Crematiebesluit Curaçao
Crematiebesluit Curaçao
| Publicatienummer: |
P.B. 2025, no.
32 (Geconsolideerde Tekst)
|
| Categorie: |
Landsbesluit, houdende algemene maatregelen
|
| Ministerie: |
Gezondheid, Milieu & Natuur
|
| Datum ondertekening: |
26-02-2025 |
| Datum inwerktreding: |
18-01-1995 |
| Geregistreerd in: |
|
LANDSBESLUIT van de 26ste februari 2025, no. 25/390, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van het Crematiebesluit Curaçao
| Datum inwerkingtreding |
Terugwerkende kracht tot en met |
Datum ingetrokken |
Betreft |
Vindplaats |
Zittingsjaar |
| 18-01-1995 |
n.v.t. |
n.v.t. |
Geconsolideerde tekst |
P.B. 2025, no. 32 (GT) |
n.v.t. |
Begripsbepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van dit landsbesluit wordt verstaan onder:
a. landsverordening : de Crematielandsverordening;
b. vergunning : de vergunning bedoeld in artikel 5, derde lid, van de landsverordening;
c. register : het register, bedoeld in artikel 2 van de landsverordening.
Model van het register
Artikel 2
Het register van de in het crematorium verbrande lijken wordt ingericht volgens het model dat als bijlage bij dit landsbesluit is gevoegd.
Maximum aantal vergunningen
Artikel 3
Het maximum aantal te verlenen vergunningen voor het vestigen van een crematorium wordt gesteld op 2 (twee).
Mededeling en terinzagelegging
Artikel 4
- Het verzoekschrift ter verkrijging van een vergunning wordt door de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur bekendgemaakt door:
a. mededeling in één of meer lokale nieuwsbladen dan wel in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst;
b. terinzagelegging gedurende een maand van het verzoekschrift met bijlagen ten kantore van de minister.
- De bekendmaking geschiedt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst dan wel nadat een beschikking tot niet-ontvankelijkheidverklaring van de verzoeker in beroep is vernietigd, uiterlijk twee weken na datum van ontvangst van het besluit tot vernietiging.
- De kosten van de bekendmaking zijn voor rekening van de verzoeker.
Artikel 5
In de mededeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, sub a., wordt tenminste vermeld:
a. de zakelijke inhoud van het verzoekschrift;
b. het tijdstip waarop en de plaats waar een afschrift van het verzoekschrift met bijlagen ter inzage is gelegd;
c. de termijn waarbinnen door eenieder schriftelijk, met redenen omklede, bezwaren bij de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur kan worden ingebracht tegen het verlenen van de verzochte vergunning;
d. dat degene die een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7 indient, kan verzoeken zijn persoonlijke gegevens niet bekend te maken.
Artikel 6
Indien in een stuk, dat ter inzage wordt gelegd, gegevens voorkomen of uit zodanig stuk gegevens kunnen worden afgeleid waarvan de geheimhouding gerechtvaardigd is kan de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur, op een daartoe strekkend schriftelijk met redenen omkleed verzoek, de verzoeker toestaan dat deze ten behoeve van de bekendmaking een door de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur goedgekeurde tweede tekst overlegt, waarin die gegevens niet voorkomen, onderscheidenlijk waaruit zij niet kunnen worden afgeleid. De Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur maakt van deze bevoegdheid slechts gebruik met betrekking tot bedrijfsgeheimen en beveiligingsgegevens.
Artikel 7
- Gedurende de in artikel 4, eerste lid, sub b. bedoelde termijn, kan eenieder schriftelijk met redenen omklede bezwaren tegen het verlenen van de verzochte vergunning inbrengen bij de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur.
De persoonlijke gegevens van degene die een bezwaarschrift heeft ingediend worden, indien hij daarom verzoekt, niet bekendgemaakt.
- Gedurende een week na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn, kunnen zowel de verzoeker als zij die bezwaren hebben ingebracht, kennis nemen van de tegen het verzoek kenbaar gemaakte bezwaren.
Intrekking van de vergunning
Artikel 8
- De Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur kan een vergunning ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
a. na het verstrijken van de toepasselijke betalingstermijnen het vergunningsrecht niet is voldaan;
b. de houder van de vergunning zich bij herhaling aan overtreding van de bepalingen van de landsverordening, van dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, of van de voorschriften verbonden aan de vergunning heeft schuldig gemaakt;
c. het belang van de openbare orde, de goede zeden of de publieke rust zulks, naar het oordeel van de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur, vergt;
d. door het crematorium daarbuiten in onvoorziene mate gevaar, schade of hinder wordt veroorzaakt en wijziging of aanvulling van de aan de vergunning verbonden voorschriften geen oplossing biedt;
e. de houder van de vergunning dit schriftelijk verzoekt;
f. het crematorium niet of niet meer voldoet of niet kan voldoen aan de bepalingen van de landsverordening, van dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, of van de aan de vergunning verbonden voorschriften.
- Indien de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur voornemens is tot intrekking van de vergunning over te gaan, wordt de vergunninghouder schriftelijk in kennis gesteld van dit voornemen, onder vermelding van de redenen van de voorgenomen intrekking.
- De beschikking tot intrekking wordt zo spoedig mogelijk gegeven en bevat de gronden waarop zij berust. De beschikking vermeldt het tijdstip waarop de intrekking van kracht wordt.
Opbaargelegenheid
Artikel 9
- Een crematorium moet beschikken over tenminste één opbaargelegenheid.
- Een overledene mag alleen worden bewaard of opgebaard in een uitsluitend daartoe bestemde en ingerichte ruimte van voldoende omvang.
- Een opbaargelegenheid moet tenminste de volgende ruimten bevatten:
a. één ruimte voor het binnenbrengen en verzorgen van overledenen;
b. één koel- of vriesruimte voor het bewaren van overledenen;
c. één ruimte voor het opbaren van overledenen tijdens rouwbezoek;
d. één ruimte voor het uitdragen van overledenen voor begrafenis of crematie;
e. één ruimte die desgewenst ook als garderobe of als ontvangstruimte dienst doet en één afzonderlijk toilet voor bezoekers van het mannelijk onderscheidenlijk vrouwelijk geslacht;
f. één verblijfruimte en één toilet voor het personeel;
g. één ruimte bestemd voor het bewaren van zaken die noodzakelijk zijn voor een goede bedrijfsvoering;
h. overige voor de bedrijfsvoering noodzakelijke ruimten. Deze onder h. bedoelde ruimten mogen geen open verbinding hebben met de onder a. tot en met g. genoemde ruimten.
Indien de situering dit toelaat mogen de onder a. en b. of de onder c. en d. genoemde ruimten zijn gecombineerd. De onder a. tot en met h. genoemde ruimten moeten elk voldoende ventilatie hebben en voorzien zijn van een doelmatige elektrische verlichtingsinstallatie.
- De temperatuur in de opbaarruimte moet onder de 25 graden Celsius worden gehouden.
- De vloeren, wanden en plafonds van de in het derde lid, onder a., b., c. en d. genoemde ruimten, moeten van een zodanig materiaal zijn vervaardigd en zodanig zijn afgewerkt dat zij gemakkelijk en doeltreffend kunnen worden gereinigd. De voorgaande volzin is eveneens van toepassing op de vloerbedekking en stoffering, indien aanwezig, van de in het derde lid, onder c. en d. genoemde ruimten.
- Voor elke ruimte waarin een overledene wordt bewaard of opgebaard, moeten maatregelen zijn getroffen waardoor het afvloeien van afscheidingsstoffen van een overledene buiten de desbetreffende ruimte, wordt voorkomen en moeten de richtlijnen en aanwijzingen van de Sector-directeur van de sector Gezondheid in acht worden genomen.
Vereiste ovenruimte
Artikel 10
- Een crematorium moet beschikken over tenminste één crematie-oven.
De crematie-oven moet zijn opgesteld in een ruimte welke in het bijzonder hiervoor is bestemd. De installatie moet te allen tijde bereikbaar zijn voor bediening, inspectie en onderhoud.
- De vloer van de ovenruimte moet zijn vervaardigd van beton of ander onbrandbaar materiaal in de zin van de norm NEN 3881 (1975).
- De scheidingswanden en de afdekking van de ovenruimte moeten een brandwerendheid bezitten van tenminste 60 minuten, bepaald overeenkomstig de norm NEN 3884 (1978).
- Deuren in de wanden van de ovenruimte moeten zelfsluitend zijn en vervaardigd zijn van tenminste 4 cm dik hout en met een aanslag van tenminste 2,5 cm., dan wel bestaan uit een andere constructie met een brandwerendheid van tenminste 30 minuten, bepaald overeenkomstig hoofdstuk D van de norm NEN 3885 (1982).
- Niet afsluitbare verbindingen van de ovenruimte met andere ruimten binnen het gebouw mogen niet aanwezig zijn.
- Luchttoevoer- en afvoeropeningen van de ovenruimte moeten zodanig zijn aangebracht, dat geen over- of doorslag van brand is te duchten.
- Invoering van leidingen in de ovenruimte moeten plaatsvinden boven het maaiveld, dan wel onder het maaiveld via een geventileerde al of niet betreedbare nevenruimte (invoerruimte en/of kruipruimte);
de doorvoeringen in de wand tussen bedoelde ruimten en de ovenruimte moeten gasdicht zijn uitgevoerd;
doorvoeringen van afvoerleiding van de zich in de ovenruimte bevindende wasbakken en schrobputjes mogen, mits gasdicht uitgevoerd, in grondkerende wanden en in de op of onder het maaiveld zich bevindende vloer zijn aangebracht; afvoeren van zich binnen een ovenruimte bevindende schrobputjes, wasbakken e.d. moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat geen directe verbinding tussen ovenruimte en riolering tot stand kan komen.
- De ovenruimte moet zijn voorzien van een doelmatige elektrische verlichtingsinstallatie met vaste armaturen.
- Het bedieningspaneel van de oven moet op een zodanige plaats zijn aangebracht, dat de met de bediening van de oven(s) belaste persoon, gelijktijdig dit paneel en de verbranding in de oven kan controleren.
- Dichtbij de branderinstallatie, alsmede op een – onder alle omstandigheden – bereikbare plaats, gelegen buiten de ovenruimte, moet een elektrische schakelaar zijn aangebracht, waarmee de branders buiten bedrijf kunnen worden gesteld; bij de schakelaar buiten de ovenruimte moet het doel van de schakelaar duidelijk leesbaar zijn aangegeven.
- Op een, onder alle omstandigheden, bereikbare plaats buiten de ovenruimte moet in de gastoevoerleiding naar de ovenruimte een afsluiter aanwezig zijn; bij deze afsluiter moet een duidelijk opschrift met de volgende tekst, in het Papiaments, Nederlands en Engels zijn aangebracht: “Afsluiter, gasbranders. In geval van brand afsluiten.”.
- In de ovenruimte mogen geen voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die het brand- en explosiegevaar verhogen.
- De inrichting dient eveneens te voldoen aan de door het Hoofd Brandweer op te stellen voorwaarden met betrekking tot brandpreventie en -bestrijding, alsmede aan de door de Sector-directeur van de sector Gezondheid gegeven richtlijnen en aanwijzingen.
- Alle gegevens van onderhoud en revisies aan en geregistreerde data van de installaties dienen in een (technisch) register te worden vermeld en te allen tijde ter inzage liggen van de controlerende ambtenaren.
- Aan de aangeboden lijken mogen geen chemische conserveringsmiddelen worden toegevoegd.
- Kisten die worden ingevoerd in de crematie-oven moeten zijn ontdaan van kunststoffen, metalen handgrepen en versierselen, behoudens het bepaalde in artikel 12 leden 3 en 4.
- Lijkkisten gemaakt van of bekleed met kunststof of metalen, mogen niet worden verbrand, tenzij zich een bijzondere omstandigheid voordoet; in voorkomende gevallen waarvoor toestemming is vereist, dient de desbetreffende crematie als laatste op de dag plaats te vinden en dient van dergelijke crematies een afzonderlijk register te worden aangelegd en bijgehouden.
Identificatie van het lijk
Artikel 11
- Voordat de kist of het andere omhulsel van het lijk wordt gesloten, wordt het lijk voorzien van een vuurvast identiteitssteentje waarop een registratienummer is aangebracht. Dit registratienummer wordt tevens vermeld op de kist of het omhulsel.
- Tot verbranding wordt niet overgegaan dan nadat de houder van het crematorium de identiteit van het lijk heeft vastgesteld door vergelijking van het op de kist of het omhulsel vermelde registratienummer met dat, vermeld op een bijgevoegd document dat tevens de namen, overlijdens- en geboortedata van de overledene dan wel de geslachtsnaam van de doodgeborene bevat.
- Indien de identiteit niet genoegzaam blijkt, vindt zo mogelijk de identificatie van het lijk plaats door twee personen die de overledene bij het leven hebben gekend, in tegenwoordigheid van de houder van het crematorium. Bij het ontbreken van een identiteitssteentje wordt het lijk alsnog door de houder voorzien van een vuurvast steentje waarop het kenmerk van het crematorium alsmede een registratienummer is aangebracht.
De wijze van verbranden
Artikel 12
- Een lijk wordt verbrand in een kist.
- Verbranding mag geschieden zonder kist, mits het lijk zich bevindt in een ander omhulsel. Dit omhulsel moet op het doel van verbranding zijn afgestemd.
- Een kist of ander omhulsel mag niet zijn vervaardigd met toepassing van kunststoffen of metalen.
- Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van:
a. kunststoffen of metalen die worden gebruikt voor handvaten, ornamenten en verbindingselementen als spijkers, schroeven, nieten of klemmen;
b. door de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur aangewezen kunststoffen of toepassingen van kunststoffen.
Artikel 13
De verbranding geschiedt op zodanige wijze, dat vermenging of verwisseling van de as met die van andere lijken niet mogelijk is en het identiteitssteentje, bedoeld in artikel 11, in de as blijft. Uit de schoorsteen van de inrichting mag geen zichtbare rook ontwijken en mag zich geen geur verspreiden.
Artikel 14
- Verstrooiing van as geschiedt:
a. op een permanent daartoe bestemd terrein; of
b. in open zee.
- Het in het eerste lid in onderdeel a. bedoelde terrein wordt door de houder van een crematorium of van een bewaarplaats van asbussen aangewezen, na verlof van de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur, gehoord de Sector-directeur van de sector Gezondheid.
- Verstrooiing op een terrein geschiedt door of namens de in het tweede lid bedoelde houder na verkregen toestemming van de Sector-directeur van de sector Gezondheid of een door deze aan te wijzen ambtenaar, op een door deze te bepalen wijze en plaats.
Strafbaar feit
Artikel 15
Overtreding van het bepaalde krachtens de artikelen 8 en 25 van de landsverordening wordt uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van artikel 28 van de landsverordening aangeduid.
Slotbepaling
Artikel 16
- Dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt aangehaald als: Crematiebesluit Curaçao.
- (vervallen)
Register (model)
(conform bepalingen van het Crematiebesluit Curaçao)
Jaar:
As
| No. |
Datum |
Overledene |
Bijgezet |
Plaats |
Verstrooid |
| 1. |
……………… |
……………… |
……………… |
……………… |
……………… |
| 2. |
|
|
|
|
|
| 3. |
|
|
|
|
|
No. : volgnummer
Datum : dag en maand van crematie
Overledene : naam overledene
Bijgezet : ja/nee
Plaats : plaatsaanduiding volgens een plattegrond van het gehele terrein
*Overtreding van genoemde bepalingen is strafbaar ingevolge de bepalingen van de Crematielandsverordening.
*Voor het verstrekken van inlichtingen uit het Register kan een vergoeding worden gevraagd.