Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curacao - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curacao

Publicatienummer: P.B. 2026, no. 4 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsverordening
Ministerie: Verkeer, Vervoer & Ruimtelijke Planning
Datum ondertekening: 22-10-2025
Datum inwerktreding: 23-05-1997
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( VII. Openbare Gezondheid)


LANDSBESLUIT van de 22ste oktober 2025, no. 25/2542, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curacao

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
23-05-1997 n.v.t.     n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2026, no. 4 (GT) n.v.t.

Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen

Artikel 1
Begripsomschrijvingen

In deze bepalingen wordt verstaan onder:

  1. LROC:
    Landsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao , zoals gewijzigd.
  2. bestemmingsvoorschriften:
    deze bestemmingsvoorschriften behorende bij het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao gebaseerd op de artikelen 4, eerste lid, 9, eerste lid, en 19, eerste lid, van de LROC en artikel 16, eerste lid, van de Monumentenlandsverordening Curaçao  met dien verstande, dat deze bestemmingsvoorschriften bestaan uit de volgende als zodanig gewaarmerkte onderdelen van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao 1995, te weten:
    deel C1, bevattende bestemmingskaart no. 1, waarop de bestemmingen van de grond staan aangegeven met uitzondering van de bestemming hoofdwegen; en
    bevattende bestemmingskaart no. 2, waarop de bestemming hoofdwegen staat aangegeven;
    deel C2, dat bestaat uit deze bepalingen, gegeven in verband met de op de bestemmingskaarten no. 1 en 2 aangeduide bestemmingen;
  3. bouwwerk:
    elke constructie van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats, waarvoor zij is bedoeld, hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
  4. bouwen:
    het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
  5. gebouw:
    elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
  6. bebouwing:
    één of meer bouwwerken;
  7. bouwperceel:
    een aanééngesloten stuk grond, waarop krachtens deze bestemmingsvoorschriften zelfstandige bebouwing toelaatbaar is;
  8. hoofdgebouw:
    een gebouw, dat belangrijk en bepalend is voor het functioneren van een bouwperceel en waarin aangebouwde bijgebouwen niet zijn begrepen;
  9. bijgebouw:
    een gebouw met een zelfstandig dak, dat naar de verschijningsvorm een ondergeschikte ruimte vormt bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat, indien aangebouwd, rechtstreeks van buiten toegankelijk is, waarbij als uitgangspunt geldt, dat een bijgebouw behorende bij een woning slechts als bijgebouw wordt beschouwd, indien de functie die erin ondergebracht wordt een nevenfunctie is van de functie van het hoofdgebouw en de grondoppervlakte in principe niet meer bedraagt dan 40m2;
  10. flat:
    een gebouw, op 1 bouwperceel, dat uit twee of meer boven en/of aan elkaar gebouwde woningen bestaat;
  11. bouwlaag:
    een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke hoogte of bij benadering op gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd met uitzondering van een kap;
  12. kap:
    een ruimte in een gebouw, die door ten minste 1 schuin dakschild is afgedekt;
  13. staand raam:
    een raam, dat zich bevindt in een gevelopening, waarvan de hoogte groter is dan de breedte;
  14. slopen:
    het afbreken van een bouwwerk of een gedeelte daarvan;
  15. ministerie:
    het Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning;
  16. verkavelen:
    het verdelen van een terrein dat zich in één hand bevindt in twee of meer kavels voor bebouwingsdoeleinden;
  17. detailhandel:
    het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan personen welke die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
  18. dienstverlening:
    het bedrijfsmatig verlenen van diensten;
  19. aan detailhandel verwante dienstverlening:
    het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan personen welke die diensten kopen voor gebruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
  20. dichtheid:
    het totale aantal van de aangegeven gebouwde eenheden, welke zich bevinden binnen de totale grondoppervlakte van een aangegeven gebied, uitgedrukt in hun aantal per hectare van de totale grondoppervlakte van dat gebied.

Artikel 2
Wijze van meten

Bij toepassing van de globale dan wel uitgewerkte bestemmingsvoorschriften gelden de volgende bepalingen:
a. De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf de gemiddelde hoogte van het terrein waarop het bouwwerk staat, na het bouwrijp maken daarvan, tot aan het hoogste punt van het bouwwerk;
b. De grondoppervlakte en de inhoud van een bouwwerk worden gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken;
c. De afstand tussen een bouwwerk en een grens van een bouwperceel wordt gemeten vanaf het dichtst bij de perceelsgrens gelegen punt van dat bouwwerk en haaks op de perceelgrens.

Hoofdstuk 2
Globale bestemmingen

Artikel 3
Stedelijk woongebied

  1. Doeleindenomschrijving:
    De gronden welke op de bestemmingskaart no. 1 als zodanig zijn aangegeven, zijn bestemd voor handhaving en versterking van het stedelijk woongebied van Curaçao.
    Omdat de schaarse financiële middelen en ruimte zo doelmatig mogelijk moeten worden gebruikt en ter bescherming van waardevolle natuurgebieden en open ruimtes, dient de spreiding van bebouwing en infrastructuur op Curaçao te worden beperkt. De verdere ontwikkeling van stedelijke functies dient daarom plaats te hebben binnen het op de bestemmingskaart no. l aangegeven stedelijk woongebied.
    In dit gebied dient de ontwikkeling van een optimaal en goed op elkaar afgestemd woon- en werkklimaat te worden nagestreefd.
    De verdere ontwikkeling van dit gebied mag niet ten koste gaan van de ontwikkeling van de Binnenstad, maar dient deze juist aan te vullen en te ondersteunen.
  2. Beschrijving in hoofdlijnen van de wijze waarop de doeleinden worden nagestreefd:
    a. Toegestaan zijn bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van:
    1. woondoeleinden;
    2. bedrijfsdoeleinden;
    3. detailhandelsdoeleinden;
    4. dienstverleningsdoeleinden;
    5. recreatieve doeleinden;
    6. maatschappelijke doeleinden;
    7. verkeersdoeleinden;
    8. defensiedoeleinden;
    9. doeleinden van landschaps- en cultuurbehoud.
    b. Ten einde de bestaande infrastructuur efficiënter te benutten wordt gestreefd naar verdichting van het bestaande stedelijke woongebied door het bevorderen van invulplannen.
    Voor zover het bestemmingsvlakken betreft, waarin Willemstad en Tera Cora zijn gelegen, geldt hierbij als uitgangspunt bij het ontwikkelen van woningbouwplannen, dat gestreefd wordt naar het bereiken van een woningdichtheid per buurt van:
    1. 15 tot 30 woningen per ha., voor zover het buurten met overwegend volkswoningbouw betreft;
    2. 6 tot 20 woningen per ha. in andere buurten dan onder 1 genoemd.
    c. Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing met een grotere of lagere dichtheid dan onder b. genoemd, dient een afweging plaats te vinden tussen het met die afwijkende dichtheid te dienen belang en:
    in het geval van een lagere dichtheid het belang van doelmatig ruimtegebruik;
    in geval van een hogere dichtheid de mogelijke vermindering van de woonkwaliteit en de mogelijke hinder of ontsiering voor de omgeving.
    d. Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing met een grotere bouwhoogte dan 8 meter, dient een afweging plaats te vinden tussen het met die grotere bouwhoogte te dienen belang en de mogelijke hinder of ontsiering voor de omgeving, welke door die grotere bouwhoogte eventueel kan ontstaan.
    e. Indien bouwvergunning of bestemmingswijziging ten behoeve van detailhandel of aanverwante dienstverlening wordt aangevraagd, dient een afweging plaats te vinden tussen het belang, dat met detailhandel of aanverwante dienstverlening ter plaatse wordt gediend en de mogelijke schade, die daardoor ontstaat voor de detailhandelsfunctie van de gronden, die voor Binnenstad bestemd zijn.
    f. Industriële bedrijven welke hinderlijk zijn voor de woonomgeving, zijn in principe niet toelaatbaar. Zij worden verwezen naar de gronden die voor industriegebied zijn bestemd.
    gl. In woonbuurten worden functies geweerd, die op grond van de te verwachten activiteiten aantoonbaar hinder opleveren, waaraan door maatregelen onvoldoende kan worden tegemoetgekomen.
    g2. Onder hinder als bedoeld in g1. wordt in ieder geval verstaan:
    a. overmatige hinder door brand- of ontploffingsgevaar;
    b. overmatige lawaai-, stank- of stofproductie ten opzichte van de aangrenzende percelen;
    c. overmatige uitstoot of kans op overmatige uitstoot van voor de gezondheid gevaarlijke stoffen of gassen;
    d. geen of een gebrekkige aansluiting op, dan wel overmatige vervuiling van de aanwezige openbare riolering;
    e. onvoldoende voorzieningen met betrekking tot de opslag en afvoer van vast of vloeibaar vuil;
    f. overmatige overlast voortkomend uit conflicten tussen voertuigen onderling of tussen voertuigen en voetgangers;
    g. overmatige overlast door parkeren van voertuigen op de openbare weg;
    h. extra spitsuurbelasting door het woon-/werkverkeer, welke verkeerscongestie in de omgeving zal veroorzaken;
    i. een anderszins onaanvaardbare verhoging van de verkeersdruk in de aangrenzende woongebieden;
    j. activiteiten in de late avonduren en de nacht, welke overlast veroorzaken voor de omwonenden.
    h. Indien bouwvergunning of bestemmingswijziging wordt aangevraagd voor de bouw van een flat op een bouwperceel, waarop slechts 1 woning staat of mag worden gebouwd, geldt, indien er geen andere stedenbouwkundige beletselen zijn, als uitgangspunt, dat:
    1. per woning in die flat ten minste een oppervlakte van 200m2 van het bouwperceel beschikbaar moet zijn;
    2. per woning in die flat ten minste 1 parkeerplaats op het bouwperceel beschikbaar moet zijn.
    i. Indien een bouwvergunning of bestemmingswijziging wordt aangevraagd, welke met zich meebrengt dat een bestaande woning geheel of gedeeltelijk aan het woningbestand onttrokken wordt, wordt hierop in principe afwijzend beslist ter bescherming van het bestaande woningbestand en het karakter van een woonbuurt, tenzij:
    1. de woning gelegen is in een buurt zonder duidelijk woonkarakter en vervangende woonruimte binnen het stedelijk woongebied wordt gebouwd of:
    2. het belang dat de aanvrager en/of de gemeenschap heeft bij woningonttrekking, aantoonbaar groter is dan het belang, dat met bescherming van de bestaande woningvoorraad of het karakter van een woonbuurt gediend is.
    j. Gestreefd wordt om kantoren in principe zoveel mogelijk ruimtelijk te clusteren, opdat beter ingespeeld kan worden op specifieke wensen ten aanzien van bereikbaarheid of speciale voorzieningen.
    Tevens wordt ernaar gestreefd om de vestiging van kantoren in woonbuurten zoveel mogelijk te voorkomen ter bescherming van het woonkarakter van deze buurten.
    k. Het streven is om detailhandel in principe zoveel mogelijk ruimtelijk te clusteren en solitaire detailhandelsvestigingen langs hoofdwegen zoveel mogelijk te voorkomen.
    l. 1. Voor zover het de gronden te Oostpunt betreft, geldt hierbij dat de ontwikkelingen van deze gronden slechts kunnen plaatsvinden, indien:
    a. Passende voorwaarden worden gesteld en passende maatregelen worden getroffen die waarborgen dat sprake is van een daadwerkelijke en effectieve bescherming van het mariene milieu en die waarborgen dat verontreiniging van het kustgebied en het zeewater als gevolg van de bouwactiviteiten of van die activiteiten in de vorm van gebruik na realisatie van de bouwwerkzaamheden wordt voorkomen, zulks in overeenstemming met de eisen die voortvloeien uit regelgeving en internationale verdragen; en
    b. Passende maatregelen worden getroffen die waarborgen dat sprake is van daadwerkelijke en effectieve bescherming van natuurwaarden op land, zijnde plant- en diersoorten als bedoeld in de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en –bescherming, die zich in het gebied bevinden, zulks ook overigens in overeenstemming met de eisen die voortvloeien uit regelgeving en internationale verdragen.
    2. De maatregelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, moeten onder meer vooromen dat als van gevolg van ontwikkeling meer regen-, storm-, riool-, of andersoortige verontreiniging van het kustgebied en het zeewater plaatsvindt.
  3. Het tweede lid, onderdelen j en k, zijn niet van toepassing voor de gronden van Oostpunt
    met de bestemming stedelijk woongebied.

Artikel 4
Binnenstad

  1. Doeleindenomschrijving:
    a. De gronden welke op de bestemmingskaart no. 1 als zodanig zijn aangegeven, zijn bestemd voor behoud, herstel en verdere ontwikkeling van de Binnenstad van Willemstad omdat:
    1. Een aantrekkelijk en goed functionerend stadscentrum van groot belang is voor het huidige en toekomstige maatschappelijk en economisch welzijn van geheel Curaçao;
    2. Het behoud en herstel van het historisch karakter van de Binnenstad van Willemstad van groot belang wordt geacht voor de samenleving en voor de ontwikkeling van het toerisme.
    b. Om dit doel van behoud, herstel en verdere ontwikkeling van de Binnenstad te bereiken worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
    1. Het algemeen aanzicht van de Binnenstad behoeft uit het oogpunt van culturele, historische, stedenbouwkundige en toeristische waarden de bijzondere bescherming, zoals bedoeld in artikel 19 van de LROC.
    2. De historische rol van de Binnenstad en daarmee ook van Curaçao in bredere zin als handels- en zakencentrum in de regio dient geoptimaliseerd te worden.
    3. Om de aantrekkelijkheid van de Binnenstad te vergroten dient het verblijfsklimaat te worden verbeterd en dienen de uitgaans- en recreatieve functies verder te worden ontwikkeld.
    4. De woonfunctie dient als essentieel onderdeel van een levende Binnenstad versterkt te worden.
    5. Om tot een effectieve en integrale aanpak van het behoud, het herstel en de verdere ontwikkeling van de Binnenstad te komen is het voeren van een actief stadsvernieuwingsbeleid noodzakelijk.
  2. Beschrijving in hoofdlijnen van de wijze waarop de doeleinden worden nagestreefd:
    a. Toegestaan zijn bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van:
    1. woondoeleinden;
    2. bedrijfsdoeleinden;
    3. detailhandelsdoeleinden;
    4. horeca- en dienstverleningsdoeleinden;
    5. recreatieve doeleinden;
    6. maatschappelijke doeleinden:
    7. verkeersdoeleinden;
    8. defensiedoeleinden;
    9. doeleinden van landschaps- en cultuurbehoud.
    b. Ter bescherming van het aanzicht van de Binnenstad is een vergunningenstelsel voor het slopen van bouwwerken, zoals opgenomen in het derde lid van dit artikel, noodzakelijk.
    c. Bebouwing mag het aanzicht van de Binnenstad niet verstoren. Indien bouwvergunning wordt aangevraagd, kunnen ter bescherming van het aanzicht van de Binnenstad onder meer eisen worden gesteld ten aanzien van:
    1. de perceelsindeling;
    2. de bouwhoogte;
    3. de gevelbreedte;
    4. de gevelindeling en de horizontale en verticale gevelgeleding;
    5. het gebruik van bouwmaterialen;
    6. de dakvorm alsmede de aard van de dakbedekking.
    Bij het stellen van deze eisen geldt onder meer als uitgangspunt, dat bebouwing moet passen in de in het vierde lid van dit artikel opgenomen ‘beschrijving van het te beschermen stadsgezicht’.
    Afwijken van deze beschrijving is mogelijk, indien dit geen of geen onevenredige verstoring van het stadsgezicht tot gevolg heeft in verhouding met het met dit afwijken te dienen belang.
    d1. In de Binnenstad worden functies geweerd, die op grond van de te verwachten activiteiten aantoonbaar hinder opleveren, waaraan door maatregelen onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.
    d2. Onder hinder als bedoeld in d1. wordt in ieder geval verstaan:
    a. overmatige hinder door brand- of ontploffingsgevaar:
    b. overmatige lawaai-, stank- of stofproductie ten opzichte van de aangrenzende percelen;
    c. overmatige uitstoot of kans op overmatige uitstoot van voor de gezondheid gevaarlijke stoffen of gassen;
    d. geen of een gebrekkige aansluiting op dan wel overmatige vervuiling van de aanwezige openbare riolering;
    e. onvoldoende voorzieningen met betrekking tot de opslag en afvoer van vast of vloeibaar vuil;
    f. overmatige overlast voortkomend uit conflicten tussen voertuigen onderling of tussen voertuigen en voetgangers;
    g. overmatige overlast door parkeren van voertuigen op de openbare weg;
    h. extra spitsuurbelasting door het woon-/werkverkeer, welke verkeerscongestie in de omgeving zal veroorzaken;
    i. een anderszins onaanvaardbare verhoging van de verkeersdruk in de aangrenzende woongebieden;
    j. activiteiten in de late avonduren en de nacht, welke overlast veroorzaken voor de omwonenden.
  3. Sloopvergunning:
    a. Het is verboden op gronden, die bestemd zijn voor Binnenstad, zonder schriftelijke aanlegvergunning van de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning – hierna te noemen sloopvergunning – of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden, bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen.
    b. De sloopvergunning wordt geweigerd, indien de sloop een schade teweegbrengt aan het aanzicht van de Binnenstad, welke onevenredig is met het door de sloop te dienen belang.
    c. 1. De minister kan aan een sloopvergunning de voorwaarde verbinden, dat nieuwbouw dient plaats te vinden van een bouwwerk, waarvoor bouwvergunning is verleend, en in deze sloopvergunning een redelijke termijn opnemen, waarbinnen met de nieuwbouw moet zijn begonnen en een redelijke termijn opnemen, waarbinnen de nieuwbouw moet zijn voltooid.
    2. Op schriftelijk verzoek van de aanvrager van de sloopvergunning kan de minister de onder c1. bepaalde termijnen verlengen.
    d. 1. Een sloopvergunning wordt in ieder geval verleend, indien bouwvergunning is verleend ter plaatse van het te slopen bouwwerk en de totstandkoming van het nieuwe bouwwerk naar het oordeel van de minister voldoende is gegarandeerd.
    2. De minister kan ter meerdere zekerheid, dat na de sloop gebouwd wordt, een bankgarantie eisen tot een maximum van 20% van de door de minister geschatte aanneemsom.
    3. Bij het niet voltooien van de bouw binnen de onder c1. genoemde termijn of de onder c2. genoemde verlengde termijn kan de minister het bedrag van de bankgarantie aan het Land doen uitbetalen.
    e. Aan het verlenen van een sloopvergunning kan de minister ook andere voorwaarden dan onder c. en d. genoemd verbinden ter bescherming van het aanzicht van de Binnenstad.
    f. Voor sloopwerkzaamheden, welke plaats vinden in het kader van het normale onderhoud, of die naar het oordeel van de minister van zeer ondergeschikte aard zijn, is geen sloopvergunning vereist.
    g. Voor bouwwerken, welke zijn ingeschreven als beschermd monument in de zin van de Monumentenlandsverordening Curaçao, is geen sloopvergunning, als bedoeld in dit artikel, vereist, aangezien deze bouwwerken al voldoende worden beschermd op grond van de bepalingen van de Monumentenlandsverordening Curaçao.
    h. Indien geen bouwvergunning is verleend ter plaatse van het te slopen bouwwerk, hoort de minister de Monumentenraad Curaçao alvorens een sloopvergunning te verlenen.
    i. Indien tegen een besluit tot het verlenen van een voorwaardelijke vergunning, tot weigering van een vergunning of tot aanhouding van de beslissing op de vergunningsaanvraag dan wel op grond van het niet tijdig nemen van een besluit, door de aanvrager voorziening bij de minister is gevraagd, vraagt de minister, alvorens over deze voorziening te beslissen, binnen een maand na ontvangst van het verzoek om de voorziening een schriftelijk advies over deze voorziening aan de Monumentenraad Curaçao.
  4. Beschrijving van het te beschermen stadsgezicht:
    a. De bebouwing moet in geval van behoud en herstel van de bestaande bebouwing en/of bij vervangende nieuwbouw passen in de volgende beschrijving:
    1. perceelsindeling:
    Het bestaande of historische patroon van straten, open ruimtes en bebouwingsvlakken dient gehandhaafd te blijven.
    Tevens dienen het bestaande bebouwingspatroon van vrijstaande en/of aaneen gebouwde panden, de richting van de voorgevels ten opzichte van de weg en de bestaande voor- en zijgevelrooilijnen gehandhaafd te blijven.
    2. bouwhoogte:
    De bestaande bouwhoogten, evenals de bestaande bouwhoogteverschillen met aangrenzende bouwwerken, moeten bij benadering worden gehandhaafd.
    3. gevelbreedte:
    De bestaande gevelbreedte moet bij benadering gehandhaafd blijven.
    4. gevelindeling, horizontale en verticale gevelgeleding:
    Voor gevels die zichtbaar zijn vanaf een openbare ruimte gelden de volgende uitgangspunten:
    * In principe dienen staande ramen te worden toegepast en deze dienen op regelmatige wijze over het gevelvlak te zijn verdeeld.
    * De bestaande horizontale en verticale gevelgeledingen dienen te worden gehandhaafd.
    * Bij nieuwbouw dienen gevels die breder zijn dan 15 meter een duidelijke verticale geleding te krijgen, door een regelmatige situering van ramen en gevelvlakken in de gevel.
    * Bij nieuwbouw dienen gebouwen met meerdere verdiepingen een duidelijke horizontale geleding te krijgen door een regelmatige situering van ramen en gevelvlakken in de gevel.
    5. gebruik van bouwmaterialen:
    Bebouwing dient overwegend van steen te zijn en gestuct. Bebouwing van overwegend hout blijft toegestaan, indien ter plaatse reeds overwegend houten bebouwing aanwezig is. Bouwwerken moeten geverfd worden. Zowel houten als stenen gevels moeten worden geverfd.
    6. dakvorm en aard van de dakbedekking:
    De bestaande dakvormen dienen in principe te worden gehandhaafd. Bebouwing dient voorzien te zijn van een kap. De dakschilden dienen te worden afgedekt met pannen, geschilderde dakplaten of hoogwaardige materialen.
    b. Nieuwe bebouwing op plaatsen, waar geen bebouwing stond, moet eveneens voldoen aan het bepaalde in lid 4a en, voor zover dit onvoldoende duidelijkheid geeft, in maat, schaal en materiaalgebruik zoveel mogelijk aansluiten op de bebouwing in de naaste omgeving.

Artikel 5
Industriegebied

  1. Doelomschrijving:
    De gronden, welke op de bestemmingskaart no. 1 als zodanig zijn aangegeven, zijn bestemd voor handhaving en verdere ontwikkeling van industriële en ambachtelijke activiteiten.
  2. Beschrijving in hoofdlijnen van de wijze, waarop de doeleinden worden nagestreefd:
    a. Toegestaan zijn bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van:
    1. industriële en ambachtelijke doeleinden, alsmede overslag van goederen, groothandel en transport;
    2. doeleinden van openbaar nut;
    3. verkeersdoeleinden;
    4. havendoeleinden;
    5. defensiedoeleinden.
    b. Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing met een grotere bouwhoogte dan 10 meter, dient een afweging plaats te hebben tussen het met die grotere bouwhoogte te dienen belang en de mogelijke ontsiering van de omgeving, welke door die grotere hoogte eventueel kan ontstaan.
    c. Het industriegebied grenzend aan het vliegveld is in het bijzonder bestemd voor de concentratie van hoogwaardige technische bedrijven, voor de vestiging van bedrijven die vanwege hun activiteiten een ligging nabij het vliegveld behoeven, dan wel voor de ontwikkeling van een vrije zone nabij het vliegveld.
    d. Het gebied van de bestaande landfill aan de oostzijde van Malpaïs is in het bijzonder bestemd voor de opslag, verwerking, bewerking en verbranding van afvalstoffen en aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken, voorwerpen, stoffen en materialen.
    e. De gebieden direct grenzend aan de Bullenbaai zijn in principe bestemd voor de vestiging van industriële bedrijven, die vanwege hun activiteiten een ligging aan diep zeewater behoeven. Hierbij wordt onder meer gedacht aan de overslag van bulkgoederen. Het aangrenzende industriegebied Meiberg zal als industriegebied ontwikkeld worden ten behoeve van zowel bedrijven, die de nabijheid van diep zeewater behoeven als bedrijven die dit niet behoeven.
    f. Het industriegebied Tafelberg/Fuikbaai is uitsluitend bedoeld voor delfstoffenwinning en daaraan gelieerde bedrijven.
    g. De industriegebieden grenzend aan het Schottegat zijn in het geheel bestemd voor bedrijven, die vanwege hun activiteiten een ligging nabij een haven behoeven.
    Andere bedrijven kunnen slechts toegelaten worden, indien het met die toelating te dienen belang geen onevenredige schade brengt aan het belang van reservering van voldoende terreinen voor havengebonden bedrijven.
    h. De middelgrote en kleinere industriegebieden in het verstedelijkte gebied, zoals Brievengat, Mahuma, Seroe Lora en Heintje Kool zijn bestemd voor middelgrote en kleinere bedrijven ten behoeve van industrie, groothandel en transport.
    i. Bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van handel, niet zijnde detailhandel, alsmede dienstverlening zijn op de voor industriegebied bestemde gronden toegestaan, voor zover deze activiteiten samengaan met de onder a. genoemde activiteiten, dan wel een ligging nabij een vliegveld behoeven, voor zover het aan het vliegveld grenzende industriegebied betreft.
    j. Detailhandel in goederen, die ter plaatse worden vervaardigd, bewerkt of hersteld, is toegestaan, mits deze detailhandel van ondergeschikte aard is ten opzichte van de hoofdactiviteit.
    k. Na een afweging tegen het belang van handel en dienstverlening elders en met name in het stedelijk woongebied en de Binnenstad, kan ook andere dan onder i. en j. genoemde handel en dienstverlening worden toegestaan op de voor industriegebied bestemde gronden.
    Hierbij wordt onder meer gedacht aan het toestaan van detailhandel in goederen waarvan de verkoop in het stedelijk woongebied en de Binnenstad hinder kan opleveren.
    l. Dienstwoningen zijn toegestaan, voor zover aangetoond kan worden, dat het wonen ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 6
Vliegveld

  1. Doeleindenomschrijving:
    De gronden, welke op de bestemmingskaart no. 1 als zodanig zijn aangegeven, zijn bestemd voor handhaving en verdere ontwikkeling van activiteiten die met de luchtvaart samenhangen.
  2. Beschrijving in hoofdlijnen van de wijze, waarop de doeleinden worden nagestreefd:
    a. Toegestaan zijn bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van:
    1. luchtvaartdoeleinden;
    2. bedrijfsdoeleinden, detailhandelsdoeleinden en dienstverleningsdoeleinden die met de luchtvaart samenhangen;
    3. doeleinden van openbaar nut;
    4. verkeersdoeleinden;
    5. defensiedoeleinden.
    b. Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing met een grotere bouwhoogte dan 10 meter, dient een afweging plaats te vinden tussen het met die grotere bouwhoogte te dienen belang en de mogelijke hinder of ontsiering voor de omgeving, welke door die grotere hoogte eventueel kan ontstaan.
    c. Dienstwoningen zijn toegestaan, voor zover aangetoond kan worden, dat het wonen ter plaatse noodzakelijk is.
    Andere woningen zijn slechts in uitzonderingsgevallen toegestaan, voor zover het daarmee te dienen belang niet leidt tot onevenredige schade aan het in de doeleindenomschrijving genoemde belang.

Artikel 7
Toeristisch gebied

  1. Doeleindenomschrijving:
    De gronden welke op de bestemmingskaart no. 1 als zodanig zijn aangegeven, zijn bestemd voor de ontwikkeling van recreatieve voorzieningen met een nadruk op voorzieningen ten behoeve van het toerisme.
    Ook bijzondere voorzieningen op het gebied van de handel, dienstverlening en voorzieningen voor de visserij kunnen in deze bestemming een plaats vinden.
    Daarnaast mogen deze gronden worden gebruikt voor andere bijzondere initiatieven, die bij uitstek de ontwikkeling van het Land ten goede komen.
  2. Beschrijving in hoofdlijnen van de wijze waarop de doeleinden worden nagestreefd:
    a. Toegestaan zijn bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van:
    1. hoteldoeleinden;
    2. recreatiewoningen alsmede bijzondere en luxueuze woonvormen;
    3. handel- en dienstverlening;
    4. recreatieve doeleinden;
    5. maatschappelijke doeleinden;
    6. verkeersdoeleinden;
    7. doeleinden van landschaps-, cultuur- en natuurbehoud;
    8. visserij;
    9. andere bijzondere initiatieven die bij uitstek de ontwikkeling van het Land ten goede komen.
    b. In alle gebieden moet gedacht worden aan de ontwikkeling van het toerisme door middel van hotels alsmede recreatiewoningen met alle daarbij behorende voorzieningen. Gezien de schaarse financiële middelen van de overheid dient de verdere ontwikkeling van infrastructuur voor toeristische projecten bij voorkeur geconcentreerd op deze gebieden plaats te vinden.
    De eerste ontwikkelingsprioriteit hebben de hieronder genoemde gebieden 1 en 2, vanwege de aanwezigheid of nabijheid van infrastructuur ter plaatse waarop aangesloten kan worden en vanwege hun centrale ligging waardoor verwacht wordt dat juist de ontwikkeling van deze gebieden de functie van de Binnenstad zal ondersteunen en versterken.
    De andere toeristische gebieden hebben een lagere ontwikkelingsprioriteit, vanwege de beperktere beschikbaarheid van infrastructuur en de grotere afstand tot de Binnenstad. Medewerking van het Land aan de aanleg van infrastructurele voorzieningen voor een project in deze gebieden kan afhankelijk gesteld worden van de uitkomsten van een onderzoek naar de kosten en baten van een project.

In de verschillende deelgebieden worden in principe de volgende ontwikkelingen nagestreefd:

1. Parasasa – Piscaderabaai
Te Parasasa is op de terreinen ten oosten van het ITC en het Sonesta Hotel nog ruimte gereserveerd voor één nieuw hotel. Er wordt gestreefd naar de aanleg van een nieuw strand ten behoeve van dit hotel en de lokale bevolking aansluitend op het strand voor het Sonesta Hotel. Het Caribbean Hotel kan op eigen terrein nog aanzienlijk uitbreiden. Op de terreinen ten noorden van het ITC is een appartementenproject in uitvoering.
Het toeristisch gebied langs de oostzijde van de Piscaderabaai wordt beschouwd als uitloopmogelijkheid voor de ontwikkelingen te Parasasa waar het ruimtelijk op aansluit. Er wordt gedacht aan hotels, bungalows en appartementen in een middelmatige dichtheid en in overwegend laagbouw.
Vanwege de geconstateerde bodemverontreiniging in de baai en het beperkte doorzicht van het water is de Piscaderabaai minder geschikt als zwemwater. De baai is echter wel geschikt voor andere watersportactiviteiten.
Voor hotelbouw in deze gebieden geldt in principe een maximum bouwhoogte van 4 lagen plus kap terwijl het streven is villa’s en appartementen in laagbouw te realiseren (max. 2 lagen plus kap).

2. Cornelisbaai en Seru Spanjo
In het gebied Cornelisbaai is de kuststrook tussen het hotel Princess Beach en het Seaquarium bij uitstek geschikt voor hotelontwikkeling, waarbij tussen het Princess Beach Hotel en het Lions Dive Hotel ruimte aanwezig is voor twee nieuwe hotels in middelhoogbouw (3 tot 4 bouwlagen plus kap). De aan de landzijde van de verlengde dr. M. L. King-boulevard gelegen terreinen bieden goede mogelijkheden voor één dan wel meerdere appartementenhotels of -complexen en recreatiewoningen in een vrij hoge dichtheid en overwegend in laagbouw.
De kuststrook bij Marie Pompoen zal als openbaar strand worden ontwikkeld met mogelijkheden voor kleinschalige dienstverlenende activiteiten. Dit gebied dat een sterk openbaar karakter zal krijgen moet mede de ontwikkeling van het Cornelisbaaigebied ondersteunen.
Voor de ontwikkeling van Seru Spanjo wordt gedacht aan 1 of 2 hotels en vakantiebungalows en appartementen. De bebouwing zal gesitueerd moeten worden aan de zeezijde van het gebied en in het centrale deel ter plaatse van de voormalige steenbrekerij. De bungalows en appartementen zullen in laagbouw uitgevoerd moeten worden; de hotels kunnen afhankelijk van de situering een iets grotere bouwhoogte krijgen (3 tot 4 bouwlagen met kap). Voor de bebouwde delen wordt een middelmatige dichtheid nagestreefd.
De zijde nabij de Lagune van Jan Thiel is ter bescherming van dit voor vogels belangrijke rust- en foerageergebied aangewezen als conserveringsgebied.
Seru Spanjo zal aan de zeezijde ontsloten worden via een nog aan te leggen weg naar de dr. M. L. King-boulevard. Het gebied zal pas ontwikkeld worden als er zekerheid over deze ontsluiting is.

3. Jan Thielbaai
Rond de Baai van Jan Thiel is een gebied opgenomen als toeristisch gebied. Voor dit gebied wordt gedacht aan de ontwikkeling van een hotel en bijbehorende villa’s en appartementen. Gedacht wordt daarbij aan een middelmatige dichtheid en bebouwing in overwegend laagbouw. Het gebied sluit aan de zijde van de Caracasbaai aan op het gedeelte van Jan Thiel met de bestemming stedelijk woongebied. Het gebied nabij de Lagune van Jan Thiel is aangewezen als conserveringsgebied en dient vrij te blijven van toeristische of stedelijke ontwikkelingen, vanwege de betekenis van de lagune van Jan Thiel als rust-, broed- en foerageergebied voor allerlei vogels.
De hoofdontsluiting van het gebied Jan Thiel zal in principe plaats hebben via de Caracasbaaiweg.

4. Caracasbaaischiereiland
Het Caracasbaaischiereiland wordt vanwege de ligging aan de Caraïbische Zee en het Spaanse Water zeer geschikt geacht voor toekomstige toeristische ontwikkeling.
Alvorens overgegaan zal worden tot het toeristisch ontwikkelen van het gebied zal onderzoek gedaan worden naar eventuele bodemvervuiling. Deze vervuiling is het gevolg van het jarenlange gebruik van het gebied als olieterminal. Dit bodemonderzoek zal mede bepalen in welke mate ontwikkeling voor toeristische doeleinden mogelijk is. Saneringsmaatregelen nodig om het gebied voor toeristische ontwikkeling geschikt te maken, zullen worden uitgevoerd.
Fort Beekenburg en het Quarantaine gebouw zijn historisch belangrijke gebouwen en dienen gehandhaafd te worden. Zij zijn tevens zeer beeldbepalend en toeristisch interessant. De Kabrietenberg en het oostelijke gedeelte van het schiereiland zijn geologisch en natuurwetenschappelijk waardevol. Aan de zeezijde bevindt zich bijvoorbeeld een uitgebreid mangrovebos. Deze delen krijgen de bestemming conserveringsgebied.
Het westelijk gedeelte van het schiereiland en de landengte zijn met name gedacht voor hotelontwikkeling met appartementen en villa’s met alle daarbij behorende voorzieningen, zoals restaurants, winkels, strand, jachthavens en recreatieve en sportfaciliteiten.
Voor de delen die voor hotel- of resortontwikkeling in aanmerking komen wordt een middelmatige bebouwingsdichtheid voorgestaan, waarbij bebouwing kan plaats hebben in overwegend laagbouw en incidenteel middelhoogbouw (1 tot 4 bouwlagen met kap).
Gestreefd wordt naar uitbreiding van het openbare strand aan de landengte, vanwege de verwachte toenemende behoefte aan strandfaciliteiten in het oostelijke deel van het eiland en ter ondersteuning van de gewenste toeristische ontwikkeling op het schiereiland. De aan de westzijde van het schiereiland gelegen pieren worden reeds incidenteel gebruikt voor het aanleggen van grote cruiseschepen en als alternatieve ligplaats voor cruiseschepen bij slechte weersomstandigheden.

5. Santa Barbara
Het als toeristisch gebied opgenomen deel van Santa Barbara wordt vanwege de ligging aan het Spaanse Water, Fuikbaai en de Caraïbische Zee en de nabijheid van de Tafelberg zeer geschikt geacht voor de ontwikkeling van luxe toeristische hotel- en bungalowprojecten met alle daarbij behorende recreatieve voorzieningen, zoals jachthavenfaciliteiten aan het Spaanse Water en in Fuikbaai en een golfbaan. Een deel kan gebruikt worden voor het realiseren van bijzondere woonvormen voor onder meer gepensioneerden. Gedacht wordt aan een bebouwing in overwegend laagbouw en in beperkte mate middelhoogbouw (1 tot 4 bouwlagen met kap) in een lage dichtheid. Vanwege de nabijheid van het waardevolle rif kan aan de Caraïbische kust geen kunstmatige strandaanleg plaats hebben.
Alvorens tot de ontwikkeling van het gedeelte langs de zee en rond Fuikbaai kan worden overgegaan dienen maatregelen getroffen te worden tegen de stofoverlast vanwege de mijnbouwactiviteiten op de Tafelberg. De in Fuikbaai gelegen kade- en overslagfaciliteiten, die in gebruik zijn bij de Mijnmaatschappij zullen gehandhaafd blijven zolang deze voor de activiteiten van de Mijnmaatschappij noodzakelijk zijn.

6. Blauwbaai/Klein Piscadera
Voor Blauw geldt een goedgekeurd plan dat gericht is op de ontwikkeling van deze voormalige plantage tot een luxe woon- en vakantieresort, met als belangrijkste recreatieve voorzieningen de baai en een door het resort lopende golfbaan. Nabij de baai is ruimte gereserveerd voor een hotel in hoogbouw. Verder wordt gedacht aan de bouw van villa’s en appartementen in laagbouw (1 tot 2 bouwlagen met kap) en mogelijk een appartementenhotel in middelhoogbouw (4 lagen plus kap). Voor het totale gebied wordt gedacht aan een middelmatige dichtheid. Aan de westzijde van de Piscaderabaai ten zuiden van de als conserveringsgebied aangewezen Jack Evertszberg is een deel van het landgoed Klein Piscadera opgenomen als toeristisch gebied. Hier is de mogelijkheid voor een gemengde hotel-bungalow ontwikkeling in middelmatige dichtheid.

7. Cas Abao/Porto Marie
Voor het westelijk deel van de kuststrook van Cas Abao is het verkavelingsplan ‘Ceru Wea i Awa’ vastgesteld ten behoeve van luxe woningbouw en dit kan als zodanig uitgevoerd worden.
De overige delen van de kustzone lenen zich bij uitstek voor hotel- en appartementenontwikkeling in laagbouw en middelhoogbouw (1 tot 4 bouwlagen met kap) met een middelmatige dichtheid.
Voor het landinwaarts gelegen gedeelte van Cas Abao wordt gedacht aan luxe villa’s en appartementen en bijzondere woonvormen in laagbouw en in lage dichtheden. Aansluitend op Cas Abao is het kustgedeelte van het landgoed Porto Marie rond de baai van Porto Marie opgenomen als toeristisch gebied.
Het aanwezige strand biedt de mogelijkheid voor de ontwikkeling van een duidelijk op het toerisme gericht hotel-resort project. Gedacht wordt aan één middelgroot hotel, villa’s en appartementen in overwegend laagbouw met een lage dichtheid.

8. Santa Martha
Aan de oostzijde van de Santa Marthabaai is een klein gebied opgenomen als toeristisch gebied. Dit gebied bevat een in de kuststrook gelegen goedgekeurd verkavelingsplan en het gebied nodig voor de voorgenomen uitbreiding van het Coral Cliff Hotel. De bebouwing zal uitgevoerd worden in overwegend laagbouw en in een vrij lage dichtheid.

9. San Nicolaas
Het gebied San Nicolaas is opgenomen als toeristisch gebied ten behoeve van de ontwikkeling van een geïntegreerd toeristisch complex. Er zijn mogelijkheden voor enkele hotels, appartementen, vakantiewoningen, villa’s e.d. met alle daarbij benodigde recreatieve en andere voorzieningen. Een deel van het complex kan worden opgezet als bijzondere of luxe woonvorm voor permanente bewoning.
Gestreefd wordt om minimaal 60% van de bebouwing een zuiver toeristische bestemming te geven. Aan de Santa Marthabaai zal een jachthavenontwikkeling plaats kunnen vinden, indien dit technisch mogelijk en milieutechnisch verantwoord is.
De bebouwing is gedacht in overwegend laagbouw (1 en 2 bouwlagen met kap), waarbij de hotelbebouwing ten dele een hogere bouwhoogte kan krijgen (3 tot 4 bouwlagen met kap). De bebouwing zal in hoofdzaak gesitueerd dienen te worden in de kustzone en aan de westzijde van de Santa Marthabaai. Het binnengebied zal daardoor een groen en open karakter behouden, waarin plaats is voor recreatieve functies. Door middel van een goede landschapsarchitectuur en het behoud van bestaande natuurlijke elementen en vegetatie kan het landschappelijk karakter van het gebied gehandhaafd blijven. Voor het hele gebied resulteert dit in een vrij lage dichtheid.
De aanleg van eventuele kunstmatige stranden in de kuststrook en de aanleg van een jachthaven in de Santa Marthabaai mogen niet leiden tot enige aantasting van het voor de kust aanwezige rif.

10. Knip/Jeremi
In het bij Knip opgenomen toeristische gebied liggen twee openbare stranden: Playa Abao of Grote Knip en Playa Chikitu of Kleine Knip. Bij de ontwikkeling van het gebied zullen deze stranden openbaar en vrij toegankelijk blijven.
Voor het gebied wordt gedacht aan twee klein hotel­ resortprojecten. Eén project ten westen van Playa Abao en één project ten oosten van Playa Chikitu. Voor beide projecten geldt dat ze overwegend in laagbouw zijn gedacht, waarbij alleen voor de hotelbebouwing eventueel een wat grotere bouwhoogte (3 tot 4 bouwlagen met kap) toegepast kan worden. Gedacht wordt daarbij aan een middelmatige dichtheid.
Het gebied gelegen tussen de stranden kan gebruikt worden voor aanvullende recreatieve activiteiten zoals paardrijden, wandelen, tennissen en dergelijke. Hierdoor blijft het onbebouwde karakter gehandhaafd en ontstaat een aantrekkelijke verbinding tussen de kust en het Christoffelpark. Het geeft ook hier de zo gewenste groene geleding van de kustzone.
Door te kiezen voor een bescheiden ontwikkeling wordt voorkomen dat de druk vanuit het toerisme op de stranden zo groot zal worden dat er voor publiek gebruik geen ruimte meer overblijft.
Van Jeremi is het gedeelte aan de zeezijde van de weg naar Westpunt opgenomen als toeristisch gebied. Gedacht wordt aan een ontwikkeling in lage dichtheid in laagbouw. Rekening houdend met de beperkte omvang van het strand kan naast een toeristisch hotel/resort ontwikkeling ook gedacht worden aan luxe of bijzondere woonvormen.

11. Gronden te Oostpunt
Voor zover het de gronden te Oostpunt betreft, geldt hierbij dat de ontwikkelingen van deze gronden slechts kunnen plaatsvinden, indien:
1. Voor zover het de gronden te Oostpunt betreft, geldt hierbij dat de ontwikkelingen van deze gronden slechts kunnen plaatsvinden, indien:
a. Passende voorwaarden worden gesteld en passende maatregelen worden getroffen die waarborgen dat sprake is van een daadwerkelijke en effectieve bescherming van het mariene milieu en die waarborgen dat verontreiniging van het kustgebied en het zeewater als gevolg van de bouwactiviteiten of van die activiteiten in de vorm van gebruik na realisatie van de bouwwerkzaamheden wordt voorkomen, zulks in overeenstemming met de eisen die voortvloeien uit regelgeving en internationale verdragen; en
b. Passende maatregelen worden getroffen die waarborgen dat sprake is van daadwerkelijke en effectieve bescherming van natuurwaarden op land, zijnde plant- en diersoorten als bedoeld in de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en –bescherming, die zich in het gebied bevinden, zulks ook overigens in overeenstemming met de eisen die voortvloeien uit regelgeving en internationale verdragen.
2. De maatregelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, moeten onder meer voorkomen dat als gevolg van ontwikkeling meer regen-, storm-, riool-, of andersoortige verontreiniging van het kustgebied en het zeewater plaatsvindt.

c. Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing met een grotere bouwhoogte dan 6 meter, dient een afweging plaats te vinden tussen het met die grotere bouwhoogte te dienen belang en de mogelijke hinder of ontsiering van de omgeving, welke door die grotere bouwhoogte eventueel kan ontstaan.
d. Indien bouwvergunning of bestemmingswijziging ten behoeve van detailhandel of aanverwante dienstverlening wordt aangevraagd, dient een afweging plaats te vinden tussen het belang, dat met detailhandel of aanverwante dienstverlening ter plaatse wordt gediend, en de mogelijke schade, die daardoor ontstaat voor de detailhandelsfunctie van de gronden die voor stedelijk woongebied en Binnenstad bestemd zijn.
De omvang van de detailhandelsfunctie in de toeristische gebieden dient afgestemd te zijn op de omvang van de projecten in deze gebieden.
e. De minister is bevoegd aan het verlenen van bouwvergunningen de voorwaarde te verbinden, dat de aanvrager van de bouwvergunning de door het Land te maken kosten voor uitbreiding van wegen en andere voorzieningen van openbaar nut vergoedt, voor zover het gebieden betreft genoemd onder b., 3 tot en met 10, dan wel vergoedt, indien het bouwwerk of project niet wordt afgebouwd of niet in gebruik wordt genomen, voor zover het alle onder b. genoemde gebieden betreft.
f. Onverminderd het bepaalde in artikel 15 dient de minister aan het verlenen van bouwvergunningen de voorwaarde te verbinden dat het afvalwater van het bouwwerk of project gezuiverd wordt overeenkomstig de door de minister te stellen normen.
g. Dienstwoningen zijn toegestaan, voor zover aangetoond kan worden, dat het wonen ter plaatse noodzakelijk is.
Andere woningen, die niet vallen onder het in a. bepaalde, zijn slechts in uitzonderingsgevallen toegestaan, voor zover het daarmee te dienen belang niet leidt tot onevenredige schade aan het in de doeleindenomschrijving genoemde belang.
h. Industriële bedrijven zijn niet toegestaan.

Artikel 8
Agrarisch gebied

  1. Doeleindenomschrijving:
    De gronden, welke op de bestemmingskaart no. 1 als zodanig zijn aangegeven, zijn bestemd voor behoud en verdere ontwikkeling van landbouw, veeteelt en visserij.
  2. Beschrijving in hoofdlijnen van de wijze, waarop de doeleinden worden nagestreefd:
    a. Toegestaan zijn bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van:
    1. agrarische doeleinden;
    2. doeleinden van openbaar nut;
    3. verkeersdoeleinden;
    4. voorzieningen voor de opvang van water;
    5. doeleinden van landschaps-, cultuur- en natuurbehoud.
    b. Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing met een grotere bouwhoogte dan 6 meter, wordt deze slechts toegestaan, indien het met die grotere bouwhoogte te dienen belang van aantoonbaar groter belang is, dan de mogelijke hinder of ontsiering van de omgeving, welke door die grotere hoogte eventueel kan ontstaan.
    c. Bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van defensie-doeleinden, alsmede ten behoeve van bedrijfsdoeleinden, detailhandelsdoeleinden, dienstverleningsdoeleinden, recreatieve doeleinden en maatschappelijke doeleinden, die niet onder a. zijn genoemd, kunnen in beperkte mate worden toegestaan, mits dit in verhouding tot het met deze bebouwing en andere voorzieningen te dienen belang niet leidt tot onevenredige schade aan het in de doeleindenomschrijving genoemde belang, niet leidt tot onevenredige schade aan de detailhandelsfunctie van gronden, die voor stedelijk woongebied en Binnenstad zijn bestemd en ook niet leidt tot onevenredige verkeersproblemen.
    d. Dienstwoningen zijn toegestaan voor zover aangetoond kan worden, dat het wonen ter plaatse noodzakelijk is.
    e. Op een voor agrarische doeleinden gebruikt bouwperceel is een gebouw ten behoeve van dagverblijf toegestaan, mits de grondoppervlakte van dit gebouw niet meer dan 40m2 bedraagt.

Artikel 9
Conserveringsgebied

  1. Doeleindenomschrijving:
    De gronden, welke in het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (EOP) als zodanig zijn aangegeven zijn bestemd voor behoud en herstel van de natuurwetenschappelijke, historische, culturele en landschappelijke waarden in deze gebieden.
  2. Beschrijving in hoofdlijnen van de wijze, waarop de doeleinden worden nagestreefd:
    a. Toegestaan zijn bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van:
    1. het behoud en herstel van de in de doeleindenomschrijving genoemde waarden;
    2. verkeersdoeleinden;
    3. extensieve dagrecreatie in de openlucht, welke de onder 1 genoemde waarden niet onevenredig verstoort.
    b. Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing met een grotere bouwhoogte dan 6 meter, wordt deze slechts toegestaan, indien het met die grotere bouwhoogte te dienen belang van aantoonbaar groter belang is, dan de mogelijke hinder of ontsiering van de omgeving, welke door die grotere hoogte eventueel kan ontstaan.
    c. Bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van maatschappelijke doeleinden, alsmede ten behoeve van intensieve dagrecreatie of verblijfsrecreatie kunnen in zeer beperkte mate worden toegestaan, mits het toestaan van deze bebouwing en voorzieningen niet leidt tot onevenredige schade aan de in de doeleindenomschrijving genoemde waarden.
    d. Bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van detailhandel en aanverwante dienstverlening kunnen in beperkte mate worden toegestaan, mits het toestaan van deze bebouwing en voorzieningen niet leidt tot onevenredige schade aan de in de doeleindenomschrijving genoemde waarden, niet leidt tot onevenredige schade aan de detailhandelsfunctie van gronden, die voor stedelijk woongebied en Binnenstad zijn bestemd en ook niet leidt tot onevenredige verkeersproblemen.
    e. Dienstwoningen zijn toegestaan, voor zover aangetoond kan worden, dat het wonen ter plaatse noodzakelijk is. Andere woningen zijn slechts in uitzonderingsgevallen toegestaan, mits het toestaan van deze woningen niet leidt tot onevenredige schade aan de in de doeleindenomschrijving genoemde waarden.
    f. Ter bescherming van de in de doeleindenomschrijving genoemde waarden is een aanlegvergunningstelsel, zoals opgenomen in het vierde lid van dit artikel, noodzakelijk.
    3. In afwijking van andere als conserveringsgebied opgenomen gronden, kunnen in de hieronder genoemde gebieden, op de bestemmingskaart no. 1 als zodanig aangegeven, voorwaardelijk de volgende ontwikkelingen worden toegestaan:
    a. Waterloo
    Ontwikkeling van het verkavelingsplan Waterloo fase 2 ten behoeve van woondoeleinden.
    b. Zuurzak
    Ontwikkeling van het oude goedgekeurde verkavelingsplan Zuurzak of een wijziging daarvan ten behoeve van woondoeleinden.
    c. Harmonie
    Ontwikkeling van een deel van de gronden van Harmonie ten behoeve van woondoeleinden.
    d. Ascencion
    Ontwikkeling van het oude goedgekeurde verkavelingsplan Ascension of een wijziging
    daarvan ten behoeve van woondoeleinden.
    e. Gronden te Oostpunt
    Het gebied gesitueerd aan de noordkust van Oostpunt nabij Sint Jorisbaai, met een totale oppervlakte van 46 hectare, zoals aangeduid op de bestemmingskaart no. 1 van het grondgebied Oostpunt, kan worden aangewend ten behoeve van de aanleg van een windmolenpark.
    De drie in elkaars nabijheid gelegen gebieden gesitueerd aan de noordkust van Oostpunt met een gezamenlijke totale oppervlakte van 173 hectare, zoals aangeduid op de bestemmingskaart no. 1 van het grondgebied Oostpunt, kunnen worden aangewend ten behoeve van de aanleg van twee golfbanen.
    De gebieden gelegen in het midden van de gronden van Oostpunt met een gezamenlijke oppervlakte van 83 hectare, zoals aangeduid op de bestemmingskaart no. 1 van het grondgebied Oostpunt, kunnen worden aangewend ten behoeve van de aanleg van een golfbaan.
    Bij het verlenen van aanlegvergunningen en bouwvergunningen worden nadere voorwaarden en eisen gesteld, waaraan de bestemmingen, bedoeld in de eerste tot en met derde volzin, moeten voldoen.
    f. Isla di Yerba
    Ontwikkeling van het eilandje Isla di Yerba ten behoeve van woondoeleinden.
    4. Aanlegvergunning:
    a. Het is verboden op de gronden, die voor conserveringsgebied zijn bestemd, zonder schriftelijke aanlegvergunning van de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
    1. het ontginnen, afgraven, ophogen, egaliseren of doen springen van de bodem;
    2. het aanleggen of verharden van wegen en andere terreinverhardingen buiten de erven van gebouwen;
    3. het aanbrengen van boven- of ondergrondse constructies, installaties of apparatuur buiten de erven van gebouwen;
    4. werken en werkzaamheden, die de waterhuishouding of de grondwaterstand beïnvloeden;
    5. het aanbrengen van kaden en aanlegplaatsen voorschepen;
    6. het vellen en rooien van bomen of andere begroeiing buiten de erven van gebouwen;
    7. het beplanten van gronden buiten de erven van gebouwen;
    8. het aanleggen van vuilnis- en schrootstortplaatsen.
    b. De aanlegvergunning wordt geweigerd, indien het werk of de werkzaamheden, dan wel de direct of indirect daarvan te verwachten gevolgen, een schade teweegbrengen aan de in het gebied aanwezige natuurwetenschappelijke, historische, culturele en/of landschappelijke waarden, dan wel aan de mogelijkheden voor herstel van die waarden, welke onevenredig is met het door het werk of de werkzaamheden te dienen belang.
    c. Voor werken en werkzaamheden, welke plaatsvinden in het kader van normaal onderhoud, of die naar het oordeel van de van zeer ondergeschikte aard zijn, is geen aanlegvergunning vereist.
    d. Aan het verlenen van een aanlegvergunning kunnen door de minister voorwaarden verbonden worden ter bescherming van de in het gebied aanwezige natuurwetenschappelijke, historische, culturele en/of landschappelijke waarden, dan wel ter bescherming van de mogelijkheden voor herstel van die waarden.

Artikel 10
Parkgebied

  1. Doeleindenomschrijving:
    De gronden, welke op de bestemmingskaart no. 1 als zodanig zijn aangegeven, zijn bestemd voor de ontwikkeling van stedelijk parkgebied en behoud en herstel van de aanwezige recreatieve, landschappelijke en natuurlijke waarden in deze gebieden.
  2. Beschrijving in hoofdlijnen van de wijze, waarop de doeleinden worden nagestreefd:
    a. Toegestaan zijn bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van:
    1. groenvoorzieningen;
    2. in- en extensieve recreatieve voorzieningen;
    3. verkeersdoeleinden ter ontsluiting van de parken;
    4. voorzieningen voor de opvang van water;
    5. doeleinden van landschaps-, cultuur- en natuurbehoud.
    b. Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing met een grotere bouwhoogte dan 6 meter, wordt deze slechts toegestaan, indien het met die grotere bouwhoogte te dienen belang van aantoonbaar groter belang is, dan de mogelijke hinder of ontsiering van de omgeving, welke door die grotere hoogte eventueel kan ontstaan.
    c. Bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van maatschappelijke doeleinden, detailhandel en aanverwante dienstverlening kunnen in beperkte mate worden toegestaan, mits het toestaan van deze bebouwing en voorzieningen niet leidt tot onevenredige schade aan de in de doeleindenomschrijving genoemde waarden, niet leidt tot onevenredige schade aan de detailhandelsfunctie van gronden, die voor stedelijk woongebied en Binnenstad zijn bestemd en ook niet leidt tot onevenredige verkeersproblemen.
    d. Dienstwoningen zijn toegestaan, voor zover aangetoond kan worden, dat het wonen ter plaatse noodzakelijk is. Andere woningen zijn slechts in uitzonderingsgevallen toegestaan, mits het toestaan van deze woningen niet leidt tot onevenredige schade aan de in de doeleindenomschrijving genoemde waarden.
    e. Zolang de gebieden of delen van de gebieden nog niet gebruikt en beheerd worden overeenkomstig de in de doeleindenomschrijving genoemde waarden is een aanlegvergunningenstelsel, zoals opgenomen in het derde lid van dit artikel, noodzakelijk om te voorkomen dat deze gebieden of delen van deze gebieden minder geschikt worden voor de verwerkelijking van de in de doeleindenomschrijving gegeven bestemming.
    f. In de verschillende deelgebieden wordt in principe de volgende ontwikkeling nagestreefd:
    1. Kabouterbos
    De intentie is om dit bomenrijke gebied aantrekkelijk te maken als wandel- en fietsgebied, door aanleg van routes en paden en door het maken van zitgelegenheden.
    2. Sapaté
    Midden in het stedelijk woongebied is hier een vrij omvangrijk terrein, dat gebruikt kan worden voor allerlei vormen van intensieve dagrecreatie.
    3. Scherpenheuvel
    Het parkgebied ten oosten van Korporaal vormt een schakel tussen de “groene” bestemmingen van Klein Kwartier (agrarisch gebied), Scherpenheuvel (agrarisch gebied) en Zuurzak tot en met de lagune van Jan Thiel (conserveringsgebied) en kan als zodanig gebruikt worden als een recreatief gebied met fiets- en wandelroutes.
    4. Muizenberg
    De dam bij Muizenberg zorgt het hele jaar door voor een grote natuurlijke zoetwaterplas, waar allerlei vogels (o.a. flamingo’s) zich ophouden.
    Het watergebied zelf dient niet toegankelijk te worden voor het publiek, maar de oevers kunnen aantrekkelijk gemaakt worden met wandelpaden, uitkijkpunten en zitgelegenheden.
    5. Piscadera
    Rondom de Piscaderabaai is een uitgestrekt gebied (in particulier eigendom) met een zeer rijke begroeiing en grote bomen. De ligging aan het water van de Piscaderabaai, biedt mogelijkheden voor enkele vormen van recreatie. Grootste rem op een parkachtige ontwikkeling van het gebied is de luchtverontreiniging van de raffinaderij.
    6. Kleinere gebiedjes
    Verspreid over het eiland bevinden zich kleinere gebieden, waarvan enkele zijn aangegeven op bestemmingskaart no. 1, die onder de bestemming parkgebied vallen. Het betreft meestal gebieden met veel bomen, zoals het golfterrein bij Emmastad en Park Florida. In principe wordt in deze gebieden behoud van het parkachtige karakter nagestreefd.
    7. Terrein bij Ronde Klip
    Dit terrein kan voorwaardelijk worden aangewend voor het aanleggen van een dragstrip met bijbehorende voorzieningen.
    8. Brakkeput Ariba en Brakkeput Mei Mei
    Deze gronden gelegen in het stedelijk woongebied zijn vanwege de aanwezige recreatiemogelijkheden en de hofjes ter plaatse uiterst geschikt voor een stadspark.
  3. Aanlegvergunning:
    a Het is verboden op de gronden, die voor parkgebied zijn bestemd, maar nog niet als
    zodanig worden gebruikt en beheerd, zonder schriftelijke aanlegvergunning van de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
    1. het ontginnen, afgraven, ophogen, egaliseren of doen springen van de bodem;
    2. het aanleggen of verharden van wegen en andere terreinverhardingen buiten de erven van gebouwen;
    3. het aanbrengen van boven- of ondergrondse constructies, installaties of apparatuur buiten de erven van gebouwen;
    4. werken en werkzaamheden, die de waterhuishouding of de grondwaterstand beïnvloeden;
    5. het aanbrengen van kaden en aanlegplaatsen voor schepen;
    6. het vellen en rooien van bomen of andere begroeiing buiten de erven van gebouwen;
    7. het beplanten van gronden buiten de erven van gebouwen;
    8. het aanleggen van vuilnis- en schrootstortplaatsen.
    b. De aanlegvergunning wordt geweigerd, indien het werk of de werkzaamheden, dan wel de direct of indirect daarvan te verwachten gevolgen, schade teweegbrengen aan de in het gebied aanwezige recreatieve, natuurlijke of landschappelijke waarden, dan wel aan de mogelijkheden voor ontwikkeling of herstel van die waarden, welke onevenredig is met het door het werk of de werkzaamheden te dienen belang.
    c. Voor werken en werkzaamheden, welke plaatsvinden in het kader van normaal onderhoud, of die naar het oordeel van de minister van zeer ondergeschikte aard zijn, is geen aanlegvergunning vereist.
    d. Aan het verlenen van een aanlegvergunning kunnen door de minister voorwaarden verbonden worden ter bescherming van de in het gebied aanwezige recreatieve, natuurlijke, en/of landschappelijke waarden, dan wel ter bescherming van de mogelijkheden voor ontwikkeling of herstel van die waarden.

Artikel 11
Landelijk woongebied

  1. Doeleindenomschrijving:
    De gronden welke op de bestemmingskaart no. 1 als zodanig zijn aangegeven, zijn bestemd voor behoud van het bestaande karakter van deze gronden, dat omschreven kan worden als een menging van agrarisch gebied en woongebied met een zeer lage bebouwingsdichtheid. Omdat de schaarse financiële middelen en ruimte zo doelmatig mogelijk moeten worden gebruikt, dient spreiding van bebouwing en infrastructuur op Curaçao te worden tegengegaan. De verdere ontwikkeling van stedelijke functies dient daarom plaats te hebben op de gronden, die zijn bestemd voor stedelijk woongebied en Binnenstad.
  2. Beschrijving in hoofdlijnen van de wijze waarop de doeleinden worden nagestreefd:
    a. Toegestaan zijn bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van:
    1. woondoeleinden;
    2. agrarische doeleinden;
    3. bedrijfsdoeleinden;
    4. detailhandelsdoeleinden;
    5. dienstverleningsdoeleinden;
    6. recreatieve doeleinden;
    7. maatschappelijke doeleinden;
    8. verkeersdoeleinden;
    9. defensiedoeleinden;
    10. doeleinden van landschaps-, cultuurbehoud en natuurbehoud.
    b. Nieuwe woningen en andere hoofdgebouwen zijn slechts toegestaan onder de volgende voorwaarden:
    1. Een dichtheid per bestemmingsvlak van 3 hoofdgebouwen per ha. mag in de regel niet worden overschreden;
    2. Bouwvergunningen worden in principe slechts verleend onder de voorwaarde, dat aansluiting aan de bestaande wegen en andere voorzieningen van openbaar nut geheel voor rekening van de aanvrager van de bouwvergunning is;
    3. Een kavel voor een nieuw hoofdgebouw dient in de nabijheid van de oorspronkelijke bebouwing te worden gesitueerd, opdat zodoende de openheid van het landschap bewaard wordt. Voorts wordt hiermee tevens de beperking van extra lengte van wegen en leidingen nagestreefd;
    4. Indien er sprake is van een bestaand cultuurhistorisch waardevol hoofdgebouw in de nabijheid van het nieuwe hoofdgebouw, moet de verschijningsvorm van dit nieuwe gebouw harmoniëren met het bestaande gebouw.
    Van het hierboven bepaalde kan worden afgeweken, indien de aanvrager van de bouwvergunning kan aantonen dat hij schade lijdt, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen.
    c. Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing met een grotere bouwhoogte dan 6 meter, wordt deze slechts toegestaan, indien het met die grotere bouwhoogte te dienen belang van aantoonbaar groter belang is, dan de mogelijke hinder of ontsiering voor de omgeving, welke door die grotere bouwhoogte eventueel kan ontstaan.
    d. Indien bouwvergunning of bestemmingswijziging ten behoeve van detailhandel of aanverwante dienstverlening wordt aangevraagd, dient een afweging plaats te vinden tussen het belang, dat met detailhandel of aanverwante dienstverlening ter plaatse wordt gediend, en de mogelijke schade, die daardoor ontstaat voor de detailhandelsfunctie van de gronden, die voor stedelijk woongebied en Binnenstad bestemd zijn.
    e. 1. Functies worden geweerd, die op grond van de te verwachten activiteiten aantoonbaar hinder opleveren, waaraan door maatregelen onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.
    2. Onder hinder als bedoeld in e.1. wordt in ieder geval verstaan:
    a. overmatige hinder door brand- of ontploffingsgevaar;
    b. overmatige lawaai-, stank- of stofproductie ten opzichte van de aangrenzende percelen;
    c. overmatige uitstoot of kans op overmatige uitstoot van voor de gezondheid gevaarlijke stoffen of gassen;
    d. geen of een gebrekkige aansluiting op dan wel overmatige vervuiling van de aanwezige openbare riolering;
    e. onvoldoende voorzieningen met betrekking tot de opslag en afvoer van vast of vloeibaar vuil;
    f. overmatige overlast voortkomend uit conflicten tussen voertuigen onderling of tussen voertuigen en voetgangers;
    g. overmatige overlast door parkeren van voertuigen op de openbare weg;
    h. extra spitsuurbelasting door het woon-/ werkverkeer, welke verkeerscongestie in de omgeving zal veroorzaken;
    i. een anderszins onaanvaardbare verhoging van de verkeersdruk in de aangrenzende woongebieden;
    j. activiteiten in de late avonduren en de nacht, welke overlast veroorzaken voor de omwonenden.
    f. Indien bouwvergunning of bestemmingswijziging wordt aangevraagd voor de bouw van een flat op een bouwperceel, waarop slechts 1 woning staat of mag worden gebouwd, geldt, indien er geen andere stedenbouwkundige beletselen zijn, als uitgangspunt, dat:
    1. per woning in die flat ten minste een oppervlakte van 1000m2 van het bouwperceel beschikbaar moet zijn;
    2. per woning in die flat ten minste 1 parkeerplaats op het bouwperceel beschikbaar moet zijn.
    g. Indien bouwvergunning of bestemmingswijziging wordt aangevraagd voor de bouw van een woning op een bouwperceel geldt, indien er geen stedenbouwkundige beletselen zijn, als uitgangspunt, dat er ten minste een onbebouwd oppervlak van 3000m2 beschikbaar moet zijn.
    h. In afwijking van andere als landelijk woongebied opgenomen gronden, geldt voor het hieronder genoemde gebied het volgende:
    1. Porto Marie
    Ontwikkeling van het als landelijk woongebied opgenomen gedeelte van Porto Marie is slechts toegestaan ten behoeve van woondoeleinden in een zeer lage dichtheid (woonkavels van gemiddeld 5 hectare).
    2. Punta Mateo/Jan Kok
    Ontwikkeling van het als landelijk woongebied opgenomen gedeelte van Punta Mateo/Jan Kok is slechts toegestaan ten behoeve van woondoeleinden in een zeer lage dichtheid (8 woningen per hectare).
    3. Oostpunt
    Ontwikkeling van de gronden te Oostpunt is slechts toegestaan onder de voorwaarde dat de volgende maatregelen worden getroffen:
    1. Voor zover het de gronden te Oostpunt betreft, geldt hierbij dat de ontwikkelingen van deze gronden slechts kunnen plaatsvinden, indien:
    a. Passende voorwaarden worden gesteld en passende maatregelen worden getroffen die waarborgen dat sprake is van een daadwerkelijke en effectieve bescherming van het mariene milieu en die waarborgen dat verontreiniging van het kustgebied en het zeewater als gevolg van de bouwactiviteiten of van die activiteiten in de vorm van gebruik na realisatie van de bouwwerkzaamheden wordt voorkomen, zulks in overeenstemming met de eisen die voortvloeien uit regelgeving en internationale verdragen; en
    b. Passende maatregelen worden getroffen die waarborgen dat sprake is van daadwerkelijke en effectieve bescherming van natuurwaarden op land, zijnde plant- en diersoorten als bedoeld in de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en –bescherming, die zich in het gebied bevinden, zulks ook overigens in overeenstemming met de eisen die voortvloeien uit regelgeving en internationale verdragen.
    2. De maatregelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, moeten onder meer voorkomen dat als gevolg van ontwikkeling meer regen-, storm-, riool-, of andersoortige verontreiniging van het kustgebied en het zeewater plaatsvindt.

Artikel 12
Open land

  1. Doeleindenomschrijving:
    De gronden, welke op de bestemmingskaart no. 1 als zodanig zijn aangegeven, zijn bestemd voor reservering voor mogelijke ontwikkelingen in de toekomst.
    Deze gronden dienen in principe niet meer te worden bebouwd en ook andersoortige ontwikkeling van deze gebieden wordt op dit moment niet wenselijk geacht.
    Momenteel dient de verdere stedelijke ontwikkeling te worden geconcentreerd op de gronden, die zijn bestemd voor stedelijk woongebied en Binnenstad.
    Omdat de schaarse financiële middelen en ruimte zo doelmatig mogelijk moeten worden gebruikt, dient spreiding van bebouwing en infrastructuur op Curaçao te worden tegengegaan.
  2. Beschrijving in hoofdlijnen van de wijze, waarop de doeleinden worden nagestreefd:
    a. Toegestaan zijn bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van:
    1. doeleinden van landschaps-, cultuur- en natuurbehoud;
    2. verkeersdoeleinden.
    b. Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing met een grotere bouwhoogte dan 6 meter, wordt deze slechts toegestaan, indien het met die grotere bouwhoogte te dienen belang van aantoonbaar groter belang is, dan de mogelijke hinder of ontsiering van de omgeving, welke door die grotere hoogte eventueel kan ontstaan.
    c. Andere dan onder a. genoemde bebouwing en andere voorzieningen kunnen in zeer beperkte mate worden toegestaan, mits dit in verhouding tot het met deze bebouwing en andere voorzieningen te dienen belang niet leidt tot onevenredige schade aan het in de doeleindenomschrijving genoemde belang, niet leidt tot onevenredige schade aan de detailhandelsfunctie van gronden, die voor stedelijk woongebied en Binnenstad zijn bestemd en ook niet leidt tot onevenredige verkeersproblemen.
    d. Dienstwoningen zijn toegestaan, voor zover aangetoond kan worden, dat het wonen ter plaatse noodzakelijk is.
  3. In afwijking van andere als open land opgenomen gronden kan in het hieronder genoemde gebied, op de bestemmingskaart no. 1 als zodanig aangegeven, voorwaardelijk de volgende ontwikkeling worden toegestaan:
    a. Koraal Tabak
    Ontwikkeling van een deel van de gronden van Koraal Tabak ten behoeve van woondoeleinden.
    b. Siberie/Fontein
    Ontwikkeling van maximaal 95 hectare van het totaal van de gronden te Fontein is mogelijk indien:
    1. gebieden en objecten van cultuur-archeologische waarde geëvalueerd en gerespecteerd zullen worden;
    2. een supervisory-board wordt ingesteld door de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning bestaande uit vertegenwoordigers van door de minister aan te geven instanties en diensten, die de verdere uitwerking van de ontwikkeling van de gronden te Siberie/Fontein zal begeleiden en de minister ter zake zal adviseren, en bewerkstelligd is dat:
    1. indien er sprake is van wijzigingen van ondergeschikte aard, een ontwerp wijzigingsplan, zoals bedoeld in artikel 17 van de LROC is goedgekeurd en dit wijzigingsplan rechtskracht heeft verkregen;
    2. indien er sprake is van wijzigingen van niet ondergeschikte aard, een voorstel voor herziening van het ontwikkelingsplan, nadat dit plan rechtskracht heeft gekregen, bij de minister is ingediend en deze herziening rechtskracht heeft verkregen.
    3. nagegaan is welke de gevolgen zijn van de uitvoering van de plannen op de infrastructuur en dat deze kosten voor rekening van de ontwikkelaar komen.

Artikel 13
Water

  1. Doeleindenomschrijving:
    De gronden, welke op de bestemmingskaart no. 1 als zodanig zijn aangegeven, zijn bestemd voor water ten dienste van de scheepvaart, de waterhuishouding van het land en recreatie en zijn tevens bestemd voor behoud en herstel van de aanwezige landschappelijke en natuurlijke waarden.
  2. Beschrijving in hoofdlijnen van de wijze, waarop de doeleinden worden nagestreefd:
    a. Toegestaan zijn bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van:
    1. de scheepvaart;
    2. de waterhuishouding van het land;
    3. recreatieve doeleinden;
    4. verkeersdoeleinden ter verbinding van de oevers;
    5. doeleinden van landschaps- en natuurbehoud.
    b. Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing met een grotere bouwhoogte dan 6 meter, dient een afweging plaats te vinden tussen het met die grotere bouwhoogte te dienen belang en de mogelijke hinder of ontsiering van de omgeving, welke door die grotere hoogte eventueel kan ontstaan.
    c. Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing op een plaats, waar water niet grenst aan gronden die voor industriegebied zijn bestemd, dient een afweging plaats te vinden tussen het met die bebouwing te dienen belang en de mogelijke schade of ontsiering van de ter plaatse aanwezige onderwater-, planten- en dierenwereld en oever­ vegetatie, welke door die bebouwing eventueel kan ontstaan.
    d. hinderbepaling:
    1. Functies worden geweerd, die op grond van de te verwachten activiteiten aantoonbaar hinder opleveren, waaraan door maatregelen onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.
    2. Onder hinder wordt in ieder geval verstaan:
    a. overmatige hinder door brand- of ontploffingsgevaar;
    b. overmatige lawaai-, stank- of golfproductie ten opzichte van de aangrenzende percelen;
    c. overmatige uitstoot of kans hierop van voor de gezondheid gevaarlijke stoffen of gassen;
    d. geen of gebrekkige voorzieningen ten behoeve van de afzet van rioleringswater en/of oliën;
    e. onvoldoende voorzieningen met betrekking tot de opslag en afvoer van vast en vloeibaar vuil;
    f. overmatige overlast voortkomend uit conflicten tussen vaartuigen onderling en in het bijzonder tussen motorvaartuigen en zeilvaartuigen en zwemmers;
    g. overmatige overlast door ankeren van vaartuigen in openbaar vaarwater;
    h. overtreffen van de vraag naar openbaar ankergebied door het aanbod;
    i. activiteiten in de late avonduren en de nacht, welke overlast veroorzaken.

Artikel 14
Hoofdwegen

  1. Doeleindenomschrijving:
    De gronden, welke op de bestemmingskaart no. 2 als zodanig zijn aangegeven, zijn bestemd voor behoud en verdere ontwikkeling van het hoofdwegennet van Curaçao, waarbij onderscheid is gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire wegen, alsmede vrij te houden toekomstige tracés, waarop hoofdwegen kunnen worden aangelegd.
    Primaire hoofdwegen zijn bestemd voor de verbinding van stadsdelen en hebben een zuivere verkeersfunctie. Secundaire hoofdwegen zijn bestemd voor de verbinding van grote stadswijken en grote dorpskernen, hebben voornamelijk een verkeersfunctie en een verblijfsfunctie van ondergeschikte aard.
    Tertiaire hoofdwegen zijn bestemd voor de verbinding van kleinere stadswijken en buurten en kleinere dorpskernen en hebben een gemengde verkeers- en verblijfsfunctie.
    De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning is bevoegd bij uitwerking van deze bestemming te bepalen of de vrij te houden toekomstige tracés bestemd worden tot secundaire dan wel tertiaire hoofdwegen.
  2. Beschrijving in hoofdlijnen van de wijze, waarop de doeleinden worden nagestreefd:
    a. Toegestaan zijn bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van:
    1. verkeersdoeleinden;
    2. doeleinden van openbaar nut.
    b. De toegelaten bouwhoogte van gebouwen bedraagt in principe ten hoogste 5.00 meter.
    c. De toegelaten grondoppervlakte van gebouwen bedraagt in principe ten hoogste 40m2 per gebouw.
    d. Bij de aanleg van nieuwe hoofdwegen en bij het beheer en de reconstructie van bestaande hoofdwegen worden voor de onderscheiden wegklassen de volgende in de bij dit lid behorende karakteristieken nagestreefd:
    e.
Klasse ontwerp snelheid aantal rijbanen x

aantal en breedte

van de rijstroken

profiel van

vrije ruimte

zonder taluds

primair 80 km per uur 2 x 2 x 3,40 meter 45 m
secundair 60 km per uur 2 x 2 x 3,25 meter 32 m
60 km per uur 1 x 2 x 3,25 meter 20 m
tertiair 50 km per uur 1 x 2 x 3,00 meter 13 m
Klasse wegkenmerken
primair afstand tussen kruispunten van wegen 800 meter of meer;

geen parkeervoorzieningen op de weg;

boogstraal 600 meter of meer;

helling maximaal 5%;

kruispunten voorzien van verkeerslichten;

middenberm met vangrail;

voetgangersberm/vluchtstrook minimaal 3,50 meter.

secundair afstand tussen kruispunten van wegen 400 meter of meer;

parkeervoorzieningen op een apart parkeerterrein of in de vorm van langsparkeren buiten de rijbaan, mits een brede berm aanwezig is;

boogstraal 300 meter of meer;

helling maximaal 7%;

kruispunten secundaire wegen onderling voorzien van verkeerslichten ;

voetgangersberm/vluchtstrook minimaal 3,50 meter.

tertiair afstand tussen kruispunten van wegen 200 meter of meer;

langsparkeren buiten de rijbaan;

voetgangersberm/vluchtstrook minimaal 2,50 meter.

Klasse toegelaten wegaansluitingen
primair geen directe aansluitingen in de vorm van in- en uitritten op de weg met uitzondering van aansluitingen voor verkooppunten van motorbrandstof en bushalten;

bushalten met uitwijkhaven;

ontsluitingen van aan de weg gelegen bebouwing en voorzieningen door middel van andere wegen en parallelwegen;

secundair en tertiair directe aansluitingen in de vorm van in- en uitritten op de weg zijn in beperkte mate mogelijk, voor zover de doorstroming van het verkeer en de verkeersveiligheid niet in gevaar worden gebracht, en mits in overeenstemming met verkeerstechnische voorwaarden door de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning te stellen;

bushalten met uitwijkhaven;

alle bebouwing moet voorzien zijn van een eigen parkeergelegenheid.

e. Waar dit voor een goede afwikkeling van het verkeer ter plaatse van kruispunten van wegen en in- en uitritten nodig is, kan het onder d. genoemde aantal rijbanen en rijstroken worden vergroot en het profiel van vrije ruimte worden verbreed.
f. Bij secundaire wegen hangt het onder d. genoemde aantal rijbanen, rijstroken en het profiel van vrije ruimte af van het te verwachten aantal motorvoertuigen per etmaal en van de verkeersveiligheid.
Bij een intensiteit (twee rijrichtingen samen) van minder dan 17.500 motorvoertuigen per etmaal en bij een ongevallen frequentie (= aantal ongevallen per miljoen voertuigkilometers) lager dan 5 is in principe 1 rijbaan met 2 rijstroken en een vrije ruimte van 20 meter nodig. Bij een hogere intensiteit of bij een hogere ongevallenfrequentie zijn in principe 2 rijbanen met elk 2 rijstroken en een vrije ruimte van 32 meter nodig.
g. Zolang de minister bij uitwerking de klasse en het profiel van vrije ruimte van de vrij te houden toekomstige tracés nog niet heeft vastgesteld, wordt uitgegaan van reservering van een profiel van vrije ruimte zonder taluds van 32 meter.
h. Zolang de minister bij bestaande hoofdwegen het profiel van vrije ruimte bij uitwerking nog niet nader heeft bepaald, wordt uitgegaan van het bestaande profiel van vrije ruimte voor zover het particuliere gronden betreft. Voor zover het gronden van het Land Curaçao betreft, wordt reeds voordat er uitgewerkt wordt, zoveel mogelijk het gewenste profiel van vrije ruimte als uitgangspunt genomen.

Hoofdstuk 3
Overige bepalingen

Artikel 15
Nadere eisen

  1. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning is bevoegd met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 2 van deze bestemmingsbepalingen naar aanleiding van de aanvraag om een bouwvergunning nadere eisen te stellen ten aanzien van:
    a. de situering van een bouwwerk met de erbij behorende voorzieningen;
    b. de horizontale en verticale afmetingen van een bouwwerk met de erbij behorende voorzieningen;
    c. de aansluiting van de bebouwing op andere nabij gelegen bebouwing;
    d. de aansluiting van een bouwwerk aan een weg, die voldoet aan de eisen ter zake door de minister gesteld, en eventuele maatregelen ter verbetering van deze weg, voor zover noodzakelijk ten gevolge van het bouwwerk, alsmede de financiering van deze aansluiting en deze maatregelen door de aanvrager van de bouwvergunning;
    e. het aantal benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein en de situering van die parkeerplaatsen;
    f. het aantal en de situering van in- en uitritten;
    g. de situering en aard van de benodigde voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en andere voorzieningen van openbaar nut, waarbij aansluiting op de aanwezige riolering verplicht kan worden gesteld, en de garantie, dat deze voorzieningen naar genoegen van de minister en de nutsbedrijven worden aangelegd;
    h. het geven van inzicht in de stedebouwkundige inpasbaarheid van de bouwwerken en voorzieningen. Hiertoe kan geëist worden dat een uitwerkingsschets wordt overlegd, welke de stedebouwkundige inrichting van de met het bouwplan samenhangende omgeving weergeeft en welke tevens inzicht geeft in de situering en de aard van de benodigde infrastructuur van wegen en andere voorzieningen van openbaar nut.
  2. Indien een bestemming niet is uitgewerkt, dienen bij het stellen van nadere eisen de belangen van de aanvrager van de bouwvergunning niet onevenredig te worden geschaad in verhouding tot de belangen, die gediend worden met het stellen van de nadere eisen.
  3. In een uitwerkingsplan dient door de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning te worden bepaald of en in hoeverre het bepaalde in lid 1 op het uitwerkingsplan van toepassing is.
    De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning is bevoegd om in een uitwerkingsplan te bepalen, dat naast of in plaats van het bepaalde in het eerste lid andere meer specifieke op het uitwerkingsplan gerichte nadere eisen kunnen worden gesteld.
  4. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning stelt de nadere eisen als bedoeld in het eerste en derde lid ten behoeve van een goede ruimtelijke ontwikkeling en volkshuisvesting alsmede de uitvoering daarvan.
    Hieronder worden ook eisen verstaan ten aanzien van de situering en afmetingen van een bouwwerk teneinde te voorkomen, dat het bouwwerk de omgeving zal ontsieren of hinderlijk zal zijn voor de omgeving.

Artikel 16
Wijzigen

  1. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning is bevoegd de begrenzing van alle in hoofdstuk 2 van deze bestemmingsbepalingen genoemde globale bestemmingen, alsmede de indeling in klassen van de gronden bestemd tot hoofdwegen te wijzigen en daarbij geheel nieuwe bestemmingsvlakken van ondergeschikte aard toe te voegen en/of bestaande bestemmingsvlakken van ondergeschikte aard te verwijderen, voor zover naar het oordeel van de minister een goede ruimtelijke ontwikkeling met zich mee brengt, dat ingespeeld wordt op nieuwe ontwikkelingen, die bij de vaststelling van deze voorschriften niet waren voorzien en die naar het oordeel van de minister geen herziening van deze bestemmingsvoorschriften rechtvaardigen, en voor zover de uitgangspunten van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan niet worden aangetast.
  2. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning is te allen tijde bevoegd uit eigen beweging tot wijziging over te gaan.
    Hieronder valt ook de bevoegdheid van de minister tot wijziging over te gaan naar aanleiding van de indiening van een of meerdere aanvragen om een bouw-, sloop- of aanlegvergunning.
  3. Indien de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning besluit tot wijziging over te gaan, wordt dit besluit – hierna te noemen wijzigingsvoorbereidingsbesluit – met een kaart, waarop het gebied staat aangegeven dat gewijzigd zal worden, zo spoedig mogelijk voor een ieder ter inzage gelegd op het ministerie.
    Deze terinzagelegging kan voorafgaan of samengaan met de terinzagelegging van het ontwerp van een wijzigingsplan, zoals bedoeld in artikel 17, derde lid, LROC.
    Deze terinzagelegging duurt totdat het betreffende wijzigingsplan rechtskracht heeft gekregen, dan wel het wijzigingsvoorbereidingsbesluit wordt ingetrokken of is vervallen. Het wijzigingsvoorbereidingsbesluit vervalt op het tijdstip, waarop het betreffende wijzigingsplan rechtskracht heeft gekregen doch in ieder geval na verloop van 2 jaar.
  4. De terinzagelegging wordt tevoren bekend gemaakt in alle in het Papiaments en in het Nederlands verschijnende dag- en nieuwsbladen, die in het land verspreid worden.
  5. Nadat het wijzigingsvoorbereidingsbesluit is genomen, mag, zolang het besluit geldt, slechts worden gebouwd overeenkomstig een rechtskracht hebbend wijzigingsplan.
  6. Van het bepaalde onder 5 mag slechts worden afgeweken conform het bepaalde in artikel 16, vijfde lid, LROC.
  7. Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de herziening van een wijzigingsplan.

Artikel 17
Bouwen

  1. Voor zover de globale bestemmingen niet zijn of worden uitgewerkt of gewijzigd, mag uitsluitend worden gebouwd overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 2 van deze bestemmingsbepalingen, het bepaalde in dit artikel en de op grond van artikel 15 gestelde nadere eisen, behoudens het bepaalde in het overgangsrecht.
  2. Voor zover de globale bestemmingen zijn of worden uitgewerkt mag uitsluitend worden gebouwd overeenkomstig een rechtskracht hebbend uitwerkingsplan, het bepaalde in dit artikel en de op grond van artikel 15 gestelde nadere eisen, behoudens het bepaalde in het overgangsrecht en het bepaalde in artikel 16, vierde lid, LROC.
  3. Voor zover de globale bestemmingen zijn of worden gewijzigd mag uitsluitend worden gebouwd overeenkomstig een rechtskracht hebbend wijzigingsplan, het bepaalde in dit artikel en de op grond van artikel 15 gestelde nadere eisen, behoudens het bepaalde in het overgangsrecht en het bepaalde in artikel 16, vijfde lid, LROC.
  4. Zowel bij globale als uitgewerkte bestemmingen kan bouwvergunning worden geweigerd indien:
    a. het bouwwerk of gedeelte van het bouwwerk wegens de ligging of wegens de bouwwijze de omgeving ontsieren zal of hinderlijk dan wel brandgevaarlijk voor de omgeving zal zijn;
    b. het bouwwerk niet gelegen is aan een weg of de weg, waaraan het bouwwerk zal komen te liggen, niet voldoet aan de eisen welke door de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning gesteld worden aan het tracé, de breedte en de constructie daarvan, rekening houdende met de aard van het bouwwerk en de eis van begaanbaarheid van de weg voor de weggebruikers, terwijl redelijkerwijze niet op korte termijn of slechts met onevenredig hoge kosten voor de overheid tot aanleg of verbetering van de weg overeenkomstig deze eisen kan worden overgegaan, voor zover het een weg betreft, die in eigendom toebehoort aan het Land;
    c. het bouwwerk uit oogpunt van het algemeen belang ernstig bezwaar zal opleveren wegens het ontbreken van de nodige andere dan onder b. genoemde voorzieningen van openbaar nut, terwijl daarin redelijkerwijze niet op korte termijn of slechts met onevenredig hoge kosten voor de overheid en de nutsbedrijven is te voorzien;
    d. het gebruik van het bouwwerk dan wel het gebruik van de zich aan, bij of in het bouwwerk bevindende of in het bouwwerk te realiseren faciliteiten, gevaar zal opleveren voor de veiligheid van het verkeer, de vrije loop van het verkeer zal hinderen, de bereikbaarheid van de bebouwing in de omgeving zal verminderen of door het verkeer aantrekkende karakter de omgeving overlast zal bezorgen.

 

Artikel 18
Gebruiken

  1. Het is verboden bouwwerken en onbebouwde gronden te gebruiken, te doen gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in de globale dan wel uitgewerkte voorschriften aan de grond gegeven bestemming, behoudens het bepaalde in het overgangsrecht. Bouwen valt niet onder dit verbod, maar onder het bepaalde in artikel 17.
  2. Onder het in het eerste lid vervatte verbod wordt in ieder geval begrepen het gebruik van onbebouwde grond voor het plaatsen en/of geplaatst houden van afvalstoffen en aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voertuigen, andere voorwerpen, stoffen en materialen anders dan voor bedrijfsuitoefening of maatschappelijke doeleinden ter plaatse noodzakelijk is.
  3. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning verleent vrijstelling van het in het eerste lid vervatte verbod, wanneer er geen aan het belang van een goede ruimtelijke ordening te ontlenen dringende reden is om het meest doelmatige gebruik te beperken.
  4. Een dringende reden, zoals bedoeld in het derde lid, is in elk geval aanwezig, indien door het andere gebruik -gezien de ligging van het bouwwerk of de gronden- het gebruik van gronden en bouwwerken in de omgeving in ernstige mate kan worden gestoord zonder dat zodanige stoornis zal zijn te voorkomen door het stellen van nadere voorwaarden of op andere wijze.

Artikel 19
Vrijstelling voor bijzondere gevallen

  1. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning is bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in de globale dan wel uitgewerkte voorschriften ten aanzien van de aan de grond gegeven bestemmingen.
  2. Vrijstelling kan worden verleend ten behoeve van:
    a. door de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning in een uitwerkingsplan nader omschreven gevallen;
    b. ontwikkelingen van ondergeschikte aard, die een goede ruimtelijke ontwikkeling niet in de weg staan, maar bij de vaststelling van de globale dan wel uitgewerkte voorschriften niet waren voorzien en naar het oordeel van de minister geen herziening of wijziging van de voorschriften rechtvaardigen;
    c. ontwikkelingen die van groot belang zijn voor de ontwikkeling van het Land, maar welke bij de vaststelling van de globale dan wel uitgewerkte voorschriften niet waren voorzien en welke een zodanig spoedeisend karakter bezitten, dat het van kracht worden van een herziening of wijziging van de voorschriften naar het oordeel van de minister niet kan worden afgewacht. In al deze gevallen is vrijstelling mogelijk voor zover de uitgangspunten van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan niet worden aangetast.
  3. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning kan de vrijstelling slechts verlenen na een bezwarenprocedure, waarbij het voornemen tot het verlenen van vrijstelling ten minste vijftien dagen voor een ieder ter inzage heeft gelegen op het ministerie, één en ander overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 17, vierde en zesde lid, LROC, en vervolgens is gebleken, dat de belangen van derden belanghebbenden in verhouding tot het met de vrijstelling te dienen belang niet onevenredig worden geschaad.
  4. Het bepaalde in artikel 24 LROC ten aanzien van de mogelijkheden tijdelijk vrijstelling te verlenen van de bestemmingsvoorschriften is voor het gehele plangebied van toepassing.
  5. a. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning verbindt aan een vrijstelling
    genoemd in dit artikel zo nodig voorwaarden in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling en volkshuisvesting alsmede de uitvoering daarvan.
    b. De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning is bevoegd aan het verlenen van een vrijstelling de voorwaarde te verbinden, dat de aanvrager van de vrijstelling de door het Land ten gevolge van de vrijstelling te maken kosten voor uitbreiding van wegen en andere voorzieningen van openbaar nut geheel of ten dele vergoedt, dan wel geheel of ten dele vergoedt indien het op grond van een vrijstelling gebouwde niet wordt afgebouwd of niet in gebruik wordt genomen.

Artikel 20
Overgangsrecht
(vervallen)

Artikel 21
Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in:
– artikel 4, derde lid;
– artikel 9, vierde lid;
– artikel 10, derde lid;
– artikel 16, vijfde lid;
– artikel 17, eerste, tweede en derde lid;
– artikel 19, vijfde lid;
wordt gestraft krachtens artikel 32 LROC.

Artikel 22
Titel

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao.

Artikel 23
(vervallen)

 

Naar boven