Landsbesluit radio-elektrische inrichtingen - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsbesluit radio-elektrische inrichtingen

Publicatienummer: P.B. 2025, no. 152 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsbesluit, houdende algemene maatregelen
Ministerie: Verkeer, Vervoer & Ruimtelijke Planning
Datum ondertekening: 04-09-2025
Datum inwerktreding: 15-04-1998
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( IX Verkeer en vervoer)


LANDSBESLUIT van de 4de september 2025, no. 25/2098, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van het Landsbesluit radio-elektrische inrichtingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
15-04-1998     n.v.t.     n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2025, no. 152 (GT) n.v.t.

Hoofdstuk 1
Definities

Artikel 1

a.       landsverordening: de Landsverordening op de telecommunicatievoorzieningen;
b.      Minister: de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning;
c.       Directeur: de Directeur van het Bureau Telecommunicatie en Post;
d.      toezichthoudende ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 31a, van de landsverordening;
e.       zendinrichting: radio-elektrische zendinrichting, bestaande uit één apparaat dan wel uit een samenstel van apparaten;
f.        ontvanginrichting: radio-elektrische ontvanginrichting, bestaande uit één apparaat dan wel uit een samenstel van apparaten, niet uitsluitend bestemd voor de ontvangst van omroepprogramma’s;
g.      vrijstelling van een machtiging: vrijstelling van het vereiste van een machtiging, bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel b, van de landsverordening;
h.      machtiginghouder: degene aan wie machtiging is verleend ten aanzien van een zendinrichting of een ontvanginrichting;
i.        houder
1°.    met betrekking tot zendinrichtingen of ontvanginrichting waarvoor een machtiging is verleend:  

 

de machtiginghouder;

en
2°.    met betrekking tot zendinrichtingen of ontvanginrichtingen waarvoor het vereiste van een machtiging niet geldt dan wel ten aanzien waarvan vrijstelling is verleend:  

 

 

 

degene die deze inrichtingen aanlegt,

aanwezig heeft of gebruikt;

j.         ondernemer: degene die het vervaardigen, verhandelen, installeren of herstellen van zendinrichtingen of ontvanginrichtingen als beroep of bedrijf uitoefent;
k.      een ontheffing: een ontheffing als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de landsverordening;
l.        technische eisen
1°.    ten aanzien van zendinrichtingen: de technische eisen, bedoeld in artikel 18;
en
2°.    ten aanzien van ontvanginrichtingen:  

de technische eisen, bedoeld in artikel 51;

m.    verklaring van conformiteit
1°.    ten aanzien van zendinrichtingen: een bewijsstuk als bedoeld in artikel 21, eerste lid;
en
2°.    ten aanzien van de

ontvanginrichtingen:

 

een bewijsstuk als bedoeld in artikel 54, eerste lid;

n.      verklaring van toelating
1°.    ten aanzien van zendinrichtingen: een bewijsstuk als bedoeld in artikel 23, eerste lid;
en
2°.    ten aanzien van ontvanginrichtingen:  

een bewijsstuk als bedoeld in artikel 56, eerste lid;

o.      bewijs van goedkeuring
1°.    ten aanzien van zendinrichtingen: een bewijsstuk als bedoeld in artikel 38, eerste lid;
en
2°.    ten aanzien van

ontvanginrichtingen:

 

een bewijsstuk als bedoeld in artikel 69, eerste lid.

 

Artikel 2

Voor de toepassing van artikel 14 van de landsverordening en het bij of krachtens dit besluit ten aanzien van zendinrichtingen bepaalde zijn met zendinrichtingen gelijkgesteld radiofrequent vermogensver­sterkers die geschikt zijn voor gebruik tezamen met zendinrichtin­gen alsmede andere elektrische of elektronische inrichtingen die geschikt zijn om het radiofrequent signaal van zendinrichtingen te wijzigen.

 

Artikel 3

Indien door middel van zendinrichtingen communica­tie met het grondge­bied van een andere mogendheid wenselijk is, dient door beide betrok­ken landen toestemming te zijn verleend om deze communicatie te voeren.

 

Artikel 4

Dit landsbesluit is van overeenkomstige toepassing op de aanleg, het aanwezig hebben, het gebruiken of exploiteren van radio-elektrische zend- en ont­vanginrichtingen door de houder van een concessie als be­doeld in artikel 2, eerste lid, van de landsveror­dening, met dien verstande dat overeenkomstig artikel 15, eerste lid, van de landsver­ordening de houder van een concessie geen machtiging behoeft.

 

Hoofdstuk 2
Algemene bepalingen met betrekking tot machtigingen
en ontheffingen

 

§ 1. Gelding machtiging

 

Artikel 5

Een machtiging geldt voor de aanleg, het aanwezig hebben of het gebruik dan wel de exploitatie, tenzij in dit landsbesluit dan wel bij de verlening van de machtiging anders is bepaald.

 

§ 2. Aanvraag

 

Artikel 6

Een aanvraag om verlening, wijziging of intrek­king van een machti­ging voor een zendinrichting of een ontvanginrichting dan wel van een onthef­fing dient schriftelijk te geschieden bij het Bureau Telecommuni­catie en Post met gebruikmaking van een bij dit bureau verkrijgbaar formulier.

 

Artikel 7

  1. De aanvraag om verlening of wijziging van een machtiging dan wel ontheffing bevat tenminste de volgende gegevens:
    a. naam en adres van de aanvrager;
    b. dagtekening en ondertekening;
    c. het doel waarvoor de machtiging of onthef­fing dan wel een wij­ziging daarvan wordt gevraagd;
    d. de aard en hoedanigheid van de te gebruiken inrich­tingen.
  2. De aanvraag met betrekking tot intrekking van een machti­ging of ontheffing bevat tenminste de volgende gegevens:
    a. naam en adres van de aanvrager;
    b. dagtekening en de ondertekening;
    c. redenen van de aanvraag.
  3. De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beoordeling van de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelij­ker­wijs de beschikking kan krijgen.

 

Artikel 8

De aanvrager kan weigeren gegevens en bescheiden te verschaf­fen op grond dat het belang daarvan voor de beslissing van de Minister niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoon­lijke levenssfeer of tegen het belang van de bescher­ming van bedrijfsgege­vens.

 

Artikel 9

Indien een aanvraag niet is ingediend op de wijze bij of krachtens artikel 6 voorgeschreven of indien de verstrekte gegevens en beschei­den onvol­doende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, verzoekt de Minister de aanvrager de aanvraag aan te vullen binnen een bij het verzoek te stellen termijn.

 

Artikel 10

Indien de Minister voornemens is een aanvraag om een machti­ging dan wel ontheffing geheel of gedeel­telijk te weigeren op grond van gege­vens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen en die niet in overeenstemming zijn met gegevens die de aanvrager ter zake zelf heeft versterkt, wordt de aanvrager gedurende een te stellen termijn in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.

 

Artikel 11

Onze Minister stelt de machtiginghouder en de houder van de onthef­fing in kennis van de aanvraag van een derde belanghebbende tot wijziging of intrekking van de machtiging of ontheffing en biedt hem gedurende een te stellen termijn de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.

 

Artikel 12

  1. Op een aanvraag als bedoeld in artikel 6 wordt door de Minister beslist binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.
  2. Een besluit tot afwijzing van een aanvraag om een machtiging of een ontheffing dan wel om een wijziging daarvan wordt met redenen omkleed.
  3. Indien niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn beslist kan worden, stelt de Minister de aanvrager daarvan in kennis en geeft daarbij een termijn aan die niet langer zal zijn dan zes maanden, waarbinnen een beslissing zal worden genomen.
  4. Het verloop van de termijn bedoeld in het eerste lid wordt van rechtswege opgeschort met ingang van de dag waarop de Minister krachtens artikel 9 de aanvrager verzoekt de aanvraag aan te vul­len tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de krachtens artikel 9 gestelde termijn is verstreken.
  5. Het verloop van de termijn in het eerste lid wordt voorts van rechtswege opgeschort met ingang van de dag waarop de Minister krachtens artikel 10 of 11 de aanvrager respectievelijk de machti­ginghouder of de houder van de ontheffing in de gelegen­heid stelt zijn zienswijze omtrent het voorgenomen besluit naar voren te brengen of de krachtens artikel 10 of 11 gestelde termijn is ver­streken.

 

§ 2. Aanvaarding

 

Artikel 13

  1. Zodra de machtiging is verleend, geeft de Directeur hiervan aan de aanvrager kennis en verzoekt de aanvrager de ingevolge de Zegelverordening verschuldigde vergoeding te vol­doen als blijk van aanvaarding van de mach­tiging.
  2. Indien de aanvrager de verschuldigde vergoeding niet binnen een periode van drie maanden heeft voldaan, vervalt de mach­tiging van rechtswege behoudens ingeval zulks naar het oordeel van de Minis­ter als onredelijk is aan te merken. In dat geval bepaalt de Mi­nister een termijn waarbinnen de vergoeding alsnog moet worden voldaan. Geschiedt zulks niet binnen die termijn dan ver­valt de machtiging alsnog van rechtswege.
  3. Indien de aanvrager de machtiging heeft aanvaard, wordt deze hem zo spoedig mogelijk gezonden of ter hand gesteld.
  4. Indien de houder van de verleende machtiging deze niet binnen een periode van twaalf maanden gebruikt, trekt de Minister deze in behoudens ingeval zulks naar het oordeel van de Minister als onre­delijk is aan te merken. In dat geval bepaalt de Minister een termijn waarbinnen de machtiging alsnog gebruikt dient te worden. Geschiedt zulks niet binnen die termijn dan trekt de Minister de machtiging in.

 

§ 3. Vergoedingen

 

Artikel 14

  1. De verschuldigde vergoedingen met betrekking tot de verlening van een machtiging of een ontheffing voor zendinrichtingen en ontvang­inrichtingen alsmede voor keuringen daarvan en het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de landsveror­de­ning gegeven re­gels, voorschriften en beperkingen, be­doeld in respec­tievelijk artikel 31, onderdelen a, b, onder 1°, en e, van de land­sverorde­ning dienen bij vooruitbetaling te worden voldaan.
  2. De machtiginghouder en de houder van de ontheffing zijn de vergoe­dingen met betrekking tot het toezicht als bedoeld in het eerste lid per periode van twaalf maanden bij vooruitbeta­ling verschul­digd.
  3. Indien ten behoeve van een zendinrichting meer dan één frequentie wordt gewenst, is de aanvrager per frequentie de in het eerste lid bedoelde vergoeding met betrekking tot de verlening van de mach­tiging verschuldigd.
  4. De vergoeding met betrekking tot de verlening van een machti­ging voor een zendinrichting als bedoeld in het eerste lid of met be­trekking tot een aanvullende frequentie als bedoeld in het derde lid, kan worden gedifferentieerd naar de bandbreedte, indien deze meer bedraagt dan 64 of 56 K/bits voor digitale zendinrichtingen en één kanaal voor analoge zendinrichtingen. De Directeur bepaalt de maximale bandbreedte. Hij houdt daarbij zoveel mogelijk reke­ning met de aanvraag.

 

§ 4. Algemene verplichtingen

 

Artikel 15

  1. Bij elke zend- of ontvanginrichting waarvoor ingevolge dit besluit een machtiging is vereist, dient de beschik­king of een namens de Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aan­wezig te zijn.
  2. De desbetreffende zend- of ontvanginrichting dient van het type te zijn dat in de beschikking is vermeld.
  3. Alle aan de machtiginghouder ter zake van diens machtiging ver­strekte bescheiden blijven eigendom van de rechtspersoon het Land Curaçao.

 

Artikel 16

Het is de machtiginghouder verboden de zend- of ontvanginrichting te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de machtiging is verleend.

 

§ 5. Registratie

 

Artikel 17

  1. De Directeur houdt een register van alle verleende machtigin­gen. Daarin worden in ieder geval vermeld:
    a. de naam en het adres van de houder van de machtiging;
    b. de aard van de machtiging;
    c. het soort zend- of ontvanginrichting waarvoor de machti­ging is afgegeven.
  2. Indien de machtiginghouder zulks wenst, wordt hem een bewijs van registratie in het register verstrekt. Een dergelijk registratie­bewijs wordt slechts verstrekt nadat de vergoedin­gen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, zijn betaald en is één jaar geldig.

 

Hoofdstuk 3
Algemene bepalingen voor zendinrichtingen

 

§ 1. Technische eisen

 

Artikel 18

  1. De Minister stelt per categorie zendinrich­tingen techni­sche eisen vast waaraan zendinrichtingen voor gebruik in het etherverkeer dienen te voldoen.
  2. De ingevolge het eerste lid te stellen techni­sche eisen voor zend­inrichtingen strekken ten dienste van:
    a. de waarborg van het regelmatig verloop van het etherver­keer;
    b. het voorkomen van storingen door zendin­richtin­gen in andere elektrische en elektronische inrichtingen;
    c. bestand zijn van zendinrichtingen tegen storin­gen van ande­re elektrische en elektronische inrichtingen.
  3. De ingevolge het eerste lid te stellen techni­sche eisen voor zend­inrichtingen bevatten tevens de methoden voor het testen van zend­inrichtingen op conformi­teit met de gestelde techni­sche eisen.
  4. De invoer van zendinrichtingen, bestemd voor gebruik in Curaçao, die niet voldoen aan de in het eerste lid bedoel­de techni­sche eisen is verboden.
  5. Het vierde lid is niet van toepassing op zendin­richtingen die voor een periode van ten hoogste drie maanden wor­den ingevoerd als deel van de persoonlijke bezittingen van de gebruiker. Indien deze zendinrichtingen storing veroorzaken dan wel van deze zendinrich­tingen ongeoorloofd gebruik wordt gemaakt, kan het gebruik van deze zendinrich­tingen worden verboden. Zo nodig wordt de zendinrichting door een toezichthoudende ambtenaar in beslag genomen en bewaard tot het tijdstip van vertrek. De kosten verbonden aan de inbeslagneming en de bewaring komen ten laste van de gebrui­ker.

 

§ 2. Erkenning van testinstellingen

 

Artikel 19

  1. Ten behoeve van het testen van zendinrichtingen op conformi­teit aan de technische eisen kan de Minister testinstellin­gen erken­nen.
  2. De Minister erkent een testinstelling indien deze:
    a. volledige rechtspersoonlijkheid bezit;
    b. voldoet aan door de Minister te stellen eisen van onafhan­ke­lijkheid, interne organisatie, procedures, deskundig­heid­ en technische middelen ten behoeve van het testen van zendinrichtingen zoals opgenomen in een document uitge­geven door een des­kundige nationale of internationale instel­ling.
  3. De Minister kan de erkenning van een instelling intrekken indien die instelling niet meer voldoet aan de in het tweede lid voor het verlenen van die erkenning opgenomen eisen.
  4. Een erkenning of intrekking daarvan wordt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst bekend gemaakt.

 

Artikel 20

Een aanvraag om erkenning als bedoeld in artikel 18, eerste lid, wordt schriftelijk ingediend bij het Bureau Telecommunicatie en Post met gebruikma­king van een bij dit bureau verkrijgbaar for­mulier.

 

§ 3. Verklaring van conformiteit

 

Artikel 21

  1. Indien een krachtens artikel 19, eerste lid, erkende tes­tinstel­ling, een zendinrichting ten behoeve van de toelating heeft getest op conformiteit met de daarvoor gestelde technische eisen en op basis van de resultaten van die test tot de bevinding is gekomen dat die zendinrichting voldoet aan de gestelde eisen, geeft de testinstelling ten bewijze daarvan een verklaring van confor­miteit af.
  2. In een verklaring van conformiteit wordt in elk geval opgenomen:
    a. de identificatie van degene op wiens naam de verkla­ring is opgesteld;
    b. de identificatie van de desbetreffende zendin­richtin­g;
    c. de vermelding van de technische specifica­ties op basis waarvan de test is uitgevoerd;
    d. de identificatie van het testrapport.
  3. Bij een verklaring van conformiteit zijn in elk geval gevoegd:
    a. een bijlage met daarin een volledig tech­nische om­schrijving van de desbetreffende zendinrichting;
    b. een bijlage bestaande uit een gewaarmerkt exem­plaar van het testrapport.
  4. Een verklaring van conformiteit wordt opgesteld overeenkom­stig een door de Minister vastgesteld model. De verklaring en de bijbeho­rende bijlagen zijn in de Nederlandse of Engelse taal gesteld.
  5. De Minister kan bepalen dat een zendinrichting van een bepaald model of type voldoet aan de gestelde technische eisen indien deze is voorzien van een in een ander land, overeenkomstig de aldaar geldende regels, afgegeven ver­klaring van conformiteit van een in dat land erkende testinstelling.

 

§ 4. Toelating van zendinrichtingen

 

Artikel 22

  1. Het is verboden een zendinrichting die niet door de Minister is toegelaten te installeren, aanwezig te hebben of te gebruiken.
  2. De aanvraag om toelating van een zendinrichting wordt door een direct belanghebbende schriftelijk ingediend bij het Bureau Tele­communicatie en Post met gebruikmaking van een bij dit bureau verkrijg­baar formulier.
  3. Gelijktijdig met de indiening van de aanvraag om toelating van een zendinrichting moet daarbij als bijlage worden overgelegd de over­eenkomstig artikel 21 afgegeven verklaring van conformiteit met bijbehorende bijlagen voor die zendin­richting. De aanvraag en de bijbehorende stukken zijn in de Nederlandse of de Engelse taal gesteld.
  4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op zendin­richtingen die met het oog op het gebruik voor een periode van ten hoogste drie maanden wor­den ingevoerd als deel van de persoonlijke bezittingen van de gebruiker.

Artikel 23

  1. De verlening van de toelating geschiedt door afgifte van een verklaring van toelating waarin verder in elk geval zijn opgenomen:
    a. de identificatie van degene op wiens naam de verklaring is gesteld;
    b. de identificatie van de zendinrichtingen waarvoor de verklaring is afgegeven;
    c. de identificatie van de verklaring van confor¬miteit welke bij de aanvraag om toelating zijn overgelegd.
  2. Een verklaring van toelating wordt opgesteld volgens een door de Minister vastgesteld model.
  3. Bij elke toegelaten zendinrichting dient steeds de verklaring van toelating of een namens de Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig te zijn.
  4. De afgegeven verklaringen van toelating worden vanwege de Minister geregistreerd volgens door de Minister te stellen regels.

 

Artikel 24

Een verklaring van toelating mag slechts worden geweigerd:
a. indien bij de aanvraag niet zijn overgelegd de vereiste verkla­ring van conformiteit en de ove­rige vereiste bescheiden en gegevens;
b. indien de zendinrichting niet voldoet aan de krachtens artikel 18, eerste lid, gestelde technische eisen;
c. ten aanzien van zendinrichtingen bestemd voor gebruik als randap­paratuur, indien daarvoor een verklaring van toelating als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Besluit randap­paratuur wordt geweigerd.

 

Artikel 25

Een verklaring van toelating mag slechts worden ingetrokken indien is gebleken dat het type zendinrichting waarvoor een verklaring van toelating is afgegeven:
a. in betekenende mate afwijkt van de bij de aanvraag van toelating overgelegde verklaring van conformiteit en de overige vereiste bescheiden en gegevens;
b. niet of niet meer voldoet aan de krachtens artikel 18, eerste lid, gestelde eisen.

 

§ 5. Storingen en behandeling van storingsklachten

 

Artikel 26

Toewijzing van radiofrequenties voor zendinrichtin­gen als bedoeld in de hoofdstukken 4 en 5 geeft geen aanspraak op een exclusief en storingvrij gebruik daarvan.

 

Artikel 27

  1. Bij de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van een zendin­richting mag geen storing of belemmering worden veroor­zaakt in andere zendinrichtingen, ontvanginrichtingen en overige elektri­sche of elektronische inrichtingen.
  2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de inrichting welke storing of belemmering ondervindt niet voldoet hetzij aan bij of krachtens de landsverordening dan wel bij of krachtens enige andere landsverordening ter zake gestelde techni­sche eisen hetzij aan door de Minister te stellen redelijke tech­nische eisen.

 

Artikel 28

  1. De door de Minister ingevolge artikel 33, eerste lid, van de landsverordening te geven aanwijzingen tot het voorkomen en ophef­fen van storingen en belemmeringen kunnen betreffen:
    a. de verplichting voor de houder om de nodige voorzie­ningen te treffen aan de zendinrichting; en
    b. de verplichting om met onmiddellijke ingang het gebruik van de zendinrichting te staken.
  2. Deze aanwijzingen worden schriftelijk gegeven maar kunnen in af­wijking daarvan in dringende gevallen door een toezichthou­dende ambtenaar mondeling worden gegeven, in welk geval zij binnen drie weken schriftelijk dienen te worden bevestigd.
  3. Aan de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde verplich­ting dient door de houder te worden voldaan binnen zes weken nadat de aanwij­zing is gegeven.

 

Artikel 29

  1. Indien een krachtens artikel 28, eerste lid, gegeven aanwij­zing tot het treffen van voorzieningen aan een inrichting niet binnen zes weken is opgevolgd, kan een toezichthoudende ambtenaar deze voorzieningen treffen of doen treffen, doch slechts na vooraf­gaan­de schriftelijke waarschuwing.
  2. De bij een krachtens artikel 28, eerste lid, gegeven aanwij­zing opgelegde verplichting om het gebruik van een zendinrich­ting te staken, wordt opgeheven nadat een toezichthoudende ambtenaar heeft vastgesteld, dat de in die aanwijzing bevolen voorzieningen zijn getroffen dan wel geen storing of belemme­ring meer wordt veroor­zaakt.

 

Artikel 30

  1. Klachten over storingen of belemmeringen door zendin­richtingen in andere zendinrichtingen, ontvanginrichtingen of overige elektri­sche of elektronische inrichtingen worden behandeld overeenkom­stig door de Minister te stellen regels.
  2. Van behandeling van klachten kan worden afge­zien indien de inrich­ting welke storing of belemmering ondervindt niet voldoet, hetzij aan bij of krachtens de landsverordening dan wel bij of krachtens enige andere landsverordening ter zake gestelde techni­sche eisen, hetzij aan door de Minister te stellen redelijke technische eisen.
  3. Van behandeling van klachten kan eveneens worden afgezien indien de klager onvoldoende medewerking verleent.
  4. De klager is een door de Minister te bepalen vergoeding verschul­digd voor de behandeling van de klacht. Deze vergoeding is niet verschuldigd indien de houder van de zendinrichting die storing of belem­mering ver­oorzaakt, een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid is opgelegd.
  5. Aan de houder van de zendinrichting die storing of belem­mering ver­oorzaakt, kan een vergoeding bedoeld in artikel 31, onderdeel c, van de landsverordening in rekening worden gebracht die binnen een ter­mijn van zes weken na dagtekening dient te worden voldaan.

 

§ 6. Verboden voor ondernemers ter zake
van zendinrichtingen

 

Artikel 31

Het is een ondernemer verboden zendinrichtingen die krachtens artikel 18, eerste lid, dienen te voldoen aan door de Minister gestelde tech­nische eisen, in Curaçao af te leveren, te verhuren of op andere wijze ter be­schik­king te stellen, indien deze zendinrichtingen niet voldoen aan de gestelde technische eisen.

 

Artikel 32

  1. Het is verboden in Curaçao handelsreclame te maken of te doen maken voor zendinrichtingen die niet zijn toegela­ten.
  2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door de Minister aan te wijzen categorieën van zendinrichtingen.

 

Hoofdstuk 4
Zendinrichtingen waarover een machtiging is vereist

 

§ 1. Machtiging

 

Artikel 33

  1. De Minister wijst aan de hand van het doel waarvoor zendinrich­tin­gen mogen worden gebruikt categorieën zendin­richtingen aan, waar­voor een machtiging is vereist.
  2. Ter voldoening aan de voor het Land Curaçao bindende verdragen en beslui­ten van volkenrechtelijke organisaties dan wel in het belang van het regelmatig ver­loop van het etherverkeer stelt de Minister per categorie zendinrichtingen eisen waaraan de aanvrager van een machtiging dient te voldoen om in aanmerking te komen voor een machtiging. Deze eisen kunnen inhouden het vereiste:
    a. dat de aanvrager een bepaalde leeftijd bezit;
    b. dat de aanvrager met goed gevolg een voor het gebruik van de categorie zendinrichting vereis­te examen heeft afge­legd;
    c. dat de aanvrager in het bezit is van een certi­ficaat van bedie­ning;
    d. dat de aanvrager een redelijk belang heeft bij de gevraag­de machtiging;
    e. dat de statutaire doelomschrijving van een rechtsper­soon in overeenstemming is met het doel waarvoor de machtiging wordt aangevraagd;
    f. dat het ledental en de samenstelling van een vereni­ging, in verband met het doel waarvoor een machtiging is aange­vraagd, voldoende representatief is voor de door de vereni­ging te be­hartigen belangen;
    g. dat een ondernemer als zodanig is ingeschreven in het handels­register van de Kamer van Koophandel en Nijverheid.

 

Artikel 34

  1. Een machtiging wordt verleend voor ten hoogste tien jaren.
  2. De aan een machtiging te verbinden voorschriften kunnen betrek­king hebben op:
    a. de aard en de hoedanigheid van de zendinrich­ting die de mach­tiginghouder mag aanleggen, aanwezig hebben, gebrui­ken of ex­ploiteren;
    b. de tot de zendinrichting behorende antenne-inrichting;
    c. het zendvermogen van de zendinrichting;
    d. de plaats waar en de wijze waarop de zendinrich­ting wordt geïnstalleerd;
    e. de frequenties en de bandbreedte die mogen worden gebezigd bij het uit­zenden alsmede het gebruik daarvan;
    f. het treffen van maatregelen ter voorkoming en ophef­fing van storing;
    g. de aard, de hoedanigheid en het gebruik van de ont­vangin­rich­ting, die met de zendinrichting één gebruiksgeheel vormt;
    h. het doel waarvoor de zendinrichting mag worden ge­bruikt;
    i. de tijdstippen waarop en de plaatsen waar de zendin­rich­ting mag worden gebruikt;
    j. de bediening en het gebruik van de zendinrich­ting;
    k. de toegestane radiocommunicatieverbindingen;
    l. de bescherming van informatie door middel van techni­sche voor­zieningen;
    m. een of meer bescheiden die bij de zendinrich­ting aanwezig beho­ren te zijn;
    n. de registratie en de plaats van opslag van de zendinrich­ting;
    o. het verstrekken van gegevens omtrent de machti­ginghou­der, de zendinrichting, alsmede de ontvanginrichting die met de zendinrichting één gebruiksgeheel vormt, welke voor de uitvoe­ring van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels noodzakelijk zijn.
  3. Indien het beheer van het frequentiespectrum zulks met zich mee­brengt, kan de Minister de, overeenkomstig het tweede lid, onder­deel e, in de machtiging toe­ge­kende frequenties alsmede de band­breedte wijzigen. De Minister bepaalt bij een zodanige wijziging wie de kosten draagt die aan een dergelijke wijziging zijn verbon­den.
  4. De machtiging voor een zendinrichting die is toegelaten, kan wor­den ingetrokken indien de mechani­sche, elektrische of elektro­ni­sche uitvoering van die zendinrichting niet overeen­stemt met het model of type waarvoor de verklaring van toelating is afgegeven.

 

Artikel 35

Onverminderd het bepaalde in artikel 34, tweede lid, kunnen aan een machti­ging voor de aanleg of voor het aanwezig hebben mede voor­schriften worden verbonden inzake de na verkoop of tijdens ver­huur te verle­nen nazorg.

 

Artikel 36

  1. De Minister kan bepalen dat een ondernemer aan wie machti­ging voor het aanwezig hebben van zendinrichtingen is verleend, verplicht is een register te houden van de door hem vervaardig­de, ontvangen en afgeleverde inrichtingen van door de Minister aangegeven klassen.
  2. Het register genoemd in het eerste lid dient te worden ingericht overeenkomstig een door de Minister vast te stellen model.
  3. Het register bevat in ieder geval de navolgende gegevens:
    a. de naam, het adres en de woonplaats zowel van degene van wie de zendinrichtingen zijn ontvangen als van degene aan wie de zend­inrichtingen zijn afgeleverd;
    b. het nummer van de machtiging dat voor de desbe­treffen­de zendinrichtingen is verleend;
    c. de datum van productie of ontvangst alsmede de afleve­ring van de zendinrichtingen;
    d. het fabricaat, de typeaanduiding en het serie­nummer van de zendin­richting;
    e. in geval van in-, door-, of uitvoer van zendin­richtin­gen tevens het soort en nummer van de desbetreffende douanedo­cu­menten.
  4. De gegevens, welke in het register zijn opgeno­men, dienen tenmin­ste drie jaren te worden bewaard.

 

Artikel 37

Een ondernemer aan wie machtiging voor het aanwezig hebben is ver­leend, mag de door de Minister aan te wijzen klassen van zendin­rich­tingen uitsluitend op een niet voor het publiek toegan­kelijke plaats aanwezig hebben. De Minister kan ter zake nadere regels stellen.

 

§ 2. Technische keuring

 

Artikel 38

  1. Een zendinrichting mag niet in bedrijf worden genomen alvorens deze door of namens de Minister is goedgekeurd. De verlening van de goedkeuring geschiedt door afgifte van een bewijs van goed­keu­ring waarin in elk geval zijn opgenomen:
    a. de identificatie van de houder van de concessie, machti­ging, aanvullende machtiging of ontheffing, op wiens naam het bewijs is gesteld;
    b. de identificatie van de inrichting waarvoor het bewijs is afge­geven;
    c. de omschrijving van de apparatuur die deel uitmaakt van de zendin­richting;
    d. de instel-technische parameters van de apparatuur die deel uitmaakt van de zendinrichting;
    e. de kwaliteit van de signalen die door de zendinrich­ting worden uitgezon­den.
  2. Om in aanmerking te komen voor een bewijs van goedkeuring dient bij de keuring de machtiginghouder ten genoegen van de toezicht­houdende ambtenaar aan te tonen dat de inrichting aan de bij of krachtens dit landsbesluit gestelde eisen en aan andere van toe­passing zijnde wettelijke of inter­nationale voorschriften voldoet.
  3. Een bewijs van goedkeuring wordt opgesteld volgens een door de Minister vastgesteld model.
  4. Bij elke goedgekeurde zendinrichting dient steeds het bewijs van goedkeuring of een namens de Minister gewaarmerkt afschrift daar­van aanwezig te zijn.
  5. De afgegeven bewijzen van goedkeuring worden vanwege de Minister geregistreerd volgens door deze te stellen regels.
  6. Het bewijs van goedkeuring voor een zendin­richting als bedoeld in het eerste lid vervalt:
    a. vijf jaren na de datum van zijn uitreiking of zoveel eerder als de concessie, machtiging, aanvullende machti­ging of onthef­fing vervalt of wordt ingetrokken;
    b. indien wijzigingen worden aangebracht in de zendinrich­ting;
    c. indien de toezichthoudende ambtenaar constateert dat de zend­in­richting niet of niet meer voldoet aan de gestelde techni­sche eisen.
  7. Het bepaalde in het zesde lid, aanhef en onderdelen b en c, vindt eerst toepassing na zes weken ten einde de houder van de conces­sie, machti­ging, aanvullende machtiging of ontheffing in de gele­genheid te stellen de nodige acties te ondernemen opdat binnen die periode de afgifte van een nieuw bewijs van goed­keuring kan plaatsvinden. Indien aan deze bepaling niet wordt voldaan dan dient het gebruik van de zendinrichting te worden gestaakt tot­dat voldaan is aan het gestelde in het eerste lid van dit arti­kel.
  8. Indien naar het oordeel van de Directeur de in het zevende lid genoemde periode van zes weken te kort is, kan hij deze zodanig verlengen dat de betrokkene alsnog een redelijke termijn wordt gegund om de in het vijfde lid bedoelde acties te ondernemen.

§ 3. Verzegeling

 

Artikel 39

Indien de zendinrichting niet langer voldoet aan de technische eisen gesteld krachtens artikel 18, eerste lid, kan een toezicht­houdende ambtenaar de zendinrichting verzegelen totdat de machtiging­houder deze weer in overeenstemming heeft gebracht met even bedoelde technische eisen. De kosten van de verzegeling komen ten laste van de machtiginghouder.

 

§ 4. Roepletters

 

Artikel 40

  1. In het belang van het interinsulaire en internationale telecommu­nicatieverkeer geeft de Minister bij het verlenen van de machti­ging met het oog op de identificatie van een zendin­richting roep­letters uit. Hieraan kunnen door de Minister kosten worden verbonden.
  2. Op verzoek van een belanghebbende kan de Directeur in bijzonde­re gevallen speciale roepletters uitgeven voor een bij die uitgifte nader omschreven termijn. De tweede volzin van het eerste lid is van toepassing.

 

§ 5. Installeren van zendinrichtingen

 

Artikel 41

  1. Degene die zendinrichtingen installeert dan wel diegene die onmid­dellijke leiding geeft aan de uitoefening van een bedrijf voor het installeren van zendinrichtingen dient in het bezit te zijn van:
    a. een door de Minister te bepalen diploma van een universi­teit of hogeschool;
    b. een door de Minister te bepalen diploma van een instelling van lager beroepsonderwijs, of
    c. een diploma van een door de Minister erkende vakopleiding voor het installeren van zendinrichtingen.
  2. De Minister kan met een diploma als bedoeld in het eerste lid gelijkstellen het diploma van een opleiding van een ander land, indien dat diploma ten aanzien van eisen van vakbekwaam­heid voor het installeren van zendinrichtingen naar diens oordeel gelijkwaardig is aan een diploma als bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 42

  1. De erkenning van een vakopleiding als bedoeld in artikel 41, eer­ste lid, onderdeel c, geschiedt op aanvraag van een door de Minis­ter als representatief erkende beroeps- of bedrijfsorganisa­tie, werkzaam of mede werkzaam op het gebied van het installeren van zendinrichtingen.
  2. De erkenning van een vakopleiding wordt verleend, indien deze naar het oordeel van de Minister:
    a. waarborg biedt voor opleiding tot een voldoende niveau van vakbekwaamheid;
    b. met voldoende periodiciteit wordt gegeven;
    c. de mogelijkheid tot periodieke bijscholing biedt.

 

§ 6. Waarschuwing, zendverbod, administratieve boete
en in­trekking van een machtiging

 

Artikel 43

  1. Tot toepassing van de artikelen 15, achtste lid, onderdeel a, en 33, tweede lid, onderdelen a en c, van de landsverordening, wordt ten aanzien van de zendinrichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 van dit landsbesluit slechts overgegaan nadat de machtiginghouder aan een ter zake gegeven schriftelijke waarschu­wing geen gevolg heeft gegeven dan wel geen gebruik heeft gemaakt van de hem gedurende een periode van ten minste drie weken geboden gelegen­heid om als­nog aan de bij of krachtens de landsverordening gestelde regels dan wel aan de voorschriften of beperkingen die zijn verbonden aan de machtiging, te voldoen.
  2. Bij ernstige overtreding van de regels of van de voor­schriften kan onmiddellijk een zendverbod worden opgelegd of de machti­ging wor­den ingetrokken.
  3. Het besluit tot het opleggen van een administratieve boete, een zendverbod of het intrekken van de machtiging wordt de machti­ging­houder schriftelijk medegedeeld.

 

§ 7. Vrijstelling van een machtiging

 

Artikel 44

  1. De Minister kan bepalen dat niet-ingezetenen van het land Curaçao die tijdelijk hier te lande verblijven met inachtne­ming van door hem te stellen regels gedurende ten hoogste één jaar zijn vrijgesteld van een machtiging voor daarbij aan te geven categorieën van zendinrichtingen, voor zover deze personen bevoegd zijn in het land van herkomst deze zendinrich­tingen aan te leggen, aanwezig te hebben en te gebruiken.
  2. De vrijstelling van een machtiging, bedoeld in het eerste lid, kan worden beperkt tot de aanleg en het aanwezig hebben van bedoelde zendinrichtingen.

 

Artikel 45

De Minister kan overheidsinstanties die belast zijn met de uitvoe­ring van artikel 15 van de landsverordening, met inachtneming van door hem te stellen regels, vrijstelling van een machtiging voor zendinrich­tingen verlenen.

 

Artikel 46

De ondernemer is vrijgesteld van een machtiging voor zendinrich­tingen van een toegelaten type welke behoren tot de door de Minister inge­volge artikel 48 aangewezen categorieën vrijetijds­toepassingen en welke uitsluitend kunnen worden gebruikt op de daarvoor aangewe­zen frequenties.

 

Artikel 47

Degenen die het vervoer van goederen als beroep of bedrijf uitoefent is ten behoeve van het vervoer vrijgesteld van een machti­ging bij de landsverordening vereist voor het aanwezig hebben van zendinrich­tingen, voor zover deze deugdelijk zijn verpakt en de naam, het adres en de woonplaats van de afzender en geadresseerde daarbij zijn ver­meld.

 

Hoofdstuk 5
Zendinrichtingen waarvoor geen machtiging is vereist

 

Artikel 48

  1. Geen machtiging is vereist voor door de Minister aan te wijzen categorieën zendinrichtingen welke door de aard van de toepas­sing alsmede de technische constructie geen of vrijwel geen storing of belemmering kunnen veroorzaken in zendinrich­tingen, ontvangin­rich­tingen en overige elektrische of elektronische inrichtingen.
  2. Zendinrichtingen die behoren tot in het eerste lid bedoelde cate­gorieën zendinrichtingen mogen slechts gebruik maken van de voor die zendinrichtingen door de Minister aangewezen frequenties. De Minister kan voorts regels geven met betrekking tot het ge­bruik van dergelij­ke zendinrichtin­gen.
  3. Voor de aanwijzing van frequenties als bedoeld in het tweede lid alsmede met het oog op de controle op de naleving van de aldaar bedoelde regels, kan de Minister een vergoeding vragen van de gebruikers. Deze wordt geheven door tussenkomst van de leveran­cier van de in dit artikel bedoelde zendinrichtingen.

 

Artikel 49

In afwijking van het bepaalde in artikel 48 is voor de krachtens dat artikel aangewezen zendinrichtingen een machtiging vereist indien de mechanische, elektrische of elektronische uitvoering van deze zendin­richtingen niet of niet meer in overeenstemming is met het model of het type waarvoor een verklaring van toelating is afgege­ven.

 

Hoofdstuk 6
Algemene bepalingen voor ontvanginrichtingen

 

§ 1. Verbod van gebruik van informatie

 

Artikel 50

Ter bescherming van de rechten van derden is het een ieder verboden van niet of niet mede voor hem bestemde informatie, opgevangen door middel van een ontvanginrichting, aantekening te houden of deze op enige wijze te gebruiken dan wel de inhoud, de strekking of het bestaan ervan bekend te maken of te laten worden, behoudens ingeval de veiligheid van het Koninkrijk, het land Curaçao of de openbare orde in het geding is dan wel een vermoeden bestaat van een strafbaar feit of een voornemen daartoe.

 

§ 2. Technische eisen

 

Artikel 51

  1. De Minister kan technische eisen stellen waaraan ontvanginrichtingen voor gebruik in het etherverkeer dienen te voldoen.
  2. De met toepassing van het eerste lid te stellen technische eisen voor ontvanginrichtingen mogen slechts strekken ten dienste van:
    a. de waarborging van het regelmatig verloop van het etherverkeer;
    b. 1. het voorkomen van storingen door ontvanginrichtingen in andere
    elektrische en elektronische inrichtingen;
    2. het bestand zijn van ontvanginrichtingen tegen storingen van andere
    elektrische en elektronische inrichtingen.
  3. De ingevolge het eerste lid te stellen technische eisen voor ont¬vanginrichtingen bevatten tevens de methoden voor het testen van ontvanginrichtingen op conformiteit met de gestelde technische eisen.
  4. De invoer van ontvanginrichtingen die niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde technische eisen is verboden.

 

§ 3. Erkenning van testinstellingen

 

Artikel 52

  1. Ten behoeve van het testen van ontvanginrichtingen op conformi­teit aan de technische eisen kan de Minister testin­stellin­gen erkennen.
  2. De Minister erkent een testinstelling indien deze:
    a. volledige rechtspersoonlijkheid bezit;
    b. voldoet aan door de Minister te stellen eisen van onafhan­ke­lijkheid, interne organisatie, procedures, deskundig­heid­ en technische middelen ten behoeve van het testen van randapparatuur zoals opgenomen in een document uitge­geven door een des­kundige nationale of internationale instel­ling.
  3. De Minister kan de erkenning van een instelling intrekken indien die instelling niet meer voldoet aan de in het tweede lid voor het verlenen van die erkenning opgenomen eisen.
  4. Een erkenning of intrekking daarvan wordt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst bekend gemaakt.

 

Artikel 53

Een aanvraag om erkenning als bedoeld in artikel 52, eerste lid, wordt schriftelijk ingediend bij het Bureau Telecommunicatie en Post met gebruikma­king van een bij dit bureau verkrijgbaar for­mulier.

 

§ 4. Verklaring van conformiteit

 

Artikel 54

  1. Indien een krachtens artikel 52, eerste lid, erkende test­instel­ling, een ontvanginrichting ten behoeve van de toelating heeft getest op conformiteit met de daarvoor gestelde techni­sche eisen en op basis van de resultaten van die test tot de bevinding is gekomen dat die ontvanginrichting voldoet aan de gestelde eisen, geeft de testinstelling ten bewijze daarvan een verklaring van conformiteit af.
  2. In een verklaring van conformiteit wordt in elk geval opgeno­men:
    a. de identificatie van degene op wiens naam de verkla­ring is opgesteld;
    b. de identificatie van de desbetreffende ontvangin­richtin­g;
    c. de vermelding van de technische specifica­ties op basis waarvan de test is uitgevoerd;
    d. de identificatie van het testrapport.
  3. Bij een verklaring van conformiteit zijn in elk geval gevoegd:
    a. een bijlage met daarin een volledig tech­nische om­schrijving van de desbetreffende ontvanginrichting;
    b. een bijlage bestaande uit een gewaarmerkt exem­plaar van het testrapport.
  4. Een verklaring van conformiteit wordt opgesteld overeenkom­stig een door de Minister vastgesteld model. De verklaring en de bijbeho­rende bijlagen zijn in de Nederlandse of Engelse taal gesteld.
  5. De Minister kan bepalen dat een ontvanginrichting van een bepaald model of type voldoet aan de gestelde technische eisen indien deze is voorzien van een in een ander land, overeenkom­stig de aldaar geldende regels, afgegeven ver­klaring van conformiteit van een in dat land erkende testinstelling.

 

§ 5. De toelating van ontvanginrichtingen

 

Artikel 55

  1. Het is verboden een ontvanginrichting die niet door de Minister is toegelaten te installeren.
  2. De aanvraag om toelating van ontvanginrichtingen wordt door een direct belanghebbende schriftelijk ingediend bij het Bureau Tele­communicatie en Post met gebruikmaking van een bij dit bureau verkrijg­baar formulier.
  3. Gelijktijdig met de indiening van de aanvraag om toelating van de ontvanginrichtingen moet daarbij als bijlage worden over­gelegd de overeenkomstig artikel 54, eerste lid, afgegeven verklaring van confor­miteit met bijbehorende bijlagen voor die zendinrichtingen. De aanvraag en de bijbehorende stukken zijn in de Nederlandse of de Engelse taal gesteld.

 

Artikel 56

  1. De verlening van de toelating geschiedt door afgifte van een ver­klaring van toelating waarin verder in elk geval zijn opgenomen:
    a. de identificatie van degene op wiens naam de verklaring is gesteld;
    b. de identificatie van de ontvanginrichtingen waarvoor de verkla­ring is afgegeven;
    c. de identificatie van de verklaring van confor­miteit welke bij de aanvraag om toelating zijn overgelegd.
  2. Een verklaring van toelating wordt opgesteld volgens een door de Minister vastgesteld model.
  3. Bij elke toegelaten ontvanginrichting dient de verklaring van toelating of een gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig te zijn.
  4. De afgegeven verklaringen van toelating worden vanwege de Minister geregistreerd volgens door de Minister te stellen regels.

 

Artikel 57

Een verklaring van toelating mag slechts worden geweigerd:
a. indien bij de aanvraag niet zijn overgelegd de vereiste verkla­ring van conformiteit en de ove­rige vereiste bescheiden en gegevens;
b. indien de ontvanginrichting niet voldoet aan de krachtens artikel 51, eerste lid, gestelde technische eisen;
c. ten aanzien van ontvanginrichtingen bestemd voor gebruik als rand­apparatuur, indien daarvoor een verklaring van toelating als be­doeld in artikel 8, eerste lid, van het Besluit randap­paratuur wordt geweigerd.

 

Artikel 58

Een verklaring van toelating mag slechts worden ingetrokken indien is gebleken dat het type ontvanginrichting waarvoor een verklaring van toelating is afgegeven:
a. in betekenende mate afwijkt van de bij de aanvraag van toelating overgelegde verklaring van conformiteit en de overige vereiste bescheiden en gegevens;
b. niet of niet meer voldoet aan de krachtens artikel 51, eerste lid, gestelde eisen.

 

§ 6. Verbod voor ondernemers ter zake van verhandelen van ontvanginrichtingen

 

Artikel 59

Het is de ondernemer verboden ontvanginrichtingen die krachtens artikel 51 dienen te voldoen aan door de Minister gestelde techni­sche eisen, in Curaçao af te leveren, te verhuren of op andere wijze ter beschik­king te stellen, indien deze ontvangin­rich­tingen niet voldoen aan de gestelde technische eisen.

 

§ 7. Storingen en behandeling van storingsklachten

 

Artikel 60

De houder kan geen aanspraak maken op een storingvrije ontvangst van ethersignalen.

 

Artikel 61

  1. Bij de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van een ontvang­inrichting mag geen storing of belemmering worden veroor­zaakt in andere ontvanginrichtingen, zendinrichtingen en overige elek­tri­sche of elektronische inrichtin­gen.
  2. Het b­e­p­a­a­lde in het eerste lid is niet van toepassing indien de inrichting welke storing en belemmering ondervindt, niet voldoet hetzij aan bij of krachtens de landsverordening dan wel bij of krachtens enige andere landsverordening ter zake gestelde techni­sche eisen hetzij aan door de Minister te stellen redelijke tech­nische eisen.

 

Artikel 62

  1. De door de Minister ingevolge artikel 33, eerste lid, van de lands­verordening te geven aanwijzingen tot het voorkomen en ophef­fen van storingen en belemmeringen kunnen betreffen de verplich­ting voor de houder om binnen zes weken nadat de aanwij­zing is gegeven de nodige voorzieningen te treffen aan de ontvangin­rich­ting. Deze aanwijzingen worden schriftelijk gegeven maar kunnen in afwijking daarvan in dringende gevallen door een toezicht­houdende ambtenaar mondeling worden gegeven in welk geval zij binnen drie weken schriftelijk dienen te worden bevestigd.
  2. Indien een krachtens het eerste lid gegeven aanwijzing tot het treffen van voorzieningen aan een inrichting niet binnen zes weken zijn opgevolgd, kan een toezichthoudende ambtenaar deze voorzie­ningen, na voorafgaande schriftelijke waarschu­wing, treffen of doen treffen.

 

Artikel 63

Ten aanzien van de behandeling van klachten over storingen of belem­meringen door ontvanginrichtingen is het bepaalde in artikel 30 van overeenkomstige toepassing.

 

§ 8. Verzegeling

 

Artikel 64

Indien een ontvanginrichting niet langer voldoet aan de techni­sche eisen gesteld krachtens artikel 51, eerste lid, kan een toezicht­hou­dende ambtenaar de ontvanginrichting verzegelen totdat de machtiging­houder deze weer in overeenstemming heeft gebracht met even bedoelde technische eisen. De kosten van de verzegeling komen ten laste van de machtiginghouder.

 

Hoofdstuk 7
Ontvanginrichting waarvoor een machtiging is vereist

 

§ 1. Machtiging

 

Artikel 65

  1. Een machtiging van de Minister is vereist voor de aanleg, het aanwezig hebben, het gebruik of de exploitatie van ontvang­inrich­tingen die bestemd zijn voor de ontvangst van niet voor het pu­bliek bestemde, door middel van satellieten uitgezonden, gege­vens.
  2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op ontvang­inrichtingen uitsluitend bestemd voor de ontvangst van gegevens afkomstig van zendinrichtingen voor het doen van onderzoekingen.

 

Artikel 66

Een machtiging van de Minister is vereist voor ontvangin­richtin­gen die andere gegevens dan omroepprogramma’s, welke door middel van technische voorzieningen zijn beschermd, kunnen ontvangen en zodanig kunnen omzetten dat deze gegevens van de bescherming ontdaan, be­schikbaar komen.

 

Artikel 67

De Minister kan categorieën van ontvanginrichtingen aanwijzen waar­voor een machtiging als bedoeld in de artikelen 65 en 66 niet vereist is.

 

Artikel 68

Het bepaalde in de artikelen 33 tot en met 37 is van overeenkom­stige toepassing ten aanzien van ontvanginrichtingen waarvoor bij dit besluit een machtiging is vereist.

 

§ 2. Technische keuring

 

Artikel 69

  1. Een ontvanginrichting als bedoeld in dit hoofdstuk mag niet in bedrijf worden genomen alvorens deze door of namens de Minister is goedgekeurd. De verlening van de goedkeuring geschiedt door afgif­te van een bewijs van goed­keuring waarin in elk geval zijn opgeno­men:
    a. de identificatie van de houder van de concessie, machti­ging, aanvullende machtiging of ontheffing, op wiens naam het bewijs is gesteld;
    b. de identificatie van de inrichting waarvoor het bewijs is afge­geven;
    c. de apparatuur die deel uitmaakt van de ontvangin­richting;
    d. de instel-technische parameters van de apparatuur die deel uitmaakt van de ontvanginrichting.
  2. Om in aanmerking te komen voor een bewijs van goedkeuring dient bij de keuring de machtiginghouder of de houder van een onthef­fing ten genoegen van de toezicht­houdende ambtenaar aan te tonen dat de inrichting aan de bij of krachtens dit landsbesluit gestelde eisen en aan andere van toe­passing zijnde wettelijke of internationale voorschriften voldoet.
  3. Bij elke goedgekeurde ontvanginrichting dient steeds het bewijs van goedkeuring of een namens de Minister gewaarmerkt afschrift daarvan aanwezig te zijn.
  4. Het bewijs van goedkeuring voor een ontvangin­richting als bedoeld in het eerste lid vervalt:
    a. vijf jaren na de datum van zijn uitreiking of zoveel eerder als de concessie, machtiging, aanvullende machti­ging of onthef­fing vervalt of wordt ingetrokken;
    b. indien wijzigingen worden aangebracht in de ontvanginrich­ting;
    c. indien de toezichthoudende ambtenaar constateert dat de ont­vang­in­richting niet of niet meer voldoet aan de gestel­de tech­ni­sche eisen.
  5. Het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdelen b en c, vindt eerst toepassing na zes weken ten einde de houder van de conces­sie, machti­ging, aanvullende machtiging of ontheffing in de gele­genheid te stellen de nodige acties te ondernemen opdat binnen die periode de afgifte van een nieuw bewijs van goed­keuring kan plaatsvinden. Indien aan deze bepaling niet wordt voldaan dan dient het gebruik van de ontvanginrichting te worden gestaakt totdat voldaan is aan het ge­stelde in het eer­ste lid van dit arti­kel.

 

§ 3. Waarschuwing en administratieve boete, intrekking van de machtiging

 

Artikel 70

  1. Tot toepassing van de artikelen 15, vijfde lid, en 33, tweede lid, onderdeel c, van de landsverordening, wordt ten aanzien van ont­vangin­rich­tingen als bedoeld in dit hoofdstuk slechts overge­gaan nadat de machtiginghouder aan een ter zake gegeven schrifte­lijke waarschuwing geen gevolg heeft gegeven dan wel geen gebruik heeft gemaakt van de hem gedurende een periode van ten minste drie weken geboden gelegenheid om alsnog aan de regels, voor­schriften te voldoen.
  2. Het besluit tot het opleggen van een admini­stratieve boete of het intrekken van de machtiging wordt de machtiginghouder schrifte­lijk medegedeeld.

 

§ 4. Vrijstelling van een machtiging

 

Artikel 71

Degene die het vervoer van goederen als beroep of bedrijf uitoefent is ten behoeve van het vervoer vrijgesteld van een machtiging bij dit besluit vereist voor ontvanginrichtingen, voor zover deze deugdelijk zijn verpakt en de naam, het adres en de woonplaats van de afzender en de geadresseerde daarbij zijn vermeld.

 

Hoofdstuk 8
Strafbepalingen

 

Artikel 72

Het is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 35, vierde lid, van de landsverordening om:
a. het verbod te overtreden, omschreven in de artikelen 16, 18, vier­de lid, 22, eerste lid, 31, 32, eerste lid, 50, 51, vierde lid, 55, eerste lid, en 59;
b. de verplichting het gebruik van de zendinrichting te staken welke ingevolge het bepaalde in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, is opgelegd, niet na te leven;
c. indien geen machtiging is vereist op grond van artikel 48, eerste lid, andere frequenties te gebruiken dan die welke ingevolge het tweede lid van dat artikel door de Minister zijn aangewezen;
d. ontvanginrichtingen bedoeld in de artikelen 65 en 66 aan te leg­gen, aanwezig te hebben of te gebruiken zonder de bij die bepalin­gen gevorderde machtiging.

 

Hoofdstuk 10
Overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 73

Verklaringen van conformiteit die voor het tijdstip van in­werking­tre­ding van dit landsbesluit zijn afgegeven voor zend- of ontvangin­rich­tingen worden aan­gemerkt als een verklaring van conformiteit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderschei­den­lijk 54, eerste lid.

 

Artikel 74

Zendinrichtingen en ontvanginrichtingen die behoren tot een model of een type, die zijn toegelaten vóór het tijdstip van het in werking treden van dit landsbesluit worden aangemerkt als inrich­tin­gen die zijn toegelaten ingevolge artikel 22, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 55, eerste lid. In een zodanig geval wordt de vóór het tijd­stip van inwerkingtreding van dit landsbe­sluit verstrekte verklaring van toelating aangemerkt als een verklaring van toelating, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderscheidenlijk 56, eerste lid.

Artikel 75

Bewijzen van goedkeuring die voor het tijdstip van inwerkingtre­ding van dit landsbesluit zijn afgegeven voor zend- of ontvangin­richtin­gen worden aangemerkt als een bewijs van goedkeuring als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderscheidenlijk 69, eerste lid.

 

Artikel 76

In afwijking van het bepaalde in de artikelen 18, eerste lid, en 51, eerste lid, blijven de technische eisen die vóór 1 januari 1996 door de Landsradi­o-Telecom­municatiedienst Nederlandse Antillen werden gehan­teerd en die op het tijdstip van het in werking treden van dit lands­besluit door het Bureau Telecommunica­tie en Post worden gehanteerd, gelden tot het tijdstip waarop de Minis­ter ingevolge even genoemde artikelen nieuwe technische eisen heeft vast­gesteld.

 

Artikel 77

(vervallen)

 

Artikel 78

Dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt aangehaald als: Landsbesluit radio-elektri­sche inrichtingen.

Naar boven