Landsbesluit Lokaliteitseisen Curaçao 2004 - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsbesluit Lokaliteitseisen Curaçao 2004

Publicatienummer: P.B. 2026, no. 212 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsbesluit, houdende algemene maatregelen
Ministerie: Economische Ontwikkeling
Datum ondertekening: 07-05-2026
Datum inwerktreding: 26-08-2004


LANDSBESLUIT van de 7de mei 2026, no. 26/1266, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van het Eilandsbesluit Lokaliteitseisen Curaçao 2004

Paragraaf 1
Algemeen

Artikel 1

  1.  In dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt verstaan onder:
    a. de landsverordening : de Vergunningslandsverordening, zoals gewijzigd;
    b. lokaliteit : vertrek(ken) of ruimte(n), waarin een in artikel 2, eerste, tweede of vierde lid, van de landsverordening bedoelde werkzaamheid wordt uitgeoefend, zomede de daarbij behorende vertrekken en ruimten, met – voor zover zij tezamen daarmee tot dat doel in gebruik zijn – de open aanhorigheden daarvan en de in de onmiddellijke nabijheid daarvan gelegen gedeelten van de openbare weg, deze laatsten voor zover daarop bedoelde werkzaamheid niet bij enige wettelijke regeling is verboden;
    c. vertrek : een van een lokaliteit deel uitmakende besloten ruimte.
  2. Voor de toepassing van dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden aan elkaar grenzende besloten ruimten als een vertrek beschouwd, indien zij hetzij verbonden zijn door een permanente wandopening met een hoogte van ten minste 2.50 m van de vloer gemeten en een breedte van ten minste de helft van de scheidingswand met een minimum van 2.50 m, hetzij slechts gescheiden zijn door een afscheiding van geringere hoogte dan 1.50 m van de vloer af gemeten.

Paragraaf 2
Eisen waaraan een lokaliteit moet voldoen om voor een koffiehuis-, sociëteit-,
bierhuis-, restaurant- A of ijshuisvergunning in aanmerking te kunnen komen.

Artikel 2

  1. De lokaliteit moet de beschikking hebben over ten minste een vertrek met een oppervlakte van ten minste 30 m2.
  2. Indien de lokaliteit beschikt over meerdere vertrekken, dan moet ten minste een van die vertrekken elk een oppervlakte hebben van ten minste 20 m2.

Artikel 3

In een vertrek mogen voorzieningen, die gehele afzondering van een gedeelte van het vertrek mogelijk maken, slechts aanwezig zijn, indien het af te zonderen gedeelte een oppervlakte heeft van ten minste 15 m2 en na de afzondering een gedeelte van het vertrek overblijft met een oppervlakte van:
a. ten minste 30 m2, indien de lokaliteit niet de beschikking heeft over een ander vertrek met een oppervlakte van ten minste 30 m2;
b. ten minste 20 m2, indien de lokaliteit beschikt over een ander vertrek met een oppervlakte van ten minste 30 m2.

Artikel 4

Van ieder punt van een vertrek uit moet bij voortduring een deel van het vertrek met een oppervlakte van ten minste 15 m2 kunnen worden overzien.

Artikel 5

De hoogte van een vertrek moet over ten minste vijf zesde van de vloeroppervlakte ten minste 2.60 m bedragen.

Artikel 6

Een vertrek moet een zodanige kunstverlichting hebben, dat de gemiddelde horizontale verlichtingssterkte, gemeten op 1 m boven de vloer, over de gehele oppervlakte ten minste 50 lux kan bedragen.

Artikel 7

  1. Een vertrek moet voorts voldoen aan de volgende eisen:
    a. voldoende toetreding van verse lucht moet kunnen plaatsvinden; de gezamenlijke openingen daartoe moeten ten minste een tiende van de vloeroppervlakte bedragen;
    b. de wanden moeten van zodanige constructie zijn, dat zij glad en gemakkelijk afwasbaar zijn;
    c. de vloer moet betegeld zijn;
    d. een stofdicht plafond moet aanwezig zijn.
  2. Indien de in het vorige lid voorgeschreven ventilatie-openingen ontbreken, moet het vertrek voorzien zijn van een rechtstreeks met de buitenlucht in verbinding staande mechanische ventilatie-inrichting met een luchtverversingscapaciteit per uur van ten minste zesmaal het luchtvolume verkregen door vermenigvuldiging van het aantal vierkante meters vloeroppervlakte van dat vertrek met 2.60 m.

Artikel 8

In ten minste één vertrek moeten aanwezig zijn:
a. een voorziening om het glas- en vaatwerk met stromend deugdelijk drinkwater te kunnen reinigen, voorzien van een afvoer met stankbocht naar beerput of riool, alsmede een droogrek;
b. een toonbank van hard en afwasbaar materiaal.

Artikel 9

De lokaliteit moet aangesloten zijn op het openbare waterleiding- en elektriciteitsnet. Indien zodanige aansluiting van de vergunninghouder redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moet in de lokaliteit een doeltreffende andere voorziening tot het verkrijgen van stromend deugdelijk drinkwater, onderscheidenlijk van kunstverlichting aanwezig zijn.

Artikel 10

  1. In de lokaliteit moeten, ten behoeve van de bezoekers, voor mannen en vrouwen afzonderlijk, volledig van elkaar gescheiden toiletgelegenheden aanwezig zijn.
  2. Elke toiletgelegenheid moet ten minste bevatten:
    a. een of meer behoorlijke privaten;
    b. een of meer behoorlijke voorzieningen om de handen met stromend deugdelijk drinkwater en zeep te kunnen wassen en om de handen te kunnen drogen.
  3. De in de privaten aanwezige closetpotten en de urinoirs moeten voorzien zijn van een waterspoeling, welke is aangesloten op de in artikel 9 bedoelde watervoorziening, en moeten voorts, evenals de overige sanitaire voorzieningen, voorzien zijn van een afvoer met stankbocht naar beerput of riool.
  4. De toiletgelegenheden moeten voorzien zijn van een deugdelijke inrichting voor luchtverversing, welke ten minste voldoet aan de in artikel 7, tweede lid, omschreven eis.
  5. De vloeren van de toiletgelegenheden, alsmede de wanden moeten tot een hoogte van ten minste 1.60 m betegeld zijn.
  6. De privaten, alsmede de ruimte welke urinoirs bevatten, mogen niet rechtstreeks met een vertrek of met een voor het publiek toegankelijke plaats in verbinding staan en mogen niet slechts via een keuken bereikbaar zijn.

Artikel 11

De lokaliteit moet uitsluitend voor de uitoefening van een in artikel 2, eerste of tweede lid, van de landsverordening bedoelde werkzaamheid zijn ingericht, onverminderd het bepaalde in artikel 54 van de landsverordening.

Artikel 12

Zowel de lokaliteit als haar inventaris moeten doorlopend in goed onderhouden, opgeruimde, schone en zindelijke staat worden gehouden om voor een hotelvergunning of logementvergunning in aanmerking te kunnen komen.

Paragraaf 3

Artikel 13

  1. De lokaliteit van een hotel of logement moet de beschikking hebben over ten minste vijf, respectievelijk twee uitsluitend voor logeergasten bestemde slaapkamers.
  2. Slaapkamers, welke alleen door een andere slaapkamer bereikt kunnen worden, blijven ten aanzien van de toepassing van het bepaalde in het vorige lid buiten aanmerking.
  3. Eveneens blijven daarbij buiten aanmerking slaapkamers in kelders, souterrains, regenbakken of op zolders, waarvan het dak niet behoorlijk is beschot, of niet op andere wijze voldoende beschutting biedt tegen hitte en vochtigheid of ruimten, die kennelijk voor een ander doel bestemd zijn of gebruikt worden.

Artikel 14

  1. De lokaliteit moet de beschikking hebben over een vertrek waarin door de logeergasten desverlangd de maaltijden kunnen worden gebruikt.
  2. Het in het vorige lid bedoelde vertrek moet voldoen aan de eisen omschreven in de artikelen 2 tot en met 8, met dien verstande dat in een logement met de helft van de voorgeschreven oppervlaktematen kan worden volstaan.

Artikel 15

De lokaliteit moet aangesloten zijn op het openbare waterleiding- en elektriciteitsnet.
Indien zodanige aansluiting van de vergunninghouder redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moet in de lokaliteit een doeltreffende andere voorziening tot het verkrijgen van stromend deugdelijk drinkwater, onderscheidenlijk van kunstverlichting aanwezig zijn.

Artikel 16

  1. De in artikel 13, eerste lid, bedoelde slaapkamers moeten door metsel- of ander onbrandbaar en brandwerend werk van elkaar gescheiden zijn en een stofdicht plafond hebben; zij moeten aan de binnenzijde voldoende kunnen worden afgesloten.
  2. Indien twee slaapkamers met elkaar in rechtstreekse verbinding staan, moet de verbindingsdeur in beide kamers door middel van een schuif-, grendel- of blindensluiting op voldoende wijze kunnen worden afgesloten.

Artikel 17

De in artikel 13, eerste lid, bedoelde slaapkamers moeten door ventilatie-openingen of beweegbare ramen, deuren of bovenlichten rechtstreeks in verbinding staan met de buitenlucht, met dien verstande, dat de gezamenlijke doorlaatruimte niet minder bedragen mag dan een tiende deel van de vloeroppervlakte van die kamers. Hoofdtoegangsdeuren worden niet meegerekend, met uitzondering van daarin eventueel aanwezige ventilatie-openingen.

Artikel 18

  1. In elke slaapkamer, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, moeten ten minste aanwezig zijn een bed, dat voor onmiddellijk gebruik gereed is, met toebehoren, een vaste wasgelegenheid aangesloten op de in artikel 15 bedoelde watervoorziening en voorzien van een afvoer met stankbocht naar beerput of riool, benevens de in een slaapkamer onmisbaar te achten meubelen en voorwerpen.
  2. De slaapplaatsen in eenzelfde slaapkamer mogen niet boven elkaar zijn aangebracht.

Artikel 19

Elke slaapkamer, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, moet een oppervlakte hebben van ten minste 6 m2.
Indien een slaapkamer voor meer dan een persoon is bestemd en ingericht, moet zij een oppervlakte hebben van ten minste 5 m2 per persoon.

Artikel 20

  1. In de lokaliteit moeten, uitsluitend ten behoeve van de logeergasten, voor mannen en vrouwen afzonderlijk, volledig van elkaar gescheiden toiletgelegenheden aanwezig zijn, welke voldoen aan de in artikel 10, tweede tot en met zesde lid, omschreven eisen.
  2. Voor elke sekse afzonderlijk moet, voor elke tien bedden of een gedeelte daarvan, ten minste een toiletgelegenheid, als bedoeld in het vorige lid, aanwezig zijn.

Artikel 21

  1. In de lokaliteit moeten, uitsluitend ten behoeve van de logeergasten voor mannen en vrouwen afzonderlijk, volledig van elkaar gescheiden badgelegenheden aanwezig zijn, welke voldoen aan de volgende eisen:
    a. zij moeten zijn afgesloten op de in artikel 15 bedoelde watervoorziening en moeten voorzien zijn van een afvoer met stankbocht naar beerput of riool;
    b. zij mogen niet rechtstreeks in verbinding staan met een voor het publiek toegankelijke plaats en mogen niet slechts via een keuken bereikbaar zijn;
    b. zij moeten voorzien zijn van een deugdelijke inrichting voor luchtverversing, welke ten minste voldoet aan de in artikel 7, tweede lid, omschreven eis;
    c. de vloeren, alsmede de wanden tot een hoogte van ten minste 1.60 m, moeten betegeld zijn.
  2. Voor elke sekse afzonderlijk moet, voor elke tien bedden of een gedeelte daarvan, ten minste een badgelegenheid, als bedoeld in het vorige lid, aanwezig zijn.

Artikel 22

Indien in de lokaliteit van een hotel de in artikel 2, eerste of tweede lid, van de landsverordening bedoelde werkzaamheid wordt uitgeoefend ten behoeve van anderen dan de logeergasten, moet dat gedeelte van de lokaliteit dat voor die andere toegankelijk is, voldoen aan de eisen omschreven in de artikelen 2 tot en met 10.

Artikel 23

De lokaliteit moet uitsluitend voor de uitoefening van een in artikel 2, eerste, tweede of vierde lid, van de landsverordening bedoelde werkzaamheid zijn ingericht, onverminderd het bepaalde in artikel 54 van de landsverordening.

Artikel 24

Zowel de lokaliteit als haar inventaris moeten doorlopend in goed onderhouden, opgeruimde, schone en zindelijke staat worden gehouden.

Paragraaf 4
Eisen waaraan een keuken moet voldoen

Artikel 25

Om voor een hotel-, logement-, restaurant- A of sociëteitvergunning in aanmerking te kunnen komen, laatstgenoemde lokaliteiten voor zover daarin spijzen voor gebruik ter plaatse worden verkocht, moet de lokaliteit bovendien beschikken over een afzonderlijke keuken, geheel afgescheiden van de rest van de lokaliteit.

Artikel 26

  1. De in artikel 25 bedoelde keuken moet voldoen aan de volgende eisen:
    a. de oppervlakte moet ten minste 12 m2 bedragen;
    b. de hoogte moet over ten minste vijf zesde van de vloeroppervlakte ten minste 3 m bedragen;
    c. voldoende toetreding van verse lucht moet kunnen plaatsvinden; de gezamenlijke openingen daartoe moeten ten minste een tiende van de vloeroppervlakte bedragen;
    d. er moet een zodanige kunstverlichting aanwezig zijn, dat de gemiddelde horizontale verlichtingssterkte, gemeten op 1 m boven de vloer, over de gehele oppervlakte ten minste 600 lux kan bedragen;
    e. de vloer, alsmede de wanden tot een hoogte van ten minste 1.60 m, moeten betegeld zijn;
    f. de toegangsdeuren moeten automatisch sluiten;
    g. de ramen en overige openingen moeten afgesloten zijn met vliegengaas;
    h. het plafond moet vervaardigd zijn van stofdicht, onbrandbaar materiaal;
    i. er moet aanwezig zijn een behoorlijke voorziening om het glas- en vaatwerk met stromend deugdelijk drinkwater te kunnen reinigen, voorzien van een afvoer met stankbocht en vetvanginrichting naar beerput of riool, alsmede een droogrek en een aanrecht met bovenblad van hard en afwasbaar materiaal;
    j. etenswaren, al dan niet toebereid, moeten bewaard worden op zodanige wijze dat wordt voorkomen, dat ratten, vliegen of ander ongedierte bij deze etenswaren kunnen komen;
    k. boven elke kookgelegenheid moet een metalen afzuigkap zijn aangebracht, voorzien van een doeltreffende mechanische of natuurlijke afzuiging, welke op eenvoudige wijze snel kan worden uitgeschakeld;
    l. boven een kookgelegenheid mag niets brandbaars tegen de wand zijn aangebracht;
    m. elk gasverbruikend toestel dient te zijn voorzien van een gasafsluiter, welke gemakkelijk bereikbaar en duidelijk zichtbaar nabij het toestel is aangebracht;
    n. er moet, duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar, een gasafsluiter aanwezig zijn, waarmee de volledige gastoevoer kan worden afgesloten;
    o. frituurpannen en -toestellen moeten met een daaraan aangebracht deksel op eenvoudige wijze snel kunnen worden afgesloten;
    p. de keuken moet gescheiden zijn van de rest van het gebouw en het plafond in de keuken moet zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal met een brandwerendheid van ten minste 60 minuten;
    q. het plafond in de keuken moet zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal met een brandwerendheid van ten minste 30 minuten;
    r. de wasemkappen moeten regelmatig worden gereinigd;
    s. de schakelaars voor eventuele elektrische afzuiging van de wasemkappen moeten duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zijn aangebracht;
    t. de voorraad olie en vetten in het gebouw mag niet meer bedragen dan de hoeveelheid benodigd voor het bakken en braden gedurende twee weken;
    u. de wasemkappen moeten zijn voorzien van een automatische brandblusinstallatie, uitgevoerd in overleg met en ten genoegen van de brandweer.
  2. Indien de in het vorige lid onder c voorgeschreven ventilatie-openingen ontbreken, moet de keuken voorzien zijn van een rechtstreeks met de buitenlucht in verbinding staande mechanische ventilatie-inrichting met een luchtverversingscapaciteit per uur van ten minste zesmaal het luchtvolume verkregen door vermenigvuldiging van het aantal vierkante meters vloeroppervlakte van de keuken met 3 m.

Artikel 27

De in artikel 25 bedoelde keuken moet uitsluitend voor het bereiden van spijzen en daarmee direct verband houdende werkzaamheden zijn ingericht en worden gebruikt.

Artikel 28

Het bepaalde in artikel 25, voor zover betreft het voorschrift dat de keuken geheel afgescheiden moet zijn van de rest van de lokaliteit alsmede het bepaalde in artikel 26, onder f en g, is niet van toepassing indien de keuken is ondergebracht in een vertrek waarin een in artikel 2, eerste of tweede lid, van de landsverordening bedoelde werkzaamheid wordt uitgeoefend en voorts wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. de oppervlakte van het vertrek, exclusief keuken, moet ten minste 30 m2 bedragen;
b. het vertrek moet geheel afgesloten zijn van de rest van de lokaliteit;
c. het vertrek moet luchtgekoeld zijn;
d. de keuken moet voor bezoekers niet toegankelijk zijn.

Paragraaf 5
Eisen waaraan een lokaliteit moet voldoen om voor een restaurantvergunning B
in aanmerking te kunnen komen

Artikel 29

  1. De lokaliteit moet de beschikking hebben over ten minste een vertrek met een oppervlakte van ten minste 12 m2.
  2. Indien de lokaliteit beschikt over meerdere vertrekken, dan moet elk van die vertrekken aan de in het vorige lid gestelde eis voldoen.

Artikel 30

Indien een vertrek voor het publiek toegankelijk is, moet de oppervlakte daarvan ten minste 24 m2 bedragen, met dien verstande dat:
a. een gedeelte van dat vertrek met een oppervlakte van ten minste 12 m2 voor het publiek niet toegankelijk moet zijn;
b. het voor het publiek toegankelijke gedeelte van dat vertrek een oppervlakte moet hebben van ten minste 12 m2.

Artikel 31

De hoogte van een vertrek moet over ten minste vijf zesde van de vloeroppervlakte ten minste 2.60 m bedragen.

Artikel 32

Een vertrek moet een zodanige kunstverlichting hebben, dat de gemiddelde horizontale verlichtingssterkte, gemeten op 1 m boven de vloer, over de gehele oppervlakte ten minste 400 lux kan bedragen.

Artikel 33

  1. Een vertrek moet voorts voldoen aan de volgende eisen:
    a. voldoende toetreding van verse lucht moet mogelijk zijn; de gezamenlijke openingen van het vertrek moeten ten minste een tiende van de vloeroppervlakte bedragen;
    b. de wanden moeten van zodanige constructie zijn, dat zij glad en gemakkelijk afwasbaar zijn;
    c. de vloer moet betegeld zijn;
    d. een stofdicht plafond moet aanwezig zijn.
  2. Indien de in het vorige lid voorgeschreven ventilatie-openingen ontbreken, moet het vertrek voorzien zijn van een rechtstreeks met de buitenlucht in verbinding staande mechanische ventilatie-inrichting met een luchtverversingscapaciteit per uur van ten minste zesmaal het luchtvolume verkregen door vermenigvuldiging van het aantal vierkante meter vloeroppervlakte van dat vertrek met 2.60 m.

Artikel 34

In een vertrek moet aanwezig zijn een toonbank van hard en afwasbaar materiaal.

Artikel 35

De lokaliteit moet aangesloten zijn op het openbare waterleiding- en elektriciteitsnet. Indien zodanige aansluiting van de vergunninghouder redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moet in de lokaliteit een doeltreffende andere voorziening tot het verkrijgen van stromend deugdelijk drinkwater, onderscheidenlijk van kunstverlichting aanwezig zijn.

Artikel 36

  1. In het niet voor publiek toegankelijke gedeelte van een vertrek moet een gelegenheid aanwezig zijn voor het bereiden van eenvoudige spijzen.
  2. Ter plaatse van de in het vorige lid bedoelde gelegenheid moeten de wanden betegeld zijn tot een hoogte van ten minste 1.60 m, terwijl deze gelegenheid voorts moet voldoen aan de in artikel 26, eerste lid, onder i tot en met u, omschreven eisen.
  3. Voor de bereiding van andere dan eenvoudige spijzen moet de lokaliteit voldoen aan de in paragraaf 4 genoemde eisen.

Artikel 37

  1. In de lokaliteit moet, uitsluitend ten behoeve van de daarin werkzame personen, een toiletgelegenheid aanwezig zijn.
  2. De in het vorige lid bedoelde toiletgelegenheid moet voldoen aan de in artikel 10, tweede tot en met vijfde lid, omschreven eisen.

Artikel 38

In de lokaliteit mogen geen stoelen, banken of enige andere zitgelegenheid aanwezig zijn.

Artikel 39

De lokaliteit moet uitsluitend voor de uitoefening van een in artikel 2, eerste of tweede lid, van de landsverordening bedoelde werkzaamheid zijn ingericht, onverminderd het bepaalde in artikel 54 van de landsverordening.

Artikel 40

Zowel de lokaliteit als haar inventaris moeten doorlopend in goed onderhouden, opgeruimde, schone en zindelijke staat worden gehouden.

Paragraaf 6
Eisen waaraan een lokaliteit moet voldoen om voor een slijtvergunning
in aanmerking te kunnen komen

Artikel 41

  1. De lokaliteit moet de beschikking hebben over ten minste een vertrek met een oppervlakte van ten minste 15 m2.
  2. Indien de lokaliteit beschikt over meerdere vertrekken, dan moet elk van die vertrekken aan de in het vorige lid gestelde eis voldoen.

Artikel 42

De hoogte van een vertrek moet over ten minste vijf zesde van de vloeroppervlakte ten minste 2.60 m bedragen.

Artikel 43

Een vertrek moet een zodanige kunstverlichting hebben, dat de gemiddelde horizontale verlichtingssterkte, gemeten op 1 m boven de vloer, over de gehele oppervlakte ten minste 400 lux kan bedragen.

Artikel 44

  1. Een vertrek moet voorts voldoen aan de volgende eisen:
    a. voldoende toetreding van verse lucht moet kunnen plaatsvinden; de gezamenlijke openingen daartoe moeten ten minste een tiende van de vloeroppervlakte bedragen;
    b. de wanden moeten van zodanige constructie zijn, dat zij glad en gemakkelijk afwasbaar zijn;
    c. de vloer moet betegeld zijn;
    d. een stofdicht plafond moet aanwezig zijn.
  2. Indien de in het vorige lid voorgeschreven ventilatie-openingen ontbreken, moet het vertrek voorzien zijn van een rechtstreeks met de buitenlucht in verbinding staande mechanische ventilatie-inrichting met een luchtverversingscapaciteit per uur van ten minste zesmaal het luchtvolume verkregen door vermenigvuldiging van het aantal vierkante meters vloeroppervlakte van dat vertrek met 2.60 m.

Artikel 45

De lokaliteit moet aangesloten zijn op het openbare elektriciteitsnet. Indien zodanige aansluiting van de vergunninghouder redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moet in de lokaliteit een doeltreffende andere voorziening tot het verkrijgen van kunstverlichting aanwezig zijn.

Artikel 46

Zowel de lokaliteit als haar inventaris moeten doorlopend in goed onderhouden, opgeruimde, schone en zindelijke staat worden gehouden.

Paragraaf 7
Brandveiligheidsvoorzieningen

Artikel 47

Teneinde in aanmerking te kunnen komen voor één van de in de artikelen 10 tot en met 18 van de landsverordening genoemde vergunningen en in één van de in de artikelen 45 en 46 genoemde toestemmingen moet ter beveiliging tegen brand, brandveiligheidsvoorzieningen worden getroffen gericht op:
– het voorkomen van brand;
– het voorkomen of beperken van ongevallen bij brand;
– het voorkomen of beperken van schade aan belendingen en omringende gebouwen;
– het beperken van schade in en aan het gebouw;
– het bestrijden van brand.

Artikel 48

Ter voorkoming van brand moeten voorzieningen worden getroffen ten aanzien van:
a. de constructie van bouwonderdelen en de daarbij toe te passen materialen;
b. de aanwezigheid van open vuur;
c. de constructie en de plaats van afvoerkanalen voor rook en verbrandingsgassen en van vuilstortkokers en de daarbij toe te passen materialen;
d. de toe te passen materialen op plaatsen waar vonkvorming kan worden verwacht;
e. de aanleg van elektrische installatie;
f. de beveiliging van blikseminslag;
g. ruimten voor gemakkelijk ontvlambare of gemakkelijk tot broei of zelfontbranding neigende stoffen en overige gevaarlijke stoffen;
h. de aanleg van installaties voor de opslag van brandbare vloeistoffen, vloeibaar gas en gedistribueerd gas;
i. de aanleg van warm water- en luchtbehandelingsinstallaties.

Artikel 49

Ter voorkoming of beperking van ongevallen bij brand moeten voorzieningen worden getroffen ten aanzien van:
a. het aantal en doelmatigheid van de vluchtwegen betreffende:
– het aantal, de plaats en de afmetingen van uitgangen van ruimten;
– het aantal, de situering en de afmetingen van de vluchtwegen;
– de afwerking en uitvoering van vluchtwegen en vluchtweg onderdelen;
– het aanbrengen van een doelmatige wegaanduiding en noodverlichting;
– het aanbrengen van leuningen in vluchtwegen en vluchtweg onderdelen;
b. de veiligheid van vluchtwegen betreffende:
– het beperken van de toepassing van materialen die bij verbranding grote hoeveelheden rook ontwikkelen;
– het in voldoende mate rookwerend en brandwerend afscheiden van gemeenschappelijke trappen van andere (delen van) vluchtwegen in het gebouw en het onderverdelen van lange gemeenschappelijke gangen door rookwerende constructies;
– het beperken van de toepassing van materialen met grote bijdrage tot brandvoortplanting;
– het in voldoende mate rookwerend en brandwerend afscheiden van de vluchtwegen van andere ruimten;
– het in voldoende mate brandwerend uitvoeren van dragende constructies;
c. het ontdekken van brand en het alarmeren van personen;
d. het bereikbaar maken van de lokaliteit voor de Brandweer;
e. het binnentreden van de lokaliteit door de Brandweer;
f. de veiligheid voor het optredende brandweerpersoneel.

Artikel 50

Ter voorkoming of beperking van schade aan belendingen en omringende bebouwing moeten voorzieningen worden getroffen ten aanzien van:
a. het voorkomen van branddoorslag betreffende:
– de brandwerendheid van scheidingsconstructies van brandwerende compartimenten;
– de brandwerendheid van vluchtwegen;
– de brandwerendheid van brandgevaarlijke ruimten en keukens;
– de brandwerendheid van kanalen, kokers en schachten ter plaatse van brandwerende scheidingen;
b. het beperken van de mogelijkheid van brandoverslag betreffende:
– het in acht nemen van voldoende afstand tussen de lokaliteit en de omringende gebouwen;
– het slechts in beperkte mate verwerken van brandbare materialen aan de buitenzijde van de lokaliteit;
– het slechts in beperkte mate aanbrengen van raam- of andere openingen in de gevels van de gebouwen behorende tot de lokaliteit;
– het voldoende brandwerend uitvoeren van de buitenwanden van het gebouw;
c. ter voorkoming van instorting door brand betreffende:
– het verbinden van de bouwelementen met elkaar op een doeltreffende manier;
– het aanpassen van de brandwerendheid van de draagconstructies aan de grootste te verwachten vuurbelasting ter plaatse;
d. het aanbrengen van brandwerende compartimentering betreffende:
– het beperken van schade in ruimten met grote vloeroppervlakten door het aanbrengen van brandwerende scheidingen in deze ruimten;
– brandwerendheid van de scheidingsconstructies van ruimten met hoge vuurbelasting;
– brandwerendheid van scheidingsconstructies van brandgevaarlijke ruimten.

Artikel 51

Ter beperking van schade in en aan gebouwen moeten voorzieningen worden getroffen ten aanzien van:
a. het voorkomen van branddoorslag betreffende:
– de brandwerendheid van scheidingsconstructies van brandwerende compartimenten;
– de brandwerendheid van vluchtwegen;
– de brandwerendheid van brandgevaarlijke ruimten en keukens;
– de brandwerendheid van kanalen, kokers en schachten ter plaatse van brandwerende scheidingen;
b. het beperken van de mogelijkheid van brandoverslag betreffende:
– het in acht nemen van voldoende afstand tussen de lokaliteit en de omringende gebouwen;
– het slechts in beperkte mate verwerken van brandbare materialen aan de buitenzijde van de lokaliteit;
– het slechts in beperkte mate aanbrengen van raam- of andere openingen in de gevels van de gebouwen behorende tot de lokaliteit;
– het voldoende brandwerend uitvoeren van de buitenwanden van het gebouw;
c. ter voorkoming van instorting door brand betreffende:
– het verbinden van de bouwelementen met elkaar op een doeltreffende manier;
– het aanpassen van de brandwerendheid van de draagconstructies aan de grootste te verwachten vuurbelasting ter plaatse;
– de veiligheid voor de optredende brandweerlieden;
d. het aanbrengen van brandwerende compartimentering betreffende:
– het beperken van schade in ruimten met grote vloeroppervlakten door het aanbrengen van brandwerende scheidingen in deze ruimten;
– brandwerendheid van de scheidingsconstructies van ruimten met hoge vuurbelasting;
– brandwerendheid van scheidingsconstructies van brandgevaarlijke ruimten.

Artikel 52

Voor het bestrijden van brand moeten voorzieningen worden getroffen met het oog op:
a. het ontdekken van brand betreffende:
– het tijdig kunnen ontdekken en alarmeren c.q. melden van de brand;
– het ontdekken van brand in een willekeurige ruimte;
– het uitschakelen van luchtbehandelingsinstallaties;
– het activeren van brand- en rookdeuren, brandluiken en brandkleppen;
b. het melden van brand betreffende:
– het tijdig kunnen ontdekken en alarmeren ten behoeve van eventuele ontruiming en/of redding;
– het duidelijk hoorbaar van de brandmelding;
– de aansluiting op het openbare telefoonnet;
– de directe telefoonaansluiting en of doormeldingsmogelijkheden met de Brandweer;
– de directe doorverbinding van (automatische) blusinstallaties en automatische brandmeldinstallatie met de Brandweer;
c. het bestrijden van brand anders dan door de Brandweer:
de voorzieningen voor het bestrijden van brand anders dan door de Brandweer, bestaande uit het aanbrengen van al dan niet automatisch werkende apparatuur die een doeltreffende brandbestrijding vóór de komst van de Brandweer maken;
d. het bestrijden van brand door de Brandweer betreffende:
– het aanbrengen van bluswaterwinplaatsen in de omgeving van de lokaliteit;
– het toegankelijk maken van voldoende verharde wegen bij het gebouw voor aanvoeren en opstellen van materiaal van de Brandweer;
– het toegankelijk maken van het gebouw voor de Brandweer, op andere wijze dan uitsluitend via normale toegangen;
– het aanbrengen van droge stijgleiding ten behoeve van de Brandweer;
– het inrichten van liften als brandweerlift;
– het aanbrengen van bouwkundige voorzieningen ten behoeve van de veiligheid van het optredende brandweerpersoneel.

Artikel 53

  1. De Minister van Economische Ontwikkeling kan, na verkregen advies van de Commandant van de Brandweer, ter uitvoering van de brandveiligheidsvoorzieningen vermeld onder de artikelen 47 tot en met 52 nadere voorschriften c.q. eisen stellen aan de vergunningen ingevolge de artikelen 10 tot en met 18 van de landsverordening.
  2. Ter handhaving van de brandveiligheid dient de vergunninghouder de aanwijzingen zijdens de Brandweer ter opheffing van brandonveilige situaties onverwijld op te volgen.
  3. Alle brandveiligheidsvoorwaarden moeten worden uitgevoerd in overleg met en ten genoegen van de Brandweer.
  4. De brandveiligheidsvoorzieningen moeten voldoen aan de eisen van;
    a. het modelbesluit Technische Brandpreventie Voorschriften;
    b. het modelbesluit Brandveilig Gebruik.

Paragraaf 8
Ontheffingen

Artikel 54

  1. Van iedere van de bepalingen in de voorgaande artikelen, met uitzondering van die in de artikelen 12, 24, 40 en 46, kan, op schriftelijk verzoek, al dan niet voor een bepaalde tijd, ontheffing worden verleend door de Minister van Economische Ontwikkeling na ingewonnen advies van het Hoofd van de Uitvoeringsorganisatie Geneeskundige en Gezondheidszaken en de Brandweer.
  2. Een ontheffing, als bedoeld in het vorige lid en van de bepaling in artikel 10, eerste lid, wordt slechts verleend indien in de lokaliteit geen stoelen, banken of enige andere zitgelegenheid aanwezig zijn en voorts de bezoekers doorgaans, slechts voor korte tijd in de lokaliteit verblijven.

Artikel 55

De ontheffing, als bedoeld in artikel 54, vervalt met ingang van de dag waarop de vergunning voor de uitoefening waarvan de ontheffing werd verleend, onherroepelijk is ingetrokken of naar een ander gebouw wordt overgeschreven.

Paragraaf 9
Slotbepaling

Artikel 56

  1. Dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt aangehaald als: Landsbesluit Lokaliteitseisen Curaçao 2004.
  2. Een reeds verleende vergunning kan niet op grond van de in dit landsbesluit aangebrachte wijzigingen worden ingetrokken.
  3. (vervallen)
  4. (vervallen)
Naar boven