlaten dan wel zijn plaats van vestiging wenst over te brengen naar een buiten Curaçao gelegen plaats, verplicht terstond aangifte te doen voor de inkomstenbelasting, de winstbelasting, de loonbelasting en de omzetbelasting, tot het einde van de belastingplicht.

Afdeling 2
Heffing bij wege van aanslag

Artikel 10

  1. De Inspecteur kan bij het vaststellen van de aanslag van de aangifte gemotiveerd afwijken, alsmede bij het ontbreken van de aangifte de aanslag ambtshalve vaststellen.
  2. De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van vijf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

Artikel 11

  1. De Inspecteur kan, ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, na aanvang van het belastingtijdvak aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag opleggen tot het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld.
  2. De voorlopige aanslag blijft beperkt tot het bedrag waarmee de aanslag vermoedelijk de voorheffingen te boven zal gaan.
  3. Een voorlopige aanslag kan worden gevolgd door één of meer voorlopige aanslagen.
  4. De voorlopige aanslag en de voorheffingen worden verrekend met de aanslag.
  5. Een voorlopige aanslag kan de Inspecteur ook opleggen aan niet binnen Curaçao wonende of gevestigde belastingplichtigen, die slechts tijdelijk binnen Curaçao een bedrijf of beroep uitoefenen.
  6. Een voorlopige aanslag kan direct na het ontstaan van de belastingschuld of, bij tijdvakbelastingen, direct na aanvang van het tijdvak, altijd worden opgelegd tot het bedrag dat de Inspecteur juist voorkomt indien:
    a. de belastingplichtige in staat van faillissement is verklaard of, indien sprake is van een lichaam, in geval van ontbinding, beëindiging of vereffening ervan;
    b. de belastingplichtige Curaçao metterwoon wil verlaten dan wel zijn plaats van vestiging wil overbrengen naar een plaats buiten Curaçao;
    c. het bedrijf van de belastingplichtige wordt gestaakt of aanmerkelijk wordt ingekrompen, of de belastingplichtige binnen Curaçao gelegen onroerende goederen of daarop gevestigde rechten vervreemdt.
  7. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen ten aanzien van het eerste lid nadere regels worden vastgesteld.

Artikel 12

De Inspecteur neemt het besluit om aan hem die aangifte heeft gedaan, geen aanslag op te leggen, bij met redenen omklede voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 13

  1. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingverordening voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de Inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.
  2. Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat:
    a. een voorlopige aanslag, of een voorheffing ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend;
    b. een bij de belastingplichtige in aanmerking te nemen bestanddeel van het voorwerp van enige belasting ten onrechte in aanmerking is genomen bij hem of bij zijn echtgenoot;
    c. de basiskorting en de daarop van toepassing zijnde alleenverdienerstoeslag, ouderentoeslag en kindertoeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
  3. De bevoegdheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag als bedoeld in het eerste en tweede lid vervalt door verloop van tien respectievelijk vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld.
  4. Indien te weinig belasting is geheven over het bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, vervalt, in afwijking van het derde lid, de bevoegdheid tot navorderen door verloop van vijftien jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

Afdeling 3
Heffing bij wege van afdracht en voldoening op aangifte

Artikel 14

  1. In geval de belastingverordening voldoening van in een tijdvak verschuldigde belasting dan wel afdracht van in een tijdvak ingehouden belasting voorschrijft, is de belastingplichtige dan wel de inhoudingsplichtige gehouden binnen vijftien dagen na afloop van dat tijdvak de belasting overeenkomstig de aangifte te betalen bij de Ontvanger.
  2. Het tijdvak waarover de loonbelasting en de omzetbelasting moet worden betaald is de kalendermaand.
  3. De Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen met betrekking tot het betalen van de belasting over een afwijkend tijdvak.
  4. In geval over een belastingtijdvak geen belasting is verschuldigd, moet aangifte worden gedaan binnen vijftien dagen na het einde van dat tijdvak.
  5. De Inspecteur kan van de belastingplichtige dan wel inhoudingsplichtige die belasting over een tijdvak van langer dan een maand moet voldoen respectievelijk afdragen, vorderen dat hij binnen vijftien dagen na het einde van elke maand een voorlopige betaling doet.
  6. In de niet in het eerste lid bedoelde gevallen moet de aangifte worden gedaan en de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen vijftien dagen na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

Artikel 15

  1. Voor de belastingplichtigen in de winstbelasting zijn in afwijking van de bepalingen van de artikelen 8 en 14, de bepalingen van dit artikel van toepassing.
  2. De belastingplichtige is gehouden uiterlijk op de laatste dag van de derde maand na afloop van het boekjaar over dat jaar voorlopige aangifte te doen en de belasting overeenkomstig die aangifte te betalen bij de Ontvanger. Uitstel voor het indienen van een voorlopige aangifte is niet mogelijk.
  3. De op de voorlopige aangifte als verschuldigd aan te geven belasting dient ten minste gelijk te zijn aan het voor het jaar waarvoor de voorlopige aangifte wordt gedaan geldende belastingtarief toegepast op de winst volgens de meest recente definitieve aangifte. Indien de belastingplichtige een lager bedrag wenst aan te geven, kan hij daartoe een gemotiveerd verzoek indienen bij de Inspecteur.
  4. De belastingplichtige is gehouden uiterlijk op de laatste dag van de zesde maand na afloop van het boekjaar over dat jaar definitieve aangifte te doen en de belasting overeenkomstig die aangifte te betalen bij de Ontvanger.
  5. De Inspecteur neemt een schriftelijk gemotiveerde beslissing binnen vijftien dagen na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het derde lid. Als datum van de beslissing geldt de datum waarop het afschrift ter post wordt bezorgd. Indien de Inspecteur niet binnen vijftien dagen schriftelijk afwijzend heeft beslist, wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd.
  6. De Inspecteur neemt een schriftelijk gemotiveerde beslissing binnen vijftien dagen na ontvangst van een verzoek om uitstel voor het doen van de definitieve aangifte. Indien een beslissing wordt genomen, geldt als datum van de beslissing de datum waarop het afschrift ter post wordt bezorgd. Indien de Inspecteur niet binnen vijftien dagen afwijzend heeft beslist, wordt de termijn van indiening van de definitieve aangifte verlengd met drie maanden.
  7. Artikel 11, derde, vierde en zesde lid, is van overeenkomstig toepassing.
  8. Indien bij de definitieve aangifte de berekening van de verschuldigde belasting resulteert in een door de belastingplichtige terug te ontvangen bedrag, legt de Inspecteur binnen zes maanden na indiening van de definitieve aangifte een aanslag op.
  9. Indien de Inspecteur de in het achtste lid bedoelde aanslag niet oplegt binnen zes maanden na de datum van indiening van de definitieve aangifte, wordt hiervan aan de belastingplichtige schriftelijk en gemotiveerd mededeling gedaan.

Artikel 16

  1. De Inspecteur kan, indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen niet of niet volledig is betaald, de niet of te weinig betaalde belasting naheffen door middel van een naheffingsaanslag ten name van degene die de belasting had behoren te betalen. Indien tevens geen aangifte is gedaan, stelt de Inspecteur de aanslag ambtshalve vast.
  2. Met niet volledig betaald zijn als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een ingevolge de belastingverordening gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend.
  3. De inhoudingsplichtige is gerechtigd het bedrag van de nageheven belasting te verhalen op zijn werknemer ingeval het aan de werknemer te wijten is dat er te weinig belasting is ingehouden.

Artikel 17

  1. De bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend.
  2. Indien de belastingplichtige of inhoudingsplichtige ter zake van de in artikel 16 genoemde feiten te kwader trouw is vervalt in afwijking van het eerste lid de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag door verloop van tien jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend.

HOOFDSTUK III
Administratieve boeten en sancties

Afdeling 1
Verzuim- en vergrijpboeten

Artikel 18

  1. Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 7, tweede lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete van ten hoogste Cg 2.500 kan opleggen.
  2. Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de aangifte voor een belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur hem gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete van ten hoogste Cg 2.500 kan opleggen.
  3. De bevoegdheid tot het opleggen van de in het tweede lid bedoelde boete vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte had moeten worden gedaan.

Artikel 19

  1. Indien de belastingplichtige of inhoudingsplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur hem een boete van ten hoogste Cg 10.000 kan opleggen.
  2. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de Inspecteur de boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.
  3. De bevoegdheid tot het opleggen van de in het eerste lid bedoelde boete vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.

Artikel 20

  1. Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag te laag is vastgesteld dan wel anderszins te weinig belasting is geheven, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de Inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.
  2. De grondslag voor de boete is:
    a. het bedrag van de navorderingsaanslag; dan wel
    b. indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het bedrag waarop de navorderingsaanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen.
  3. De bevoegdheid voor het opleggen van de boete vervalt door het verloop van de termijn die geldt voor het opleggen van de navorderingsaanslag.

Artikel 21

  1. Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingverordening gestelde termijn is betaald, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de Inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede en derde lid omschreven grondslag voor de boete.
  2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald.
  3. De grondslag voor de boete voor een naheffingsaanslag winstbelasting is:
    a. het bedrag van de naheffingsaanslag; dan wel
    b. indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het bedrag waarop de naheffingsaanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen.
  4. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de Inspecteur de boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.
  5. De bevoegdheid voor het opleggen van de boete vervalt door het verloop van de termijn die geldt voor het opleggen van de naheffingsaanslag.

Artikel 21a

  1. Indien de administratieplichtige niet, niet tijdig of niet volledig de opgave, bedoeld in artikel 45, tweede en derde lid, verstrekt, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur hem een boete van ten hoogste Cg 5.000 kan opleggen.
  2. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de opgave, bedoeld in artikel 45, tweede en derde lid, had moeten worden verstrekt.

Artikel 21b

Indien de rapporterende entiteit een verplichting als bedoeld in artikel 43, eerste tot en met vierde lid van de Landsverordening op de winstbelasting 1940, wegens opzet of grove schuld, niet, niet tijdig, niet volledig of niet juist nakomt, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de Inspecteur de rapporterende entiteit, onderscheidenlijk de groepsentiteit, bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940, een boete kan opleggen van Cg 100.000 en ten hoogste Cg 250.000.

Artikel 21c

Indien een lichaam dat voordelen verkrijgt anders dan voordelen uit binnenlandse onderneming als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 in enig jaar de verplichting als bedoeld in artikel 1C, tweede lid, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 wegens opzet of grove schuld niet nakomt, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de Inspecteur het lichaam onderscheidenlijk het concern, een boete kan opleggen van Cg 50.000 en ten hoogste Cg 500.000.

Afdeling 2
Voorschriften inzake het opleggen van administratieve boeten

Artikel 22

  1. Alvorens een vergrijpboete op te leggen, stelt de Inspecteur de belastingplichtige of inhoudingsplichtige in kennis van zijn voornemen daartoe, onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
  2. De Inspecteur stelt de belastingplichtige of inhoudingsplichtige in de gelegenheid binnen een door hem daarvoor te stellen termijn van ten minste twee weken de in die kennisgeving vermelde gronden gemotiveerd te betwisten.
  3. Indien niet is voldaan aan het bepaalde in het eerste of tweede lid, heeft dat niet de nietigheid van de boete tot gevolg.

Artikel 23

  1. De Inspecteur legt de boete op bij voor bezwaar vatbare beschikking.
  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 22, eerste en tweede lid, stelt de Inspecteur de belastingplichtige of inhoudingsplichtige, uiterlijk bij de in het eerste lid bedoelde beschikking, in kennis van de gronden waarop de oplegging van de boete berust.
  3. De Inspecteur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderings- of naheffingsaanslag een boete opleggen indien de feiten of omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd of nageheven eerst bekend worden binnen zes maanden vóór de afloop van de in artikel 13, derde lid, respectievelijke artikel 17, bedoelde termijnen en er tevens aanwijzingen zijn dat het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld dan wel anderszins te weinig belasting is geheven. In dat geval doet de Inspecteur vóór of gelijktijdig met de vaststelling van de navorderings- dan wel naheffingsaanslag mededeling aan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige dat wordt onderzocht of in verband met de navordering of naheffing het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.
  4. Op verzoek van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige die de kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de Inspecteur er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
  5. Indien de boete gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van een belastingaanslag, wordt het bedrag van de boete afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld.
  6. De boete wordt ingevorderd overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de invordering van de belasting ter zake waarvan de boete is opgelegd.

Artikel 24

Hoofdstuk VI is van overeenkomstige toepassing bij het opleggen van administratieve boeten, met dien verstande dat de belastingplichtige of inhoudingsplichtige tegen wie het onderzoek naar de oplegging van een administratieve boete is gericht slechts gehouden is toe te laten dat de Inspecteur gegevensdragers of de inhoud daarvan raadpleegt dan wel toegang te verlenen tot gebouwen of gronden.

Artikel 25

  1. De Inspecteur kan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige ten aanzien van wie de redelijke verwachting bestaat dat hem een vergrijpboete kan worden opgelegd, oproepen voor een verhoor. In deze oproep deelt de Inspecteur hem mee dat hij zich desgewenst kan doen bijstaan.
  2. Voordat het verhoor aanvangt, deelt de Inspecteur de belastingplichtige of inhoudingsplichtige mee dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
  3. De Inspecteur kan op verzoek van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige die het Nederlands, Papiaments of Engels onvoldoende begrijpt, toestaan dat deze zich tijdens het verhoor door een tolk laat bijstaan.

Artikel 26

Ingeval een belastingplichtige of inhoudingsplichtige alsnog een juiste en volledige aangifte doet dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de Inspecteur de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, wordt in plaats van een vergrijpboete een verzuimboete opgelegd van ten hoogste 15%.

Artikel 27

  1. Een opgelegde boete vervalt indien de belastingplichtige of inhoudingsplichtige wegens het vergrijp op grond waarvan de boete verschuldigd is, bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vrijgesproken, ontslagen van rechtsvervolging of veroordeeld.
  2. De Inspecteur legt een in deze afdeling bedoelde vergrijpboete niet op voor zover het niet aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige is te wijten dat te weinig belasting is geheven.
  3. Ingeval na het opleggen van een vergrijpboete blijkt dat de grondslag daarvoor ontbreekt maar wel een grondslag aanwezig is voor een verzuimboete, kan deze lagere boete daarvoor in de plaats worden gesteld. De reeds opgelegde boete wordt dan verminderd tot het bedrag van de verzuimboete.
  4. Indien de grondslag voor een boete wordt verminderd, vermindert de Inspecteur de boete ambtshalve dienovereenkomstig.

Artikel 28

  1. Geen boete wordt opgelegd aan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige die is overleden.
  2. Indien een boete op het tijdstip van het overlijden van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet onherroepelijk vaststaat, vernietigt de Inspecteur de beschikking waarbij de boete is opgelegd op verzoek van een belanghebbende bij voor bezwaar vatbare beschikking.
  3. Indien een boete op het tijdstip van het overlijden van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige onherroepelijk vaststaat, maar nog niet of niet volledig is betaald verlaagt de Inspecteur op verzoek van een belanghebbende de boete tot het op dat tijdstip betaalde bedrag bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Afdeling 3
Administratieve sancties

Artikel 28a

  1. Een administratieve sanctie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan worden opgelegd aan een belastingplichtige die niet, dan wel niet op de voorgeschreven wijze, voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit Hoofdstuk VI. Een administratieve sanctie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan worden opgelegd aan een administratieplichtige bedoeld in artikel 44a die niet, dan wel niet op de voorgeschreven wijze, voldoet aan de verplichtingen van artikel 43, tweede tot en met negende lid, of artikel 44a, eerste tot en met zesde lid, dan wel niet voldoet aan het gestelde bij of krachtens artikel 43, tiende lid, of bij of krachtens artikel 44a, achtste lid.
  2. De administratieve sanctie bestaat uit:
    a. een administratieve boete van ten hoogste Cg 25.000; of
    b. de sluiting voor maximaal één jaar van een bedrijfslocatie van waaruit goederen worden geleverd of diensten worden verricht, als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van Landsverordening omzetbelasting 1999.
  3. De Inspecteur is ter uitvoering van het bepaalde in het tweede lid bevoegd tot het verzegelen van gebouwen, gronden en al hetgeen zich daarin of daarop bevindt.
  4. De Inspecteur legt de administratieve sanctie op bij een voor bezwaar vatbare beschikking, in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak.
  5. Een tegen de in dit artikel bedoelde administratieve sanctie ingesteld bezwaar of beroep, leidt niet tot opschorting van de administratieve sanctie.
  6. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen ten aanzien van de toepassing en uitvoering van de administratieve sanctie, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, nadere regels worden gesteld.

HOOFDSTUK IV
Bezwaar en beroep

Artikel 29

  1. Degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag of tegen een ingevolge de belastingverordening door de Inspecteur genomen voor bezwaar vatbare beschikking, kan binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet of van het ter post bezorgde of uitgereikte afschrift van de beschikking een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Inspecteur. De Inspecteur tekent onverwijld de datum van ontvangst aan op het bezwaarschrift. De Inspecteur zendt de aanvrager onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.
  2. Degene die bezwaar heeft tegen het bedrag dat als belasting door hem op aangifte is voldaan of dat als belasting door een inhoudingsplichtige van hem is ingehouden, kan binnen twee maanden na de betaling respectievelijk de inhouding een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Inspecteur.
  3. Indien een bezwaarschrift meer dan één belastingaanslag of beschikking inzake boete betreft, stelt de Inspecteur de belanghebbende binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid het geschrift te vervangen door zoveel bezwaarschriften als het belastingaanslagen of beschikkingen betreft. Maakt de belanghebbende van deze gelegenheid gebruik, dan worden de nieuwe bezwaarschriften geacht op dezelfde dag als het oorspronkelijke geschrift door de Inspecteur te zijn ontvangen.
  4. Voor de toepassing van het tweede lid wordt de belasting, bedoeld in de Landsverordening op de dividendbelasting 2000 , geacht te zijn ingehouden op de dag waarop de nota, bedoeld in artikel 9 van genoemde landsverordening, is gedagtekend.
  5. Met een voor bezwaar vatbare beschikking wordt gelijk gesteld het weigeren een besluit te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit. De bezwaartermijn in de vorige volzin bedoelde gevallen vangt aan zodra de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken, dan wel, indien geen wettelijke termijn is gegeven, twee maanden na de datum van indiening van het verzoek.

Artikel 30

  1. De Inspecteur doet uitspraak op het bezwaarschrift.
  2. Met een uitspraak wordt gelijkgesteld het weigeren dan wel niet tijdig doen van de uitspraak. Een uitspraak wordt geacht niet tijdig te zijn gedaan indien de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift een uitspraak heeft gedaan.
  3. Indien de Inspecteur niet in de gelegenheid is om binnen de in het tweede lid bedoelde termijn uitspraak op het bezwaar te doen, stelt hij de belanghebbende hiervan schriftelijk in kennis, onder mededeling van de reden waarom nog geen uitspraak kan worden gedaan. De termijn van het tweede lid wordt in de door de Minister te bepalen gevallen met dit uitstel verlengd. De Inspecteur is gehouden om, zodra dat in redelijkheid van hem verwacht kan worden, uitspraak te doen.
  4. Indien de belanghebbende in zijn bezwaarschrift het verlangen daartoe te kennen geeft, wordt hij vóór de uitspraak door de Inspecteur gehoord. Hij kan ook ambtshalve worden opgeroepen tot het verstrekken van inlichtingen of om de overwegingen te vernemen die bij de vaststelling van de aanslag hebben gegolden. Alle oproepingen worden gedaan op een termijn van ten minste zeven dagen.
  5. Indien niet of niet volledig aan het bezwaar wordt tegemoet gekomen, wordt de uitspraak gemotiveerd.
  6. Indien het bezwaar is gericht tegen een belastingaanslag met betrekking tot welke ten onrechte geen aangifte is gedaan, de vereiste aangifte niet is gedaan, of niet volledig is voldaan aan de verplichting ingevolge de artikelen 40, 40a, 41, 42 en 43 wordt de belastingaanslag gehandhaafd, tenzij gebleken is dat, en zo ja in hoeverre, deze onjuist is.

Artikel 31

  1. De belanghebbende die bezwaar heeft tegen een ingevolge deze landsverordening door de Inspecteur gedane uitspraak, kan binnen twee maanden na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak in beroep komen bij het Gerecht. De belanghebbende kan ook in het geval, bedoeld in artikel 30, tweede lid, in beroep komen binnen twaalf maanden:
    a. gerekend vanaf het tijdstip waarop negen maanden is verlopen na het tijdstip waarop het bezwaarschrift door de Inspecteur is ontvangen; dan wel
    b. gerekend vanaf het tijdstip waarop de verlenging van de termijn, bedoeld in artikel 30, derde lid, tweede volzin, is verlopen.
  2. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak door de Inspecteur, kan het Gerecht de Inspecteur verzoeken alsnog een uitspraak op het bezwaar te doen en het Gerecht bepaalt hierbij dat Hoofdstuk VI van overeenkomstige toepassing is gedurende een daarbij te bepalen termijn.
  3. Het Gerecht wijst het beroep af indien ten onrechte geen aangifte is gedaan, de vereiste aangifte niet is gedaan of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 40, 40a, 41, 42 en 43 tenzij gebleken is, dat, en zo ja in hoeverre, de uitspraak onjuist is.

Artikel 32

De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door de indiening van een bezwaar- of beroepschrift inzake een belastingaanslag.

Artikel 32a

  1. De kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden uitsluitend ten laste van ’s landskas vergoed, op verzoek van de belastingplichtige, voor zover de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd dan wel genomen.
  2. Het verzoek wordt gedaan voordat de Inspecteur uitspraak op het bezwaar heeft gedaan. De Inspecteur uitspraak op het verzoek gelijktijdig met de uitspraak op het bezwaar.
  3. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de kosten waarop de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend betrekking kan hebben en de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

HOOFDSTUK V
Bijzondere bepalingen

Afdeling 1
Vertegenwoordiging

Artikel 33

  1. Vertegenwoordiging is mogelijk op grond van schriftelijke volmacht. Op vordering van de Inspecteur dient het stuk waaruit van de volmacht blijkt, te worden overgelegd.
  2. Degene die, opgeroepen om mondeling aan de Inspecteur inlichtingen en gegevens te verstrekken, en zich doet vertegenwoordigen, is gehouden op vordering van de Inspecteur zijn vertegenwoordiger te vergezellen.
  3. De Inspecteur kan de vertegenwoordiging door een bepaalde persoon gemotiveerd weigeren, bij een met redenen omklede voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 34

  1. De bevoegdheden en de verplichtingen van een minderjarige, een onder curatele gestelde of iemand die in staat van faillissement is verklaard, of wiens vermogen onder bewind is gesteld, kunnen worden uitgeoefend en nagekomen door hun wettelijke vertegenwoordiger, curator of bewindvoerder. Desgevorderd zijn laatstgenoemden tot nakoming van die verplichtingen gehouden.
  2. De bevoegdheden van een lichaam kunnen worden uitgeoefend en zijn verplichtingen kunnen worden nagekomen door iedere bestuurder. Desgevorderd is ieder van hen tot nakoming van die verplichtingen gehouden.
  3. Indien iemand is overleden, kunnen de erfgenamen in het uitoefenen van de bevoegdheden en het nakomen van de verplichtingen welke de overledene zou hebben gehad, als hij in leven was gebleven, worden vertegenwoordigd door één hunner, de executeur, de door de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap of de bewindvoerder over de nalatenschap. Desgevorderd is ieder van de genoemde personen tot nakoming van die verplichtingen gehouden.
  4. Stukken betreffende belastingaangelegenheden van een overledene kunnen worden gericht aan één van de in het derde lid genoemde personen.

Artikel 35

De Inspecteur kan vertegenwoordiging uitsluiten in de nakoming van een verplichting van degene die zelf tot nakoming in staat is.

Artikel 36

De bepalingen van deze afdeling gelden niet met betrekking tot strafvordering.

Afdeling 2
Domiciliekeuze

Artikel 37

In bezwaar- en beroepschriften is degene die niet binnen Curaçao een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, verplicht domicilie te kiezen binnen Curaçao.

Artikel 38

Ingeval ingevolge de belastingverordening een aangiftebiljet of ander stuk moet worden uitgereikt aan degene die niet binnen Curaçao een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan die uitreiking ook geschieden:
a. middels bezorging of afgifte bij de binnen Curaçao gelegen vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep;
b. aan de woning of het kantoor van zijn binnen Curaçao wonende of gevestigde vertegenwoordiger.

Afdeling 3
Toekenning van bevoegdheden

Artikel 39

  1. De Minister is bevoegd:
    a. bij ministeriële regeling met algemene werking nadere regels ter uitvoering van de belastingverordening vast te stellen, tenzij bij de in artikel 1, eerste lid, genoemde landsverordeningen anders is bepaald;
    b. voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van de belastingverordening mochten voordoen;
    c. regels te geven voor het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van opgelegde boeten.
  2. De Inspecteur is belast met de uitvoering van de beslissing van de Minister.
  3. Ministeriële regelingen met algemene werking als bedoeld in het eerste lid worden gepubliceerd. Overige beslissingen van de Minister, waaronder richtlijnen en instructies aan de functionarissen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, c en d, worden gepubliceerd, voor zover het de uitvoering van de belastingverordening betreft.

Artikel 39a

  1. Een onjuiste belastingaanslag of beschikking kan door de Inspecteur ambtshalve worden verminderd binnen tien jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Een in de belastingverordening voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf kan door hem ambtshalve worden verleend.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die een onjuist bedrag op aangifte heeft voldaan of afgedragen, of van wie een onjuist bedrag is ingehouden.

HOOFDSTUK VI
Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Artikel 40

  1. Een ieder is gehouden aan de Inspecteur op diens verzoek:
    a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing ten aanzien van hem van belang kunnen zijn;
    b. de gegevensdragers of de inhoud daarvan, – zulks naar keuze van de Inspecteur – waarvan de inzage van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten die op de belastingheffing ten aanzien van hem invloed kunnen uitoefenen, voor dit doel beschikbaar te stellen.
  2. De in het eerste lid genoemde verplichtingen gelden eveneens voor de transparante vennootschap ten aanzien van de belastingheffing van de deelgerechtigden tot haar vermogen.
  3. De in het eerste lid, onderdeel b, genoemde verplichting geldt eveneens voor de derde bij wie de gegevensdragers zich bevinden. De Inspecteur stelt degene wiens gegevensdragers bij de derde worden ingezien zo spoedig mogelijk van de inzage in kennis.
  4. Ingeval de belastingverordening aangelegenheden van een derde aanmerkt als aangelegenheden van de vermoedelijk belastingplichtige, gelden voor de derde gelijke verplichtingen.
  5. Een ieder is verplicht op vordering van de Inspecteur terstond een op hem betrekking hebbend geldig paspoort, rijbewijs, dan wel een geldige identiteitskaart aan te bieden, indien dit van belang kan zijn voor de belastingheffing te zijnen aanzien.

Artikel 40a

  1. Met betrekking tot een lichaam met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal waarin een niet in Curaçao gevestigd lichaam of een niet in Curaçao wonende natuurlijke persoon een belang heeft van meer dan 50 procent en met betrekking tot een ander lichaam waarover dat niet binnen Curaçao gevestigde lichaam of die natuurlijke persoon de zeggenschap heeft, is artikel 40, eerste lid, van overeenkomstige toepassing ter zake van gegevens en inlichtingen, alsmede gegevensdragers die in het bezit zijn van dat niet binnen Curaçao gevestigde lichaam of die natuurlijke persoon. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing in gevallen waarin twee of meer lichamen of natuurlijke personen waarvan er ten minste één niet in Curaçao is gevestigd of woont, volgens een onderlinge regeling tot samenwerking een belang houden van meer dan 50 procent in een lichaam met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal dan wel de zeggenschap hebben in een ander lichaam. Ter zake van die gegevensdragers kan worden volstaan met het voor raadpleging beschikbaar stellen van de inhoud daarvan door middel van kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels.
  2. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde lichamen is artikel 40, eerste lid, eveneens van overeenkomstige toepassing ter zake van gegevens en inlichtingen alsmede gegevensdragers die in het bezit zijn van een niet in Curaçao gevestigd lichaam met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal waarin een in het eerste lid bedoeld niet in Curaçao gevestigd lichaam of wonend natuurlijk persoon een belang heeft van meer dan 50 procent of die in het bezit zijn van een ander niet in Curaçao gevestigd lichaam waarover dat niet in Curaçao gevestigde lichaam of die natuurlijke persoon zeggenschap heeft. Ter zake van die gegevensdragers kan worden volstaan met het voor raadpleging beschikbaar stellen van de inhoud daarvan door middel van kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels.
  3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien het in die leden bedoelde niet in Curaçao gevestigde lichaam of de in die leden bedoelde natuurlijke persoon is gevestigd onderscheidenlijk woont in een staat waarmee in de relatie met Curaçao een wederkerige regeling bestaat die voorziet in inlichtingenuitwisseling met betrekking tot de belasting voor de heffing waarvan de Inspecteur de gegevens, inlichtingen of gegevensdragers nodig heeft.
  4. In afwijking van het derde lid kan de Minister de Inspecteur toestaan het eerste en het tweede lid alsnog toe te passen indien is gebleken dat bij toepassing van het derde lid de gevraagde inlichtingen niet kunnen worden verkregen.
  5. Voor een weigering om te voldoen aan de in dit artikel omschreven verplichtingen kan een lichaam zich niet met vrucht beroepen op een gebrek aan medewerking van het niet in Curaçao gevestigde lichaam of de niet in Curaçao wonende natuurlijke persoon.

Artikel 41

  1. De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze, ‒ zulks naar keuze van de Inspecteur ‒, en binnen een door de Inspecteur te stellen termijn. De gevraagde gegevens en inlichtingen dienen kosteloos te worden verstrekt.
  2. Toegelaten moet worden dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor de raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan. Indien het maken van kopieën of leesbare afdrukken niet ter plaatse kan geschieden, is de Inspecteur bevoegd de gegevensdragers voor dat doel voor korte tijd mee te nemen.
  3. Inzage in gegevensdragers dient te worden verleend op het kantoor van de Inspecteur binnen een door hem te stellen termijn. De Inspecteur kan akkoord gaan met inzage op een andere plaats, voor zover dat de voortgang van het onderzoek niet belemmert.

Artikel 42

  1. Degene die een gebouw of grond in gebruik heeft, is verplicht ten behoeve van een ingevolge de belastingverordening te verrichten onderzoek de Inspecteur en de door deze aangewezen deskundigen desgevraagd toegang te verlenen tot alle gedeelten van dat gebouw of van die grond.
  2. De gevraagde toegang wordt verleend, tussen acht uur ‘s-ochtends en zes uur ‘s-avonds, met uitzondering van zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen.
  3. Indien het gebouw of de grond wordt gebruikt voor het uitoefenen van een bedrijf of een zelfstandig beroep wordt de gevraagde toegang mede verleend tijdens de uren waarin het gebruik voor de uitoefening van dat bedrijf of zelfstandig beroep daadwerkelijk plaatsvindt.
  4. De gebruiker van het gebouw of de grond is verplicht desgevorderd aanwijzingen te geven die voor het onderzoek nodig zijn.
  5. De tot de toegang bevoegde personen treden een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner niet binnen dan met inachtneming van het bepaalde in het zesde lid.
  6. Op het binnentreden in woningen is Titel X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156, tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, laatste zinsnede, en 160, eerste lid, en met dien verstande dat de machtiging wordt verleend door de procureur generaal, de officier van justitie dan wel een hulpofficier van justitie.

Artikel 43

  1. Administratieplichtigen zijn:
    a. natuurlijke personen die een bedrijf of beroep uitoefenen;
    b. natuurlijke personen die inhoudingsplichtig zijn;
    c. lichamen;
    d. ingeval van ontbinding van een administratieplichtige degene die met de vereffening belast is of de bewaarder die daartoe door de rechter op verzoek van de vereffenaar is aangewezen.
  2. Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf of beroep naar de eisen van dat bedrijf of beroep op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van de belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.
  3. De administratie behoort te worden gevoerd in het Nederlands, Papiaments, Engels of Spaans, met gebruikmaking van de daarbij gebruikelijke cijfers.
  4. Tot de administratie behoort hetgeen ingevolge de belastingverordening wordt vastgelegd.
  5. De inrichting, het bijhouden en bewaren van de administratie dient controle daarvan door de Inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk te maken. De administratieplichtige verleent de hiervoor benodigde medewerking en verschaft het nodige inzicht in de opzet en de werking van de administratie.
  6. Administratieplichtigen zijn verplicht hun administratie en de daartoe behorende gegevensdragers gedurende tien jaar te bewaren.
  7. De administratieplichtige die de gevorderde gegevensdragers of de inhoud daarvan, niet of slechts ten dele ter inzage verstrekt, wordt geacht niet volledig te hebben voldaan aan een op grond van dit artikel opgelegde verplichting tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de afwezigheid of onvolledigheid van de gegevensdragers of de inhoud ervan het gevolg is van overmacht.
  8. Iedere administratieplichtige is gehouden bij de Inspecteur een Crib-nummer aan te vragen.
  9. De Inspecteur kent op verzoek van een belanghebbende aan deze een Crib-nummer toe, dan wel maakt aan de belanghebbende op diens verzoek een reeds toegekend Crib-nummer bekend. De belanghebbende is ter vaststelling van zijn identiteit gehouden een geldig paspoort, rijbewijs, dan wel een geldige identiteitskaart ter inzage te verstrekken.
  10. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen ten aanzien van administratieplichtigen of groepen van administratieplichtigen met betrekking tot de wijze van het voeren en bewaren van de administratie en de daartoe behorende gegevensdragers, nadere regels worden gesteld.
  11. Indien een lichaam, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een ander lichaam en tussen deze lichamen ter zake van hun onderlinge rechtsverhoudingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd, nemen die lichamen in hun administratie gegevens op waaruit blijkt:
    a. op welke wijze de bedoelde voorwaarden tot stand zijn gekomen; en
    b. waaruit kan worden opgemaakt dat er sprake is van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen.
  12. Het elfde lid is van overeenkomstige toepassing, indien een zelfde persoon, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van het ene en het andere lichaam.
  13. Een lichaam en de met haar verbonden lichamen als bedoeld in artikel 1A, eerste lid, onderdeel a, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940, die voordelen verkrijgen anders dan voordelen uit binnenlandse onderneming als bedoeld in artikel 4, vierde lid, Landsverordening op de winstbelasting 1940 dienen de administratie zodanig in te richten en de gegevens zodanig in de administratie vast te leggen dat, ter bepaling van de winst anders dan uit binnenlandse onderneming, de materiaalkosten, de binnenlandse en buitenlandse causale kosten en de niet-causale kosten kunnen worden vastgesteld.
  14. Administratieplichtigen, die een beroep doen op artikel 3b en waarvan de aandelen in dit lichaam niet middellijk of onmiddellijk worden gehouden door een of meer in Curaçao gevestigde lichamen of natuurlijk personen, of die voordelen verkrijgen anders dan voordelen uit binnenlandse onderneming als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940, zijn ten behoeve van ’s landskas jaarlijks een bedrag verschuldigd overeenkomstig bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nader vast te stellen tabel, tijdstip en regels.

Artikel 44

  1. De Administratieplichtige, bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdelen a en c, is gehouden ter zake van zijn leveringen van goederen en verrichtingen van diensten, als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Landsverordening omzetbelasting 1999, een factuur aan de afnemer uit te reiken.
  2. De factuur wordt uitgereikt binnen vijftien dagen na de maand waarin de levering of de dienst is verricht.
  3. Ingeval de administratieplichtige is overeengekomen dat de vergoeding voor de door hem te verrichte levering of dienst vooraf geheel of in gedeelten zal worden voldaan, dient ter zake van die betaling of deelbetalingen vóór het tijdstip van de opeisbaarheid daarvan telkens een overeenkomstig het vijfde lid opgemaakte factuur te worden uitgereikt.
  4. De administratieplichtige is verplicht een afschrift van de uitgereikte factuur op te maken en te bewaren.
  5. Op de factuur, bedoeld in het eerste lid, dienen op duidelijke en overzichtelijke wijze de volgende gegevens te worden vermeld:
    a. de datum waarop de factuur is uitgereikt;
    b. een doorlopend genummerd uniek factuurnummer;
    c. de naam of handelsnaam, het adres, het Crib-nummer en het door de Kamer van Koophandel toegekende registratienummer van de administratieplichtige die de levering of de dienst verricht;
    d. de naam of handelsnaam en het adres van de afnemer van de levering of de dienst;
    e. een duidelijke omschrijving van de geleverde goederen of van de verrichte diensten;
    f. de hoeveelheid van de geleverde goederen en de omvang van de verrichte diensten;
    g. de eenheidsprijs exclusief omzetbelasting;
    h. de datum waarop de goederen zijn geleverd of de dienst is voltooid of heeft plaatsgevonden, indien deze datum afwijkt van de datum waarop de factuur is uitgereikt;
    i. het toegepaste omzetbelastingtarief of, indien een vrijstelling van omzetbelasting van toepassing is dan wel de omzetbelasting van de afnemer wordt geheven, enige vermelding daarvan;
    j. de vergoeding, alsmede eventuele kortingen die niet in de eenheidsprijs zijn begrepen;
    k. het omzetbelastingbedrag dat ter zake van de leveringen of diensten verschuldigd is geworden;
    l. het totaal door de afnemer te betalen bedrag.
  6. Naast de in het vijfde lid vermelde gegevens dient op de aan de afnemer uitgereikte factuur de vermelding “ factuur” en op het afschrift als bedoeld in vierde lid de vermelding “kopie factuur” te worden vermeld.
  7. Op een factuur kunnen bedragen in willekeurig welke munteenheid voorkomen, mits het te betalen bedrag aan omzetbelasting is uitgedrukt in Caribische guldens. De toepasselijke wisselkoers wordt bepaald aan de hand van de laatste verkoopkoers, vastgesteld door de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt.
  8. Bij doorlopende prestaties mag op de factuur in plaats van de datum van de prestatie de periode worden vermeld waarop de factuur betrekking heeft. Deze periode mag niet langer zijn dan een kalenderjaar.
  9. Indien een factuur wijziging brengt aan een eerder uitgereikte factuur dient de factuur een verwijzing naar de eerder uitgereikte factuur te bevatten, waarbij ten minste de datum van uitreiking en het unieke factuurnummer van de eerder uitgereikte factuur worden vermeld.
  10. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen diensten en leveringen van goederen worden aangewezen ter zake waarvan onder voorwaarden geen facturen behoeven te worden uitgereikt.

Artikel 44a

  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 44:
    a. kunnen bij ministeriële regeling met algemene werking groepen administratieplichtigen worden aangewezen die verplicht zijn om ter zake van hun leveringen van goederen en verrichtingen van diensten, als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Landsverordening omzetbelasting 1999, een kassabon uit te reiken;
    b. kan de Inspecteur bij een voor bezwaar vatbare beschikking de administratieplichtige, die ontheven is van de verplichting om een kassabon uit te reiken en die de verplichtingen met betrekking tot diens kasadministratie niet volledig nakomt, alsnog verplichten een kassabon uit te reiken.
  2. Een kassabon dient op het tijdstip waarop de goederen worden geleverd of de dienst wordt verricht te worden uitgereikt.
  3. De administratieplichtige is verplicht een afschrift van de uitgereikte kassabon op te maken en te bewaren.
  4. Op de kassabon, bedoeld in het eerste lid, dienen op duidelijke en overzichtelijke wijze de volgende gegevens te worden vermeld:
    a. de datum en het tijdstip waarop de kassabon is uitgereikt;
    b. een door de Inspecteur toegekend uniek kassabonnummer;
    c. het kassa-identificatienummer;
    d. een door de Minister vastgesteld fiscaal logo;
    e. de naam of handelsnaam, het adres en het Crib-nummer van de administratieplichtige die de levering of de dienst verricht;
    f. een duidelijke omschrijving van de geleverde goederen of verrichte diensten;
    g. de hoeveelheid van de geleverde goederen of de omvang van de verrichte diensten;
    h. de eenheidsprijs inclusief omzetbelasting;
    i. het toegepaste omzetbelastingtarief of indien een vrijstelling van omzetbelasting van toepassing is, enige vermelding daarvan;
    j. het totaal door de afnemer te betalen bedrag, alsmede eventuele kortingen die niet in de eenheidsprijs zijn begrepen;
    k. het omzetbelastingbedrag dat ter zake van de leveringen of diensten verschuldigd is geworden.
  5. Naast de in het vierde lid vermelde gegevens dient op de aan de afnemer uitgereikte kassabon de vermelding “kassabon” en op het afschrift als bedoeld in het derde lid de vermelding “kopie kassabon” te worden vermeld.
  6. Op een kassabon mogen slechts bedragen in Caribische guldens worden vermeld. Het totaal door een afnemer te betalen bedrag mag daarnaast eveneens in Amerikaanse dollars worden vermeld.
  7. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen administratieplichtigen worden aangewezen die onder voorwaarden geen kassabon hoeven uit te reiken.
  8. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels ter uitvoering van deze bepaling worden gesteld.

Artikel 45

  1. Met betrekking tot administratieplichtigen als bedoeld in artikel 43, eerste lid, zijn de in de artikelen 40, 40a, 41, 42 en 43 omschreven verplichtingen van overeenkomstige toepassing ten behoeve van:
    a. de belastingheffing van derden;
    b. de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen.
  2. Administratieplichtigen zijn gehouden in de maand januari van elk jaar aan de Inspecteur een opgave te verstrekken betreffende derden, die in het afgelopen jaar bij of voor de administratieplichtige, anders dan in dienstbetrekking, werkzaamheden of diensten hebben verricht.
  3. Administratieplichtigen zijn gehouden in de maand januari van elk jaar aan de Inspecteur een opgave te verstrekken betreffende de personen die in het afgelopen jaar bij of voor de administratieplichtige in dienstbetrekking zijn geweest, met inbegrip van bestuurders, commissarissen en personen, die niet anders dan op provisiebasis werken.
  4. Transparante vennootschappen verstrekken binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar aan de Inspecteur:
    a. een opgave, betreffende derden die in het afgelopen boekjaar aandeelhouder van de transparante vennootschap zijn geweest, alsmede een verklaring dat op geen enkel moment toonderaandelen hebben uitgestaan;
    b. een begin- en eindbalans, alsmede een verlies- en winstrekening met betrekking tot het afgelopen boekjaar.
  5. De in het tweede en derde lid genoemde opgaaf moet worden gedaan op een formulier dat bij de Inspecteur verkrijgbaar is.
  6. De administratieplichtige, bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, is gehouden in zijn administratie vast te leggen wie de uiteindelijk gerechtigden tot zijn vermogen zijn. Als uiteindelijk gerechtigden worden aangemerkt:
    a. de natuurlijke persoon die onmiddellijk of middellijk voor 25 procent of meer eigenaar is van een lichaam of de natuurlijke persoon die onmiddellijk of middellijk voor 25 procent of meer van de stemrechten of een daarmee vergelijkbare uiteindelijke zeggenschap kan uitoefenen over het lichaam;
    b. indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, geen van de personen, bedoeld in onderdeel a, is achterhaald, of indien er enige twijfel bestaat of een persoon als bedoeld in onderdeel a, de uiteindelijke eigenaar is of uiteindelijke zeggenschap heeft, de natuurlijke persoon voor wiens rekening een transactie wordt verricht;
    c. indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, geen van de personen, bedoeld in onderdeel a en b, is achterhaald, of indien er enige twijfel bestaat of een persoon als bedoeld in onderdeel a en b, de uiteindelijke eigenaar is of uiteindelijke zeggenschap heeft, dan wel of het degene is voor wiens rekening de transactie wordt verricht, de natuurlijke persoon die behoort tot het hoger leidinggevend personeel, dat bindende beslissingen kan nemen. Indien er geen hoger leidinggevend personeel is, dat bindende beslissingen kan nemen, de natuurlijke personen die bestuurslid of directielid zijn.
  7. Als uiteindelijk gerechtigden worden in het geval van een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap of een andere vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal in elk geval de volgende categorieën van natuurlijke personen aangemerkt:
    a. natuurlijke personen, die de uiteindelijke eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over de vennootschap, via:
    het onmiddellijk of middellijk houden van 25 procent of meer van de aandelen of een daarmee vergelijkbaar belang, 25 procent of meer van de stemrechten of een daarmee vergelijkbare uiteindelijke zeggenschap kunnen uitoefenen of 25 procent of meer van het eigendomsbelang in die vennootschap houden met inbegrip van het houden van toonderaandelen of
andere middelen; of
    b. indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, geen van de personen, bedoeld in onderdeel a, is achterhaald, of indien er enige twijfel bestaat of een persoon als bedoeld in onderdeel a, de uiteindelijke eigenaar is of uiteindelijke zeggenschap heeft, dan wel de natuurlijke persoon is voor wiens rekening een transactie wordt verricht, de natuurlijke personen die behoren tot het hoger leidinggevend personeel dat bindende beslissingen kan nemen van de vennootschap. Indien er geen hoger leidinggevend personeel is, dat bindende beslissingen kan nemen, de natuurlijke personen die bestuurslid of directielid zin.
    Dit lid is van overeenkomstige toepassing op andere juridische entiteiten vergelijkbaar met naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen, andere vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal of vennootschappen naar buitenlands recht opgericht die met deze rechtsvormen vergelijkbaar zijn.
  8. Als uiteindelijk gerechtigden worden in het geval van een vennootschap, bedoeld in titel 13 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, in elk geval de volgende categorieën van natuurlijke personen aangemerkt:
    a. natuurlijke personen, die onmiddellijk of middellijk recht hebben op een aandeel in de winsten van de vennootschap, die bij besluitvorming ter zake van wijziging van de overeenkomst die ten grondslag ligt aan de vennootschap, of ter zake van de uitvoering van die overeenkomst anders dan door daden van beheer, onmiddellijk of middellijk stemrecht kunnen uitoefenen voor zover in die overeenkomst besluitvorming bij meerderheid van stemmen is voorgeschreven, die bij ontbinding van de vennootschap onmiddellijk of middellijk recht hebben op een aandeel in de gemeenschap, die uiteindelijke zeggenschap kunnen uitoefenen over de vennootschap; of
    b. indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, geen van de personen, bedoeld in onderdeel a, is achterhaald, of indien er enige twijfel bestaat of een persoon als bedoeld in onderdeel a, de uiteindelijke eigenaar is of uiteindelijke zeggenschap heeft, dan wel de natuurlijke persoon is voor wiens rekening een transactie wordt verricht, de natuurlijke personen die behoren tot het hoger leidinggevend personeel dat bindende beslissingen kan nemen van de vennootschap. Indien er geen hoger leidinggevend personeel is, dat bindende beslissingen kan nemen, de natuurlijke personen die bestuurslid of directielid zijn.
    Dit lid, is van overeenkomstige toepassing op rederijen, commanditaire vennootschappen, open commanditaire vennootschappen, openbare vennootschappen, stille vennootschappen, fondsen voor gemene rekening of vennootschappen naar buitenlands recht opgericht die met deze rechtsvormen vergelijkbaar zijn, alsmede op andere juridische entiteiten vergelijkbaar met een vennootschap.
  9. Als uiteindelijk gerechtigden worden in het geval van een vereniging in elk geval de volgende categorieën van natuurlijke personen aangemerkt:
    a. natuurlijke personen, die bij de besluitvorming ter zake van wijziging van de statuten van de vereniging, of ter zake van de uitvoering van die statuten anders dan door daden van beheer, onmiddellijk of middellijk 25 procent of meer van de stemmen kunnen uitoefenen voor zover in die statuten besluitvorming bij meerderheid van stemmen is voorgeschreven, die bij ontbinding van de vereniging onmiddellijk of middellijk recht hebben op een aandeel in de gemeenschap van 25 procent of meer, die uiteindelijke zeggenschap kunnen uitoefenen over de vereniging; of
    b. indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, geen van de personen, bedoeld in onderdeel a, is achterhaald, of indien er enige twijfel bestaat of een persoon als bedoeld in onderdeel a, de uiteindelijke eigenaar is of uiteindelijke zeggenschap heeft, dan wel de natuurlijke persoon is voor wiens rekening een transactie wordt verricht, de natuurlijke personen die behoren tot het hoger leidinggevend personeel dat bindende beslissingen kan nemen van de vereniging. Indien er geen hoger leidinggevend personeel dat bindende beslissingen kan nemen is, de natuurlijke persoon die bestuurslid of directielid is.
    Dit lid is van toepassing op onderlinge waarborgmaatschappijen, coöperaties en andere juridische entiteiten vergelijkbaar met een vereniging of entiteiten naar buitenlands recht opgericht die met deze rechtsvorm vergelijkbaar zijn.
  10. Als uiteindelijk gerechtigden worden in het geval van een stichting in elk geval de volgende categorieën van natuurlijke personen aangemerkt:
    a. de oprichters;
    b. de bestuurders;
    c. voor zover van toepassing, de begunstigden, of voor zover de afzonderlijke personen die de begunstigden zijn van de stichting niet kunnen worden bepaald, de groep van personen in wier belang de stichting hoofdzakelijk is opgericht of werkzaam is; of
    d. elke natuurlijke persoon die via andere middelen uiteindelijke zeggenschap over de stichting uitoefent.
    Dit lid, is van overeenkomstige toepassing op stichtingen particulier fonds, kerkgenootschappen, op andere juridische entiteiten vergelijkbaar met een stichting, alsmede op entiteiten naar buitenlands recht opgericht die met deze rechtsvorm vergelijkbaar zijn.
  11. Als uiteindelijk gerechtigden worden in het geval van een trust in elk geval de volgende categorieën van natuurlijke personen aangemerkt:
    a. de oprichters;
    b. de trustees;
    c. voor zover van toepassing de protectors;
    d. de begunstigden, of voor zover de afzonderlijke personen die de begunstigden zijn van de trust niet kunnen worden bepaald, de groep van personen in wier belang de trust hoofdzakelijk is opgericht of werkzaam is;
    e. elke andere natuurlijke persoon die door onmiddellijk of middellijk eigendom of via andere middelen uiteindelijke zeggenschap over de trust uitoefent.
    Dit lid, is van overeenkomstige toepassing op andere juridische constructies vergelijkbaar met een trust, alsmede op constructies naar buitenlands recht opgericht die met de trust vergelijkbaar zijn.
  12. De administratieplichtige, bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, is gehouden zijn directeuren, gemachtigden en vertegenwoordigers te identificeren en hun identiteit vast te leggen met behulp van een in het land van uitgifte geldig rijbewijs, geldig identiteitskaart of geldig paspoort en is voorts gehouden een afschrift hiervan in zijn administratie te bewaren.
  13. De administratieplichtige, bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, is voorts gehouden een afschrift van het geldig paspoort, het geldig rijbewijs, dan wel de geldige identiteitskaart van de uiteindelijke gerechtigden in zijn administratie te bewaren.
  14. In bij ministeriële regeling met algemene werking te bepalen gevallen kan ontheffing worden verleend voor de verplichting, als bedoeld in het zesde tot en met het elfde lid, of kan het percentage, bedoeld in het zesde lid tot en met het elfde lid, worden aangepast.
  15. De administratieplichtige, bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, is gehouden informatie omtrent de uiteindelijk gerechtigden te melden aan een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, met algemene werking aangewezen entiteit. Deze entiteit zal deze informatie registeren in een besloten centrale register van uiteindelijk gerechtigden.
  16. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden nadere regels gesteld omtrent de vorm en inhoud van het register en hoe de informatie gerapporteerd dient te worden. Uitsluitend het Openbaar Ministerie, de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, de Financiële Inlichtingen Eenheid Curaçao, afdelingen analyse en toezicht, de Stichting Gaming Control Board en de Inspecteur der Belastingen krijgen toegang tot de informatie in het besloten centrale register van uiteindelijk gerechtigden.
  17. Indien de vennootschap zelf, de uiteindelijk belanghebbende of de eigenaar van de vennootschap een onderneming is die genoteerd is op een beurs en aldaar onderworpen is  aan voldoende transparantie aangaande uiteindelijk belanghebbende(n) of indien de vennootschap,  de uiteindelijk belanghebbende of eigenaar van de vennootschap een dochter of kleindochter is van een ter beurze genoteerde onderneming met een meerderheidsbelang in de betreffende dochter of kleindochter dan is het niet nodig om de identiteit van de aandeelhouder of uiteindelijk belanghebbende van een dergelijk vennootschap vast te stellen en te verifiëren. De betreffende identificatie gegevens dienen dan uit een openbaar register, van de betreffende vennootschap zelf of uit andere betrouwbare bronnen verkregen te worden.

Artikel 45a

  1. De bij of krachtens de belastingverordening aan te wijzen administratieplichtigen zijn gehouden, volgens bij of krachtens de belastingverordening te stellen regels, van degene op wie de inlichtingen en gegevens, bedoeld in het tweede lid betrekking hebben:
    a. opgave te verlangen van diens ID-nummer of Crib-nummer;
    b. de identiteit vast te stellen aan de hand van een op hem betrekking hebbend geldig paspoort, rijbewijs, dan wel geldige identiteitskaart;
    c. in de administratie op te nemen diens ID-nummer of Crib-nummer, een afschrift van het in onderdeel b bedoelde document, en voor zover uit het afschrift niet de aard of het nummer van het document blijkt ook de aard of het nummer van het document.
  2. De bij of krachtens de belastingverordening aan te wijzen administratieplichtigen zijn gehouden de bij of krachtens de belastingverordening aan te wijzen gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming voor de belastingheffing van belang kan zijn eigener beweging te verstrekken aan de Inspecteur volgens bij of krachtens de belastingverordening te stellen regels.
  3. De administratieplichtigen, bedoeld in het eerste lid, zijn gehouden bij de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, het ID-nummer of Crib-nummer te vermelden van degene op wie de gegevens betrekking hebben.

Artikel 46

  1. Voor een weigering om te voldoen aan de in de artikelen 40, 40a, 41, 42 en 43 omschreven verplichtingen kan niemand zich beroepen op de omstandigheid dat hij uit enigerlei hoofde tot geheimhouding verplicht is, zelfs niet indien deze hem bij een landsverordening is opgelegd.
  2. Voor een weigering om te voldoen aan de verplichtingen ten aanzien van derden als bedoeld in artikel 45, eerste lid, kunnen alleen geestelijken, notarissen, advocaten, artsen en apothekers zich beroepen op de omstandigheid dat zij uit hoofde van hun stand, ambt of beroep tot geheimhouding verplicht zijn.

Artikel 47

  1. Voor het onderzoek van gegevensdragers kunnen door de Inspecteur deskundigen en tolken worden aangewezen.
  2. Alvorens zijn taak te aanvaarden legt de deskundige of de tolk in handen van de gezaghebber de eed of belofte af, dat hij de hem op te dragen werkzaamheden eerlijk, nauwgezet en naar zijn beste weten zal verrichten.
  3. Aan de in het eerste lid bedoelde deskundigen en tolken kan een vergoeding worden toegekend volgens bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te stellen regels.

Artikel 48

  1. Openbare lichamen en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede lichamen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van de overheid, verschaffen, mondeling, schriftelijk of op andere wijze ‒ zulks ter keuze van de Inspecteur ‒ de gegevens en inlichtingen, en wel kosteloos, die hun door de Inspecteur ter uitvoering van de belastingverordening worden gevraagd. Het bepaalde in dit lid doorbreekt de eigen geheimhoudingsplicht van degenen op wie het van toepassing is en aan wie de Inspecteur de inlichtingen heeft gevraagd.
  2. De Minister kan, op schriftelijk verzoek, ontheffing verlenen van de in het eerste lid omschreven verplichtingen.

HOOFDSTUK VII
Bepalingen van strafrecht en strafvordering

Artikel 49

  1. Degene die ingevolge de belastingverordening verplicht is tot:
    a. het binnen een gestelde termijn doen van aangifte en dat niet binnen de gestelde termijn, onjuist of onvolledig doet;
    b. het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en deze niet, onjuist of onvolledig verstrekt;
    c. het ter inzage verstrekken van gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze in valse of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking stelt;
    d. het voeren van een administratie overeenkomstig de in de belastingverordening gestelde eisen, en een zodanige administratie niet voert;
    e. het bewaren van gegevensdragers, en deze niet bewaart;
    f. het naleven van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 28a, tweede lid, en dit niet doet;
    g. het aanbieden van de identificatiebewijzen als bedoeld in artikel 40, vijfde lid, en dit niet doet;
    h. het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 43, vijfde lid, en deze niet verleend;
    i. het uitreiken van een factuur als bedoeld in artikel 44 en dit niet, dan wel niet conform de gestelde eisen doet;
    j. het uitreiken van een kassabon als bedoeld in artikel 44a en dit niet, dan wel niet conform de gestelde eisen doet;
    k. het verstrekken van de opgave, bedoeld in artikel 45, tweede, derde en vierde lid, en deze opgave niet verstrekt;
    l. de vastlegging van de uiteindelijk gerechtigde of gerechtigden, bedoeld in artikel 45, zesde tot en met het elfde lid, het bewaren van een identificatiebewijs, bedoeld in artikel 45, twaalfde en dertiende lid, en het melden van de uiteindelijk gerechtigden aan een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aangewezen entiteit, bedoeld in artikel 45, vijftiende lid en dit niet, dan wel niet conform de gestelde eisen doet;
    m. de verplichtingen, bedoeld in artikel 45a, eerste en tweede lid, en dit niet, dan wel niet conform de gestelde eisen doet;
    n. het vaststellen van de identiteit van de werknemer, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976, en hieraan niet voldoet;
    o. het voldoen aan artikel 19A, eerste lid, van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976 en hieraan niet voldoet;
    p.  het naleven van artikel 43, eerste tot en met het vierde lid, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 en dit niet, niet binnen de gestelde termijn, onvolledig of onjuist doet;
    wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vierde categorie of, indien het feit er toe strekt dat er te weinig belasting wordt geheven en de te weinig geheven belasting hoger is dan een geldboete van de vierde categorie, gestraft met ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting, dan wel met beide straffen.
  2. Degene die zich opzettelijk schuldig maakt aan een in het eerste lid omschreven strafbaar gesteld feit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of een geldboete van de vijfde categorie of, indien het feit er toe strekt dat er te weinig belasting wordt geheven en de te weinig geheven belasting hoger is dan een boete van de vijfde categorie, met ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven belasting, dan wel met beide straffen.
  3. Het eerste en tweede lid blijven buiten toepassing indien degene op wie de verplichting rust alsnog een juiste en volledige aangifte doet of juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Inspecteur de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.
  4. Niet strafbaar is degene die de in artikel 40a bedoelde verplichting niet nakomt ten gevolge van een voor het niet in Curaçao gevestigde lichaam of de niet in Curaçao wonende natuurlijke persoon geldend wettelijk of rechterlijk verbod tot het verlenen van medewerking aan de verstrekking van de verlangde gegevens of inlichtingen of het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan.

Artikel 50

  1. Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de belastingverordening en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 198 en 200 van het Wetboek van Strafvordering.
  3. De Minister kan ontheffing, dan wel bij ministeriële regeling met algemene werking vrijstelling verlenen van de in het eerste lid bedoelde verplichting.
  4. Degene die opzettelijk de hem ingevolge het eerste lid opgelegde geheimhoudingsplicht schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of een geldboete van de vijfde categorie dan wel met beide straffen.
  5. Degene aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vierde categorie.
  6. Vervolging inzake schending van de geheimhouding wordt slechts ingesteld op klacht van hem, te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.

Artikel 51

Degene die niet voldoet aan de hem opgelegde verplichting ingevolge de artikelen 41, tweede lid, 42, eerste lid, en 45a, derde lid, wordt gestraft met een geldboete van de derde categorie.

Artikel 52

  1. Overtreding van krachtens de belastingverordening bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vastgestelde bepalingen wordt, voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met geldboete van de derde categorie.
  2. Overtreding van door de Minister krachtens de belastingverordening vastgestelde ministeriële regeling met algemene werking wordt, voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met geldboete van de tweede categorie.

Artikel 53

  1. De bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten waarop gevangenisstraf is gesteld, zijn misdrijven. De overige bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
  2. De strafwet van Curaçao is mede van toepassing op ieder die zich buiten de Curaçao schuldig maakt aan een bij of krachtens deze landsverordening als misdrijf omschreven strafbaar gesteld feit.

Artikel 54

  1. Met het opsporen van de bij belastingverordening strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, belast de Inspecteur alsmede de daartoe bij landsbesluit aangewezen ambtenaren en personen van de Belastingdienst. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. De Inspecteur alsmede de in het eerste lid bedoelde ambtenaren en personen van de Belastingdienst zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
  3. Bij het opsporen van een bij de belastingverordening strafbaar gesteld feit hebben de in het eerste lid bedoelde ambtenaren en personen toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te laten vergezellen. Voor het betreden van woningen is artikel 155 van het Wetboek van Strafvordering onverkort van toepassing.
  4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vereisten waaraan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren en personen dienen te voldoen.

Artikel 55

  1. De in artikel 54, eerste lid, bedoelde ambtenaren en personen maken van hun bevindingen proces-verbaal op en delen dit in afschrift mede aan de bekeurde.
  2. Alle processen-verbaal betreffende de bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten worden ingezonden aan de Directeur. De Directeur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten, ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de officier van justitie. De overige processen-verbaal doet de Directeur met de inbeslaggenomen voorwerpen toekomen aan de officier van justitie indien hij een vervolging wenselijk acht.
  3. De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van de Directeur te stellen, die daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 56.
  4. Het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing in zaken waarin de Directeur het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.

Artikel 56

  1. Ten aanzien van feiten, met betrekking tot welk het proces-verbaal niet in handen van de officier van justitie is gesteld, vervalt het recht tot strafvordering indien vrijwillig wordt voldaan aan de voorwaarden welke de Directeur ter voorkoming van de strafvervolging heeft gesteld.
  2. Als voorwaarden kunnen worden gesteld:
    a. betaling aan de openbare rechtspersoon Curaçao van een geldsom van ten minste Cg100 en ten hoogste het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd;
    b. afstand van voorwerpen die in beslag genomen zijn en vatbaar voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;
    c. uitlevering, of voldoening aan de openbare rechtspersoon Curaçao van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring;
    d. voldoening aan de openbare rechtspersoon Curaçao van een geldbedrag gelijk aan of lager dan het geschatte voordeel ‒ met inbegrip van besparing van kosten ‒ door de verdachte verkregen door middel van of uit het strafbare feit;
    e. het alsnog voldoen aan een bij de belastingverordening gestelde verplichting.
  3. De Directeur bepaalt telkens de termijn waarbinnen aan de gestelde voorwaarden moet zijn voldaan, en zo nodig tevens de plaats waar dat moet gebeuren.

Artikel 57

De griffier van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba verstrekt aan de Directeur desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van vonnissen, in belastingstrafzaken gewezen.

HOOFDSTUK VIII
Bepalingen van internationaal recht

Afdeling 1
Voorkoming van dubbele belasting

Artikel 58

Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen ter voorkoming van dubbele belasting in gevallen waarin daaromtrent niet op andere wijze is voorzien, regels worden gesteld ten einde gehele of gedeeltelijke vrijstelling of vermindering van de belasting te verlenen, voor zover het voorwerp van de belasting is onderworpen aan een belasting die vanwege een ander land van het Koninkrijk, een andere mogendheid of een volkenrechtelijke organisatie wordt geheven.

Artikel 59

  1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld waardoor ten aanzien van in Curaçao wonende diplomatieke, consulaire en andere vertegenwoordigers van een vreemde mogendheid alsmede hun gezinsleden, de hun toegevoegde ambtenaren en de bij hen inwonende in hun dienst zijnde personen vrijstelling van belasting wordt verleend.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen in gevallen waarin het volkenrecht, daartoe noopt, vrijstelling van belasting worden verleend.

Artikel 60

Indien een gedeelte van een inkomen wordt genoten van een internationale organisatie en dit gedeelte ingevolge bepalingen van internationaal recht van de heffing van belasting in Curaçao is vrijgesteld, wordt behoudens voor zover bij die bepalingen een nadere wijze van berekenen is voorgeschreven, de inkomstenbelasting verschuldigd over het overige gedeelte van het inkomen gesteld op het verschil tussen de belasting berekend zonder inachtneming van de vrijstelling en de belasting welke volgens bij ministeriële regeling met algemene werking vast te stellen regels aan het vrijgestelde gedeelte van het inkomen dient te worden toegerekend.

Afdeling 2
Internationale bijstandsverlening
(vervallen)

HOOFDSTUK IX
Bepalingen omtrent de aanvraag van een ruiling

Artikel 61

  1. De Inspecteur is bevoegd om met een belastingplichtige een ruling aan te gaan.
  2. Onder een ruling wordt verstaan vooraf gemaakte afspraken tussen een belastingplichtige en de Inspecteur omtrent hoe bepalingen van de belastingverordening zullen worden toegepast op een specifieke situatie, een verrichting of een transactie.
  3. De aanvraag van een ruling wordt binnen twee weken doch uiterlijk binnen dertig dagen afgehandeld.
  4. Bij ministeriële regeling, met algemene werking, kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere regels worden gesteld.

Artikel 62

(nog niet in werking getreden)

Artikelen 63 tot en met 65

(vervallen)

HOOFDSTUK X
Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 66

De stukken die de toepassing van de belastingverordening betreffen of die daaruit voortvloeien, zijn vrij van zegel en worden, voor zover aan de formaliteit van registratie onderworpen, kosteloos geregistreerd, tenzij bij landsverordening anders is bepaald.

Artikel 67

Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan een vergoeding worden vastgesteld ter dekking van de kosten voor een door de Directeur te publiceren voorlichtings- en informatiemateriaal betreffende belastingheffing.

Artikel 68

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Algemene landsverordening Landsbelastingen.

Naar boven