Faillissementsbesluit 1931
Faillissementsbesluit 1931
| Publicatienummer: |
P.B. 2026, no.
129 (Geconsolideerde Tekst)
|
| Categorie: |
Geconsolideerde Tekst
Landsverordening
|
| Ministerie: |
Justitie
|
| Datum ondertekening: |
07-05-2026 |
| Datum inwerktreding: |
01-07-1932 |
| Geregistreerd in: |
|
Landsbesluit van de 7de mei 2026, no. 26/1279, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van het Faillissementsbesluit 1931
| Datum inwerkingtreding |
Terugwerkende kracht tot en met |
Datum ingetrokken |
Betreft |
Vindplaats |
Zittingsjaar |
| 01-07-1932 |
n.v.t. |
n.v.t. |
Geconsolideerde tekst |
P.B. 2026, no. 129 (GT) |
n.v.t. |
TITEL I
Van faillissement
Eerste afdeling
Van de faillietverklaring
Artikel 1
- De schuldenaar, die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer van zijn schuldeisers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard.
- De faillietverklaring kan ook worden uitgesproken om redenen van openbaar belang, op de vordering van het openbaar ministerie.
Artikel 2
- De faillietverklaring geschiedt door de Rechter in eerste aanleg. Deze is daartoe bevoegd, indien:
- de schuldenaar in Curaçao zijn woonplaats heeft, of, aldaar woonplaats gehad hebbend, met achterlating van schulden zich buiten Curaçao heeft begeven;
- de schuldenaar, in Curaçao geen woonplaats hebbend, aldaar een beroep of bedrijf uitoefent.
- De aangifte, het verzoek of de vordering daartoe moet worden ingediend ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg.
- (vervallen)
- (vervallen)
- (vervallen)
Artikel 4
- De aangifte tot faillietverklaring wordt gedaan en het verzoek daartoe ingediend ter griffie en met de meeste spoed behandeld.
- Een gehuwde schuldenaar doet aangifte met medewerking van zijn echtgenoot, tenzij iedere gemeenschap tussen de echtgenoten is uitgesloten.
- Het vonnis van faillietverklaring wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken en is bij voorraad op de minuut uitvoerbaar, niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.
Artikel 5
- De Rechter in eerste aanleg kan bevelen, dat de schuldenaar wordt opgeroepen, om in persoon of bij gemachtigde gehoord te worden. De griffier doet de oproeping op de wijze, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te bepalen.
- Indien de schuldenaar, die is opgeroepen om gehoord te worden, gehuwd is, is zijn echtgenoot mede bevoegd om in persoon of bij gemachtigde te verschijnen.
- De faillietverklaring wordt uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, welke aantonen, dat de schuldenaar in de toestand verkeert, dat hij heeft opgehouden te betalen en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze.
Artikel 6
- Hangende het onderzoek, kan de Rechter in eerste aanleg de verzoeker, desgevraagd, verlof verlenen de boedel te doen verzegelen. Hij kan daaraan de voorwaarde verbinden van zekerheidstelling tot een door hem te bepalen bedrag.
- De verzegeling geschiedt door een bij dit verlof aan te wijzen notaris. Buiten de verzegeling blijven zaken die onder artikel 18 vallen; in het proces-verbaal wordt een korte beschrijving daarvan opgenomen.
Artikel 7
- De schuldenaar, die in staat van faillissement is verklaard, heeft, zo hij op de aanvraag tot faillietverklaring niet is gehoord, gedurende acht dagen na de dag van uitspraak recht van verzet.
- Indien hij tijdens de uitspraak zich niet in Curaçao bevindt, heeft hij gedurende een maand dat recht.
- Het verzet wordt ingesteld door indiening van een verzoekschrift ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg.
- De Rechter in eerste aanleg bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling. De griffier geeft degene die het verzet gedaan heeft, daarvan bij brief kennis. Uiterlijk op de vierde dag, volgende op die, waarop het verzoek is ingediend, wordt op last van de Rechter in eerste aanleg van het gedane verzet, alsmede van de tijd voor de behandeling bepaald, bij deurwaardersexploot aan de schuldeiser, die het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend, en bij brief van de griffier aan het openbaar ministerie, op wiens vordering de faillietverklaring is uitgesproken, kennis gegeven.
- Deze kennisgeving geldt voor oproeping van hem, die de faillietverklaring heeft uitgelokt.
- De behandeling geschiedt op de wijze bij artikel 4 voorgeschreven.
Artikel 8
- Elke schuldeiser, met uitzondering van hem, die de faillietverklaring heeft verzocht en elke belanghebbende heeft tegen de faillietverklaring recht van verzet gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak. Indien hij tijdens de uitspraak zich niet in Curaçao bevindt, heeft hij gedurende veertien dagen dat recht.
- Het verzet geschiedt door indiening van een verzoekschrift ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
- De Rechter in eerste aanleg bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling. De griffier geeft degene die het verzet gedaan heeft, daarvan bij brief kennis. Uiterlijk op de vierde dag, volgende op dien waarop het verzoek is ingediend, wordt op last van de Rechter in eerste aanleg van het gedane verzet, alsmede van de tijd voor de behandeling bepaald, bij deurwaardersexploot kennis gegeven aan de schuldenaar en, indien de faillietverklaring door een schuldeiser is verzocht, ook aan deze.
- Deze kennisgeving geldt voor oproeping van de schuldenaar en van de schuldeiser.
- De behandeling geschiedt op de wijze bij artikel 4 voorgeschreven.
Artikel 9
- Gedurende acht dagen na de dag van de betrekkelijke uitspraak bestaat recht van hoger beroep:
1°. voor de schuldenaar, wiens aangifte tot faillietverklaring is afgewezen, of die, nadat hij op de aanvraag tot faillietverklaring is gehoord, in staat van faillissement is verklaard, of wiens in artikel 7 bedoeld verzet is afgewezen;
2°. voor hem, die een aanvraag tot faillietverklaring gedaan heeft, indien de aanvraag is afgewezen of de daarop gevolgde faillietverklaring ten gevolge van verzet is vernietigd;
3°. voor de schuldeiser of belanghebbende, wiens in artikel 8 bedoeld verzet is afgewezen;
4°. voor de schuldenaar, de schuldeiser, die de faillietverklaring verzocht heeft en het openbaar ministerie, bij vernietiging van de faillietverklaring ten gevolge van het in artikel 8 bedoelde verzet.
- Op het instellen en de behandeling van het beroep is het bepaalde bij artikel 7 van overeenkomstige toepassing.
- (vervallen)
Artikel 10
- Indien ten gevolge van verzet of hoger beroep de faillietverklaring wordt vernietigd, blijven niettemin geldig en verbindend voor de schuldenaar de handelingen, door de curator verricht vóór of op de dag, waarop aan het voorschrift tot aankondiging overeenkomstig artikel 12 is voldaan.
- Hangende het verzet of het hoger beroep kan raadpleging over een akkoord niet plaats hebben; ook kan niet tot de vereffening van de boedel buiten toestemming van de schuldenaar worden overgegaan.
Artikel 11
- De Rechter in eerste aanleg, die het vonnis tot faillietverklaring uitsprak of wiens vonnis tot faillietverklaring rechtsgevolgen heeft, of aan wie, in de bij artikel 13 bedoelde gevallen, de aangifte of aanvraag is ingediend, vervult tevens de functie van rechter-commissaris in het faillissement.
- Het vonnis van faillietverklaring houdt in de aanstelling van één of meer curators in het faillissement.
- Van de faillietverklaring geeft de griffier onverwijld kennis aan de administratie der posterijen, telefoon en telegraaf.
- De curator plaatst onverwijld een uittreksel uit het vonnis van faillietverklaring, houdende vermelding van de naam, de woonplaats of het kantoor en het beroep van de gefailleerde, van de naam van de rechter-commissaris, van de naam en de woonplaats of het kantoor van de curators, van de dag van de uitspraak, alsmede van de naam, het beroep en de woonplaats of het kantoor van ieder lid van de voorlopige commissie uit de schuldeisers, zo er een benoemd is, in het blad, waarin van overheidswege de officiële berichten worden opgenomen en in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen nieuwsbladen.
Artikel 12
- Zodra een vonnis van faillietverklaring ten gevolge van verzet of hoger beroep is vernietigd, en in het eerste geval de termijn om in hoger beroep te komen, verstreken is, zonder dat daarvan gebruik is gemaakt, geeft de griffier van die uitspraak kennis aan de curator en aan de administratie der posterijen, telefoon en telegraaf. De curator doet van die uitspraak aankondiging in het in artikel 11 bedoelde blad.
- Gelijke kennisgeving geschiedt, in geval van vernietiging van een vonnis van faillietverklaring in hoger beroep, aan de griffier van het Gerecht in eerste aanleg.
- De rechter, die de vernietiging van een vonnis van faillietverklaring uitspreekt, stelt tevens het bedrag vast van de faillissementskosten en van het salaris van de curators. Hij brengt dit bedrag ten laste van degene, die de faillietverklaring heeft aangevraagd, van de schuldenaar, of van beide in de door de rechter bepaalde verhouding. Tegen deze beslissing staat een rechtsmiddel niet open. Een bevelschrift van tenuitvoerlegging wordt daarvan uitgegeven ten behoeve van de curator.
Artikel 13
Wordt de faillietverklaring in hoger beroep uitgesproken met vernietiging van een vonnis, waarbij de aangifte of aanvraag tot faillietverklaring werd afgewezen, dan geeft de griffier van het Hof van Justitie van die uitspraak kennis aan de griffier van het Gerecht in eerste aanleg.
Artikel 14
- Indien de toestand van de boedel daartoe aanleiding geeft, is de rechter-commissaris bevoegd om, na de commissie uit de schuldeisers, zo die er is, te hebben gehoord, de kosteloze behandeling te bevelen.
- Indien de toestand van de boedel daartoe aanleiding geeft, is de Rechter in eerste aanleg bevoegd om, na de commissie uit de schuldeisers, zo die er is, te hebben gehoord, en na verhoor of behoorlijke oproeping van de gefailleerde, bij in het openbaar uitgesproken beschikking de opheffing van het faillissement te bevelen.
- De beschikking, bevelende de opheffing van het faillissement, wordt op dezelfde wijze openbaar gemaakt als het vonnis van faillietverklaring en daartegen kunnen de schuldenaar en de schuldeisers zomede het openbaar ministerie op dezelfde wijze en binnen dezelfde termijnen opkomen als ten aanzien van het vonnis, waarbij een faillietverklaring is geweigerd.
- De rechter, die de opheffing van het faillissement beveelt, stelt tevens het bedrag vast van de faillissementskosten en brengt dit bedrag ten laste van de schuldenaar. Zij worden bij voorrang boven alle andere schulden voldaan. Tegen deze vaststelling staat een rechtsmiddel niet open. Een bevelschrift van tenuitvoerlegging wordt daarvan uitgegeven ten behoeve van de curator.
- Indien na een dergelijke opheffing opnieuw aangifte of aanvraag tot faillietverklaring wordt gedaan, is de schuldenaar of de aanvrager verplicht om aan te tonen, dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden.
Artikel 15
- Elke in dit besluit bevolen plaatsing in het blad, waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst en in de Nederlandse Staatscourant, geschiedt op kosten van de belanghebbenden.
- Alle stukken, opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van dit besluit, zijn vrij van zegel.
- Daaronder zijn evenwel niet begrepen de processen-verbaal en akten, houdende verkoop of andere overeenkomsten, noch de stukken betrekkelijk andere rechtsgedingen over rechten en verplichtingen van de boedel dan die, welke het gevolg zijn van de verwijzing door de rechter-commissaris bedoeld in artikel 117.
Artikel 15a
- Indien de rechter-commissaris – en in de gevallen bedoeld in de elfde afdeling van Titel I en in Titel II van dit besluit, de Rechter in eerste aanleg – zulks in het belang van de boedel of van de schuldeisers, of wegens afwezigheid van de schuldenaar, of om andere gewichtige, daarbij te vermelden, redenen nodig oordeelt, beveelt hij van elke in dit besluit bevolen aankondiging, bekendmaking of openbaarmaking in het in artikel 11 bedoeld blad, mede plaatsing in de Nederlandse Staatscourant, alsook ingeval hij hiertoe gronden vindt, in een of meer door hem aan te wijzen nieuwsbladen.
- Indien het vonnis van faillietverklaring in de Nederlandse Staatscourant is bekendgemaakt, doet de curator van een uitspraak houdende vernietiging van de faillietverklaring of opheffing van het faillissement, als bedoeld in de artikelen 12 en 14, daarvan mede aankondiging in de Nederlandse Staatscourant.
- Indien aan de aankondiging, bekendmaking of openbaarmaking enig rechtsgevolg verbonden of daarvan een termijn afhankelijk gesteld is, komt slechts de plaatsing in het in artikel 11 bedoeld blad in aanmerking.
Artikel 16
- De griffier van het Gerecht in eerste aanleg houdt een openbaar register bij, waarin hij, voor ieder faillissement afzonderlijk, achtereenvolgens, met vermelding van de dagtekeningen inschrijft:
1°. een uittreksel van de rechterlijke beslissingen, waarbij de faillietverklaring uitgesproken of weder opgeheven is;
2°. de summiere inhoud en de homologatie van het akkoord;
3°. de ontbinding van het akkoord;
4°. het bedrag van de uitdelingen bij vereffening;
5°. de opheffing van het faillissement ingevolge artikel 14;
6°. de rehabilitatie.
- Omtrent vorm en inhoud van het register geeft de Gouverneur bij besluit regels.
- De griffier is verplicht aan ieder kosteloos inzage van het register en tegen betaling een uittreksel daaruit te verstrekken.
- Op het register bestaat een alfabetische klapper.
Tweede afdeling
Van de gevolgen van de faillietverklaring
Artikel 17
- Het faillissement omvat het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft.
- Is de schuldenaar een vennootschap onder firma, dan omvat het faillissement het gehele vermogen van de hoofdelijk voor het geheel aansprakelijke vennoten ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen zij gedurende het faillissement verwerven.
Artikel 18
- Niettemin blijven buiten het faillissement:
1°. de zaken, vermeld in artikel 447, onderdelen a tot en met c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de toerusting van de leden van de krijgsmacht volgens hun dienst en rang, het auteursrecht in de gevallen waarin het niet vatbaar is voor beslag, alsmede hetgeen in het eerste lid van artikel 448 van genoemd wetboek omschreven is, tenzij in het faillissement schuldeisers opkomen wegens vorderingen, vermeld in het tweede lid van dat artikel;
2°. hetgeen de gefailleerde door persoonlijke werkzaamheid, als bezoldiging wegens een ambt of bediening dan wel als soldij, riddersoldij, gagement, pensioen, uitkering bij wijze van pensioen of onderstand gedurende het faillissement verkrijgt indien en voor zover de rechter-commissaris zulks bepaalt;
3°. de gelden, welke aan de gefailleerde verstrekt worden ter voldoening aan een wettelijke onderhoudsplicht;
4°. een door de rechter-commissaris te bepalen bedrag uit de opbrengst van het in artikel 253l, eerste en tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde vruchtgenot, ter bestrijding van de in artikel 253l, derde lid, van Boek 1 van dat wetboek vermelde lasten en van de kosten van verzorging en opvoeding van het kind;
5°. het ingevolge artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gestorte bedrag;
6°. de goederen, bedoeld in artikel 56a, derde lid;
7°. een aanspraak op het tegoed van een lijfrentespaarrekening of op de waarde van een lijfrentebeleggingsrekening als bedoeld in artikel 16AA, eerste lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 voor zover de ter zake ingelegde bedragen voor de heffing van de inkomstenbelasting in aanmerking konden worden genomen voor de bepaling van het belastbare inkomen.
- In dit artikel wordt onder “gefailleerde” mede begrepen de echtgenoot van de in enige gemeenschap gehuwde gefailleerde.
Artikel 18a
- Ten aanzien van een overeenkomst van levensverzekering vallen voorts buiten de boedel:
a. het recht op het doen afkopen van een levensverzekering voor zover de begunstigde of de verzekeringnemer door afkoop onredelijk benadeeld wordt;
b. het recht om de begunstiging te wijzigen, tenzij de wijziging geschiedt ten behoeve van de boedel en de begunstigde of de verzekeringnemer daardoor niet onredelijk benadeeld wordt;
c. het recht om de verzekering te belenen.
- Voor de uitoefening van het recht op het doen afkopen en het recht om de begunstiging te wijzigen, behoeft de curator de toestemming van de rechter-commissaris, die daarbij zo nodig vaststelt tot welk bedrag deze rechten mogen worden uitgeoefend. Slechts met schriftelijke toestemming van de verzekeringnemer is de curator bevoegd tot overdracht van de verzekering.
- Indien de curator de begunstiging heeft gewijzigd, vervalt deze wijziging met de beëindiging van het faillissement.
- Indien de begunstiging na de faillietverklaring onherroepelijk wordt, kan deze onherroepelijkheid niet aan de boedel worden tegengeworpen. De verzekeraar is verplicht een uitkering, waarop de begunstiging betrekking heeft, onder zich te houden. Voor zover vaststaat dat de begunstiging niet zal worden gewijzigd, blijven de eerste en de tweede volzin buiten toepassing. Ten aanzien van de begunstigde is artikel 65 van overeenkomstige toepassing.
- In afwijking van het vierde lid, tweede volzin, kan de verzekeraar een betaling aan de begunstigde tegenwerpen aan de boedel, voor zover de curator niet bewijst dat de verzekeraar op het tijdstip van betaling op de hoogte was van het faillissement of van een daaraan voorafgegaan beslag ten laste van de verzekeringnemer. In dat geval heeft de curator verhaal op de begunstigde.
Artikel 19
Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen, te rekenen van de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.
Artikel 20
Voor verbintenissen van de schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan, is de boedel niet aansprakelijk dan voor zover deze ten gevolge daarvan is gebaat.
Artikel 21
- Rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, worden zowel tegen als door de curator ingesteld.
- Indien zij, door of tegen de gefailleerde ingesteld of voortgezet, een veroordeling van de gefailleerde ten gevolge hebben, mist die veroordeling tegenover de failliete boedel rechtskracht.
Artikel 22
Rechtsvorderingen, welke voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het faillissement ook tegen de gefailleerde niet op andere wijze ingesteld worden, dan door aanmelding ter verificatie.
Artikel 23
- Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, wordt het geding op verzoek van de gedaagde, geschorst, teneinde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter bepaalde termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.
- Zo deze niet aan die oproeping gevolg geeft, heeft de gedaagde het recht ontslag van de instantie te vragen; bij gebreke daarvan, kan het geding tussen de gefailleerde en de gedaagde worden voortgezet, buiten bezwaar van de boedel.
- Ook zonder opgeroepen te zijn, is de curator bevoegd het proces te allen tijde over te nemen en de gefailleerde buiten het geding te doen stellen.
Artikel 24
- Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en tegen de schuldenaar ingesteld is, is de eiser bevoegd schorsing te verzoeken, ten einde, binnen een door de rechter bepaalde termijn, de curator in het geding te roepen.
- Door zijn verschijning neemt deze het proces over en is de gefailleerde van rechtswege buiten het geding.
- Indien de curator verschijnende dadelijk in de eis toestemt, worden de proceskosten van de tegenpartij niet beschouwd als boedelschuld.
- Zo de curator niet verschijnt, is op het tegen de gefailleerde verkregen vonnis de bepaling van het tweede lid van artikel 21 niet toepasselijk.
Artikel 25
Voor zover tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, wordt het geding na de faillietverklaring geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie van de vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van de gefailleerde, partij in het geding.
Artikel 26
- Indien vóór de faillietverklaring de stukken van het geding tot het geven van een beslissing aan de rechter zijn overgelegd, zijn het tweede lid van artikel 21 en de artikelen 23 – 25 niet toepasselijk.
- De artikelen 23 – 25 worden weder toepasselijk, indien het geding voor de rechter, bij wie het aanhangig is, ten gevolge van zijn beslissing wordt voortgezet.
Artikel 27
Indien een geding door of tegen de curator, of ook in het geval van artikel 25 tegen een schuldeiser wordt voortgezet, mag de curator of die schuldeiser de nietigheid inroepen van handelingen, door de schuldenaar vóór zijn faillietverklaring in het geding verricht, zo bewezen wordt, dat deze door die handelingen de schuldeisers desbewust heeft benadeeld en dat dit aan zijn tegenpartij bekend was.
Artikel 29
- Het vonnis van faillietverklaring heeft ten gevolge, dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op enig deel van het vermogen van de schuldenaar, vóór het faillissement aangevangen, dadelijk een einde neemt, en dat, ook van hetzelfde ogenblik af, een vonnis niet bij lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd.
- Gelegde beslagen vervallen; de inschrijving van een desbetreffende verklaring van de rechter-commissaris machtigt de bewaarder van de openbare registers tot doorhaling. Het beslag herleeft, zodra het faillissement een einde neemt ten gevolge van vernietiging of opheffing van het faillissement, mits het goed dan nog tot de boedel behoort. Indien de inschrijving van het beslag in de openbare registers is doorgehaald, vervalt de herleving, indien niet binnen veertien dagen na de herleving een exploit is ingeschreven, waarbij van de herleving mededeling aan de schuldenaar is gedaan.
- Indien de schuldenaar zich in gijzeling bevindt, wordt hij ontslagen, zodra het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, behoudens toepassing van artikel 82.
- Het bepaalde bij dit artikel geldt niet voor lijfsdwang bij vonnissen, beschikkingen en authentieke akten, waarbij een uitkering tot levensonderhoud, krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verschuldigd, daaronder begrepen het verschuldigde voor verzorging en opvoeding van een minderjarige en voor levensonderhoud en studie van een meerderjarige die de leeftijd van eenentwintig jaren niet heeft bereikt, is bevolen of toegezegd, alsmede beschikkingen, waarbij een uitkering, krachtens artikel 85, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek door de ene echtgenoot aan de andere echtgenoot verschuldigd, is bevolen.
Artikel 30
Indien vóór het faillissement van de schuldenaar de uitwinning van zijn goederen zover was gevorderd, dat de dag van de verkoop reeds was bepaald, is de curator bevoegd om op machtiging van de rechter-commissaris, de verkoop voor rekening van de boedel te laten voortgaan.
Artikel 31
- Indien op de dag van de faillietverklaring nog niet alle handelingen die voor een levering door de schuldenaar nodig zijn, hebben plaatsgevonden, kan de levering niet geldig meer geschieden.
- Heeft de schuldenaar voor de dag van de faillietverklaring een toekomstig goed bij voorbaat geleverd, dan valt dit goed, indien het eerst na de aanvang van die dag door hem is verkregen, in de boedel, tenzij het gaat om nog te velde staande vruchten of beplantingen, die reeds voor de faillietverklaring uit hoofde van een zakelijk recht of een huurovereenkomst aan de schuldenaar toekwamen.
- Voor de toepassing van de artikelen 86 en 238 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt degene die van de schuldenaar heeft verkregen, geacht na de bekendmaking van de faillietverklaring, bedoeld in artikel 11, vierde lid, diens onbevoegdheid te hebben gekend.
Artikel 31a
Indien een beding als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, op de dag van de faillietverklaring nog niet in de openbare registers was ingeschreven, kan de curator het registergoed ten aanzien waarvan het is gemaakt, vrij van het beding overeenkomstig de artikelen 96 of 169, vierde en vijfde lid, vervreemden.
Artikel 31b
Aan een gift, door de schuldenaar gedaan onder een opschortende voorwaarde of een opschortende tijdsbepaling, die op de dag van de faillietverklaring nog niet was vervuld of verschenen, ontleent de begiftigde generlei recht tegen de boedel.
Artikel 32
- Ingeval een verjaringstermijn, betreffende een rechtsvordering als bedoeld in artikel 22, zou aflopen gedurende het faillissement of binnen zes maanden na het einde daarvan, loopt de termijn voort, totdat zes maanden na het einde van het faillissement zijn verstreken.
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op van rechtswege aanvangende vervaltermijnen.
Artikel 32a
Ingeval een termijn die vóór de faillietverklaring uit hoofde van artikel 55, tweede lid, van Boek 3 of van artikel 88 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek aan de schuldenaar was gesteld, ten tijde van de faillietverklaring nog niet was verstreken, loopt de termijn voort, voor zover dit redelijkerwijze noodzakelijk is om de curator in staat te stellen zijn standpunt te bepalen. De wederpartij kan de curator daartoe een nieuwe redelijke termijn stellen.
Artikel 33
- Indien een wederkerige overeenkomst ten tijde van de faillietverklaring zowel door de schuldenaar als door zijn wederpartij in het geheel niet of slechts gedeeltelijk is nagekomen en de curator zich niet binnen een hem daartoe schriftelijk door de wederpartij gestelde redelijke termijn bereid verklaart de overeenkomst gestand te doen, verliest de curator het recht zijnerzijds nakoming van de overeenkomst te vorderen.
- Indien de curator zich wel tot nakoming van de overeenkomst bereid verklaart, stelt hij bij die verklaring voor deze nakoming zekerheid.
- Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op overeenkomsten waarbij de gefailleerde slechts verbintenissen op zich heeft genomen tot door hem persoonlijk te verrichten handelingen.
Artikel 33a
Voor vorderingen die de wederpartij uit hoofde van ontbinding of vernietiging van een vóór de faillietverklaring met de schuldenaar gesloten overeenkomst op deze heeft verkregen, of die strekken tot schadevergoeding ter zake van tekortschieten in de nakoming van een vóór de faillietverklaring op deze verkregen vordering, kan zij als concurrent schuldeiser in het faillissement opkomen.
Artikel 34
Indien in het geval van artikel 33, de levering van waren, welke ter beurze op termijn worden verhandeld, bedongen is tegen een vastgesteld tijdstip of binnen een bepaalde termijn, en dit tijdstip invalt of die termijn verstrijkt na de faillietverklaring, wordt de overeenkomst door de faillietverklaring ontbonden en mag de wederpartij van de gefailleerde zonder meer voor schadevergoeding als concurrent schuldeiser opkomen. Lijdt de boedel door de ontbinding schade, dan is de wederpartij verplicht deze te vergoeden.
Artikel 34a
- Indien de gefailleerde huurkoper is, kan zowel de curator als de verkoper de huurkoop ontbonden verklaren.
- Deze ontbinding heeft dezelfde gevolgen als ontbinding van de overeenkomst wegens het niet nakomen door de koper van zijn verplichtingen.
- De verkoper kan voor het hem verschuldigde bedrag als concurrent schuldeiser opkomen.
Artikel 35
Indien de gefailleerde huurder is, kan zowel de curator als de verhuurder de huur tussentijds doen eindigen, mits de opzegging geschiedt tegen een tijdstip, waarop dergelijke overeenkomsten naar plaatselijk gebruik eindigen. Bovendien moet bij de opzegging de daarvoor overeengekomen of gebruikelijke termijn in acht genomen worden, met dien verstande echter, dat een termijn van drie maanden in elk geval voldoende zal zijn. Zijn er huurpenningen vooruitbetaald, dan kan de huur niet eerder opgezegd worden, dan tegen de dag, waarop de termijn, waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad, eindigt. Van de dag van de faillietverklaring af is de huurprijs boedelschuld.
Artikel 36
- Werknemers in dienst van de gefailleerde kunnen de dienstbetrekking opzeggen, en hun kan wederkerig door de curator de dienstbetrekking opgezegd worden, met inachtneming van de overeengekomen of wettelijke termijnen, met dien verstande echter dat in elk geval de dienstbetrekking kan worden geëindigd door opzegging met een termijn van zes weken en dat bij opzegging door werknemers het bepaalde in artikel 672, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet in acht behoeft te worden genomen. Van de dag van de faillietverklaring af zijn het loon en de met de arbeidsovereenkomst samenhangende premie schulden boedelschuld.
- Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op agentuurovereenkomsten.
Artikel 37
- De curator aanvaardt erfenissen, gedurende het faillissement aan de gefailleerde opkomende, niet anders dan onder voorrecht van boedelbeschrijving.
- Tot het verwerpen van een nalatenschap behoeft de curator machtiging van de rechter-commissaris.
Artikel 38
- De curator kan ten behoeve van de boedel elke rechtshandeling die de schuldenaar vóór de faillietverklaring onverplicht heeft verricht, en waarvan deze bij dit verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn, door een buitengerechtelijke verklaring vernietigen. Artikel 50, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
- Een rechtshandeling, anders dan om niet, die hetzij meerzijdig is, hetzij eenzijdig en tot een of meer bepaalde personen gericht, wordt wegens benadeling slechts vernietigd, indien ook degenen met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn.
- Wordt een rechtshandeling om niet wegens benadeling vernietigd, dan heeft de vernietiging ten aanzien van de bevoordeelde die wist noch behoorde te weten dat van de rechtshandeling benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn, geen werking, voor zover hij aantoont dat hij ten tijde van de faillietverklaring niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat was.
Artikel 39
- Indien de rechtshandeling waardoor de schuldeisers zijn benadeeld, is verricht binnen een jaar voor de faillietverklaring en de schuldenaar zich niet reeds voor de aanvang van die termijn daartoe had verplicht, wordt de aan het slot van artikel 38, eerste lid, eerste volzin, bedoelde wetenschap, behoudens tegenbewijs, vermoed aan beide zijden te bestaan:
1°. bij overeenkomsten waarbij de waarde van de verbintenis aan de zijde van de schuldenaar aanmerkelijk die van de verbintenis aan de andere zijde overtreft;
2°. bij rechtshandelingen ter voldoening van of zekerheidstelling voor een niet opeisbare schuld;
3°. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die een natuurlijk persoon is, verricht met of jegens:
a. zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de derde graad;
b. een rechtspersoon waarin hij, zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de derde graad bestuurder of commissaris is, dan wel waarin deze personen, afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal deelnemen;
4°. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een natuurlijk persoon:
a. die bestuurder of commissaris van de rechtspersoon is, dan wel met of jegens diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad;
b. die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed- of aanverwanten tot in de derde graad, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal deelneemt;
c. wiens echtgenoot, pleegkinderen of bloed- of aanverwanten tot in de derde graad, afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor tenminste de helft van het geplaatste kapitaal deelnemen;
5°. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een andere rechtspersoon, indien:
a. een van deze rechtspersonen bestuurder is van de andere;
b. een bestuurder, natuurlijk persoon, van een van deze rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad, bestuurder is van de andere;
c. een bestuurder, natuurlijk persoon, of een commissaris van een van deze rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad, afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal deelneemt in de andere;
d. in beide rechtspersonen voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal rechtstreeks of middellijk wordt deelgenomen door dezelfde rechtspersoon, dan wel dezelfde natuurlijke persoon, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed‑ of aanverwanten tot in de derde graad;
6°. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een groepsmaatschappij;
7°. bij rechtshandelingen die ertoe strekken een goed onder een trustverband te brengen.
- Met een echtgenoot wordt een andere levensgezel gelijkgesteld.
- Onder pleegkind wordt verstaan degene die duurzaam als eigen kind is verzorgd en opgevoed.
- Onder bestuurder, commissaris of aandeelhouder wordt mede verstaan degene die minder dan een jaar vóór de rechtshandeling bestuurder, commissaris of aandeelhouder is geweest.
- Indien de bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder zelf een rechtspersoon is, wordt deze rechtspersoon met de rechtspersoon-bestuurder gelijkgesteld.
- Een groepsmaatschappij is een vennootschap of rechtspersoon, die met een of meer andere vennootschappen of rechtspersonen organisatorisch in een economische eenheid is verbonden.
- Voor de toepassing van dit artikel is met de hoedanigheid van bestuurder, commissaris of aandeelhouder van een rechtspersoon gelijkgesteld de hoedanigheid van trustee, protector of begunstigde van een trust.
Artikel 42
In geval van benadeling door een rechtshandeling om niet, die de schuldenaar heeft verricht binnen één jaar vóór de faillietverklaring, wordt vermoed, dat hij wist of behoorde te weten dat benadeling van de schuldeisers het gevolg van de rechtshandeling zou zijn.
Artikel 43
De voldoening door de schuldenaar aan een opeisbare schuld wordt alleen dan vernietigd, indien is aangetoond, hetzij dat hij die de betaling ontving, wist dat het faillissement van de schuldenaar reeds aangevraagd was, hetzij dat de betaling het gevolg was van overleg tussen de schuldenaar en de schuldeiser, dat ten doel had laatstgenoemde door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen.
Artikel 44
- Krachtens het vorige artikel kan terugvordering niet geschieden van hem, die als houder van een papier aan order of toonder, uit hoofde van zijn rechtsverhouding tot vroegere houders, tot aanneming van de betaling verplicht was.
- In dit geval is hij, te wiens bate het papier is uitgegeven, verplicht de door de schuldenaar betaalde som aan de boedel terug te geven, wanneer wordt aangetoond, hetzij dat hij bij de uitgifte van het papier de in het vorige artikel genoemde wetenschap bezat, hetzij dat de uitgifte het gevolg was van een overleg als in dat artikel bedoeld.
Artikel 45
- Rechtsvorderingen, gegrond op de bepalingen van de artikelen 38-44, worden ingesteld door de curator.
- Niettemin kunnen de schuldeisers op gronden, aan die bepalingen ontleend, de toelating van een vordering bestrijden.
Artikel 46
Beëindiging van het faillissement door de homologatie van een akkoord doet de rechtsvorderingen in het vorige artikel bedoeld, vervallen, tenzij het akkoord boedelafstand inhoudt, in welk geval zij ten behoeve van de schuldeisers vervolgd of ingesteld kunnen worden door de vereffenaars.
Artikel 47
- Hetgeen door de vernietigde rechtshandeling uit het vermogen van de schuldenaar gegaan is, wordt door hen jegens wie de vernietiging werkt, aan de curator teruggegeven met inachtneming van titel 4, afdeling 2, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
- Rechten, door derden te goeder trouw anders dan om niet op de terug te geven goederen verkregen, worden geëerbiedigd. Tegen een derde te goeder trouw die om niet heeft verkregen, heeft geen terugvordering plaats, voor zover hij aantoont dat hij ten tijde van de faillietverklaring niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat was.
- Het door de schuldenaar uit hoofde van de vernietigde rechtshandeling ontvangene of de waarde daarvan wordt door de curator teruggegeven, voor zover de boedel erdoor is gebaat. Voor het tekortkomende kunnen zij jegens wie de vernietiging werkt, als concurrent schuldeiser opkomen.
Artikel 48
- Voldoening ná de faillietverklaring, doch vóór de bekendmaking daarvan aan de gefailleerde gedaan, tot nakoming van verbintenissen jegens deze vóór de faillietverklaring ontstaan, bevrijdt degene die haar deed, tegenover de boedel, zolang zijn bekendheid met de faillietverklaring niet bewezen wordt.
- Voldoening als in het eerste lid bedoeld, na de bekendmaking van de faillietverklaring aan de gefailleerde gedaan, bevrijdt tegenover de boedel alleen dan, indien degene die haar deed, bewijst dat de faillietverklaring te zijner woonplaats langs de weg van de wettelijke aankondiging nog niet bekend kon zijn, behoudens het recht van de curator om aan te tonen dat zij hem toch bekend was.
- In elk geval bevrijdt voldoening aan de gefailleerde de schuldenaar tegenover de boedel, voor zover hetgeen door hem voldaan werd, ten bate van de boedel is gekomen.
Artikel 49
- Degene die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, kan zijn schuld met zijn vordering op de gefailleerde verrekenen, indien beide zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen, vóór de faillietverklaring met de gefailleerde verricht.
- De vordering op de gefailleerde wordt, zo nodig, berekend naar de regels, in de artikelen 125 en 126 gesteld.
- De curator kan geen beroep doen op artikel 136 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 50
- Niettemin is degene die een schuld aan de gefailleerde of een vordering op de gefailleerde vóór de faillietverklaring van een derde heeft overgenomen, niet bevoegd tot verrekening, indien hij bij de overneming niet te goeder trouw heeft gehandeld.
- Na de faillietverklaring overgenomen vorderingen of schulden kunnen niet worden verrekend.
Artikel 51
De schuldenaar van de gefailleerde, die zijn schuld wil verrekenen met een vordering aan order of toonder, dient te bewijzen dat hij het papier reeds op het ogenblik van de faillietverklaring te goeder trouw had verkregen.
Artikel 52
Degene die met de gefailleerde deelgenoot is in een gemeenschap waarvan tijdens het faillissement een verdeling plaatsvindt, kan toepassing van artikel 184, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek verlangen, ook als de schuld van de gefailleerde aan de gemeenschap er een is onder een nog niet vervulde opschortende voorwaarde. De artikelen 125 en 126 zijn van toepassing.
Artikel 53
- Pand- en hypotheekhouders kunnen hun recht uitoefenen, alsof er geen faillissement was.
- Bij de verdeling kunnen uit eigen hoofde mede de beperkt gerechtigden opkomen, wier recht vóór de faillietverklaring was gevestigd, maar door de executie door een pand- of hypotheekhouder is vervallen voor hun recht op schadevergoeding, bedoeld in artikel 282 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
- Bij de verdeling van de opbrengst oefent de curator ten behoeve van de boedel mede de rechten uit, die de wet aan beslagleggers op het goed toekent. Hij behartigt daarbij mede de belangen van de bevoorrechte schuldeisers die in rang boven de voormelde pand- en hypotheekhouders en beperkt gerechtigden gaan.
- Zo een rangregeling nodig is, wordt deze verzocht aan de rechter-commissaris. De verdeling geschiedt ten overstaan van deze rechter-commissaris op de wijze voorgeschreven in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 54
- De curator kan de pand- en hypotheekhouders een redelijke termijn stellen om tot uitoefening van hun rechten overeenkomstig artikel 53 over te gaan. Heeft de pand‑ of hypotheekhouder het onderpand niet binnen deze termijn verkocht, dan kan de curator de goederen opeisen en met toepassing van de artikelen 96 of 169, vierde en vijfde lid, verkopen, onverminderd het recht van de pand‑ en hypotheekhouders op de opbrengst. De rechter-commissaris kan de termijn op verzoek van de pand‑ of hypotheekhouder een of meer malen verlengen.
- De curator kan een met pand of hypotheek bezwaard goed tot op het tijdstip van de verkoop lossen tegen voldoening van hetgeen waarvoor het pand‑ of hypotheekrecht tot zekerheid strekt, alsmede van de reeds gemaakte kosten van executie.
Artikel 55
Indien de opbrengst niet toereikend is om een pand‑ of hypotheekhouder of een dergenen wier beperkt recht door de executie is vervallen, te voldoen, kan deze voor het ontbrekende als concurrent schuldeiser in de boedel opkomen.
Artikel 55a
- De artikelen 53 tot en met 55 zijn niet van toepassing, ingeval de hypotheek rust op een luchtvaartuig dat teboekstaat in het register, bedoeld in artikel 1302 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, of in een verdragsregister als bedoeld in artikel 1300, onderdeel d, van dat boek.
- Hypotheekhouders wier rechten rusten op luchtvaartuigen als bedoeld in het eerste lid, en andere schuldeisers die op grond van artikel 1317 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek een voorrecht op het luchtvaartuig hebben, kunnen hun recht uitoefenen, alsof er geen faillissement was. Artikel 53, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
- De curator kan deze schuldeisers een redelijke termijn stellen om tot uitoefening van hun rechten overeenkomstig het tweede lid over te gaan. Heeft de schuldeiser het luchtvaartuig niet binnen deze termijn verkocht, dan kan de curator het luchtvaartuig verkopen. De rechter-commissaris kan de termijn op verzoek van de schuldeiser een of meer malen te verlengen.
- Op verkoop door de curator zijn de artikelen 584d en 584f tot en met 584q van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de curator wordt aangemerkt als beslaglegger uit hoofde van een vordering die niet van enige voorrang is voorzien, en dat met het vonnis van faillietverklaring wordt gehandeld, als voorgeschreven voor het proces-verbaal van beslag.
- De rechter-commissaris in het faillissement kan in dat geval bepalen dat een door hem vast te stellen gedeelte van de algemene faillissementskosten als kosten van de executie in de zin van artikel 584n van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal gelden.
- De curator kan het luchtvaartuig tot op het tijdstip van de verkoop lossen tegen voldoening van het daarop verschuldigde, alsmede van de reeds gemaakte kosten van executie.
- Artikel 55 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 56
- De schuldeiser die retentierecht heeft op een aan de schuldenaar toebehorende zaak, verliest dit recht niet door de faillietverklaring.
- De zaak kan door de curator worden opgeëist en met toepassing van de artikelen 96 of 169, vierde en vijfde lid, worden verkocht, onverminderd de voorrang, aan de schuldeiser in artikel 292 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek toegekend. De curator kan ook, indien dit in het belang is van de boedel, de zaak in de boedel terugbrengen door voldoening van de vordering waarvoor het retentierecht kan worden uitgeoefend.
- De schuldeiser kan de curator een redelijke termijn stellen om tot toepassing van het tweede lid over te gaan. Heeft de curator de zaak niet binnen deze termijn verkocht, dan kan de schuldeiser haar verkopen met overeenkomstige toepassing van de bepalingen, betreffende parate executie door een pandhouder, of, als het een registergoed betreft, die betreffende parate executie door een hypotheekhouder. De rechter‑commissaris kan de termijn op verzoek van de curator een of meer malen te verlengen.
- Betreft het een registergoed, dan zegt de schuldeiser, op straffe van verval van het recht van parate executie, binnen veertien dagen na het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn, aan de curator bij exploit aan dat hij tot executie overgaat, en doet dit exploit in de openbare registers inschrijven.
Artikel 56a
- Indien tot het vermogen van de gefailleerde onder bewind staande goederen behoren en zich schuldeisers ter verificatie hebben aangemeld die deze goederen onbelast met het bewind kunnen uitwinnen, eist de curator deze goederen van de bewindvoerder op, neemt deze onder zijn beheer en maakt deze te gelde, voor zover dit voor de voldoening van deze schuldeisers uit de opbrengst nodig is. Door de opeising eindigt het bewind over het goed. De opbrengst wordt overeenkomstig deze landsverordening onder deze schuldeisers verdeeld, voor zover zij zijn geverifieerd. De curator draagt hetgeen na deze verdeling van de opbrengst over is, aan de bewindvoerder af, tenzij de andere schuldeisers de onder bewind staande goederen onder de last van het bewind kunnen uitwinnen, in welk geval het restant overeenkomstig deze landsverordening onder deze laatste schuldeisers verdeeld wordt.
- Indien zich slechts schuldeisers ter verificatie hebben aangemeld, die de goederen onder de last van het bewind kunnen uitwinnen, worden deze goederen door de curator overeenkomstig de artikelen 96 of 169, vierde en vijfde lid, onder die last verkocht.
- Buiten de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, blijven de onder bewind staande goederen buiten het faillissement en wordt slechts aan de curator uitgekeerd, hetgeen de goederen netto aan vruchten hebben opgebracht.
- De bewindvoerder legt te allen tijde, zodra de curator dit verlangt, aan deze rekening en verantwoording af.
Artikel 56b
- Zijn krachtens artikel 56a goederen buiten het faillissement gebleven en heeft de bewindvoerder opgehouden de schuldeisers te betalen die deze goederen onbelast met bewind kunnen uitwinnen, dan kan de Rechter in eerste aanleg die de faillietverklaring heeft uitgesproken op verzoek van ieder van deze schuldeisers die niet in het faillissement kunnen opkomen, de curator opdragen ook het beheer van deze goederen op zich te nemen en voor de vereffening te hunnen behoeve zorg te dragen.
- De bepalingen, betreffende faillietverklaring en faillissement, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 57
- De echtgenoot van de gefailleerde neemt alle goederen, die hem toebehoren en niet in de gemeenschap vallen, terug.
- De aanbrengst van de bij huwelijkse voorwaarden buiten de gemeenschap gehouden rechten aan toonder en roerende zaken wordt bewezen zoals bij artikel 130 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek ten opzichte van derden is voorgeschreven.
- Van de aan de echtgenoot van de gefailleerde opgekomen rechten aan toonder en zaken die geen registergoederen zijn, welke buiten de gemeenschap vallen ingevolge artikel 94, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de huwelijkse voorwaarden, dan wel een bepaling als bedoeld in artikel 121a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, moet, in geval van geschil, door beschrijving of bescheiden blijken.
- De goederen, voortgesproten uit de belegging of wederbelegging van gelden aan de echtgenoot van de gefailleerde buiten de gemeenschap toebehorende, worden insgelijks door die echtgenoot teruggenomen, mits de belegging of wederbelegging, in geval van geschil, door voldoende bescheiden, ten genoegen van de rechter, zij bewezen. Op de belegging of wederbelegging is artikel 95, eerste lid, eerste volzin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
- Indien de goederen aan de echtgenoot van de gefailleerde toebehorende, door de gefailleerde zijn vervreemd, doch de koopprijs nog niet is betaald, of wel de kooppenningen nog onvermengd met de failliete boedel aanwezig zijn, kan de echtgenoot zijn recht van terugneming op die koopprijs of op de voorhanden kooppenningen uitoefenen.
- Voor zijn persoonlijke schuldvorderingen treedt de echtgenoot van de gefailleerde als schuldeiser op.
Artikel 59
- Het faillissement van de in enige gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot wordt als faillissement van die gemeenschap behandeld. Het omvat, behoudens de uitzonderingen van het eerste lid van artikel 18, alle goederen, welke in de gemeenschap vallen, en strekt ten behoeve van alle schuldeisers, die op de goederen der gemeenschap verhaal hebben. Goederen die de gefailleerde buiten de gemeenschap heeft, strekken slechts tot verhaal van schulden die daarop verhaald zouden kunnen worden, indien er generlei gemeenschap was.
- De bepalingen in dit besluit vervat omtrent handelingen door de schuldenaar verricht, zijn, bij faillissement van een in gemeenschap gehuwde echtgenoot, toepasselijk op de handelingen waardoor de gemeenschap wettig verbonden is, onverschillig wie van de echtgenoten deze verrichte.
Artikel 59a
- De rechter-commissaris kan op verzoek van elke belanghebbende of ambtshalve bij schriftelijke beschikking bepalen dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op tot de boedel behorende goederen of tot opeising van goederen die zich in de macht van de gefailleerde of van de curator bevinden, voor een periode van ten hoogste één maand niet dan met zijn machtiging kan worden uitgeoefend. De rechter-commissaris kan deze periode éénmaal voor ten hoogste één maand verlengen.
- De rechter-commissaris kan zijn beschikking beperken tot bepaalde derden en voorwaarden verbinden zowel aan zijn beschikking als aan de machtiging van een derde tot uitoefening van een aan deze toekomende bevoegdheid.
- Gedurende de in het eerste lid bedoelde perioden lopen aan of door de derden ter zake van hun bevoegdheid gestelde termijnen voort, voor zover dit redelijkerwijze noodzakelijk is om de derde dan wel de curator in staat te stellen na afloop van de periode zijn standpunt te bepalen. Degene die de termijn heeft gesteld, kan opnieuw een redelijke termijn stellen.
- De in de eerste volzin van het eerste lid bedoelde beslissing kan ook op verlangen van de aanvrager van het faillissement of van de schuldenaar worden gegeven in het vonnis van faillietverklaring.
Artikel 59b
De faillietverklaring van een openbare of stille vennootschap brengt niet het faillissement van de voor de schulden van de vennootschap verbonden vennoten mee.
Derde afdeling
Van het bestuur over de failliete boedel
§ 1. Van de rechter-commissaris
Artikel 60
De rechter-commissaris houdt toezicht op het beheer en de vereffening van de failliete boedel.
Artikel 61
Alvorens in enige zaak, het beheer of de vereffening van de faillieten boedel betreffende, een beslissing te geven, is het Hof van Justitie verplicht, de rechter-commissaris schriftelijk te horen.
Artikel 62
- De rechter-commissaris is bevoegd ter opheldering van alle omstandigheden, het faillissement betreffende, getuigen te horen of een onderzoek van deskundigen te bevelen.
- De getuigen worden gedagvaard namens de rechter-commissaris.
- Bij niet-verschijning of weigering om getuigenis af te leggen, zijn de artikelen 150 tot en met 154 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toepasselijk.
- De echtgenoot of gewezen echtgenoot, de kinderen en verdere nakomelingen en de ouders en grootouders van de gefailleerde mogen zich van het geven van getuigenis verschonen.
Artikel 63
- Van de beschikkingen van de rechter-commissaris vermeld in de artikelen 55a, derde lid, 59a, 64, tweede lid, 69, eerste lid, 82 en 93 is gedurende vijf dagen hoger beroep op het Hof van Justitie.
- Het beroep wordt ingesteld door het indienen van een memorie ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg. De rechter-commissaris verzendt die memorie, vergezeld van zijn schriftelijk bericht, zo spoedig mogelijk aan het Hof van Justitie.
- Tegen de overige beschikkingen van de rechter-commissaris is hoger beroep niet toegelaten.
§ 2. Van de curator
Artikel 64
- De curator is belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel.
- Alvorens in rechte op te treden, behalve waar het verificatiegeschillen betreft, alsmede in de gevallen van de artikelen 33, 35, 36, 54, tweede lid, 56, tweede en derde lid, en 56a, eerste lid, behoeft de curator machtiging van de rechter-commissaris.
Artikel 65
- Ieder van de schuldeisers, de commissie uit hun midden benoemd en ook de gefailleerde mogen bij verzoekschrift tegen elke handeling van de curator bij de rechter-commissaris opkomen, of van deze een bevel uitlokken, dat de curator een bepaalde handeling verricht of een voorgenomen handeling nalaat.
- De rechter-commissaris beslist, na de curator gehoord te hebben, binnen drie dagen.
Artikel 66
- Indien meer dan één curator benoemd is, wordt voor de geldigheid van hun handelingen toestemming van de meerderheid of bij staking van stemmen een beslissing van de rechter-commissaris vereist.
- De curator, aan wie bij het vonnis van faillietverklaring een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.
Artikel 67
- Onverminderd het bepaalde in het derde lid van artikel 12, stelt de rechter-commissaris het salaris van de curator in elk faillissement vast.
- Ingeval van akkoord wordt het salaris bij het vonnis van homologatie bepaald.
Artikel 68
Het ontbreken van de machtiging van de rechter-commissaris, waar die vereist is, of de niet-inachtneming van de bepalingen vervat in de artikelen 74 en 75, is, voor zover derden betreft, niet van invloed op de geldigheid van de door de curator verrichte handeling. De curator is deswege alleen jegens de gefailleerde en de schuldeisers aansprakelijk.
Artikel 69
- De rechter-commissaris heeft de bevoegdheid de curator te allen tijde, na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben, te ontslaan en door een ander te vervangen, of hem één of meer medecurators toe te voegen, een en ander ambtshalve of op een met redenen omkleed verzoek van één of meer schuldeisers, van de commissie uit hun midden, of van de gefailleerde.
- De ontslagen curator legt rekening en verantwoording van zijn beheer af aan de in zijn plaats benoemde curator.
§ 3. Van de commissie uit de schuldeisers
Artikel 70
- Bij het vonnis van faillietverklaring kan de Rechter in eerste aanleg of, zolang over de benoeming van de in het volgende artikel genoemde commissie een beslissing nog niet is genomen, kan de rechter-commissaris, zo de belangrijkheid of de aard van de boedels daartoe aanleiding geeft, uit de aan het gerecht bekende schuldeisers een voorlopige commissie van een tot drie leden benoemen, ten einde de curator van advies te dienen.
- Indien een lid van de voorlopige commissie zijn benoeming niet aanneemt, bedankt of overlijdt, voorziet de rechter-commissaris in de daardoor ontstane vacature.
Artikel 71
- Hetzij al of niet een voorlopige commissie uit de schuldeisers is benoemd, raadpleegt de rechter-commissaris op de verificatievergadering de schuldeisers, na afloop van de verificatie, over de benoeming van een definitieve commissie uit hun midden. Zo de vergadering deze wenselijk acht, gaat hij dadelijk tot de benoeming over. Ook deze commissie bestaat uit een tot drie leden.
- Een verslag van het hieromtrent verhandelde wordt in het proces-verbaal van de vergadering opgenomen.
- Indien een lid van de definitieve commissie zijn benoeming niet aanneemt, bedankt of overlijdt, voorziet de rechter-commissaris in de daardoor ontstane vacature.
Artikel 72
De commissie is bevoegd om te allen tijde raadpleging te vorderen van de op het faillissement betrekking hebbende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers. De curator is verplicht aan de commissie alle van hem verlangde inlichtingen te verstrekken.
Artikel 73
Tot het inwinnen van het advies van de commissie vergadert de curator met haar, zo dikwijls hij het nodig acht. In deze vergaderingen zit hij voor en voert hij de pen.
Artikel 74
- De curator is verplicht het advies van de commissie in te winnen, alvorens een rechtsvordering in te stellen of een aanhangige voort te zetten of zich tegen een ingestelde of aanhangige rechtsvordering te verdedigen, behalve waar het geldt verificatiegeschillen; omtrent het al of niet voortzetten van het bedrijf van de gefailleerden; alsmede in de gevallen van de artikelen 33, 35, 36 en 54, tweede lid, 69, tweede lid, 95, 96, 169, derde en laatste lid, en in het algemeen omtrent de wijze van vereffening en tegeldemaking van de boedel en het tijdstip en het bedrag van de te houden uitdelingen.
- Dit advies wordt niet vereist, wanneer de curator de commissie tot het uitbrengen daarvan, met inachtneming van een bekwame termijn, ter vergadering heeft opgeroepen en een advies niet wordt uitgebracht.
Artikel 75
De curator is niet gebonden aan het advies van de commissie. Zo hij zich daarmee niet verenigt, geeft hij hiervan onmiddellijk kennis aan de commissie, welke de beslissing van de rechter-commissaris kan inroepen. Zo zij verklaart, dit te doen, is de curator verplicht de uitvoering van de voorgenomen, met het advies van de commissie strijdige handeling, gedurende drie dagen op te schorten.
§ 4. Van de vergaderingen van schuldeisers
Artikel 76
- In de vergaderingen van schuldeisers is de rechter-commissaris voorzitter.
- De tegenwoordigheid van de curator of van iemand, die hem met goedvinden van de rechter-commissaris vervangt, is verplicht.
Artikel 77
- In de vergaderingen van schuldeisers worden de besluiten genomen met volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige schuldeisers.
- Voor elke honderd gulden brengt iedere schuldeisers één stem uit. Voor vorderingen of overschietende gedeelten van vorderingen, beneden honderd gulden, wordt mede één stem uitgebracht.
- Splitsing van vorderingen na de faillietverklaring gedaan, doet stemrecht niet verwerven.
Artikel 78
Stemgerechtigd zijn de erkende en de voorwaardelijk toegelaten schuldeisers, alsmede de toonder van een ten name van toonder geverifieerde schuldvordering.
Artikel 79
Ten behoeve van de schuldeisers, die zich op een vergadering hebben doen vertegenwoordigen, worden alle oproepingen voor latere vergaderingen en alle kennisgevingen aan de gemachtigde gedaan, ten ware zij de curator schriftelijk verzoeken, dat die oproepingen en kennisgevingen aan hen zelf of aan een andere gemachtigde geschieden.
Artikel 80
- Behalve de door dit besluit voorgeschreven vergaderingen, wordt er een vergadering van schuldeisers gehouden zo dikwijls de rechter-commissaris dit nodig oordeelt of hem daartoe door de commissie uit de schuldeisers of door ten minste vijf schuldeisers, vertegenwoordigende één vijfde deel van de erkende en de voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen, een met redenen omkleed verzoek wordt gedaan.
- In elk geval bepaalt de rechter-commissaris dag, uur en plaats voor de vergadering; waartoe de curator de stemgerechtigde schuldeisers ten minste één maand van te voren oproept bij advertentie in het nieuwsblad, bedoeld in artikel 11, en bij brieven, beide vermeldende het in de vergadering te behandelen onderwerp.
§ 5. Van de rechterlijke beschikkingen
Artikel 81
Alle beschikkingen in zaken, het beheer of de vereffening van de failliete boedel betreffende, zijn uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, tenzij het tegendeel bepaald is.
Vierde afdeling
Van de voorzieningen na de faillietverklaring en van
het beheer van de curator
Artikel 82
- Bij het vonnis van faillietverklaring kan de Rechter in eerste aanleg, of te allen tijde daarna, doch in het laatste geval niet dan op verzoek van de curator of van één of meer van de schuldeisers, kan de rechter-commissaris bevelen, dat de gefailleerde, wegens het niet nakomen van verplichtingen welke de wet hem in verband met zijn faillissement oplegt, dan wel wegens gegronde vrees voor het niet nakomen van zodanige verplichtingen, in verzekerde bewaring worden gesteld, hetzij in een huis van bewaring, hetzij in zijn eigen woning onder het opzicht van een dienaar van de openbare macht.
- Het openbaar ministerie legt het bevel hiertoe ten uitvoer.
- Dit bevel is voor niet langer dan voor dertig dagen geldig, gerekend van de dag, waarop het ten uitvoer is gelegd. Aan het einde van die termijn kan de rechter-commissaris op een verzoek als in het eerste lid bedoeld, het bevel voor ten hoogste dertig dagen verlengen. Daarna kan hetzelfde telkens op dezelfde wijze voor ten hoogste dertig dagen geschieden.
Artikel 83
- De rechter-commissaris heeft de bevoegdheid, op verzoek van de gefailleerde, deze uit de verzekerde bewaring te ontslaan, met of zonder zekerheidsstelling, dat hij te allen tijde op de eerste oproeping zal verschijnen.
- Het bedrag van de zekerheidstelling wordt door de rechter-commissaris bepaald en komt bij niet-verschijning van de gefailleerde ten voordele van de boedel.
Artikel 85
- In alle gevallen, waarin de tegenwoordigheid van de gefailleerde bij deze of gene bepaalde werkzaamheid, de boedel betreffende, vereist wordt, kan hij, zo hij zich in verzekerde bewaring bevindt, op last van de rechter-commissaris uit de bewaarplaats worden overgebracht.
- Het openbaar ministerie legt de last hiertoe ten uitvoer.
Artikel 86
Gedurende het faillissement mag de gefailleerde zonder toestemming van de rechter-commissaris zijn woonplaats niet verlaten.
Artikel 87
De curator zorgt, dadelijk na de aanvaarding van zijn betrekking, door alle nodige en gepaste middelen voor de bewaring van de boedel. Hij neemt onmiddellijk de bescheiden en andere gegevensdragers, gelden, kleinodiën, effecten en andere papieren van waarde tegen ontvangbewijs onder zich. Hij is bevoegd de gelden aan de ontvanger voor de gerechtelijke consignaties in bewaring te geven.
Artikel 88
- De curator doet, zo hij of de rechter-commissaris dit nodig acht, dadelijk de boedel verzegelen door een notaris.
- Buiten de verzegeling blijven, doch worden in het proces-verbaal kortelijk beschreven, de goederen vermeld in de artikelen 18, eerste lid, onder 1°., en 87, alsmede de voorwerpen tot het bedrijf van de gefailleerde vereist, indien dit wordt voortgezet.
Artikel 89
- De curator gaat zo spoedig mogelijk over tot het opmaken van een beschrijving van de failliete boedel.
- De boedelbeschrijving kan ondershands worden opgemaakt en de waardering door de curator geschieden, een en ander onder goedkeuring van de rechter-commissaris.
- De leden van de voorlopige commissie uit de schuldeisers zijn bevoegd bij de beschrijving tegenwoordig te zijn.
Artikel 90
Van de goederen, vermeld in artikel 18, eerste lid, onder 1°., wordt een staat aan de beschrijving gehecht; die, vermeld in artikel 87, worden in de beschrijving opgenomen.
Artikel 91
De curator gaat dadelijk na de beschrijving van de boedel over tot het opmaken van een staat, waaruit de aard en het bedrag van de baten en schulden van de boedels, de namen en woonplaatsen van de schuldeisers, alsmede het bedrag van de vorderingen van ieder van hen blijken.
Artikel 92
Door de curator gewaarmerkte afschriften van de boedelbeschrijving en van de staat, vermeld in het voorgaande artikel, worden ter kosteloze inzage van een ieder gelegd ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg.
Artikel 93
De curator is bevoegd het bedrijf van de gefailleerde voort te zetten. Indien een commissie uit de schuldeisers niet is benoemd, heeft hij daartoe de machtiging van de rechter-commissaris nodig.
Artikel 94
- De curator opent de aan de gefailleerde gerichte brieven, telegrammen en schriftelijk overgebrachte telefoonberichten. Die, welke niet op de boedel betrekking hebben, stelt hij terstond aan de gefailleerde ter hand. De administratie der posterijen, telefoon en telegraaf zijn, na van de griffier ontvangen kennisgeving, verplicht, de curator de brieven, telegrammen en schriftelijk over te brengen telefoonberichten, voor de gefailleerde bestemd, af te geven, totdat de curator of de rechter-commissaris haar van die verplichting ontslaat of zij de kennisgeving ontvangen, bedoeld in artikel 12.
- Protesten, exploiten, verklaringen en termijnstellingen, betreffende de boedel, geschieden door en aan de curator.
- (vervallen)
Artikel 95
De curator is bevoegd naar omstandigheden een door de rechter-commissaris vastgestelde som ter voorziening in het levensonderhoud van de gefailleerde en zijn huisgezin uit te keren.
Artikel 96
- De curator is bevoegd goederen te vervreemden, indien en voor zover de vervreemding noodzakelijk is ter bestrijding van de kosten van het faillissement, of de goederen niet dan met nadeel voor de boedel bewaard kunnen blijven.
- De bepaling van artikel 169, vierde lid, is toepasselijk.
Artikel 97
- De curator houdt alle gelden, kleinodiën, effecten en andere papieren van waarde onder zijn onmiddellijke bewaring, tenzij de rechter-commissaris daarvoor een andere wijze van bewaring bepaalt.
- Gerede gelden, welke voor het beheer niet nodig zijn, belegt de curator ten name van de boedel op de wijze door de rechter-commissaris goedgekeurd.
Artikel 98
Over gelden, kleinodiën, effecten en andere papieren van waarde, welke, volgens bepaling van de rechter-commissaris, door een derde worden bewaard, en over belegde gelden mag de curator niet anders beschikken dan door middel van door de rechter-commissaris voor gezien getekende stukken.
Artikel 99
De curator is, na ingewonnen advies van de commissie uit de schuldeisers, zo die er is, en onder goedkeuring van de rechter-commissaris, bevoegd vaststellingsovereenkomsten of schikkingen aan te gaan.
Artikel 100
- De gefailleerde is verplicht voor de rechter-commissaris, de curator of de commissie uit de schuldeisers te verschijnen en deze alle inlichtingen te verschaffen, zo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen.
- Bij faillissement van een in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot rust de verplichting om inlichtingen te geven op ieder van de echtgenoten voor zover hij gehandeld heeft.
Artikel 101
Bij het faillissement van een naamloze vennootschap, besloten vennootschap, wederkerige verzekerings- of waarborgmaatschappij of enige andere, rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging of stichting zijn de bepalingen van de artikelen 82 – 86 op de bestuurders, die van artikel 100, eerste lid, op bestuurders en commissarissen toepasselijk.
Artikel 102
De griffier is verplicht aan elke schuldeiser op diens verzoek en op diens kosten afschrift te geven van de stukken, welke ingevolge enige bepaling van dit besluit ter griffie worden neergelegd of zich aldaar bevinden.
Vijfde afdeling
Van de verificatie van de schuldvorderingen
Artikel 103
- De rechter-commissaris bepaalt uiterlijk binnen veertien dagen nadat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan:
1°. de dag, waarop uiterlijk de schuldvorderingen ingediend moeten worden;
2°. dag, uur en plaats, waarop de verificatievergadering zal gehouden worden.
- Tussen de dagen, onder 1°. en 2°. vermeld, moeten ten minste veertien dagen verlopen.
Artikel 104
De curator geeft van deze beschikkingen onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers bij brieven kennis, en doet daarvan aankondiging in het nieuwsblad, bedoeld in artikel 11.
Artikel 105
- De indiening van de schuldvorderingen geschiedt bij de curator door de overlegging van een rekening of andere schriftelijke verklaring, aangevende de aard en het bedrag van de vordering, vergezeld van de bewijsstukken of een afschrift daarvan, en van opgave, of op voorrecht, pand, hypotheek of retentierecht aanspraak wordt gemaakt.
- De schuldeisers zijn bevoegd van de curator een ontvangbewijs te vorderen.
Artikel 106
De curator toetst de ingezonden rekeningen aan de administratie en opgaven van de gefailleerde, treedt, als hij tegen de toelating van een vordering bezwaar heeft, met de schuldeiser in overleg, en is bevoegd van deze overlegging van ontbrekende stukken alsook inzage van zijn administratie en van de oorspronkelijke bewijsstukken te vorderen.
Artikel 107
De curator brengt de vorderingen, welke hij goedkeurt, op een lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen, en de vorderingen, welke hij betwist op een afzonderlijke lijst, vermeldende de gronden van betwisting.
Artikel 108
- In de lijsten, bedoeld in het vorige artikel, wordt elke vordering omschreven en daarbij aangegeven, of zij naar de mening van de curator bevoorrecht of door pand of hypotheek gedekt is, dan wel of ter zake van de vordering retentierecht kan worden uitgeoefend.
- Betwist de curator alleen de voorrang of het retentierecht, zo wordt de vordering op de lijst van de voorlopig erkende schuldvorderingen gebracht met aantekening van deze betwisting en de gronden daarvan.
Artikel 109
Van ieder van de lijsten, in artikel 107 bedoeld, legt de curator een afschrift neer ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg, om aldaar gedurende de zeven aan de verificatievergadering voorafgaande dagen kosteloos ter inzage te liggen voor een ieder.
Artikel 110
Van de krachtens artikel 109 gedane neerlegging van de lijsten geeft de curator aan alle bekende schuldeisers schriftelijk bericht, waarbij hij een nadere oproeping tot de verificatievergadering voegt en tevens vermeldt, of de gefailleerde een ontwerpakkoord ter griffie heeft neergelegd.
Artikel 111
De gefailleerde woont de verificatievergadering in persoon bij, ten einde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van het faillissement en de staat van de boedel te geven, welke de rechter-commissaris van hem vraagt. De schuldeisers zijn bevoegd om de rechter-commissaris te verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan de gefailleerde te vragen. De vragen aan de gefailleerde gesteld en de door hem gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opgetekend.
Artikel 112
Bij het faillissement van een naamloze vennootschap, besloten vennootschap, wederkerige verzekerings- of waarborgmaatschappij of enige andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereniging of stichting, rust op de bestuurders de verplichting, in het vorige artikel de gefailleerde opgelegd.
Artikel 113
De schuldeisers mogen op de vergadering verschijnen in persoon of bij gemachtigde. De schriftelijke volmacht is vrij van zegel en van de formaliteit van registratie.
Artikel 114
- Op de vergadering leest de rechter-commissaris de lijst van de voorlopig erkende en die van de door de curator betwiste schuldvorderingen voor. Ieder van de op de lijsten voorkomende schuldeisers is bevoegd, de curator omtrent elke vordering en haar plaatsing op een van de lijsten inlichtingen te vragen, of wel haar juistheid, de beweerden voorrang of het beweerde retentierecht te betwisten, of te verklaren, dat hij zich bij de betwisting van de curator aansluit.
- De curator is bevoegd op de door hem gedane voorlopige erkenning of betwisting terug te komen, of wel te vorderen, dat de schuldeiser de deugdelijkheid van zijn noch door de curator, noch door een van de schuldeisers betwiste schuldvordering onder eed bevestige; indien de oorspronkelijke schuldeiser overleden is, moeten zijn rechthebbenden onder eed verklaren, dat zij te goeder trouw geloven dat de schuld bestaat en onvoldaan is.
- Bestaat er behoefte aan verdaging van de vergadering, dan wordt deze binnen acht dagen, op het door de rechter-commissaris aangewezen tijdstip, zonder nadere oproeping, voortgezet.
Artikel 115
- De eed, bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel, wordt in persoon of door een daartoe bijzonder gevolmachtigde afgelegd in handen van de rechter-commissaris, hetzij onmiddellijk op de vergadering, hetzij op een latere door de rechter-commissaris daartoe bepaalde dag de volmacht mag ondershands worden verleend.
- Indien de schuldeiser, aan wie de eed is opgedragen, niet op de vergadering aanwezig is, geeft de griffier hem onmiddellijk kennis van de eedsopdracht en van de voor de eedaflegging bepaalde dag.
- De rechter-commissaris geeft de schuldeiser een verklaring van de eedaflegging, tenzij de eed wordt afgelegd in een vergadering van schuldeisers, in welk geval van de aflegging aantekening wordt gehouden in het proces-verbaal van die vergadering.
Artikel 116
- De vorderingen, welke niet betwist worden, worden overgebracht op een in het proces-verbaal opgenomen lijst van erkende schuldeisers. Op het papier aan order en aan toonder tekent de curator de erkenning aan.
- De schuldvorderingen, van welke de curator de beëdiging heeft gevorderd, worden voorwaardelijk toegelaten, totdat door het al of niet afleggen van de eed op de bij het eerste lid van artikel 115 bedoelden tijd over haar toelating definitief zal zijn beslist.
- Het proces-verbaal van de vergadering wordt ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier.
- De in het proces-verbaal van de vergadering opgetekende erkenning van een vordering heeft in het faillissement kracht van gewijsde zaak. Alleen op grond van bedrog is de curator bevoegd, daarvan vernietiging te vorderen.
Artikel 117
- De rechter-commissaris verwijst, in geval van betwisting, de partijen, zo hij ze niet kan verenigen en voor zover het geschil niet reeds aanhangig is, naar een door hem bepaalde terechtzitting van de Rechter in eerste aanleg zonder dat daartoe een oproeping wordt vereist.
- Verschijnt de schuldeiser, die de verificatie vraagt, op de bepaalde terechtzitting niet, dan wordt hij geacht zijn aanvraag te hebben ingetrokken; verschijnt hij, die de betwisting doet, niet, dan wordt hij geacht de betwisting te laten varen en erkent de Rechter in eerste aanleg de vordering.
- Schuldeisers, die op de verificatievergadering een betwisting niet hebben gedaan, kunnen zich in het geding niet voegen noch tussenkomen.
- Van de uitspraak is hoger beroep op het Hof van Justitie toegelaten.
- Het geding in hoger beroep wordt alleen gevoerd tussen hen, die in eerste aanleg partijen zijn geweest.
Artikel 118
- Wanneer de curator de betwisting heeft gedaan, wordt de loop van het rechtsgeding van rechtswege geschorst door het in kracht van gewijsde gaan van de homologatie van een akkoord in het faillissement, tenzij de stukken van het geding reeds tot het geven van een beslissing aan de rechter zijn overgelegd, in welk geval de vordering, indien zij wordt erkend, geacht wordt in het faillissement erkend te zijn, terwijl ten aanzien van de beslissing omtrent de kosten van het geding de schuldenaar in de plaats treedt van de curator.
- De schuldenaar kan bij exploit verklaren, dat hij het rechtsgeding overneemt achtervolgens de laatste gedingstukken in plaats van de curator.
- Zolang dit niet is geschied, heeft de wederpartij het recht de schuldenaar tot de overneming te dagvaarden.
- Verschijnt de schuldenaar niet, dan is artikel 189 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.
- Wanneer de betwisting is gedaan door een medeschuldeiser, kan het geding, nadat de homologatie van een akkoord in het faillissement in kracht van gewijsde is gegaan, door partijen worden voortgezet uitsluitend ten einde de rechter te doen beslissen over de proceskosten.
Artikel 119
De schuldeiser, wiens vordering betwist wordt, is tot staving daarvan niet tot nader of meer bewijs gehouden, dan hij tegen de gefailleerde zelf zou moeten leveren.
Artikel 120
- Indien de schuldeiser, wiens vordering betwist wordt, niet op de vergadering aanwezig is, geeft de griffier hem onmiddellijk kennis van de gedane betwisting en verwijzing.
- De schuldeiser mag zich in het geding op het ontbreken van die kennisgeving niet beroepen.
Artikel 121
De rechter-commissaris is bevoegd om vorderingen, welke betwist worden, voorwaardelijk toe te laten tot een door hem bepaald bedrag. Wanneer de voorrang betwist wordt, is de rechter-commissaris bevoegd deze voorwaardelijk te erkennen.
Artikel 122
- Ook de gefailleerde is bevoegd om zich, onder summiere opgaaf van zijn gronden, tegen de toelating van een vordering, hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, of tegen de erkenning van de beweerde voorrang, te verzetten. In dit geval geschiedt in het proces-verbaal aantekening van de betwisting en van haar gronden, zonder verwijzing van de partijen naar een terechtzitting van het Gerecht in eerste aanleg en zonder dat daardoor de erkenning van de vordering in het faillissement wordt verhinderd.
- Betwisting, waarvoor gronden niet worden opgegeven, of welke niet de gehele vordering omvat en toch niet uitdrukkelijk aanwijst, welk deel wordt erkend en welk deel betwist, wordt niet als betwisting aangemerkt.
Artikel 123
- Vorderingen, na afloop van de in artikel 103, onder 1°., genoemde termijn, doch uiterlijk twee dagen vóór de dag, waarop de verificatievergadering zal worden gehouden, bij de curator ingediend, worden op daartoe op de vergadering gedaan verzoek geverifieerd, indien noch de curator noch een van de aanwezige schuldeisers daartegen bezwaar maakt.
- Daarna ingediende vorderingen worden niet geverifieerd.
- De bepalingen van het eerste en het tweede lid zijn niet toepasselijk, indien de schuldeiser niet in Curaçao woont en daardoor verhinderd was zich eerder aan te melden.
- In geval van bezwaar, als in het eerste lid bedoeld of van geschil over het al dan niet aanwezig zijn van verhindering, als in het derde lid bedoeld, beslist de rechter-commissaris, na de vergadering te hebben geraadpleegd.
Artikel 124
Interesten na de faillietverklaring lopende, mogen niet geverifieerd worden, tenzij door pand of hypotheek gedekt. In dit geval worden zij pro memorie geverifieerd. Voor zover de interesten op de opbrengst van het onderpand niet batig gerangschikt worden, kan de schuldeiser uit deze verificatie rechten niet ontlenen.
Artikel 125
- Een vordering onder een ontbindende voorwaarde wordt voor het gehele bedrag geverifieerd, onverminderd de werking van de voorwaarde, wanneer zij vervuld wordt.
- Een vordering onder een opschortende voorwaarde kan geverifieerd worden voor haar waarde op het ogenblik van de faillietverklaring. Indien de curator en de schuldeisers het niet eens kunnen worden over deze wijze van verificatie, wordt zodanige vordering voor het volle bedrag voorwaardelijk toegelaten.
Artikel 126
- Een vordering, waarvan het tijdstip van de opeisbaarheid onzeker is, of welke recht geeft op periodieke uitkeringen, wordt geverifieerd voor haar waarde op de dag van de faillietverklaring.
- Alle schuldvorderingen, vervallende binnen één jaar na de dag, waarop het faillissement is aangevangen, worden behandeld, alsof zij op dat tijdstip opeisbaar waren. Alle later dan één jaar daarna vervallende schuldvorderingen worden geverifieerd voor de waarde, welke zij hebben na verloop van een jaar sedert de aanvang van het faillissement.
- Bij de berekening wordt uitsluitend gelet op het tijdstip en de wijze van aflossing, het kans genot, waar dit bestaat, en, indien de vordering rentedragend is, op de bedongen rentevoet.
Artikel 127
- Schuldeisers wier vorderingen door pand, hypotheek of retentierecht gedekt of op een bepaald voorwerp bevoorrecht zijn, maar die kunnen aantonen dat een deel van hun vordering vermoedelijk niet batig gerangschikt zal kunnen worden op de opbrengst van de verbonden goederen, kunnen verlangen dat hun voor dat deel de rechten van concurrente schuldeisers worden toegekend met behoud van hun recht van voorrang.
- Het bedrag waarvoor pand‑ en hypotheekhouders batig gerangschikt kunnen worden, wordt bepaald met inachtneming van artikel 483e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met dien verstande dat voor het tijdstip van het opmaken van de staat in de plaats treedt de aanvang van de dag waarop de faillietverklaring werd uitgesproken.
Artikel 128
Vorderingen, waarvan de waarde onbepaald, onzeker, niet in in Curaçao wettig gangbare munt of in het geheel niet in geld is uitgedrukt, worden geverifieerd voor hun geschatte waarde in in Curaçao wettig gangbare munt.
Artikel 129
Schuldvorderingen aan toonder mogen ten name van “toonder” geverifieerd worden. Iedere ten name van “toonder” geverifieerde vordering wordt als de vordering van een afzonderlijk schuldeiser beschouwd.
Artikel 131
- Indien van hoofdelijke schuldenaren één of meer in staat van faillissement verkeren, kan de schuldeiser in het faillissement van die schuldenaar, onderscheidenlijk in het faillissement van ieder van die schuldenaren opkomen voor en betaling ontvangen over het gehele bedrag, hem ten tijde van de faillietverklaring nog verschuldigd, totdat zijn vordering ten volle zal zijn gekweten.
- Een hoofdelijke schuldenaar kan, zo nodig voorwaardelijk, worden toegelaten voor de bedragen waarvoor hij op de gefailleerde krachtens hun onderlinge rechtsverhouding als hoofdelijke medeschuldenaren een vordering heeft verkregen of zal verkrijgen. De toelating geschiedt echter slechts:
a. voor zover de schuldeiser daarvoor zelf niet kan opkomen of, hoewel hij zulks kan, niet opkomt;
b. voor het geval de schuldeiser gedurende het faillissement voor het gehele bedrag waarvoor hij is opgekomen, wordt voldaan;
c. voor zover om een andere reden de toelating geen voor de concurrente schuldeisers nadelige invloed heeft op de aan hen uit te keren percenten.
Artikel 132
- Na afloop van de verificatie brengt de curator verslag uit over de stand van de boedel en geeft daaromtrent alle door de schuldeisers verlangde inlichtingen. Het verslag wordt, met het proces-verbaal van de verificatievergadering, na afloop van de vergadering ter griffie neergelegd ter kosteloze inzage van iedere belanghebbende.
- Zowel de curator, als de schuldeisers en de gefailleerde mogen na de neerlegging van het proces-verbaal aan de Rechter in eerste aanleg verbetering daarvan verzoeken, indien uit de stukken zelf blijkt dat in het proces-verbaal een vergissing is geslopen.
Zesde afdeling
Van het akkoord
Artikel 133
De gefailleerde is bevoegd aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord aan te bieden.
Artikel 134
- Indien de gefailleerde een ontwerp van akkoord, ten minste acht dagen vóór de vergadering tot verificatie van de schuldvorderingen, ter plaatse in artikel 92 aangewezen heeft neergelegd, ter kosteloze inzage van een ieder, wordt daarover in die vergadering na afloop van de verificatie dadelijk geraadpleegd en beslist, behoudens de bepaling van artikel 136.
- Een afschrift van het ontwerp van akkoord moet, gelijktijdig met de neerlegging ter griffie, worden toegezonden aan de curator en aan ieder van de leden van de voorlopige commissie uit de schuldeisers.
Artikel 135
De curator en de commissie uit de schuldeisers zijn verplicht ieder afzonderlijk op de vergadering een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord te geven.
Artikel 136
De raadpleging en beslissing worden tot een volgende door de rechter-commissaris op ten hoogste drie weken later bepaalde vergadering uitgesteld:
1°. indien staande de vergadering een definitieve commissie uit de schuldeisers is benoemd, niet bestaande uit dezelfde personen als de voorlopige, en de meerderheid van de verschenen schuldeisers van haar een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord verlangt;
2°. indien het ontwerp van akkoord niet tijdig ter griffie is neergelegd en de meerderheid van de verschenen schuldeisers zich vóór uitstel verklaart.
Artikel 137
Wanneer de raadpleging en stemming over het akkoord, ingevolge de bepalingen van het voorgaande artikel, worden uitgesteld tot een nadere vergadering, geeft de curator daarvan onverwijld aan de niet op de verificatievergadering verschenen, erkende of voorwaardelijk toegelaten schuldeisers kennis bij brieven, vermeldende de summiere inhoud van het akkoord.
Artikel 138
- Van de stemming over het akkoord zijn uitgesloten de schuldeisers aan wier vordering voorrang verbonden is, daaronder begrepen degenen wier voorrang betwist wordt, tenzij zij, vóór de aanvang van de stemming, van hun voorrang ten behoeve van de boedel afstand hebben gedaan.
- Deze afstand maakt hen tot concurrente schuldeisers, ook voor het geval het akkoord niet mocht worden aangenomen.
Artikel 139
De gefailleerde is bevoegd tot toelichting en verdediging van het akkoord op te treden en het, staande de raadpleging, te wijzigen.
Artikel 140
Tot het aannemen van het akkoord wordt vereist de toestemming van twee derde van de erkende en de voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers, die drie vierde van het bedrag van de door geen voorrang gedekte erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen.
Artikel 141
Indien twee derde van de op de vergadering verschenen schuldeisers, meer dan de helft van het gezamenlijk bedrag van de schuldvorderingen, waarvoor stemrecht mag worden uitgeoefend, vertegenwoordigende, in het akkoord bewilligen, wordt ten hoogste acht dagen later een tweede stemming gehouden, zonder dat daartoe een nadere oproeping vereist wordt. Bij deze stemming is niemand gebonden aan zijn de eerste maal uitgebrachte stem.
Artikel 142
Latere veranderingen, in het getal van de schuldeisers of in het bedrag van de vorderingen, zijn niet van invloed op de geldigheid van de aanneming of de verwerping van het akkoord.
Artikel 143
- Het proces-verbaal van de vergadering vermeldt de inhoud van het akkoord, de namen van de verschenen stemgerechtigde schuldeisers, de door ieder van hen uitgebrachte stem, de uitslag van de stemming en al wat verder op de vergadering is voorgevallen. Het wordt ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier.
- Gedurende acht dagen kan een ieder ter griffie kosteloos inzage van het proces-verbaal verkrijgen.
Artikel 144
- Zowel de schuldeisers, die vóór gestemd hebben, als de gefailleerde, mogen gedurende acht dagen na afloop van de vergadering aan het Hof van Justitie verbetering van het proces-verbaal verzoeken, indien uit de stukken zelf blijkt, dat de rechter-commissaris het akkoord ten onrechte als verworpen heeft beschouwd.
- Het verzoek wordt bij de rechter-commissaris ingediend, die het, vergezeld van zijn schriftelijk bericht, zo spoedig mogelijk aan het Hof van Justitie verzendt.
Artikel 145
- Indien het akkoord is aangenomen, bepaald de rechter-commissaris vóór het sluiten van de vergadering de terechtzitting, waarop de Rechter in eerste aanleg de homologatie zal behandelen.
- Bij toepassing van artikel 144 bepaalt de rechter-commissaris de terechtzitting zo spoedig mogelijk na ontvangst van de beschikking van het Hof. Van deze bepaling geeft de curator aan de schuldeisers schriftelijk kennis.
- De terechtzitting wordt gehouden ten minste acht en ten hoogste veertien dagen na de stemming over het akkoord of, bij toepassing van artikel 144, na de ontvangst van de beschikking van het Hof.
Artikel 146
- Gedurende die tijd mogen de schuldeisers aan de rechter-commissaris schriftelijk de redenen opgeven waarom zij weigering van de homologatie wenselijk achten.
- De rechter-commissaris brengt aan de Rechter in eerste aanleg, die de homologatie zal behandelen, een schriftelijk rapport uit.
Artikel 147
- Op de bepaalde dag leest de griffier op de openbare terechtzitting het in artikel 143 bedoelde proces-verbaal voor en mag ieder van de schuldeisers in persoon of bij gemachtigde de gronden uiteenzetten, waarop hij de homologatie wenst of haar bestrijdt.
- De gefailleerde is mede bevoegd, tot verdediging van zijn belangen op te treden.
Artikel 148
- Op dezelfde dag, of anders zo spoedig mogelijk, geeft de Rechter in eerste aanleg zijn met redenen omklede beschikking.
- De Rechter in eerste aanleg weigert de homologatie:
1°. indien de baten van de boedels de bij het akkoord bedongen som aanmerkelijk te boven gaan;
2°. indien de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd;
3°. indien het akkoord door bedrog, door begunstiging van één of meer schuldeisers of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen, onverschillig of de gefailleerde dan wel een ander daartoe heeft meegewerkt.
- De Rechter in eerste aanleg mag ook op andere gronden en ook ambtshalve de homologatie weigeren.
Artikel 148a
Binnen acht dagen na de beschikking van de Rechter in eerste aanleg kunnen, zo de homologatie is geweigerd, zowel de schuldeisers die voor het akkoord stemden als de gefailleerde, zo de homologatie is toegestaan, de schuldeisers die tegenstemden of bij de stemming afwezig waren, tegen die beschikking in hoger beroep komen. In het laatste geval hebben ook de schuldeisers, die vóór stemden, ditzelfde recht, doch alleen op grond van het ontdekken na de homologatie van handelingen als in artikel 148, tweede lid, sub 3° genoemd.
Artikel 148b
- Het hoger beroep geschiedt bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg, welk verzoekschrift, voorzien van een aantekening van de griffier omtrent de datum van indiening daarvan, met de overige tot de zaak betrekkelijke stukken, waaronder het van de behandeling van de homologatie in eerste aanleg opgemaakt proces-verbaal en van de beroepen beschikking, door de griffier onverwijld aan het Hof wordt gezonden. De voorzitter van het Hof bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling, welke zal moeten plaats hebben binnen twintig dagen.
- Op de behandeling van het hoger beroep zijn artikel 147 en artikel 148, eerste lid, toepasselijk.
Artikel 149
Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle geen voorrang hebbende schuldeisers, onverschillig of zij al dan niet in het faillissement opgekomen zijn.
Artikel 150
Na verwerping of weigering van de homologatie van het akkoord mag de gefailleerde in hetzelfde faillissement een akkoord niet meer aanbieden.
Artikel 151
Het in kracht van gewijsde gegaan vonnis van homologatie levert, in verband met het proces-verbaal van de verificatie, ten behoeve van de erkende vorderingen, voor zover zij niet door de gefailleerde overeenkomstig artikel 122 betwist zijn, een voor tenuitvoerlegging vatbare titel op tegen de schuldenaar en de tot het akkoord als borgen toegetreden personen.
Artikel 152
Niettegenstaande het akkoord behouden de schuldeisers al hun rechten tegen de borgen en andere medeschuldenaren van de schuldenaar. De rechten, welke zij op goederen van derden kunnen uitoefenen, blijven bestaan als ware geen akkoord tot stand gekomen.
Artikel 153
Zodra de homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt het faillissement.
Artikel 154
- Nadat de homologatie in kracht van gewijsde is gegaan is de curator verplicht, ten overstaan van de rechter-commissaris rekening en verantwoording aan de schuldenaar te doen.
- Indien bij het akkoord deswege niet anders is bepaald, geeft de curator aan de schuldenaar tegen behoorlijke kwijting af alle tot de boedel behorende zaken, gelden, boeken, papieren en andere gegevensdragers.
Artikel 155
- Het bedrag, waarop geverifieerde schuldeisers, krachtens een erkend voorrecht, aanspraak kunnen maken, alsmede de kosten van het faillissement moeten in handen van de curator worden gestort, tenzij de schuldenaar deswege zekerheid stelt. Zolang hieraan niet is voldaan, is de curator verplicht alle tot de boedel behorende goederen en gelden onder zich te houden, totdat dit bedrag en de bedoelde kosten aan de daarop rechthebbenden zijn voldaan.
- Wanneer na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van homologatie één maand is verlopen, zonder dat van wege de schuldenaar de voldoening van een en ander is geschied, gaat de curator daartoe over uit de voorhanden baten van de boedels.
- Het bedrag in het eerste lid bedoeld, en het deel daarvan, aan ieder schuldeiser krachtens zijn recht van voorrang toe te kennen, wordt desnoods door de rechter-commissaris begroot.
Artikel 156
Voor zover betreft vorderingen, waarvan het voorrecht voorwaardelijk erkend is, bepaalt de in het vorige artikel bedoelde verplichting van de schuldenaar zich tot het stellen van zekerheid en is de curator bij gebreke daarvan slechts gehouden tot het reserveren uit de baten van de boedels van het bedrag, waarop het voorrecht aanspraak geeft.
Artikel 157
- Elke schuldeiser, jegens wie de schuldenaar in gebreke blijft aan de inhoud daarvan te voldoen, is bevoegd om ontbinding van het gehomologeerde akkoord te vorderen.
- Op de schuldenaar rust het bewijs, dat aan het akkoord is voldaan.
- De rechter is, ook ambtshalve, bevoegd om de schuldenaar uitstel van ten hoogste één maand te verlenen, ten einde alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen.
Artikel 158
De vordering tot ontbinding van het akkoord wordt op dezelfde wijze aangebracht en beslist, als ten aanzien van het verzoek tot faillietverklaring in de artikelen 4, 5, 6 en 7 is voorgeschreven.
Artikel 159
- In het vonnis, waarbij de ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken, wordt tevens heropening van het faillissement bevolen met benoeming van een curator, alsmede van een commissie uit de schuldeisers indien er in het faillissement reeds een geweest is.
- Bij voorkeur worden daartoe de personen gekozen, die vroeger in het faillissement die betrekkingen hebben waargenomen.
- De curator draagt zorg voor de bekendmaking van het vonnis op de wijze in artikel 11, vierde lid, voorgeschreven.
Artikel 160
- De artikelen 10, eerste lid, 11, eerste lid, 12 ‒15 en die, welke vervat zijn in de tweede, derde en vierde afdeling van deze titel, zijn bij heropening van het faillissement toepasselijk.
- Evenzo zijn toepasselijk de bepalingen van de afdeling over de verificatie van schuldvorderingen, behoudens deze wijziging, dat de verificatie beperkt blijft tot de schuldvorderingen, welke niet reeds vroeger geverifieerd werden.
- Niettemin worden ook de reeds geverifieerde schuldeisers tot bijwoning van de verificatievergadering opgeroepen en hebben zij het recht de vorderingen, waarvoor toelating verzocht werd, te betwisten.
Artikel 161
De handelingen, door de schuldenaar in de tijd tussen de homologatie van het akkoord en de heropening van het faillissement verricht, zijn voor de boedel verbindend, behoudens de toepassing van artikel 38 en volgende, zo daartoe gronden zijn.
Artikel 162
- Na de heropening van het faillissement mag niet opnieuw een akkoord worden aangeboden.
- De curator gaat zonder verwijl tot de vereffening over.
Artikel 163
- Indien tijdens de heropening jegens enige schuldeisers reeds geheel of gedeeltelijk aan het akkoord is voldaan, worden bij de verdeling aan de nieuwe schuldeisers en diegene onder de oude, die nog geen voldoening ontvingen, de bij het akkoord toegezegde percenten, en wordt aan hen, die gedeeltelijk betaling ontvingen, hetgeen aan het toegezegde bedrag nog ontbreekt, vooruitbetaald.
- In hetgeen alsdan nog overschiet delen alle schuldeisers, zo oude als nieuwe, gelijkelijk.
Artikel 164
Het vorige artikel is eveneens toepasselijk, indien de boedel van de schuldenaar, terwijl deze nog niet volledig aan het akkoord heeft voldaan, opnieuw in staat van faillissement wordt verklaard.
Zevende afdeling
Van de vereffening van de boedel
Artikel 165
- Indien op de verificatievergadering een akkoord niet is aangeboden of indien het aangeboden akkoord verworpen of de homologatie definitief geweigerd is, verkeert de boedel van rechtswege in staat van insolventie.
- De artikelen 93 en 95 houden op van toepassing te zijn, wanneer vast staat, dat het bedrijf van de gefailleerde niet overeenkomstig de volgende artikelen zal worden voortgezet of wanneer de voortzetting wordt gestaakt.
Artikel 166
- Indien op de verificatievergadering een akkoord niet is aangeboden of indien het aangeboden akkoord is verworpen, mag de curator of een op de vergadering aanwezige schuldeiser voorstellen, dat het bedrijf van de gefailleerde wordt voortgezet.
- De commissie uit de schuldeisers, indien deze er is, en, zo het voorstel is gedaan door een schuldeiser, de curator geven hun advies over dit voorstel.
- Op verlangen van de curator of van een van de aanwezige schuldeisers, stelt de rechter-commissaris de beraadslaging en beslissing over het voorstel uit tot een daartoe op ten hoogste veertien dagen later bepaalde vergadering.
- De curator geeft onverwijld aan de schuldeisers, die niet op de vergadering aanwezig waren, kennis van deze nadere vergadering bij brieven, waarin het ingediende voorstel wordt vermeld en hun tevens de bepaling van artikel 109 wordt herinnerd.
- Op deze vergadering heeft, zo nodig, tevens de verificatie plaats van de schuldvorderingen, welke na afloop van de in artikel 103, eerste lid, onder 1°., bepaalde termijn zijn ingediend en niet reeds ingevolge artikel 123 geverifieerd zijn.
- De curator handelt ten opzichte van deze vorderingen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 106 ‒109.
- Het voorstel is aangenomen, indien de schuldeisers, vertegenwoordigende meer dan de helft van de erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen, welke niet door pand, hypotheek of retentierecht zijn gedekt, zich daarvóór verklaren.
- In dit geval vindt, indien een commissie uit de schuldeisers niet bestaat, artikel 71 overeenkomstige toepassing.
- Het proces-verbaal van de vergadering vermeldt de namen van de verschenen schuldeisers, de door ieder van hen uitgebrachte stem, de uitslag van de stemming en al wat verder op de vergadering is voorgevallen.
- Gedurende acht dagen kan een ieder ter griffie kosteloos inzage van het proces-verbaal verkrijgen.
- De curator en de schuldeisers zijn bevoegd om gedurende acht dagen na afloop van de vergadering aan het Hof van Justitie te vragen, alsnog te verklaren, dat het voorstel is aangenomen of verworpen, indien uit de stukken zelf blijkt, dat de rechter-commissaris dit ten onrechte als verworpen of aangenomen heeft beschouwd. In dit geval is artikel 144, tweede lid, van toepassing.
Artikel 167
- Indien binnen acht dagen, nadat de homologatie van een akkoord definitief is geweigerd, de curator of een schuldeiser bij de rechter-commissaris een voorstel indient tot voortzetting van het bedrijf van de gefailleerde, belegt de rechter-commissaris op door hem terstond bepaalde dag, uur en plaats, een vergadering van schuldeisers ten einde over het voorstel te doen beraadslagen en beslissen.
- De curator roept de schuldeisers ten minste tien dagen vóór de vergadering op bij brieven, waarin het ingediende voorstel wordt vermeld en hun tevens de bepaling van artikel 109 wordt herinnerd. Bovendien plaatst hij gelijke oproeping in het nieuwsblad bedoeld in artikel 11.
- Artikel 166, tweede, vijfde, zevende, achtste, negende, tiende en elfde lid, is van toepassing.
Artikel 168
- De rechter-commissaris is bevoegd om op verzoek van een schuldeiser of van de curator te gelasten, dat de voortzetting van het bedrijf wordt gestaakt. Op dit verzoek worden gehoord de commissie uit de schuldeisers, indien deze er is, alsmede de curator, indien deze het verzoek niet gedaan heeft.
- Bovendien mag de rechter-commissaris iedere schuldeiser en de schuldenaar horen.
Artikel 169
- Indien een voorstel tot voortzetting van het bedrijf niet of niet tijdig wordt gedaan of indien het wordt verworpen of de voortzetting wordt gestaakt, gaat de curator onmiddellijk over tot vereffening en tegeldemaking van alle baten van de boedels, zonder dat daartoe de toestemming of medewerking van de gefailleerde nodig is.
- Niettemin kan de gefailleerde enig door de rechter-commissaris aangewezen huisraad worden gelaten.
- Ook in geval van voortzetting van het bedrijf kunnen baten van de boedel, welke voor de voortzetting niet nodig zijn, worden te gelde gemaakt.
- De goederen worden in het openbaar of met toestemming van de rechter-commissaris onderhands verkocht.
- Over alle niet spoedig of in het geheel niet voor vereffening vatbare baten beschikt de curator op de door de rechter-commissaris goedgekeurde wijze.
- De curator kan ten behoeve van de vereffening van de diensten van de gefailleerden gebruik maken, tegen een door de rechter-commissaris vastgestelde vergoeding.
Artikel 170
Nadat de boedel insolvent is geworden, is de rechter-commissaris bevoegd, om op door hem bepaalde dag, uur en plaats, een vergadering van schuldeisers te beleggen, ten einde hen zo nodig te raadplegen over de wijze van vereffening van de boedel, en zo nodig de verificatie te doen plaats hebben van de schuldvorderingen, welke na afloop van de in artikel 103, eerste lid, onder 1°., bepaalde termijn nog zijn ingediend en niet reeds ingevolge artikel 123 geverifieerd zijn. De curator handelt ten opzichte van deze vorderingen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 106-109. Hij roept de schuldeisers ten minste tien dagen vóór de vergadering, bij brieven op, waarin het onderwerp van de vergadering wordt vermeld en hun tevens de bepaling van artikel 109 wordt herinnerd. Bovendien plaatst hij gelijke oproeping in het nieuwsblad, bedoeld in artikel 11.
Artikel 171
Zo dikwijls er, naar het oordeel van de rechter-commissaris, voldoende gerede penningen aanwezig zijn, beveelt deze een uitdeling aan de geverifieerde schuldeisers.
Artikel 172
- De curator maakt telkens de uitdelingslijst op en onderwerpt die aan de goedkeuring van de rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat van ontvangsten en uitgaven (daaronder begrepen het salaris van de curator), de namen van de schuldeisers, het geverifieerde bedrag van ieders vordering benevens de daarop te ontvangen uitkering.
- Voor de concurrente schuldeisers worden de door de rechter‑commissaris te bepalen percenten uitgetrokken. Voor de schuldeisers die voorrang hebben, ongeacht of deze betwist wordt, en die niet reeds overeenkomstig artikel 53 of 56, derde lid, voldaan zijn, wordt het bedrag uitgetrokken, waarvoor zij batig gerangschikt kunnen worden op de opbrengst van de goederen waarop hun voorrang betrekking heeft. Zo dit minder is dan het gehele bedrag van hun vorderingen, worden voor het ontbrekende, zover de goederen waarop hun vordering betrekking heeft nog niet verkocht zijn, voor hun hele vordering, gelijke percenten uitgetrokken als voor de concurrente schuldeisers.
Artikel 173
Voor de voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen worden op de uitdelingslijst de percenten over het volle bedrag uitgetrokken.
Artikel 174
- De algemene faillissementskosten worden omgeslagen over ieder deel van de boedel, met uitzondering van hetgeen na een executie overeenkomstig artikel 53 of 56, derde lid, tweede volzin, toekomt aan de pand‑ of hypotheekhouders, aan de schuldeisers met retentierecht en aan de beperkt gerechtigden, en huurders wier recht door de executie is vervallen of verloren gegaan, maar met inbegrip van hetgeen krachtens een zodanige executie aan de curator is uitgekeerd ten behoeve van een schuldeiser die boven een of meer van voormelde personen bevoorrecht was.
- De in het vorige lid genoemde uitzondering geldt eveneens ten aanzien van luchtvaartuigen, welke overeenkomstig artikel 55a door een schuldeiser zelf zijn verkocht.
Artikel 175
- De door de rechter-commissaris goedgekeurde uitdelingslijst ligt gedurende tien dagen ter plaatse in artikel 92 aangewezen kosteloos ter inzage van de schuldeisers.
- Van de neerlegging wordt door de zorg van de curator aankondiging gedaan in het nieuwsblad, bedoeld in artikel 11, terwijl daarvan bovendien aan ieder van de erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers schriftelijk kennis wordt gegeven, met vermelding van het voor hen uitgetrokken bedrag.
Artikel 176
- Gedurende de in het vorige artikel genoemde termijn kan iedere schuldeiser in verzet komen tegen de uitdelingslijst, door inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg; de griffier geeft hem een bewijs van ontvangst af.
- Het bezwaarschrift wordt als bijlage bij de lijst gevoegd.
Artikel 177
- Zo er verzet gedaan is, zendt de rechter-commissaris onmiddellijk na afloop van de termijn van inzage het bezwaarschrift en de overige stukken, vergezeld van zijn schriftelijk rapport, aan het Hof van Justitie.
- De griffier van het Hof van Justitie doet aan de opposanten en aan de curator schriftelijk mededeling van de dag van behandeling.
- Op de bepaalde dag leest de griffier op de openbare terechtzitting het schriftelijk rapport van de rechter-commissaris voor en is de curator en ieder van de schuldeisers in persoon of bij gemachtigde bevoegd om de gronden uiteen te zetten ter verdediging of bestrijding van de uitdelingslijst.
- Op dezelfde dag, of anders zo spoedig mogelijk, geeft het Hof van Justitie zijn met redenen omklede beschikking.
Artikel 178
- Ook een niet-geverifieerde schuldeiser, zomede een schuldeiser, wiens vordering voor een te laag bedrag is geverifieerd, doch overeenkomstig zijn opgave, mag verzet doen, mits hij uiterlijk twee dagen vóór die waarop het verzet ter openbare terechtzitting zal behandeld worden, de vordering of het niet-geverifieerde deel van de vordering bij de curator indient, een afschrift daarvan ter griffie van het Hof van Justitie bij het bezwaarschrift voegt, en in dit bezwaarschrift tevens verzoek doet om geverifieerd te worden.
- De verificatie geschiedt alsdan op de wijze bij artikel 114 en volgende voorgeschreven, ter openbare terechtzitting, bestemd voor de behandeling van het verzet en vóórdat daarmee een aanvang wordt gemaakt.
- Indien dit verzet alleen ten doel heeft als schuldeiser geverifieerd te worden, en er niet tevens door anderen verzet is gedaan, komen de kosten van het verzet ten laste van de nalatige schuldeiser.
Artikel 179
Door verloop van de termijn van artikel 175, of, zo er verzet is gedaan, door de op het verzet gegeven beschikking, wordt de uitdelingslijst verbindend.
Artikel 180
- Door levering ingevolge verkoop door de curator en de voldoening van de koopprijs gaan alle op het verkochte goed rustende hypotheken teniet en vervallen de beperkte rechten die niet tegen alle geverifieerde schuldeisers ingeroepen kunnen worden.
- De rechter‑commissaris geeft, desverlangd, aan de koper een verklaring af van dit tenietgaan en vervallen. De verklaring kan bij of na de levering in de registers worden ingeschreven. Zij machtigt dan de bewaarder van de registers tot doorhaling van de betrokken inschrijvingen.
- Op verkoop, door de curator, van tot de boedel behorende schepen, is artikel 575 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toepasselijk.
Artikel 181
- De uitdeling, uitgetrokken voor een voorwaardelijk toegelaten schuldeiser, wordt niet uitgekeerd, zolang niet omtrent zijn vordering is beslist. Blijkt het ten slotte, dat hij niets of minder te vorderen heeft, dan komen de voor hem bestemde gelden geheel of ten dele ten bate van de andere schuldeisers.
- Uitdelingen bestemd voor vorderingen, welke voorrang betwist wordt, worden, voor zover zij meer bedragen dan de percenten over de concurrente vorderingen uit te keren, gereserveerd tot na de uitspraak over de voorrang.
Artikel 182
Indien enig goed met betrekking waartoe een schuldeiser voorrang heeft, wordt verkocht, nadat hem ingevolge artikel 171 in verband met het slot van artikel 172, reeds een uitkering is gedaan, wordt hem bij een volgende uitdeling het bedrag waarvoor hij op de opbrengst van goed batig gerangschikt is, niet anders uitgekeerd dan onder aftrek van de percenten die hij reeds tevoren over dit bedrag ontving.
Artikel 183
- Aan schuldeisers die, ten gevolge van hun verzuim om op te komen, eerst geverifieerd worden nadat er reeds uitdelingen hebben plaats gehad, wordt uit de nog voorhanden baten een bedrag, evenredig aan het door de overige erkende schuldeisers reeds genoten, vooruitbetaald.
- Indien zij voorrang hebben, verliezen zij die, voor zover de opbrengst van de zaak, waarop die voorrang kleefde, bij een vroegere uitdelingslijst aan andere schuldeisers bij voorrang is toegekend.
Artikel 184
Na afloop van de termijn van inzage, bedoeld bij artikel 175, of na uitspraak van het vonnis op het verzet, is de curator verplicht de vastgestelde uitkering onverwijld te doen. De uitkeringen, waarover niet binnen één maand daarna is beschikt of welke ingevolge artikel 181 gereserveerd zijn, stort hij in de kas van de gerechtelijke consignaties.
Artikel 185
- Zodra aan de geverifieerde schuldeisers het volle bedrag van hun vorderingen is uitgekeerd, of zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, neemt het faillissement een einde, behoudens de bepaling van artikel 186. De curator doet daarvan aankondiging op de wijze bij artikel 11 bepaald.
- Na verloop van een maand doet de curator rekening en verantwoording van zijn beheer aan de rechter-commissaris.
- De door de curator in de boedel gevonden boeken, papieren en andere gegevensdragers geeft hij tegen behoorlijk bewijs aan de schuldenaar af.
Artikel 186
Indien na de slotuitdeling ingevolge artikel 181 gereserveerde uitdelingen aan de boedel terugvallen of mocht blijken, dat er nog baten van de boedel aanwezig zijn, welke ten tijde van de vereffening niet bekend waren, gaat de curator, op bevel van de Rechter in eerste aanleg, tot vereffening en verdeling daarvan over op de grondslag van de vroegere uitdelingslijsten.
Achtste afdeling
Van de rechtstoestand van de schuldenaar na afloop van de vereffening
Artikel 187
Door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst herkrijgen de schuldeisers voor hun vorderingen, in zover deze onvoldaan zijn gebleven, hun rechten van executie op de goederen van de schuldenaar.
Artikel 188
De in het vierde lid van artikel 116 bedoelde erkenning van een vordering heeft kracht van gewijsde zaak tegen de schuldenaar; het proces-verbaal van de verificatievergadering levert voor de daarin als erkend vermelde vorderingen de voor tenuitvoerlegging vatbare titel op tegen de schuldenaar.
Artikel 189
De bepaling van het vorige artikel geldt niet voor zover de vordering door de gefailleerde overeenkomstig artikel 122 betwist is.
Negende afdeling
Van het faillissement van een nalatenschap
(vervallen)
Artikelen 190 tot en met 194
(vervallen)
Tiende afdeling
Bepalingen van internationaal recht
Artikel 195
Schuldeisers, die na de faillietverklaring hun vordering geheel of gedeeltelijk afzonderlijk verhaald hebben op in het buitenland zich bevindende, aan hen niet bij voorrang verbonden, goederen van de hier te lande gefailleerde schuldenaar, zijn verplicht het aldus verhaalde aan de boedel te vergoeden.
Artikel 196
- De schuldeiser, die zijn vordering tegen de gefailleerde, geheel of gedeeltelijk, aan een derde overdraagt, ten einde deze in de gelegenheid te stellen die vordering, geheel of gedeeltelijk, afzonderlijk of bij voorrang te verhalen op in het buitenland zich bevindende goederen van de gefailleerde, is verplicht het aldus verhaalde aan de boedel te vergoeden.
- De overdracht wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed met dit doel te zijn geschied, als hij is gedaan met de wetenschap, dat de faillietverklaring reeds was aangevraagd of aangevraagd zou worden.
Artikel 197
- Gelijke verplichting tot vergoeding jegens de boedel rust op hem die zijn vordering of zijn schuld geheel of gedeeltelijk aan een derde overdraagt, die daardoor in staat wordt gesteld in het buitenland een door deze landsverordening niet toegelaten verrekening in te roepen.
- Het tweede lid van het vorige artikel is hier toepasselijk.
Elfde afdeling
Van rehabilitatie
Artikel 198
Nadat het faillissement overeenkomstig de artikelen 153 of 185 geëindigd is, is de schuldenaar of zijn zijn erfgenamen bevoegd een verzoek van rehabilitatie in te leveren bij de Rechter in eerste aanleg.
Artikel 199
De schuldenaar of zijn erfgenamen zijn tot dit verzoek niet ontvankelijk, tenzij bij het verzoekschrift zij overgelegd het bewijs, waaruit blijkt, dat alle erkende schuldeisers, ten genoegen van elk van hen, zijn voldaan.
Artikel 200
Van het verzoek wordt aankondiging gedaan in het blad, waarin van overheidswege de officiële berichten worden geplaatst.
Artikel 201
- Ieder erkend schuldeiser is bevoegd om binnen de tijd van drie maanden na voorschreven aankondiging verzet tegen het verzoek te doen, door inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie; de griffier geeft hem een bewijs van ontvangst af.
- Dit verzet mag alleen daarop gegrond zijn, dat de verzoeker niet behoorlijk aan het voorschrift van artikel 199 heeft voldaan.
Artikel 202
- Na verloop van de voormelde drie maanden, zal de Rechter in eerste aanleg, om het even of er al dan niet verzet is gedaan, het verzoek toestaan of weigeren.
- Tegen de beslissing van de Rechter in eerste aanleg is enige voorziening niet toegelaten.
Artikel 203
Het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, wordt op de openbare terechtzitting uitgesproken, terwijl mede daarvan aantekening geschiedt in het in artikel 16 bedoelde register.
TITEL II
Van surséance van betaling
Eerste afdeling
Van de verlening van surséance van betaling en haar gevolgen
Artikel 204
De schuldenaar, die voorziet, dat hij met betalen van zijn opeisbare schulden niet zal kunnen voortgaan, kan surséance van betaling aanvragen.
Artikel 205
- Hij zal zich daartoe, onder overlegging van een door behoorlijke bescheiden gestaafde staat, als bedoeld in artikel 91, wenden tot de Rechter in eerste aanleg bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg, aangegeven in artikel 2.
- Bij het verzoekschrift kan een ontwerp van akkoord worden gevoegd.
Artikel 206
- Het verzoekschrift met bijbehorende stukken wordt ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg, neergelegd. De neerlegging geschiedt kosteloos.
- De Rechter in eerste aanleg zal dadelijk de gevraagde surséance voorlopig verlenen en een of meer bewindvoerders benoemen, ten einde met de schuldenaar het beheer over diens zaken te voeren. Bovendien beveelt hij, dat de bekende schuldeisers, benevens de schuldenaar, tegen een door hem op korte termijn bepaalde dag, door de griffier bij brieven worden opgeroepen, ten einde, alvorens beslist wordt omtrent het definitief verlenen van de gevraagde surséance, op het verzoekschrift te worden gehoord. Behalve de dag worden uur en plaats van de bijeenkomst daarbij vermeld, alsmede of een ontwerp van akkoord bij het verzoekschrift is gevoegd.
Artikel 207
- De griffier doet van de indiening van het verzoek, van de voorlopige verlening van surséance, van de namen en woonplaatsen van de benoemde bewindvoerders en van de overeenkomstig het tweede lid van het voorgaande artikel bepaalde dag onmiddellijk aankondiging in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden opgenomen en, wanneer zulks bij de beschikking waarbij de voorlopige surséance werd verleend bevolen is, mede in de Nederlandse Staatscourant.
- Indien bij het verzoekschrift een ontwerp van akkoord is gevoegd, wordt daarvan in de aankondiging melding gemaakt.
Artikel 208
De surséance wordt geacht te zijn ingegaan bij de aanvang van de dag, waarop zij voorlopig is verleend.
Artikel 209
- Op bepaalde dagen hoort de Rechter in eerste aanleg de schuldenaar, de bewindvoerders en de in persoon of bij schriftelijk gemachtigde opgekomen schuldeisers. Iedere schuldeiser is bevoegd om, zelfs zonder opgeroepen te zijn, op te komen.
- De Rechter in eerste aanleg kan de schuldenaar definitief surséance verlenen, tenzij zich daartegen verklaren hetzij houders van meer dan één vierde van het bedrag van de bij de vergadering vertegenwoordigde, in artikel 223 bedoelde, schuldvorderingen, hetzij meer dan één derde van de houders van zodanige vorderingen.
- Over de toelating tot de stemming beslist, bij verschil, de Rechter in eerste aanleg.
- Surséance wordt niet definitief verleend, indien er gegronde vrees bestaat, dat de schuldenaar zal trachten de schuldeisers tijdens de surséance te benadelen of het vooruitzicht niet bestaat, dat hij na verloop van tijd zijn schuldeisers zal kunnen bevredigen.
- De Rechter in eerste aanleg, het verzoek afwijzende, kan bij dezelfde beschikking de schuldenaar in staat van faillissement verklaren. Wordt het faillissement niet uitgesproken, dan blijft de voorlopig verleende surséance gehandhaafd tot de beschikking van de Rechter in eerste aanleg in kracht van gewijsde is gegaan.
- Indien een aanvraag tot faillietverklaring en een verzoek tot surséance gelijktijdig aanhangig zijn, komt eerst het laatste in behandeling.
- De beschikking op het verzoek is met redenen omkleed en wordt uitgesproken op de openbare terechtzitting.
Artikel 210
- Gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak heeft, in geval van afwijzing van het verzoek, de schuldenaar, of, ingeval de surséance verleend is, iedere schuldeiser, die zich niet vóór het verlenen daarvan heeft verklaard, recht van hoger beroep.
- Het hoger beroep wordt ingesteld door indiening van een memorie ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg. De griffier geeft hiervan aan ieder van de opgekomen schuldeisers, als in artikel 209, eerste lid, bedoeld, zomede, indien het hoger beroep door een schuldeiser ingesteld is, ook aan de schuldenaar schriftelijk kennis en zendt de in artikel 205 bedoelde stukken met een afschrift van het ter zake opgemaakt proces-verbaal en van het vonnis waarvan beroep, zo spoedig mogelijk aan het Hof van Justitie.
Artikel 211
- Bij de behandeling van het hoger beroep wordt het verzoek niet opnieuw in stemming gebracht, maar ieder schuldeiser is bevoegd in persoon of bij schriftelijk gemachtigde aan de bestrijding of verdediging van de uitspraak, waartegen het beroep gericht is, deel te nemen.
- De behandeling heeft plaats in raadkamer; de griffier van het Hof geeft ten minste vijf dagen van te voren aan ieder van de opgekomen schuldeisers als in artikel 209, eerste lid, bedoeld, zomede aan de schuldenaar, schriftelijk kennis van de dag en het uur van de behandeling. De uitspraak geschiedt op de openbare terechtzitting.
Artikel 212
De beschikking waarbij de surséance definitief wordt toegestaan, wordt aangekondigd op de wijze, in artikel 207 voorgeschreven.
Artikel 212a
De griffier van het Gerecht in eerste aanleg houdt een openbaar register bij met betrekking tot surséances van betaling. Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 213
- Bij het definitief verlenen van de surséance bepaalt de Rechter in eerste aanleg haar duur op ten hoogste anderhalf jaar.
- Vóór het einde van de surséance kan door de schuldenaar haar verlenging voor ten hoogste anderhalf jaar worden gevraagd. Het verzoek wordt behandeld op dezelfde wijze als een verzoek tot verlening van surséance. Zolang bij afloop van de surséance op een verzoek tot verlenging nog niet is beschikt, blijft de surséance gehandhaafd.
Artikel 214
- Indien meer dan één bewindvoerder is benoemd, wordt voor de geldigheid van hun handelingen toestemming van de meerderheid of bij staking van stemmen een beslissing van de Rechter in eerste aanleg vereist. Het tweede lid van artikel 66 vindt overeenkomstige toepassing.
- De Rechter in eerste aanleg is te allen tijde bevoegd een bewindvoerder, na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben, te ontslaan en door een ander te vervangen of hem één of meer bewindvoerders toe te voegen, een en ander op verzoek van hem zelf, van de andere bewindvoerders of van een of meer schuldeisers, dan wel ambtshalve.
Artikel 215
- Bij het voorlopig verlenen van de surséance kan de Rechter in eerste aanleg zodanige bepalingen maken, als hij ter beveiliging van de belangen van de schuldeisers nodig oordeelt.
- Hij kan dit ook gedurende de surséance doen op verzoek van de bewindvoerders of van één of meer schuldeisers, dan wel ambtshalve.
Artikel 216
- De Rechter in eerste aanleg is bevoegd bij het voorlopig verlenen van de surséance één of meer deskundigen te benoemen teneinde binnen een door hem te bepalen termijn, die zo nodig kan worden verlengd, een onderzoek naar de staat van de boedel in te stellen en een beredeneerd verslag van hun bevinding uit te brengen. Het laatste lid van artikel 215 vindt overeenkomstige toepassing.
- Het verslag van de deskundigen bevat een met redenen omkleed oordeel over de betrouwbaarheid van de door de schuldenaar overgelegde staat en bescheiden en over de vraag of er vooruitzicht bestaat, dat de schuldenaar na verloop van tijd zijn schuldeisers zal kunnen bevredigen. Het verslag geeft zo mogelijk de maatregelen aan, welke tot die bevrediging kunnen leiden.
- De deskundigen leggen hun verslag neer ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg, ter kosteloze inzage van een ieder. De neerlegging geschiedt kosteloos.
- Het laatste lid van artikel 214 vindt ten aanzien van de deskundigen overeenkomstige toepassing.
Artikel 217
- De bewindvoerders brengen, telkens na verloop van drie maanden, een verslag uit over de toestand van de boedel. Met dit verslag wordt gehandeld, gelijk in het derde lid van artikel 216 is voorgeschreven.
- De termijn, bedoeld in het vorige lid, kan door de Rechter in eerste aanleg worden verlengd.
Artikel 218
- Gedurende de surséance is de schuldenaar onbevoegd enige daad van beheer of beschikking betreffende de boedel te verrichten zonder medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders. Indien de schuldenaar in strijd daarmee gehandeld heeft, zijn de bewindvoerders bevoegd alles te doen, wat vereist wordt, om de boedel te dier zake schadeloos te houden.
- Voor verbintenissen van de schuldenaar, zonder medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders na de aanvang van de surséance ontstaan, is de boedel niet aansprakelijk, dan voor zover deze ten gevolge daarvan is gebaat.
Artikel 219
- Indien de schuldenaar in enige gemeenschap gehuwd is, worden onder de boedel de baten en lasten van die gemeenschap begrepen.
- Artikel 57 vindt overeenkomstige toepassing.
Artikel 220
- Gedurende de surséance kan de schuldenaar niet tot betaling van zijn in artikel 223 bedoelde schulden worden genoodzaakt en blijven alle tot verhaal van die schulden aangevangen executies geschorst.
- De gelegde beslagen vervallen en de schuldenaar die zich in gijzeling bevindt, wordt daaruit ontslagen, zodra de uitspraak, houdende definitieve verlening van de surséance of homologatie van het akkoord, in kracht van gewijsde is gegaan, beide tenzij de Rechter in eerste aanleg op verzoek van de bewindvoerders reeds een vroeger tijdstip daarvoor heeft bepaald. De inschrijving van een desbetreffende, op verzoek van de bewindvoerders af te geven, verklaring van de Rechter in eerste aanleg machtigt de bewaarder van de openbare registers tot doorhaling.
- Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing ten aanzien van executies en beslagen ten behoeve van vorderingen waaraan voorrang is verbonden, voor zover het de goederen betreft, waarop de voorrang rust.
- Ter zake van schulden waarvoor het eerste lid geldt, is artikel 32 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 221
- De surséance stuit de loop niet van reeds aanhangige rechtsvorderingen, noch belet het aanleggen van nieuwe.
- Indien niettemin de rechtsgedingen enkel betreffen de vordering van betaling van een schuld, door de schuldenaar erkend, en de aanlegger geen belang heeft om vonnis te verkrijgen, teneinde rechten tegen derden te doen gelden, is de rechter bevoegd, na van de erkenning van de schuld akte te hebben verleend, het uitspreken van het vonnis op te schorten tot na het einde van de surséance.
- De schuldenaar kan, voor zover betreft rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de boedel behorende als onderwerp hebben, noch eisende, noch verwerende in rechte optreden, zonder medewerking van de bewindvoerders.
Artikel 222
De surséance werkt niet ten aanzien van:
1°. vorderingen waaraan voorrang is verbonden, behoudens voor zover zij niet verhaald kunnen worden op de goederen waarop de voorrang rust;
2°. vorderingen wegens kosten van levensonderhoud of van verzorging en opvoeding, verschuldigd krachtens de wet en vastgesteld bij overeenkomst of rechterlijke uitspraak, behoudens voor zover het gaat om vóór de aanvang van de surséance vervallen termijnen, waarvan het Gerecht in eerste aanleg het bedrag heeft vastgesteld, waarvoor de surséance werkt;
3°. termijnen van huurkoop.
Artikel 223
De betaling van alle andere schulden, bestaande vóór de aanvang van de surséance, kan, zolang de surséance duurt, niet anders plaats hebben dan aan alle schuldeisers gezamenlijk, in evenredigheid van hun vorderingen.
Artikel 224
- Degene die zowel schuldenaar als schuldeiser van de boedel is, kan zijn schuld met zijn vordering op de boedel verrekenen, indien beide zijn ontstaan vóór de aanvang van de surséance of voortvloeien uit een handeling, vóór de aanvang van de surséance met de schuldenaar verricht.
- De vordering op de schuldenaar wordt, zo nodig, berekend naar de regels, in de artikelen 125 en 126 gesteld.
- Van de zijde van de boedel kan geen beroep gedaan worden op artikel 136 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 225
- Niettemin is degene die een schuld aan de boedel of een vordering op de boedel vóór de aanvang van de surséance van een derde heeft overgenomen, niet bevoegd tot verrekening, indien hij bij de overneming niet te goeder trouw heeft gehandeld.
- Na de aanvang van de surséance overgenomen vorderingen of schulden kunnen niet worden verrekend.
- De artikelen 51 en 52 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 226
- Indien een wederkerige overeenkomst bij de aanvang van de surséance zowel door de schuldenaar als door zijn wederpartij in het geheel niet of slechts gedeeltelijk is nagekomen en de schuldenaar en de bewindvoerder zich niet binnen een hun daartoe schriftelijk door de wederpartij gestelde redelijke termijn bereid verklaren de overeenkomst gestand te doen, verliezen zij het recht hunnerzijds nakoming van de overeenkomst te vorderen.
- Indien de schuldenaar en de bewindvoerder zich wel tot nakoming van de overeenkomst bereid verklaren, stellen zij, desverlangd, voor deze nakoming zekerheid.
- Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op overeenkomsten waarbij de schuldenaar slechts verbintenissen op zich heeft genomen tot door hem persoonlijk te verrichten handelingen.
Artikel 226a
Voor vorderingen die de wederpartij uit hoofde van ontbinding of vernietiging van een vóór de aanvang van de surséance met de schuldenaar gesloten overeenkomst op deze heeft verkregen, of die strekken tot schadevergoeding ter zake van tekortschieten in de nakoming van een vóór de aanvang van de surséance op deze verkregen vordering, kan zij opkomen op de voet, in artikel 223 bepaald.
Artikel 227
Indien in het geval van artikel 226, de levering van waren, die ter beurze op termijn worden verhandeld, bedongen is tegen een vastgesteld tijdstip of binnen een bepaalde termijn, en dit tijdstip invalt of die termijn verstrijkt na de aanvang van de surséance, wordt de overeenkomst door de voorlopige verlening van surséance, ontbonden en kan de wederpartij van de schuldenaar zonder meer voor schadevergoeding opkomen op de voet, in artikel 223 bepaald. Lijdt de boedel door de ontbinding schade dan is de wederpartij verplicht deze te vergoeden.
Artikel 227a
- Zodra de surséance een aanvang heeft genomen, kan zowel de schuldenaar, die huurkoper is, als de verkoper de huurkoop ontbonden verklaren.
- Deze ontbinding heeft dezelfde gevolgen als ontbinding van de overeenkomst wegens het niet nakomen door de koper van zijn verplichtingen.
- De verkoper kan voor het hem verschuldigde bedrag opkomen op de voet als in artikel 223 bepaald.
Artikel 228
- Zodra de surséance een aanvang heeft genomen, kan de schuldenaar, die huurder is, met inachtneming van het bij artikel 218 bepaalde, de huur tussentijds doen eindigen, mits de opzegging geschiedt tegen een tijdstip, waarop dergelijke overeenkomsten naar plaatselijk gebruik eindigen. Bovendien moet bij de opzegging de daarvoor overeengekomen of gebruikelijke termijn in acht genomen worden, met dien verstande echter, dat een termijn van drie maanden in elk geval voldoende zal zijn. Zijn de huurpenningen vooruit betaald, dan kan de huur niet eerder worden opgezegd dan tegen de dag, waarop de termijn, waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad, eindigt.
- Van de aanvang van de surséance af is, de huurprijs boedelschuld.
Artikel 229
- Zodra de surséance een aanvang heeft genomen, kan de schuldenaar, met inachtneming van het bij artikel 218 bepaalde, aan werknemers in zijn dienst, de dienstbetrekking opzeggen, met inachtneming van de overeengekomen of wettelijke termijnen, met dien verstande echter, dat in elk geval de dienstbetrekking kan worden geëindigd door opzegging met een termijn van zes weken of, indien de termijn, omschreven in artikel 672, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek langer is dan zes weken, met inachtneming van die termijn.
- Zodra de surséance een aanvang heeft genomen, behoeft bij opzegging van de dienstbetrekking door werknemers in dienst van de schuldenaar het bepaalde in artikel 672, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet in acht te worden genomen. Van de aanvang van de surséance af zijn het loon en de met de arbeidsovereenkomst samenhangende premieschulden boedelschuld.
- Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op agentuurovereenkomsten.
Artikel 230
- Voldoening nadat de surséance voorlopig is verleend doch vóór de bekendmaking daarvan aan de schuldenaar gedaan, ter vervulling van verbintenissen jegens dezen vóórdien ontstaan, bevrijdt hem, die haar deed, tegenover de boedel, zolang zijn bekendheid met de voorlopige verlening van de surséance niet bewezen wordt.
- Voldoening, als in het vorig lid bedoeld, na de bekendmaking aan de schuldenaar gedaan, bevrijdt tegenover de boedel alleen dan, wanneer hij, die haar deed, bewijst, dat de voorlopige verlening van de surséance te zijner woonplaats langs de weg van de wettelijke aankondiging nog niet bekend kon zijn, behoudens het recht van bewindvoerders om aan te tonen, dat zij hem toch bekend was.
- In elk geval bevrijdt voldoening aan de schuldenaar hem, die haar deed, tegenover de boedel, voor zover hetgeen door hem voldaan werd ten bate van de boedel is gekomen.
Artikel 231
De surséance werkt niet ten voordele van de borgen en andere medeschuldenaren.
Artikel 231a
- De Rechter in eerste aanleg kan op verzoek van de schuldenaar of de bewindvoerder bepalen dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op tot de boedel behorende goederen of tot opeising van goederen die zich in de macht van de schuldenaar bevinden, voor een periode van ten hoogste één maand niet kan worden uitgeoefend dan met zijn machtiging. De Rechter in eerste aanleg kan die periode éénmaal voor ten hoogste één maand verlengen.
- De Rechter in eerste aanleg kan zijn beschikking beperken tot bepaalde derden en daaraan voorwaarden verbinden. De Rechter in eerste aanleg kan voorwaarden verbinden aan een door hem gegeven machtiging van een derde tot uitoefening van een aan deze toekomende bevoegdheid.
- Gedurende de in het eerste lid bedoelde perioden lopen aan of door de derden ter zake van hun bevoegdheid gestelde termijnen voort, voor zover dit redelijkerwijze noodzakelijk is om de derde dan wel de schuldenaar en de bewindvoerder in staat te stellen na afloop van de periode hun standpunt te bepalen. De wederpartij kan hun daartoe opnieuw een redelijke termijn stellen.
Artikel 232
- Nadat de surséance is verleend, kan zij, op verzoek van de bewindvoerders, van één of meer van de schuldeisers of ook ambtshalve door de Rechter in eerste aanleg worden ingetrokken:
1°. indien de schuldenaar zich, gedurende de loop van de surséance, aan kwade trouw in het beheer van de boedel schuldig maakt;
2°. indien hij zijn schuldeisers tracht te benadelen;
3°. indien hij handelt in strijd met artikel 218, eerste lid;
4°. indien hij nalaat te doen, wat in de bepalingen, bij het verlenen van de surséance of later gesteld, aan hem is opgelegd of wat naar het oordeel van de bewindvoerders door hem in het belang van de boedels moet worden gedaan;
5°. indien, hangende de surséance, de staat van de boedels zodanig blijkt te zijn, dat handhaving van de surséance niet langer wenselijk is of het vooruitzicht, dat de schuldenaar na verloop van tijd zijn schuldeisers zal kunnen bevredigen blijkt niet te bestaan.
- In de gevallen, vermeld onder 1. en 5., zijn de bewindvoerders verplicht de intrekking te vragen.
- De verzoeker, de schuldenaar en de bewindvoerders worden gehoord of behoorlijk opgeroepen. De oproeping geschiedt door de griffier tegen een door de Rechter in eerste aanleg te bepalen dag. De beschikking is met redenen omkleed.
- Indien op grond van dit artikel de surséance wordt ingetrokken, kan bij dezelfde beschikking de faillietverklaring van de schuldenaar worden uitgesproken. Wordt het faillissement niet uitgesproken, dan blijft de surséance gehandhaafd tot de beschikking van de Rechter in eerste aanleg in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 233
- Gedurende acht dagen na de dag van de beschikking heeft, in geval van intrekking van de surséance, de schuldenaar, en, ingeval de intrekking van de surséance geweigerd is, hij, die het verzoek tot intrekking heeft gedaan, recht van hoger beroep tegen de beschikking van de Rechter in eerste aanleg.
- Het hoger beroep wordt ingesteld door indiening van een memorie ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg.
- De griffier geeft hiervan ten spoedigste aan hen, die het verzoek tot intrekking hebben gedaan, de schuldenaar en de bewindvoerders schriftelijk kennis en zendt de ter zake betrekkelijke stukken, waaronder een afschrift van de beschikking waarvan beroep, zo spoedig mogelijk aan het Hof van Justitie.
- Artikel 211 vindt overeenkomstige toepassing.
- De beschikking van het Hof wordt door de griffier terstond meegedeeld aan de griffie van het Gerecht in eerste aanleg.
Artikel 234
Zodra een beschikking, waarbij de surséance is ingetrokken, in kracht van gewijsde is gegaan, wordt zij aangekondigd, gelijk is voorgeschreven in artikel 207.
Artikel 235
- Indien de Rechter in eerste aanleg van oordeel is, dat de behandeling van het verzoek tot intrekking van de surséance niet zal zijn beëindigd vóór de dag, waarop de schuldeisers krachtens artikel 206, tweede lid, worden gehoord, gelast hij, dat de griffier de schuldeisers bij brieven zal mededelen, dat dit verhoor op die dag niet zal worden gehouden.
- Zo nodig bepaalt hij later de dag waarop dit verhoor alsnog zal plaats vinden; de schuldeisers worden door de griffier bij brieven opgeroepen.
Artikel 236
- De schuldenaar is steeds bevoegd aan de Rechter in eerste aanleg de intrekking van de surséance te verzoeken, op grond dat de toestand van de boedels hem weer in staat stelt zijn betalingen te hervatten. De bewindvoerders en, indien het een definitief verleende surséance betreft, de schuldeisers worden gehoord of behoorlijk opgeroepen.
- Deze oproeping geschiedt bij brieven door de griffier tegen een door de Rechter in eerste aanleg te bepalen dag.
Artikel 237
- Gedurende een surséance kan faillietverklaring niet rauwelijks worden gevorderd.
- Indien ingevolge een van de bepalingen van deze titel een faillietverklaring uitgesproken wordt, vindt artikel 11 overeenkomstige toepassing; wordt ingevolge die bepalingen een faillissement vernietigd, dan vinden de artikelen 10 en 12 overeenkomstige toepassing.
Artikel 238
- Indien de faillietverklaring wordt uitgesproken ingevolge een van de bepalingen van deze titel of wel binnen één maand na het einde van de surséance, gelden de volgende regelen:
1°. het tijdstip, waarop de termijnen, in de artikelen 39 en 41 vermeld, aanvangen, wordt berekend van de aanvang van de surséance af;
2°. de curator oefent de bevoegdheid uit, in het eerste lid van artikel 218 aan de bewindvoerders toegekend;
3°. handelingen, door de schuldenaar met medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders verricht, worden beschouwd als handelingen van de curator en boedelschulden, gedurende de surséance ontstaan, zullen ook in het faillissement als boedelschulden gelden;
4°. de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen van de schuldenaar, zonder medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders gedurende de surséance ontstaan, dan voor zover deze ten gevolge daarvan gebaat is.
- Is opnieuw surséance verzocht, binnen een maand na afloop van een vroeger verleende, dan geldt hetgeen in het eerste lid is bepaald mede voor het tijdvak van de eerstvolgende surséance.
Artikel 239
- Het loon van de deskundigen, benoemd ingevolge de bepaling van artikel 216, en van de bewindvoerders wordt bepaald door de Rechter in eerste aanleg en bij voorrang voldaan.
- Dit laatste is ook van toepassing op hun verschotten en op die, door de griffier ten gevolge van de bepalingen van deze titel gedaan.
Artikel 240
De bepalingen van internationaal recht van de artikelen 195-197 vinden bij surséance overeenkomstige toepassing.
Tweede afdeling
Van het akkoord
Artikel 241
De schuldenaar is bevoegd bij of na het verzoek tot surséance aan hen, die vorderingen hebben, ten aanzien waarvan de surséance werkt, een akkoord aan te bieden.
Artikel 242
- Het ontwerp van akkoord wordt, indien het niet ingevolge artikel 206 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg berust, aldaar neergelegd ter kosteloze inzage van een ieder.
- Een afschrift moet zodra mogelijk aan de bewindvoerders en de deskundigen worden toegezonden.
Artikel 243
Het ontwerp van akkoord vervalt, indien, voordat het vonnis van homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan, een rechtelijke beslissing houdende beëindiging van de surséance in kracht van gewijsde gaat.
Artikel 244
- Indien het ontwerp van akkoord tegelijk met het verzoekschrift tot verlening van surséance ter griffie is neergelegd, kan de Rechter in eerste aanleg, bewindvoerders gehoord, gelasten, dat de in artikel 209 bedoelde behandeling van het verzoek niet zal plaats hebben, in welk geval hij tevens zal vaststellen:
1°. de dag, waarop uiterlijk de schuldvorderingen, ten aanzien waarvan de surséance werkt, bij de bewindvoerders moeten worden ingediend;
2°. dag en uur, waarop over het aangeboden akkoord zal worden geraadpleegd en beslist.
- Tussen de dagen, onder 1°. en 2°. vermeld, moeten tenminste veertien dagen verlopen.
- Indien de Rechter in eerste aanleg van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of het ontwerp van akkoord niet tegelijk met het verzoekschrift tot het verlenen van surséance ter griffie is neergelegd, zal hij, bewindvoerders gehoord, de dagen en uren, in het eerste lid bedoeld, vaststellen zodra de beschikking, waarbij de surséance definitief is verleend, kracht van gewijsde heeft gekregen of, indien het ontwerp van akkoord eerst daarna ter griffie is neergelegd, dadelijk na die neerlegging.
Artikel 245
- De bewindvoerders doen dadelijk zowel van de in het vorige artikel bedoelde beschikking als van de neerlegging ter griffie van het ontwerp van akkoord – tenzij deze reeds ingevolge artikel 207 is bekend gemaakt – aankondiging in het blad waarin van overheidswege de officiële berichten worden opgenomen en, wanneer zulks bij de beschikking waarbij de voorlopige surséance werd verleend bevolen is, mede in de Nederlandse Staatscourant.
- Zij geven tevens van een en ander bij brieven kennis aan alle bekende schuldeisers. Daarbij wordt op het bepaalde bij artikel 246, tweede lid, gewezen.
- De schuldeisers kunnen verschijnen in persoon of bij schriftelijk gemachtigde. De volmacht is vrij van zegel en van de formaliteit van registratie.
- De bewindvoerders kunnen vorderen, dat de schuldenaar hun een door hen te bepalen bedrag ter bestrijding van de kosten van deze aankondigingen en kennisgevingen vooraf ter hand stelt.
Artikel 246
- De indiening van de schuldvorderingen geschiedt bij de bewindvoerders door de overlegging van een rekening of andere schriftelijke verklaring, aangevende de aard en het bedrag van de vordering, vergezeld van de bewijsstukken of een afschrift daarvan.
- Vorderingen ten aanzien waarvan de surséance niet werkt, komen voor indiening niet in aanmerking. Heeft nochtans indiening plaats gehad, dan werkt de surséance ook ten aanzien van die vorderingen en gaat een aan de vordering verbonden voorrecht, retentierecht, pandrecht of hypotheek verloren. Een en ander geldt niet, voor zover de vordering vóór de aanvang van de stemming wordt teruggenomen.
- De schuldeisers zijn bevoegd van de bewindvoerders een ontvangstbewijs te vorderen.
Artikel 247
De bewindvoerders toetsen de ingezonden rekeningen aan de administratie en opgaven van de schuldenaar, treden, als zij tegen de toelating van een vordering bezwaar hebben, met de schuldeiser in overleg, en zijn bevoegd van deze overlegging van ontbrekende stukken alsook raadpleging van zijn administratie en van de oorspronkelijke bewijsstukken te vorderen.
Artikel 248
De bewindvoerders brengen de bij hen ingediende vorderingen op een lijst, vermeldende de namen en woonplaatsen van de schuldeisers, het bedrag en de omschrijving van de vorderingen, alsmede of en in hoever de bewindvoerders die vorderingen erkennen of betwisten.
Artikel 249
- Een rentedragende vordering wordt op de lijst gebracht met bijrekening van de rente tot de aanvang van de surséance.
- De artikelen 125, 128-130 en 131, eerste en tweede lid, vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 250
- Een vordering onder een opschortende voorwaarde kan op de lijst gebracht worden voor haar waarde bij de aanvang van de surséance.
- Indien de bewindvoerders en de schuldeisers het niet eens kunnen worden over deze waardebepaling, wordt zodanige vordering voor het volle bedrag voorwaardelijk toegelaten.
Artikel 251
- Een vordering, waarvan het tijdstip van de opeisbaarheid onzeker is, of welke recht geeft op periodieke uitkeringen, wordt op de lijst gebracht voor haar waarde bij de aanvang van de surséance.
- Alle schuldvorderingen, vervallende binnen één jaar na de aanvang van de surséance, worden behandeld, alsof zij op dat tijdstip opeisbaar waren. Alle later dan één jaar daarna vervallende schuldvorderingen worden op de lijst gebracht voor de waarde, die zij hebben na verloop van een jaar na dat tijdstip.
- Bij de berekening wordt uitsluitend gelet op het tijdstip en de wijze van aflossing, het kans genot, waar dit bestaat, en, indien de vordering rentedragend is, op de bedongen rentevoet.
Artikel 252
- Van de in artikel 248 bedoelde lijst wordt een afschrift door de bewindvoerders ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg neergelegd, om aldaar gedurende de zeven dagen voorafgaande aan de vergadering, in artikel 244 bedoeld, kosteloos ter inzage te liggen voor een ieder.
- De neerlegging geschiedt kosteloos.
Artikel 253
- De Rechter in eerste aanleg kan, op verzoek van de bewindvoerders of ambtshalve, de raadpleging en stemming over het akkoord tot een latere dag uitstellen.
- Artikel 245 vindt alsdan overeenkomstige toepassing.
Artikel 254
- Op de vergadering brengen zowel de bewindvoerders als de deskundigen, zo die er zijn, schriftelijk verslag uit over het aangeboden akkoord. Artikel 139 vindt overeenkomstige toepassing.
- Vorderingen, na afloop van de in artikel 244, 1°, genoemde termijn, doch uiterlijk twee dagen vóór de dag, waarop de vergadering zal worden gehouden, bij de bewindvoerders ingediend, worden op daartoe op de vergadering gedaan verzoek op de lijst geplaatst, indien noch de bewindvoerders, noch een van de aanwezige schuldeisers daartegen bezwaar maken.
- Vorderingen, daarna ingediend, worden niet op de lijst geplaatst.
- De bepalingen van de twee voorgaande leden zijn niet toepasselijk, indien de schuldeiser buiten Curaçao woont en daardoor verhinderd was zich eerder aan te melden.
- In geval van bezwaar, als in het tweede lid bedoeld, of van geschil over het al of niet aanwezig zijn van de verhindering, in het vierde lid bedoeld, beslist de Rechter in eerste aanleg, na de vergadering te hebben geraadpleegd.
Artikel 255
- De bewindvoerders zijn bevoegd op de vergadering op elke door hen gedane erkenning of betwisting terug te komen.
- Zowel de schuldenaar als ieder verschenen schuldeiser kan een door de bewindvoerders geheel of gedeeltelijk erkende vordering betwisten.
- Betwistingen of erkenningen, op de vergadering gedaan, worden op de lijst aangetekend.
Artikel 256
De Rechter in eerste aanleg bepaalt of en tot welk bedrag de schuldeisers, wier vorderingen betwist zijn, tot de stemming zullen worden toegelaten.
Artikel 257
- Tot het aannemen van het akkoord wordt vereist de toestemming van twee derde van de erkende en de toegelaten schuldeisers, welke drie vierde van het bedrag van de erkende en de toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen. Geen toestemming is vereist van een erkende of toegelaten schuldeiser, voor zover zijn schuldvordering is gegrond op een verbeurde dwangsom.
- De artikelen 141 en 142 vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 258
- Het proces-verbaal van het verhandelde vermeldt de inhoud van het akkoord, de namen van de verschenen stemgerechtigde schuldeisers, de door ieder van hen uitgebrachte stem, de uitslag van de stemming en al wat verder is voorgevallen. De door bewindvoerders opgemaakte lijst van schuldeisers, zoals zij tijdens de raadpleging is aangevuld of gewijzigd, wordt, door de Rechter in eerste aanleg en de griffier gewaarmerkt, aan het proces-verbaal gehecht.
- Gedurende acht dagen kan een ieder ter griffie kosteloos inzage van het proces-verbaal verkrijgen.
Artikel 259
- Zowel de schuldeisers, die vóór gestemd hebben, als de schuldenaar kunnen gedurende acht dagen na afloop van de stemming aan het Hof van Justitie verbetering van het proces-verbaal verzoeken, indien uit de stukken zelf blijkt, dat het akkoord door de Rechter in eerste aanleg ten onrechte als verworpen is beschouwd.
- Indien het Hof het proces-verbaal verbetert, bepaalt het bij zijn beschikking de dag, waarop de Rechter in eerste aanleg de homologatie zal behandelen, welke dag gesteld wordt op niet vroeger dan acht en niet later dan veertien dagen na de beschikking. Van deze beschikking geven de bewindvoerders schriftelijk kennis aan de schuldeisers. Deze beschikking brengt van rechtswege vernietiging mee van een ingevolge artikel 266 uitgesproken faillissement.
Artikel 260
- Indien het akkoord is aangenomen, kunnen zowel de bewindvoerders als elke schuldeiser de gronden uiteenzetten, waarop zij de homologatie wensen of haar bestrijden. Artikel 147, tweede lid, vindt overeenkomstige toepassing.
- De Rechter in eerste aanleg kan bepalen, dat de behandeling van de homologatie op een latere, terstond door hem vast te stellen, dag zal plaats vinden.
Artikel 261
- De Rechter in eerste aanleg geeft zo spoedig mogelijk zijn met redenen omklede beschikking.
- Hij weigert de homologatie:
1°. indien de baten van de boedel de bij het akkoord bedongen som te boven gaan;
2°. indien de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd;
3°. indien het akkoord door bedrog, door begunstiging van één of meer schuldeisers of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen, onverschillig of de schuldenaar dan wel een ander daartoe heeft medegewerkt;
4°. indien het loon en de verschotten van de deskundigen en de bewindvoerders niet in handen van de bewindvoerders zijn gestort of daarvoor zekerheid is gesteld.
- Hij mag ook op andere gronden en ook ambtshalve de homologatie weigeren.
- De Rechter in eerste aanleg, de homologatie weigerende, kan bij dezelfde beschikking de schuldenaar in staat van faillissement verklaren. Wordt het faillissement niet uitgesproken, dan eindigt de surséance zodra de beschikking, waarbij de homologatie geweigerd is, in kracht van gewijsde is gegaan.
- De artikelen 148a, 148b en 152 vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 262
Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle schuldeisers te wier aanzien de surséance werkt.
Artikel 263
Het in kracht van gewijsde gegane vonnis van homologatie levert, in verband met het in artikel 258 bedoelde proces-verbaal ten behoeve van de door de schuldenaar niet betwiste vorderingen een voor tenuitvoerlegging vatbare titel op tegen de schuldenaar en de tot het akkoord als borgen toegetreden personen.
Artikel 264
Zolang niet over het aangeboden akkoord uiteindelijk is beslist, eindigt de surséance niet door verloop van de termijn, waarvoor zij is verleend.
Artikel 265
De surséance neemt een einde zodra het vonnis van homologatie in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 266
De Rechter in eerste aanleg kan, wanneer het akkoord niet wordt aangenomen, de schuldenaar bij vonnis in staat van faillissement verklaren. Wordt het faillissement niet uitgesproken, dan eindigt de surséance zodra de termijn, in artikel 259 bedoeld, ongebruikt verstreken is of het Hof van Justitie verbetering van het proces-verbaal heeft geweigerd.
Artikel 267
- Indien de Rechter in eerste aanleg de schuldenaar in staat van faillissement heeft verklaard, heeft deze recht van hoger beroep tegen de faillietverklaring gedurende de acht dagen na de dag, waarop de termijn van artikel 259 ongebruikt verstreken is of het Hof van Justitie de verbetering van het proces-verbaal geweigerd heeft.
- Het hoger beroep wordt ingesteld door indiening van een memorie ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg. De griffier handelt vervolgens overeenkomstig het bepaalde in artikel 210.
Artikel 268
- Ten aanzien van de ontbinding van het akkoord vinden de artikelen 157 en 158 overeenkomstige toepassing.
- Bij het vonnis, waarbij de ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken, wordt de schuldenaar tevens in staat van faillissement verklaard.
Artikel 269
In een faillissement, uitgesproken krachtens de artikelen 261, 266 en 268 kan een akkoord niet worden aangeboden.
Derde afdeling
Slotbepaling
Artikel 270
Tegen de beslissingen van de rechter, ingevolge de bepalingen van deze titel gegeven, staat geen hogere voorziening open, behalve in de gevallen, waarin het tegendeel is bepaald.
Algemene slotbepaling
Artikel 271
- De Algemene termijnenlandsverordening is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 35, 36, 228 en 229.
- Boek 1, titel 10, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing op verzoeken ingevolge deze landsverordening.
Artikel 272
Deze landsverordening wordt aangehaald als: Faillissementsbesluit 1931.