| Publicatienummer: | P.B. 2026, no. 212 (Geconsolideerde Tekst) |
| Categorie: | Geconsolideerde Tekst Landsbesluit, houdende algemene maatregelen |
| Ministerie: | Economische Ontwikkeling |
| Datum ondertekening: | 07-05-2026 |
| Datum inwerktreding: | 26-08-2004 |
LANDSBESLUIT van de 7de mei 2026, no. 26/1266, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van het Eilandsbesluit Lokaliteitseisen Curaçao 2004
Paragraaf 1
Algemeen
| a. | de landsverordening | : | de Vergunningslandsverordening, zoals gewijzigd; |
| b. | lokaliteit | : | vertrek(ken) of ruimte(n), waarin een in artikel 2, eerste, tweede of vierde lid, van de landsverordening bedoelde werkzaamheid wordt uitgeoefend, zomede de daarbij behorende vertrekken en ruimten, met – voor zover zij tezamen daarmee tot dat doel in gebruik zijn – de open aanhorigheden daarvan en de in de onmiddellijke nabijheid daarvan gelegen gedeelten van de openbare weg, deze laatsten voor zover daarop bedoelde werkzaamheid niet bij enige wettelijke regeling is verboden; |
| c. | vertrek | : | een van een lokaliteit deel uitmakende besloten ruimte. |
Paragraaf 2
Eisen waaraan een lokaliteit moet voldoen om voor een koffiehuis-, sociëteit-,
bierhuis-, restaurant- A of ijshuisvergunning in aanmerking te kunnen komen.
In een vertrek mogen voorzieningen, die gehele afzondering van een gedeelte van het vertrek mogelijk maken, slechts aanwezig zijn, indien het af te zonderen gedeelte een oppervlakte heeft van ten minste 15 m2 en na de afzondering een gedeelte van het vertrek overblijft met een oppervlakte van:
a. ten minste 30 m2, indien de lokaliteit niet de beschikking heeft over een ander vertrek met een oppervlakte van ten minste 30 m2;
b. ten minste 20 m2, indien de lokaliteit beschikt over een ander vertrek met een oppervlakte van ten minste 30 m2.
Van ieder punt van een vertrek uit moet bij voortduring een deel van het vertrek met een oppervlakte van ten minste 15 m2 kunnen worden overzien.
De hoogte van een vertrek moet over ten minste vijf zesde van de vloeroppervlakte ten minste 2.60 m bedragen.
Een vertrek moet een zodanige kunstverlichting hebben, dat de gemiddelde horizontale verlichtingssterkte, gemeten op 1 m boven de vloer, over de gehele oppervlakte ten minste 50 lux kan bedragen.
In ten minste één vertrek moeten aanwezig zijn:
a. een voorziening om het glas- en vaatwerk met stromend deugdelijk drinkwater te kunnen reinigen, voorzien van een afvoer met stankbocht naar beerput of riool, alsmede een droogrek;
b. een toonbank van hard en afwasbaar materiaal.
De lokaliteit moet aangesloten zijn op het openbare waterleiding- en elektriciteitsnet. Indien zodanige aansluiting van de vergunninghouder redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moet in de lokaliteit een doeltreffende andere voorziening tot het verkrijgen van stromend deugdelijk drinkwater, onderscheidenlijk van kunstverlichting aanwezig zijn.
De lokaliteit moet uitsluitend voor de uitoefening van een in artikel 2, eerste of tweede lid, van de landsverordening bedoelde werkzaamheid zijn ingericht, onverminderd het bepaalde in artikel 54 van de landsverordening.
Zowel de lokaliteit als haar inventaris moeten doorlopend in goed onderhouden, opgeruimde, schone en zindelijke staat worden gehouden om voor een hotelvergunning of logementvergunning in aanmerking te kunnen komen.
Paragraaf 3
De lokaliteit moet aangesloten zijn op het openbare waterleiding- en elektriciteitsnet.
Indien zodanige aansluiting van de vergunninghouder redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moet in de lokaliteit een doeltreffende andere voorziening tot het verkrijgen van stromend deugdelijk drinkwater, onderscheidenlijk van kunstverlichting aanwezig zijn.
De in artikel 13, eerste lid, bedoelde slaapkamers moeten door ventilatie-openingen of beweegbare ramen, deuren of bovenlichten rechtstreeks in verbinding staan met de buitenlucht, met dien verstande, dat de gezamenlijke doorlaatruimte niet minder bedragen mag dan een tiende deel van de vloeroppervlakte van die kamers. Hoofdtoegangsdeuren worden niet meegerekend, met uitzondering van daarin eventueel aanwezige ventilatie-openingen.
Elke slaapkamer, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, moet een oppervlakte hebben van ten minste 6 m2.
Indien een slaapkamer voor meer dan een persoon is bestemd en ingericht, moet zij een oppervlakte hebben van ten minste 5 m2 per persoon.
Indien in de lokaliteit van een hotel de in artikel 2, eerste of tweede lid, van de landsverordening bedoelde werkzaamheid wordt uitgeoefend ten behoeve van anderen dan de logeergasten, moet dat gedeelte van de lokaliteit dat voor die andere toegankelijk is, voldoen aan de eisen omschreven in de artikelen 2 tot en met 10.
De lokaliteit moet uitsluitend voor de uitoefening van een in artikel 2, eerste, tweede of vierde lid, van de landsverordening bedoelde werkzaamheid zijn ingericht, onverminderd het bepaalde in artikel 54 van de landsverordening.
Zowel de lokaliteit als haar inventaris moeten doorlopend in goed onderhouden, opgeruimde, schone en zindelijke staat worden gehouden.
Paragraaf 4
Eisen waaraan een keuken moet voldoen
Om voor een hotel-, logement-, restaurant- A of sociëteitvergunning in aanmerking te kunnen komen, laatstgenoemde lokaliteiten voor zover daarin spijzen voor gebruik ter plaatse worden verkocht, moet de lokaliteit bovendien beschikken over een afzonderlijke keuken, geheel afgescheiden van de rest van de lokaliteit.
De in artikel 25 bedoelde keuken moet uitsluitend voor het bereiden van spijzen en daarmee direct verband houdende werkzaamheden zijn ingericht en worden gebruikt.
Het bepaalde in artikel 25, voor zover betreft het voorschrift dat de keuken geheel afgescheiden moet zijn van de rest van de lokaliteit alsmede het bepaalde in artikel 26, onder f en g, is niet van toepassing indien de keuken is ondergebracht in een vertrek waarin een in artikel 2, eerste of tweede lid, van de landsverordening bedoelde werkzaamheid wordt uitgeoefend en voorts wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. de oppervlakte van het vertrek, exclusief keuken, moet ten minste 30 m2 bedragen;
b. het vertrek moet geheel afgesloten zijn van de rest van de lokaliteit;
c. het vertrek moet luchtgekoeld zijn;
d. de keuken moet voor bezoekers niet toegankelijk zijn.
Paragraaf 5
Eisen waaraan een lokaliteit moet voldoen om voor een restaurantvergunning B
in aanmerking te kunnen komen
Indien een vertrek voor het publiek toegankelijk is, moet de oppervlakte daarvan ten minste 24 m2 bedragen, met dien verstande dat:
a. een gedeelte van dat vertrek met een oppervlakte van ten minste 12 m2 voor het publiek niet toegankelijk moet zijn;
b. het voor het publiek toegankelijke gedeelte van dat vertrek een oppervlakte moet hebben van ten minste 12 m2.
De hoogte van een vertrek moet over ten minste vijf zesde van de vloeroppervlakte ten minste 2.60 m bedragen.
Een vertrek moet een zodanige kunstverlichting hebben, dat de gemiddelde horizontale verlichtingssterkte, gemeten op 1 m boven de vloer, over de gehele oppervlakte ten minste 400 lux kan bedragen.
In een vertrek moet aanwezig zijn een toonbank van hard en afwasbaar materiaal.
De lokaliteit moet aangesloten zijn op het openbare waterleiding- en elektriciteitsnet. Indien zodanige aansluiting van de vergunninghouder redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moet in de lokaliteit een doeltreffende andere voorziening tot het verkrijgen van stromend deugdelijk drinkwater, onderscheidenlijk van kunstverlichting aanwezig zijn.
In de lokaliteit mogen geen stoelen, banken of enige andere zitgelegenheid aanwezig zijn.
De lokaliteit moet uitsluitend voor de uitoefening van een in artikel 2, eerste of tweede lid, van de landsverordening bedoelde werkzaamheid zijn ingericht, onverminderd het bepaalde in artikel 54 van de landsverordening.
Zowel de lokaliteit als haar inventaris moeten doorlopend in goed onderhouden, opgeruimde, schone en zindelijke staat worden gehouden.
Paragraaf 6
Eisen waaraan een lokaliteit moet voldoen om voor een slijtvergunning
in aanmerking te kunnen komen
De hoogte van een vertrek moet over ten minste vijf zesde van de vloeroppervlakte ten minste 2.60 m bedragen.
Een vertrek moet een zodanige kunstverlichting hebben, dat de gemiddelde horizontale verlichtingssterkte, gemeten op 1 m boven de vloer, over de gehele oppervlakte ten minste 400 lux kan bedragen.
De lokaliteit moet aangesloten zijn op het openbare elektriciteitsnet. Indien zodanige aansluiting van de vergunninghouder redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moet in de lokaliteit een doeltreffende andere voorziening tot het verkrijgen van kunstverlichting aanwezig zijn.
Zowel de lokaliteit als haar inventaris moeten doorlopend in goed onderhouden, opgeruimde, schone en zindelijke staat worden gehouden.
Paragraaf 7
Brandveiligheidsvoorzieningen
Teneinde in aanmerking te kunnen komen voor één van de in de artikelen 10 tot en met 18 van de landsverordening genoemde vergunningen en in één van de in de artikelen 45 en 46 genoemde toestemmingen moet ter beveiliging tegen brand, brandveiligheidsvoorzieningen worden getroffen gericht op:
– het voorkomen van brand;
– het voorkomen of beperken van ongevallen bij brand;
– het voorkomen of beperken van schade aan belendingen en omringende gebouwen;
– het beperken van schade in en aan het gebouw;
– het bestrijden van brand.
Ter voorkoming van brand moeten voorzieningen worden getroffen ten aanzien van:
a. de constructie van bouwonderdelen en de daarbij toe te passen materialen;
b. de aanwezigheid van open vuur;
c. de constructie en de plaats van afvoerkanalen voor rook en verbrandingsgassen en van vuilstortkokers en de daarbij toe te passen materialen;
d. de toe te passen materialen op plaatsen waar vonkvorming kan worden verwacht;
e. de aanleg van elektrische installatie;
f. de beveiliging van blikseminslag;
g. ruimten voor gemakkelijk ontvlambare of gemakkelijk tot broei of zelfontbranding neigende stoffen en overige gevaarlijke stoffen;
h. de aanleg van installaties voor de opslag van brandbare vloeistoffen, vloeibaar gas en gedistribueerd gas;
i. de aanleg van warm water- en luchtbehandelingsinstallaties.
Ter voorkoming of beperking van ongevallen bij brand moeten voorzieningen worden getroffen ten aanzien van:
a. het aantal en doelmatigheid van de vluchtwegen betreffende:
– het aantal, de plaats en de afmetingen van uitgangen van ruimten;
– het aantal, de situering en de afmetingen van de vluchtwegen;
– de afwerking en uitvoering van vluchtwegen en vluchtweg onderdelen;
– het aanbrengen van een doelmatige wegaanduiding en noodverlichting;
– het aanbrengen van leuningen in vluchtwegen en vluchtweg onderdelen;
b. de veiligheid van vluchtwegen betreffende:
– het beperken van de toepassing van materialen die bij verbranding grote hoeveelheden rook ontwikkelen;
– het in voldoende mate rookwerend en brandwerend afscheiden van gemeenschappelijke trappen van andere (delen van) vluchtwegen in het gebouw en het onderverdelen van lange gemeenschappelijke gangen door rookwerende constructies;
– het beperken van de toepassing van materialen met grote bijdrage tot brandvoortplanting;
– het in voldoende mate rookwerend en brandwerend afscheiden van de vluchtwegen van andere ruimten;
– het in voldoende mate brandwerend uitvoeren van dragende constructies;
c. het ontdekken van brand en het alarmeren van personen;
d. het bereikbaar maken van de lokaliteit voor de Brandweer;
e. het binnentreden van de lokaliteit door de Brandweer;
f. de veiligheid voor het optredende brandweerpersoneel.
Ter voorkoming of beperking van schade aan belendingen en omringende bebouwing moeten voorzieningen worden getroffen ten aanzien van:
a. het voorkomen van branddoorslag betreffende:
– de brandwerendheid van scheidingsconstructies van brandwerende compartimenten;
– de brandwerendheid van vluchtwegen;
– de brandwerendheid van brandgevaarlijke ruimten en keukens;
– de brandwerendheid van kanalen, kokers en schachten ter plaatse van brandwerende scheidingen;
b. het beperken van de mogelijkheid van brandoverslag betreffende:
– het in acht nemen van voldoende afstand tussen de lokaliteit en de omringende gebouwen;
– het slechts in beperkte mate verwerken van brandbare materialen aan de buitenzijde van de lokaliteit;
– het slechts in beperkte mate aanbrengen van raam- of andere openingen in de gevels van de gebouwen behorende tot de lokaliteit;
– het voldoende brandwerend uitvoeren van de buitenwanden van het gebouw;
c. ter voorkoming van instorting door brand betreffende:
– het verbinden van de bouwelementen met elkaar op een doeltreffende manier;
– het aanpassen van de brandwerendheid van de draagconstructies aan de grootste te verwachten vuurbelasting ter plaatse;
d. het aanbrengen van brandwerende compartimentering betreffende:
– het beperken van schade in ruimten met grote vloeroppervlakten door het aanbrengen van brandwerende scheidingen in deze ruimten;
– brandwerendheid van de scheidingsconstructies van ruimten met hoge vuurbelasting;
– brandwerendheid van scheidingsconstructies van brandgevaarlijke ruimten.
Ter beperking van schade in en aan gebouwen moeten voorzieningen worden getroffen ten aanzien van:
a. het voorkomen van branddoorslag betreffende:
– de brandwerendheid van scheidingsconstructies van brandwerende compartimenten;
– de brandwerendheid van vluchtwegen;
– de brandwerendheid van brandgevaarlijke ruimten en keukens;
– de brandwerendheid van kanalen, kokers en schachten ter plaatse van brandwerende scheidingen;
b. het beperken van de mogelijkheid van brandoverslag betreffende:
– het in acht nemen van voldoende afstand tussen de lokaliteit en de omringende gebouwen;
– het slechts in beperkte mate verwerken van brandbare materialen aan de buitenzijde van de lokaliteit;
– het slechts in beperkte mate aanbrengen van raam- of andere openingen in de gevels van de gebouwen behorende tot de lokaliteit;
– het voldoende brandwerend uitvoeren van de buitenwanden van het gebouw;
c. ter voorkoming van instorting door brand betreffende:
– het verbinden van de bouwelementen met elkaar op een doeltreffende manier;
– het aanpassen van de brandwerendheid van de draagconstructies aan de grootste te verwachten vuurbelasting ter plaatse;
– de veiligheid voor de optredende brandweerlieden;
d. het aanbrengen van brandwerende compartimentering betreffende:
– het beperken van schade in ruimten met grote vloeroppervlakten door het aanbrengen van brandwerende scheidingen in deze ruimten;
– brandwerendheid van de scheidingsconstructies van ruimten met hoge vuurbelasting;
– brandwerendheid van scheidingsconstructies van brandgevaarlijke ruimten.
Voor het bestrijden van brand moeten voorzieningen worden getroffen met het oog op:
a. het ontdekken van brand betreffende:
– het tijdig kunnen ontdekken en alarmeren c.q. melden van de brand;
– het ontdekken van brand in een willekeurige ruimte;
– het uitschakelen van luchtbehandelingsinstallaties;
– het activeren van brand- en rookdeuren, brandluiken en brandkleppen;
b. het melden van brand betreffende:
– het tijdig kunnen ontdekken en alarmeren ten behoeve van eventuele ontruiming en/of redding;
– het duidelijk hoorbaar van de brandmelding;
– de aansluiting op het openbare telefoonnet;
– de directe telefoonaansluiting en of doormeldingsmogelijkheden met de Brandweer;
– de directe doorverbinding van (automatische) blusinstallaties en automatische brandmeldinstallatie met de Brandweer;
c. het bestrijden van brand anders dan door de Brandweer:
de voorzieningen voor het bestrijden van brand anders dan door de Brandweer, bestaande uit het aanbrengen van al dan niet automatisch werkende apparatuur die een doeltreffende brandbestrijding vóór de komst van de Brandweer maken;
d. het bestrijden van brand door de Brandweer betreffende:
– het aanbrengen van bluswaterwinplaatsen in de omgeving van de lokaliteit;
– het toegankelijk maken van voldoende verharde wegen bij het gebouw voor aanvoeren en opstellen van materiaal van de Brandweer;
– het toegankelijk maken van het gebouw voor de Brandweer, op andere wijze dan uitsluitend via normale toegangen;
– het aanbrengen van droge stijgleiding ten behoeve van de Brandweer;
– het inrichten van liften als brandweerlift;
– het aanbrengen van bouwkundige voorzieningen ten behoeve van de veiligheid van het optredende brandweerpersoneel.
Paragraaf 8
Ontheffingen
De ontheffing, als bedoeld in artikel 54, vervalt met ingang van de dag waarop de vergunning voor de uitoefening waarvan de ontheffing werd verleend, onherroepelijk is ingetrokken of naar een ander gebouw wordt overgeschreven.
Paragraaf 9
Slotbepaling