| Publicatienummer: | P.B. 2026, no. 15 (Geconsolideerde Tekst) |
| Categorie: | Geconsolideerde Tekst Landsbesluit, houdende algemene maatregelen |
| Ministerie: | Economische Ontwikkeling |
| Datum ondertekening: | 30-10-2025 |
| Datum inwerktreding: | 01-10-1965 |
| Geregistreerd in: |
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK X Economische aangelegenheden )
|
LANDSBESLUIT van de 30ste oktober 2025, no. 25/2598, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van het Landsbesluit houdende algemene maatregelen van de 10de augustus 1965 ter uitvoering van de artikelen 1 lid 4 en 11 lid 1 van de Landsverordening Elektriciteitsconcessies (P.B. 1963, no. 64)
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht tot en met | Datum ingetrokken | Betreft | Vindplaats | Zittingsjaar |
| 01-10-1965 | n.v.t. | n.v.t. | Geconsolideerde tekst | P.B. 2026, no. 15 (GT) | n.v.t. |
Ondergrondse kabels
Kabels moeten in de regel ten minste 0.60 meter diep in de grond worden ingegraven. In bijzondere gevallen en bij rotsachtige gesteldheid van de bodem kan, behoudens goedkeuring van de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning, met een geringere diepte worden volstaan. In deze gevallen kan een beveiliging worden voorgeschreven teneinde de kabels tegen mechanische beschadiging te vrijwaren.
De in de artikelen 3 en 4 genoemde veiligheidsmaatregelen worden niet vereist, indien de sterk- of de zwakstroom-kabels in gemetselde kanalen of in kanalen van beton of van gelijkwaardig materiaal met een wanddikte van ten minste 0.06 meter zijn gelegd.
Wanneer kabelbundels aanwezig zijn, wordt onder afstand tussen de kabels verstaan, de afstand tussen de dichtst bij elkander liggende kabels van de beide bundels.
Indien ten behoeve van de sterkstroom-kabels opgravingen moeten worden verricht in de nabijheid van zwakstroom-kabels, is de vergunninghouder verplicht hiervan schriftelijk kennis te geven, zo mogelijk minstens een volle werkdag van te voren, aan de eigenaar van deze zwakstroom-kabels.
De vergunninghouder is verplicht binnen 2 maanden, nadat de aanleg van de kabels zal zijn voltooid, bij de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning in te dienen een volledige tekening in tweevoud op een duidelijke schaal waarop nauwkeurig en duidelijk is aangegeven:
a. de loop en de juiste ligging van de sterkstroom-kabels;
b. de diepte, waarop de kabels zijn ingegraven;
c. de plaatsen, waarop andere kabels gekruist worden, onder opgave of deze laatste sterk- dan wel zwakstroom-kabels zijn;
d. de plaatsen, waar de sterk- en de zwakstroom-kabels elkaar binnen een afstand van 0.80 meter naderen, onder opgave van de kleinste afstand en van de onderlinge ligging van de beide kabels;
e. de plaatsen, waar de afstand van de sterkstroom-kabels tot de constructiedelen van bovengrondse zwakstroom-leidingen kleiner is dan 0.80 meter, onder opgave van de juiste afstand, waarop de betreffende constructiedelen en de kabels van elkaar verwijderd zijn.
Bovengrondse buitenleidingen
voor lage spanning
Bomen mogen niet als steunpunten voor sterkstroom-leidingen worden gebezigd.
Bij kruisingen van bovengrondse elektrische leidingen moet in de regel de leiding, welke de hogere spanning voert, boven de andere komen te liggen en zij moet deze onder een zoveel mogelijk rechte hoek kruisen.
Waar bovengrondse sterk- en zwakstroom-leidingen naast elkaar lopen en elkaar tot binnen een afstand van minder dan 2 meter naderen of waar de afstand van de sterkstroom-leiding tot de constructiedelen van de zwakstroom-leiding minder bedraagt dan 2 meter, alles in horizontale projectie gemeten, moeten zodanige maatregelen worden genomen dat een geleidende aanraking van beide leidingen of van de sterkstroom-leiding met de constructiedelen van de zwakstroom-leiding uitgesloten is.
In metalen trekschoren of tuidraden van houten of onvoldoend geaarde masten moeten trekisolatoren worden aangebracht op ten minste 2,5 meter boven de grond.
De vergunninghouder is verplicht binnen 2 maanden, nadat de eerste aanleg van de leidingen zal zijn voltooid, bij de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning in te dienen een volledige tekening in tweevoud op een duidelijke schaal waarop nauwkeurig en duidelijk de loop en de juiste ligging van de leidingen zijn aangegeven.
Bovengrondse buitenleidingen
voor middelhoge spanning (niet hoger dan 25.000 volt)
Het tracé van de leidingen moet van bomen en andere gewassen gezuiverd worden gehouden op zodanige wijze, dat het te allen tijde over de gehele lengte toegankelijk is. Aanraking van vallende bomen of takken met de leidingen of met de masten moet uitgesloten zijn.
De afstand van constructiedelen van de hoogspanningsleidingen tot ondergrondse zwakstroom-kabels moet zo groot mogelijk zijn en mag niet minder bedragen dan 0.80 meter.
Alle masten moeten doorlopend genummerd worden en van een duidelijk zichtbare rode bliksempijl worden voorzien.
De vergunninghouder is verplicht binnen 2 maanden, nadat de aanleg van de leidingen zal zijn voltooid, bij de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning in te dienen:
a. een volledig plan in tweevoud, op een duidelijke schaal, waarop nauwkeurig en duidelijk is aangegeven:
1. de loop en juiste ligging van de leidingen;
2. de hoogte van de leidingen boven de grond, de nummers van de palen, de afstand tussen de masten, de grootte van de hoeken bij richtingsverandering van de leidingen en wat verder met de juiste ligging van de leidingen in verband staat;
3. de bewoonde plaatsen, welke aan de hoogspanningsleiding liggen of door deze worden gekruist;
4. de kruisingen met openbare verharde wegen en met andere leidingen voor elektrische doeleinden, onder opgave van welke soort deze leidingen zijn;
5. de veiligheidsmaatregelen, welke in de hiervoor onder 3 en 4 aangeduide gevallen ter plaatse zijn getroffen;
b. volledige tekeningen in tweevoud van de veiligheidsmaatregelen welke zijn getroffen ter plaatse van de gevallen, bedoeld in de artikelen 15 en 17.
(vervallen)