| Publicatienummer: | P.B. 2026, no. 105 (Geconsolideerde Tekst) |
| Categorie: | Geconsolideerde Tekst Ministeriële regeling met algemene werking |
| Ministerie: | Justitie |
| Datum ondertekening: | 22-05-2026 |
| Datum inwerktreding: | 18-08-2001 |
| Geregistreerd in: |
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK V Openbare orde )
|
MINISTERIËLE BESCHIKKING van de 22ste mei 2026, no. 2024/047616, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Ambts- en geweldinstructie KPNA
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht tot en met | Datum ingetrokken | Betreft | Vindplaats | Zittingsjaar |
| 18-08-2001 | n.v.t. | n.v.t. | Geconsolideerde tekst | P.B. 2026, no. 105 (GT) | n.v.t. |
Hoofdstuk 1
§ 1 Algemene bepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
1. ambtenaar:
a. de ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 1, onder a, van de Politieregeling 2019 ; en
b. degene die is benoemd tot aspirant of hulpagent in opleiding, voor de duur dat hij de praktijkstage volgt.
2. meerdere:
a. de ambtenaar die uit hoofde van zijn functie of krachtens aanwijzing met de leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering; of
b. indien geen meerdere kan worden aangewezen, wordt de ambtenaar die een hogere rang heeft, of, bij gelijkheid in rang, de ambtenaar met de meeste dienstjaren met meerdere gelijkgesteld; of
c. ingeval van samenwerking met anderen dan genoemd in het eerste lid, worden personen krachtens aanwijzing door de Minister van Justitie, op voordracht van de korpschef, als meerdere aangemerkt.
3. politiecellen:
een in een gebouw, beheerd door of ten behoeve van het Korps Politie Curaçao, te onderscheiden ruimte waarin 1 of meer gangen met daaraan grenzend 1 of meer ruimten liggen, die worden gebruikt voor het opsluiten van personen, anders dan bedoeld in de Aanwijzingsbeschikking Gestichten 1999 .
4. Deze regeling is mede van toepassing op:
a. douanepersoneel dat wordt ingezet ten behoeve van de uitvoering van politietaken, waaronder begrepen de maritieme rechtshandhaving; en
b. de buitengewoon agent, met dien verstande dat op buitengewone agenten, die uitsluitend behoren tot dan wel werkzaam zijn ten behoeve van de maritieme rechtshandhaving, alleen Hoofdstuk III van toepassing is; en
c. de functionaris, bedoeld in artikel 1, onder g en h, van het Landsbesluit houdende algemene maatregelen van de 27ste januari 1978 ter uitvoering van artikel 2, ten 1°, van de Wapenverordening 1931 ; en
d. een lid van het Vrijwilligers Korps Curaçao, voor zover in de uitvoering van politietaken.
§ 2 Ambtsuitvoering
De ambtenaar verricht zijn dienst met inachtneming van deze regeling en voorts op de wijze, voorgeschreven door of namens de autoriteit, onder wiens bevelen hij werkzaam is.
De ambtenaar zal zich bij de uitoefening van zijn taken onthouden van gedragingen, waardoor aan de goede naam van het Korps Politie Curaçao afbreuk gedaan kan worden.
1. Behoudens bij nadere ambtelijke instructie vast te stellen bijzondere voorschriften, brengt de ambtenaar bij officiële gelegenheden -in uniform gekleed- op militaire wijze de groet:
a. voor leden van het Koninklijk Huis en de Gouverneur, waarbij halt en front wordt gemaakt, tenzij anders is voorgeschreven; en
b. tijdens het ten gehore brengen van volksliederen bij officiële gelegenheden, tenzij de dienstverrichting het brengen van de groet niet toelaat; en
c. voor ontplooide, door of vanwege Zijne Majesteit de Koning uitgereikte of met Koninklijke toestemming gevoerde vaandels en standaarden, waarbij halt en front wordt gemaakt; en
d. voor ministers.
2. De groet wordt niet gebracht door de ambtenaar die optreedt als bestuurder van een in beweging zijnd vervoermiddel, of die actief bezig is met de regeling van het verkeer.
3. In burgerkleding groet de ambtenaar en brengt hij eerbewijzen met inachtneming van de gebruikelijke beleefdheidsvormen.
De ambtenaar legitimeert zich met het legitimatiebewijs, dat hem door de dienstleiding is verstrekt:
a. ongevraagd bij optreden in burgerkleding, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken; en
b. op verzoek daartoe bij optreden in uniform.
De ambtenaar is verplicht van een dagvaarding of oproeping om voor enig rechterlijk of ander college te verschijnen onverwijld kennis te geven aan zijn meerdere, die hem in de gelegenheid zal stellen aan die dagvaarding of oproeping gevolg te geven.
Indien tegen een verdachte van een strafbaar feit proces-verbaal zal worden opgemaakt, wordt dit zo mogelijk aan hem meegedeeld met inachtneming van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
§ 3 Maatregelen jegens arrestanten
1. De ambtenaar kan slechts van de arrestant verlangen dat deze zich ontkleedt, indien:
a. de kleding tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of aanwezige derden kan vormen en de hulpofficier van justitie daarvoor toestemming heeft gegeven; of
b. de kleding tijdens de insluiting naar het oordeel van de politiearts een gevaar voor de gezondheid van betrokkene of aanwezige derden kan vormen.
2. De ambtenaar neemt de kleding, bedoeld in het eerste lid, onverwijld in bewaring en draagt zorg voor vervangende kleding.
De ambtenaar mag de politiearts bij het onderzoek en de behandeling geen beperkingen opleggen. Hij volgt de aanwijzingen die de politiearts ten behoeve van de gezondheid van de arrestant geeft, onverwijld op en maakt aantekening van de door die arts gegeven aanwijzingen.
1. De ambtenaar controleert de arrestant regelmatig met dien verstande dat:
a. in het geval de politiearts is gewaarschuwd, de arrestant ten minste elk kwartier in de cel wordt gadegeslagen;
b. in het geval medische hulp is verstrekt, de arrestant zo vaak wordt geobserveerd als de politiearts heeft voorgeschreven;
c. in het geval geen medische hulp noodzakelijk wordt geacht, de arrestant eenmaal per twee uur wordt gadegeslagen.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, observeert de ambtenaar zo nodig in de cel, waarbij hij met name acht slaat op de mate waarin de arrestant aanspreekbaar is. Personen die in een toestand geraken waarin zij niet aanspreekbaar zijn, worden onverwijld per ambulance naar een polikliniek vervoerd.
3. De ambtenaar maakt aantekening van de observaties, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Bij de overplaatsing van de arrestant geeft de ambtenaar de geneesmiddelen, de notities, bedoeld in de artikelen 18 en 19, voor zover die van belang kunnen zijn en de rapportage van de politiearts die bestemd is voor de arts die de behandeling zal overnemen, mee.
Hoofdstuk II
Gebruik van geweld
§ 1 Algemeen
Het gebruik van geweldsmiddelen als omschreven in de paragrafen 3, 4, 5 en 6 van dit hoofdstuk, is uitsluitend toegestaan aan de ambtenaar:
a. aan wie die geweldsmiddelen rechtens zijn toegekend, voor zover hij optreedt ter uitvoering van de tank met het oog waarop de geweldsmiddelen hem zijn toegekend; en
b. die in het gebruik van die geweldsmiddelen is geoefend.
1. Indien de ambtenaar, al of niet in gesloten verband, onder leiding van een ter plaatse aanwezige meerdere optreedt, gebruikt hij geen geweld dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. De meerdere geeft daarbij aan van welke geweldsmiddelen gebruik gemaakt kan worden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. in het geval de meerdere, bedoeld in het eerste lid, vooraf anders heeft bepaald; of
b. in een situatie, waarin op grond van artikel 1:114, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht, een beroep gedaan kan worden op noodweer.
De mate van het aan te wenden geweld bij het gebruik van een (vuur)wapen of bij het inzetten van een politiehond dan wel de noodzaak handboeien te gebruiken, moet worden afgewogen tegen de inbreuk die op de rechtsorde werd gemaakt. Daarbij streeft de ambtenaar naar evenredigheid tussen het beoogde doel en het geweldsmiddel en hanteert het minst ingrijpende geweldsmiddel dat nog aanvaardbare resultaten oplevert.
Het gebruik van een (vuur)wapen of het aanwenden van (lichaams)geweld door een ambtenaar als middel van verhoor van een persoon die verdacht wordt van een strafbaar feit, is nimmer toegestaan.
§ 2 Meldingsprocedure
1. De ambtenaar die met een door de dienstleiding verstrekt vuurwapen heeft geschoten – het geven van een waarschuwingsschot daaronder begrepen – of van een wapen als bedoeld in artikel 30, gebruik heeft gemaakt of anderszins geweld heeft aangewend, meldt de feiten en omstandigheden dienaangaande en de daaruit voortvloeiende gevolgen onverwijld aan zijn meerdere of een door de korpschef aangewezen functionaris.
2. De mondelinge melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door de meerdere of de door de korpschef aangewezen functionaris onverwijld vastgelegd in een meldingsformulier, volgens een door de Minister van Justitie vastgesteld model, en ingeleverd bij de korpschef.
3. De korpschef wijst in elk bureau een functionaris aan die het opmaken van het in het eerste en tweede lid bedoelde melding coördineert en begeleidt.
4. Het meldingsformulier bedoeld in het tweede lid, wordt door de korpschef binnen vierentwintig uur na ontvangst ter kennis gebracht van de officier van justitie ter standplaats waarbinnen het geweld is aangewend, indien:
a. de gevolgen van het aanwenden van geweld daartoe naar het oordeel van de korpschef aanleiding geven; of
b. het aanwenden van geweld, lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis dan wel de dood heeft veroorzaakt; of
c. gebruik is gemaakt van het vuurwapen en daarmee een of meer schoten zijn gelost.
5. In geval van bijzondere eenheden die als collectief optreden, berust de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schriftelijke vastlegging en inlevering op degene die belast is met de leiding van de betrokken eenheid.
6. De betrokken ambtenaar of de leidinggevende, bedoeld in het vijfde lid, wordt door de meerdere regelmatig op de hoogte gehouden van de afhandeling van de mondelinge melding en de schriftelijke vastlegging.
§ 3. Vuurwapens
Het gebruik van een handvuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstands-precisievuur kan worden afgegeven, tegen personen, vervoermiddelen, vaartuigen en luchtvaartuigen, waarin of waarop zich personen bevinden, is slechts geoorloofd:
a. in een situatie, waarin op grond van artikel 1:114, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht een beroep gedaan kan worden op noodweer; of
b. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuur- of steekwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken; of
c. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming onttrekt of heeft onttrokken en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een ernstig misdrijf, poging daartoe of de deelnemingsvormen, bedoeld in artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht, dat tevens moet worden aangemerkt als een grove aantasting van de rechtsorde; of
d. in geval van een opdracht vanwege het bevoegde gezag of een optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere ter beteugeling van een volksoploop. Een volksoploop doet zich voor de toepassing van dit onderdeel slechts voor, indien sprake is van een groep of groepen mensen, die een ernstig en onmiddellijke bedreiging vormt of vormen voor het leven van anderen en de openbare orde.
Het gebruik van een handvuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of
lange afstands-precisievuur kan worden afgegeven, tegen personen, vervoermiddelen, vaartuigen en luchtvaartuigen, waarin of waarop zich personen bevinden, is niet geoorloofd:
a. indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt; en
b. indien een aanmerkelijke kans bestaat dat onschuldige derden, zoals omstanders of passanten, door de afgevuurde kogel(s) kunnen worden getroffen.
Het gebruik van automatisch vuur tegen personen, vervoermiddelen, vaartuigen en luchtvaartuigen, waarin of waarop zich personen bevinden, is slechts geoorloofd:
a. door de daartoe door de korpschef in het bijzonder aangewezen ambtenaren; en
b. na verkregen schriftelijke bijzondere of algemene machtiging van de officier van justitie.
1. Het gebruik van een vuurwapen, waarmee automatisch vuur en lange afstands-precisievuur kan worden afgegeven, is, onverminderd het bepaalde in artikel 29, slechts geoorloofd tegen personen, vervoermiddelen, vaartuigen en luchtvaartuigen, waarin of waarop zich personen bevinden, in een situatie waarin sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf.
2. Een vuurwapen waarmee automatisch vuur en lange afstands-precisievuur kan worden afgegeven, mag slechts worden meegevoerd ten behoeve van de opleiding dan wel voor:
a. het verrichten van een aanhouding van een persoon van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken; of
b. de bewaking en beveiliging van personen en objecten.
3. Het meevoeren van vuurwapens waarmee automatisch vuur en lange afstands-precisievuur kan worden afgegeven in het geval, bedoeld in het tweede lid, is slechts toegestaan na toestemming van de officier van justitie en met schriftelijke machtiging van de Minister van Justitie.
4. De machtiging, bedoeld in het derde lid, wordt door tussenkomst van de procureur-generaal schriftelijk gevraagd. Indien wegens de vereiste spoed de machtiging niet schriftelijk kan worden gevraagd of verleend, kan deze mondeling worden gevraagd en verleend. De machtiging die mondeling is verleend, wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk bevestigd.
5. De officier van justitie doet van het meevoeren van vuurwapens waarmee automatisch vuur en lange afstands-precisievuur kan worden afgegeven, zo mogelijk vooraf mededeling aan de Minister van Justitie.
§ 4 Wapens, anders dan vuurwapens
De ambtenaar kan in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening beschikken over de wapenstok en (en gas- of een andere vloeistof verspreidende) spuitbussen.
Deze paragraaf is mede van toepassing op het aanwenden door de ambtenaar van lichaamsgeweld.
Het gebruik van wapens, bedoeld in artikel 32, tegen personen is slechts geoorloofd:
a. in een situatie waarin op grond van artikel 1:114, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht een beroep gedaan kan worden op noodweer; of
b. in met in artikel 27, onder b tot en met d, genoemde overeenkomstige situaties; of
c. om agressief gedrag of verzet van een persoon te onderdrukken respectievelijk te breken; of
d. om dreigende agressie of verzet van een persoon te voorkomen.
De ambtenaar dient, tenzij de omstandigheden dit niet toelaten, onmiddellijk voordat hij van het wapen gebruik zal maken, met luide stem of op andere niet te miskennen wijze te waarschuwen dat het wapen gebruikt zal worden indien niet terstond het gegeven bevel wordt opgevolgd.
§ 5 Politiehond
Het gebruik van een politiehond is slechts geoorloofd door in het bijzonder daartoe door de korpschef aangewezen ambtenaren.
Het gebruik van een politiehond tegen personen is slechts geoorloofd:
a. in een situatie waarin op grond van artikel 1:114, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht een beroep gedaan kan worden op noodweer; of
b. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd wapen, als bedoeld in de Vuurwapenverordening 1930 of de Wapenverordening 1931, bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken; of
c. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming onttrekt of heeft onttrokken en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens een strafbaar feit ter zake waarvan ingevolge artikel 100 van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven.
De ambtenaar dient, tenzij de omstandigheden zulks niet toelaten, onmiddellijk voordat hij een politiehond inzet met luide stem of op andere niet te miskennen wijze te waarschuwen dat de hond zal worden ingezet, indien niet terstond het gegeven bevel wordt opgevolgd.
§ 6 Handboeien
Het gebruik van handboeien is slechts geoorloofd:
a. ter voorkoming van vlucht van een persoon die verdacht wordt van een strafbaar feit ter zake waarvan ingevolge artikel 100 van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven en waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij vluchtgevaarlijk is; of
b. bij een persoon die is aangehouden of waarvan de vrijheidsbeneming rechtmatig is bevolen en die verdacht wordt van of is veroordeeld wegens een strafbaar feit ter zake waarvan ingevolge artikel 100 van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven; of
c. bij een aangehouden persoon of persoon wiens vrijheidsbeneming rechtmatig is bevolen, die wordt vervoerd of verplaatst in een vervoermiddel, vaartuig of luchtvaartuig ten dienste van de politie of justitie, indien die persoon zich agressief gedraagt of heeft gedragen of zich verzet of heeft verzet dan wel redelijkerwijs verwacht kan worden dat die persoon zich agressief zal gedragen of zich zal verzetten.
Hoofdstuk III
Maritieme rechtshandhaving
§ 1 Algemene en begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
| a. functionaris: | de functionaris, behorende tot of werkzaam ten behoeve van de maritieme rechtshandhaving die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast is met toezichthoudende en opsporingstaken. Indien betrokkene tevens ambtenaar als bedoeld in artikel 1, is, doet het bepaalde in dit hoofdstuk niet af aan hem overigens bij of krachtens deze regeling; |
| b. gezagvoerder: | degene die belast is met het bevel over een eenheid, behorende tot dan wel tijdelijk toegevoegd aan of ingezet voor de maritieme rechtshandhaving; |
| c. officier van piket: | de functionaris die belast is met piketdienst; |
| d. ernstig misdrijf: | een misdrijf waarvoor in de strafwetgeving van Curaçao voorlopige hechtenis is toegelaten. |
§ 2 Hand- en boordvuurwapens
1. Het gebruik van een handvuurwapen ten behoeve van niet-automatisch vuur is slechts geoorloofd:
a. in een situatie, waarin op grond van artikel 1:114, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht een beroep gedaan zou kunnen worden op noodweer; of
b. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen, dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen of ander wapen, dat naar zijn aard is bestemd om op afstand te worden gebruikt, bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken; of
c. om een persoon aan te houden die wordt verdacht van of veroordeeld is wegens het plegen van een ernstig misdrijf, dat bovendien als onaanvaardbare aantasting van de rechtsorde van Curaçao moet worden aangemerkt, en die zich aan zijn aanhouding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken.
2. Onder het plegen van een ernstig misdrijf als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt mede begrepen de poging tot het plegen daarvan en de deelnemingsvormen, genoemd in de artikelen 1:123 en 1:124 van het Wetboek van Strafrecht.
3. Van het vuurwapen wordt geen gebruik gemaakt, indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen, dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde van Curaçao met zich brengt.
1. Het gebruik van een vuurwapen, ingesteld op automatisch vuur, is slechts geoorloofd tegen personen, vervoermiddelen, vaartuigen en luchtvaartuigen, waarin of waarop zich personen bevinden in een situatie waarin sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf.
2. Een vuurwapen, ingesteld op automatisch vuur, mag slechts ter hand worden genomen:
a. ten behoeve van de opleiding; of
b. voor het verrichten van een aanhouding van een persoon van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken.
3. Het ter hand nemen van vuurwapens, ingesteld op automatisch vuur, in het geval, bedoeld in het tweede lid, onder b, is slechts toegestaan na toestemming van de officier van justitie of indien diens optreden niet kan worden afgewacht, van de officier van piket.
De functionaris dient onmiddellijk voordat hij gericht met een vuurwapen zal schieten op een niet te miskennen wijze te waarschuwen dat zal worden geschoten, indien niet terstond het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing, die zo nodig kan worden vervangen door een waarschuwingsschot, blijft slechts achterwege indien de omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.
Het gebruik van een boordvuurwapen is slechts geoorloofd in de gevallen waarin deze regeling voorziet.
§ 3 Bepalingen betreffende het tot stoppen
brengen van vaartuigen
Elke poging een vaartuig tot stoppen te brengen moet worden voorafgegaan door een voor de opvarenden van dat vaartuig duidelijke en kenbare legitimatie.
1. De gezagvoerder is, binnen het kader van de hem opgedragen taken, bevoegd:
a. ter staande houding van een verdachte het vaartuig te doen halt houden;
b. indien aan deze opdracht geen gevolg wordt gegeven, binnen praaiafstand van het vaartuig te manoeuvreren en mondeling de opdracht, genoemd onder a, te herhalen, eventueel met de vermelding dat, bij het niet opvolgen van deze opdracht, geweld zal worden gebruikt.
2. Indien aan de opdracht, bedoeld in het eerste lid, niet terstond gevolg wordt gegeven, mogen ter ondersteuning van de handeling, bedoeld in het eerste lid, onder b, 1 of meerdere boordvuurwapens op het betreffende vaartuig, worden gericht.
1. Indien de gezagvoerder;
a. een redelijk vermoeden heeft dat aan boord van het aangeroepen of gepraaide vaartuig een ernstig misdrijf is gepleegd, dan wel dat het vaartuig voor het plegen van een ernstig misdrijf wordt gebruikt, en het betreffende misdrijf moet worden aangemerkt als een grove aantasting van de rechtsorde van Curaçao; en
b. de overtuiging heeft dat het vaartuig de gegeven opdrachten, genoemd in artikel 47, alsmede 1 of meer schoten voor de boeg opzettelijk negeert, dan is hij, indien andere middelen om bedoelde opdrachten kracht bij te zetten niet dan wel niet tijdig beschikbaar zijn, en onverlet het bepaalde in artikel 41, tweede lid, bevoegd om met behulp van 1 of meer hem ter beschikking staande vuurwapens en met niet-explosieve munitie gericht te vuren uitsluitend op niet-vitale delen van het vaartuig.
2. Bij het gebruik van het geweldsmiddel, bedoeld in het eerste lid, mogen niet meer schoten worden afgegeven dan strikt noodzakelijk is.
3. Aan het afgeven van 1 of meer schoten, bedoeld in het eerste lid, gaat een duidelijke en onmiskenbare waarschuwing vooraf, met vermelding van het deel of de delen van het vaartuig waarop zal worden geschoten.
4. Na iedere waarschuwing zal de aan boord van het vaartuig aanwezige bemanning een redelijke tijd worden gegeven zich van de aangewezen locatie te verwijderen. De tijdslimiet zal de bemanning van het te stoppen vaartuig op niet mis te verstane wijze worden medegedeeld.
§ 4 Melding van geweldgebruik
1. De functionaris die met een door de dienst verstrekt vuurwapen heeft geschoten – het geven van waarschuwingsschoten en het geven van een of meerdere schoten voor de boeg daaronder begrepen -, meldt de feiten en omstandigheden dienaangaande en de daaruit voortvloeiende gevolgen onverwijld aan zijn gezagvoerder.
2. De gezagvoerder die in de uitoefening van zijn functie geweld tegen een vaartuig waarin of waarop zich 1 of meerdere personen bevinden, heeft aangewend – het geven van 1 of meerdere schoten voor de boeg daaronder begrepen – moet deze aanwending van geweld, alsmede de redenen, welke daartoe hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen zo spoedig mogelijk schriftelijk rapporteren aan de dienstleiding.
3. De melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door de gezagvoerder terstond vastgelegd in een meldingsformulier, volgens een door de Minister van Justitie vastgesteld model en ingeleverd bij de dienstleiding.
4. Het meldingsformulier bedoeld in het derde lid, wordt door de dienstleiding vierentwintig uur na ontvangst ter kennis gebracht van de officier van justitie ter standplaats, waarbinnen het geweld is aangewend, indien:
a. de gevolgen van het aanwenden van geweld daartoe naar het oordeel van de dienstleiding aanleiding geven; of
b. het aanwenden van geweld, lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis dan wel de dood heeft veroorzaakt; of
c. gebruik is gemaakt van het vuurwapen en daarmee 1 of meer schoten zijn gelost.
5. De betrokken functionaris of gezagvoerder, in gevallen bedoeld in het vierde lid, wordt door de gezagvoerder respectievelijk de dienstleiding regelmatig op de hoogte gehouden van de afhandeling van de mondelinge melding en de schriftelijke vastlegging.
§ 5. Onderzoek aan kleding
Hoofdstuk IV
Slotbepalingen