Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten

Publicatienummer: P.B. 2022, no. 89
Categorie: Geconsolideerde Tekst
Ministerie: Sociale Ontwikkeling, Arbeid & Welzijn
Datum ondertekening: 31-05-2022
Datum inwerktreding: Nog niet bekend
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK XI Arbeid)


LANDSBESLUIT van de 31ste mei 2022, no. 22/817, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
n.v.t. n.v.t. n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2022, no. 89 (GT) n.v.t.

Artikel 1

In deze landsverordening wordt verstaan onder:

a. Directeur: de Sector-directeur Arbeid;
b. werknemer: de arbeider, bedoeld in artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek;
c. werkgever: de werkgever, bedoeld in artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek;
d. dringende reden
voor de werkgever: zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, welke ten gevolge hebben, dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de dienstbetrekking te laten voortduren.

Artikel 2

Deze landsverordening is niet van toepassing op de arbeidsovereenkomst van:
a. werknemers bij een publiekrechtelijk lichaam;
b. onderwijzend en docerend personeel, werkzaam bij onderwijsinrichtingen, staande onder beheer van een natuurlijk of rechtspersoon;
c. personen, die een geestelijk ambt bekleden;
d. werknemers, die uitsluitend of in hoofdzaak huishoudelijke of persoonlijke diensten in de huishouding van private personen verrichten;
e. directeuren van een vennootschap of een doelvermogen.

Artikel 2a

  1. Bij ministeriële regeling met algemene werking worden bedrijfstakken aangewezen ten aanzien waarvan voor de beëindiging van de binnen die bedrijfstakken aangegane arbeidsovereenkomsten de artikelen 3 en 4 van deze landsverordening, al dan niet voor een bepaalde tijd, niet van toepassing zijn.
  2. Een bedrijfstak, bedoeld in het eerste lid, dient te zijn een bedrijfstak, die naar de aard van de ondernemingsactiviteiten geclassificeerd kan worden in één van de volgende sectoren:
    a. bouw en reparatie van schepen;
    b. bouwnijverheid;
    c. hotels en restaurants;
    d. vervoer, opslag en communicatie;
    e. onroerend goed activiteiten;
    f. computer- en aanverwante activiteiten;
    g. industrie;
    h. openbare nutsbedrijven;
    i. groot- en kleinhandel, reparatie van motorvoertuigen en huishoudelijke producten;
    j. financiële dienstverlening;
    k. landbouw, jacht en bosbouw;
    l. visserij, viskwekerijen en aanverwante activiteiten;
    m. mijnbouw;
    n. internationale commerciële onderwijsinstituten.
  3. Bij ministeriële regeling met algemene werking worden bedrijven aangewezen ten aanzien waarvan voor de beëindiging van de bij die bedrijven aangegane arbeidsovereenkomsten de artikelen 3 en 4 van deze landsverordening, al dan niet voor een bepaalde tijd, niet van toepassing zijn.
  4. Een bedrijf, bedoeld in het derde lid, dient te zijn een bedrijf dat:
    a. naar de aard van de ondernemingsactiviteiten een sterk variërend arbeidsvolume heeft; of
    b. gevestigd is in een economische zone als bedoeld in de Landsverordening economische zones 2000 ; of
    c. door zijn vestiging in Curaçao bijdraagt aan verbreding van de economische basis of diversificatie van de economie van Curaçao, dan wel door zijn werkzaamheid na vestiging hier te lande een deviezengenerende werking zal hebben.
  5. Een bedrijf, waarop de artikelen 3 en 4 van deze landsverordening ingevolge een ministeriële regeling met algemene werking, bedoeld in het eerste of derde lid, niet van toepassing zijn, is verplicht de Directeur onverwijld schriftelijk in kennis te stellen van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst, waarvoor hij zonder evenbedoelde ministeriële regeling toestemming van die Directeur als bedoeld in artikel 4, nodig zou hebben.

Artikel 3

  1. Bij landsbesluit wordt een commissie benoemd die tot taak heeft de Directeur van advies te dienen met betrekking tot ieder bij hem ingediend verzoek om toestemming tot het beëindigen van een arbeidsovereenkomst.
  2. Elke commissie bestaat uit een voorzitter en tenminste vier overige leden, alsmede hun plaatsvervangers.
  3. De voorzitter en zijn plaatsvervanger mogen niet werkzaam zijn bij het Ministerie van Economische Ontwikkeling of het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn. Van de overige leden zomede van hun plaatsvervangers wordt de helft benoemd op voordracht van werkgeversorganisaties en de helft op voordracht van werknemersorganisaties.
  4. Een lid of plaatsvervangend lid van een commissie wordt ontslagen, indien de werkgevers- of werknemersorganisatie die de voordracht voor zijn benoeming heeft gedaan, dit verzoekt.
  5. De voorzitter en de leden van een commissie zijn verplicht tot geheimhouding van al hetgeen zij in hun hoedanigheid vernemen, voorzover mededeling daarvan niet bij of krachtens landsverordening is voorgeschreven.

Artikel 4

  1. Het is de werkgever verboden de arbeidsovereenkomst te beëindigen zonder toestemming van de Directeur dan wel in strijd met een voorwaarde waaronder de toestemming is gegeven.
  2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet:
    a. indien de beëindiging geschiedt om een dringende aan de werknemer onverwijld medegedeelde reden;
    b. indien de beëindiging geschiedt met wederzijds goedvinden;
    c. indien de beëindiging geschiedt tijdens de proeftijd;
    d. indien de opzegging geschiedt ten gevolge van het faillissement van de werkgever;
    e. indien de beëindiging betrekking heeft op een al dan niet voortgezette arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en die beëindiging plaatsvindt tegen de in die overeenkomst opgenomen einddatum, tenzij het een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd betreft, als bedoeld in artikel 1615e, zevende of achtste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
  3. De Directeur besluit binnen twee weken na ontvangst van het advies van de commissie, bedoeld in artikel 3, doch in ieder geval binnen zes weken na ontvangst van het verzoek om toestemming tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. In bijzondere gevallen kan de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn op verzoek van de Directeur bij met redenen omklede beschikking de termijn van zes weken verlengen tot ten hoogste twaalf weken.
  4. Het verzoek om toestemming tot het beëindigen van een arbeidsovereenkomst wordt gedaan door indiening van een ingevuld en ondertekend formulier bij de Directeur. Het model van dit formulier wordt vastgesteld door de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn en in het Publicatieblad bekend gemaakt. Het verzoek wordt geacht niet te zijn gedaan, zolang de in het formulier vereiste gegevens niet zijn verstrekt en de daarin vereiste bewijsstukken niet zijn overgelegd.

Artikel 5

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 4 dient een werkgever, zodra hij voornemens is binnen een termijn van drie maanden vijf en twintig werknemers of meer dan wel meer dan 25% van het aantal werknemers in een vestiging ener onderneming, voorzover dit percentage niet resulteert in vijf of minder werknemers, te ontslaan dit voornemen minstens twee maanden voor het beëindigen der arbeidsovereenkomst aan de Directeur te kennen te geven.
  2. Binnen acht dagen na de kennisgeving legt de werkgever aan de Directeur een afvloeiingsplan voor.
  3. De Directeur geeft zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van het afvloeiingsplan een schriftelijk oordeel ter zake. Artikel 4, derde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
  4. Het is de werkgever verboden een arbeidsovereenkomst te beëindigen, zolang de Directeur, met inachtneming van het derde lid, geen beoordeling heeft gegeven.

Artikel 6

Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere voorschrift worden gegeven ter uitvoering van de bepalingen van deze landsverordening.

Artikel 7

  1. Handelingen in strijd met de artikelen 4, eerste lid, en 5, vierde lid, zijn nietig.
  2. De werknemer kan deze nietigheid gedurende zes maanden inroepen.

Artikel 7a

  1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde zijn belast de daartoe bij landsbesluit aangewezen personen. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. De krachtens het eerste lid aangewezen personen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
    a. alle inlichtingen te vragen;
    b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
    c. goederen aan opneming en onderzoek te onderwerpen en deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
    d. alle plaatsen, met uitzondering van woningen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van door hen aangewezen personen.
  3. Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm.
  4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de krachtens het eerste lid aangewezen personen.
  5. Een ieder is verplicht aan de krachtens het eerste lid aangewezen personen alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.

Artikel 8

  1. Hij die handelt in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 2a, vijfde lid, artikel 4, eerste lid, of artikel 5 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
  2. De strafbare feiten bedoeld in het eerste lid worden beschouwd als overtredingen.

Artikel 8a

  1. Overtreding van het voorschrift gesteld in artikel 3, vijfde lid, wordt, voor zover opzettelijk begaan, beschouwd als misdrijf en gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de tweede categorie.
  2. Overtreding van het voorschrift bedoeld in het eerste lid wordt, voorzover niet opzettelijk begaan, beschouwd als overtreding en gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.
  3. Indien de overtreding tegen een bepaalde persoon gepleegd is, wordt zij slechts vervolgd op diens klacht.

Artikel 10

(vervallen)

Artikel 11

(vervallen)

Artikel 11

Met het opsporen van de bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 8 sub 1e tot en met 5e van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast de bij landsbesluit aangewezen ambtenaren en andere personen.

Artikel 12

Deze landsverordening kan worden aangehaald als “Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten”.

***

Naar boven