Landsverordening geldelijke voorzieningen ministers - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou Uw mening

Wet- en Regelgeving

Landsverordening geldelijke voorzieningen ministers

Publicatienummer: P.B. 2021, no. 77
Categorie: Landsverordening
Ministerie: Algemene Zaken en Minister President
Datum ondertekening: 01-07-2021
Datum inwerktreding: 02-07-2021
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK XVIII Organisme van het land)


LANDSVERORDENING van de 1ste juli 2021, houdende de regeling van de bezoldiging, het pensioen alsmede overige geldelijke voorzieningen van de ministers alsmede van de gevolmachtigde minister en voorzieningen ten behoeve van hun nabestaanden

HOOFDSTUK 1
Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. adviescollege: het adviescollege, bedoeld in artikel 2;
b. ambtenaar: een ambtenaar als bedoeld in de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht en de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht Staten ;
c. bezoldiging: het loon van de minister voor het vervullen van het ambt;
d. gepensioneerde minister: degene die recht heeft op pensioen op grond van deze landsverordening;
e. gewezen minister: degene die uit hoofde van ontslag het ambt van minister niet meer vervult;
f. inkomen: de bezoldiging vermeerderd met representatietoelage, revaluatietoelage en kindertoelage;
g. minister(s): de minister-president, de gevolmachtigde minister en de overige bij landsbesluit benoemde ministers voor zover in deze landsverordening niet anders is bepaald;
h. nabestaande: 1°. degene met wie de overledene op de dag van zijn overlijden gehuwd was; of
2°. degene met wie de overledene op de dag van overlijden een gezamenlijk huishouden voerde op basis van een samenlevingsovereenkomst;
i. ontslag: beëindiging van het ministerschap bij landsbesluit;
j. pensioenen: de pensioenen genoemd in hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8;
k. pensioengerechtigde leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd, genoemd in artikel 28;
l. samenlevingsovereenkomst: een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst tussen ongehuwde personen die ingevolge de bepalingen van Boek 1, Titel 5, van het Burgerlijk Wetboek met elkaar een huwelijk kunnen aangaan en waaruit overeenkomstig de artikelen 81, 82 en 83 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een wederzijdse onderhoudsplicht volgt.

Adviescollege

Artikel 2

  1. Er is een adviescollege in de zin van artikel 72 van de Staatsregeling van Curaçao , genaamd Adviescollege voorzieningen politieke ambtsdragers, dat een advies geeft bij de uitvoering van de taken die krachtens deze landsverordening zijn toebedeeld.
  2. Bij landsverordening kunnen nadere taken aan het adviescollege worden toebedeeld.
  3. Het adviescollege bestaat uit vijf leden, de voorzitter en diens plaatsvervanger daaronder begrepen.
  4. De voorzitter en twee leden mogen geen ambtenaar zijn. De overige leden zijn de Secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken en de Secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën.
  5. De remuneratie van de leden, niet zijnde ambtenaar, wordt geregeld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.
  6. De profielschets van de voorzitter en de leden, niet zijnde ambtenaar, wordt bij landsbesluit op voordracht van de Minister van Algemene Zaken vastgesteld en wordt in de Landscourant bekendgemaakt.
  7. De secretaris van de raad van ministers is tevens secretaris van het adviescollege.

HOOFDSTUK 2
Inkomsten

Primaire inkomen

Artikel 3

  1. De ministers genieten een maandelijkse bezoldiging gelijk aan de bezoldiging die hoort bij de hoogste schaal, en hoogste trede daarin, van de algemeen geldende wettelijke regeling die op de bezoldiging van ambtenaren van toepassing is, vermeerderd met 25 procent van dat bedrag, aanvangende de dag waarop de benoeming ingaat en eindigende op de dag waarop het ontslag ingaat.
  2. Het genieten van de bezoldiging heeft noch geheel noch gedeeltelijk verlies van vooruitzicht op dan wel aanspraak op genot van pensioen en duurtetoeslag ten gevolge, hetwelk genoten wordt ten laste van de Landskas, ten laste van een publiekrechtelijk lichaam of ten laste van een door het openbaar gezag ingesteld fonds.
  3. De minister-president geniet een representatietoelage van NAf 2.750,— bruto per maand.
  4. Een minister, met uitzondering van de minister-president, geniet een representatietoelage van NAf 2.650,— bruto per maand.
  5. De gevolmachtigde minister geniet een revaluatietoelage van NAf 2.703,- bruto per maand.

Kindertoelage

Artikel 4

  1. De minister geniet een kindertoelage, voor de ongehuwde kinderen beneden de leeftijd van 18 jaar tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat of diens ongehuwde stiefkinderen beneden de leeftijd van 18 jaar, laatstgenoemden voor zover de kosten voor hun zorg en opvoeding geheel ten laste van hem komen.
  2. Het eerste lid is eveneens van toepassing indien de minister ongehuwde kinderen beneden de leeftijd van 18 jaar, die deel uitmaken van diens gezin en die niet door eigen ouders kunnen worden onderhouden en opgevoed, geheel als eigen kinderen onderhoudt en opvoedt. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt het oordeel van het adviescollege ingewonnen.
  3. Voor de toepassing van dit artikel worden met kinderen beneden de leeftijd van 18 jaren gelijkgesteld:
    a. kinderen van 18 tot 25 jaar, wier tijd behoudens in geval van ziekte of vakantie geheel of grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs;
    b. kinderen van 18 tot 25 jaar, die naar het oordeel van het adviescollege ten gevolge van ziekte of gebreken blijvend buiten staat zijn om met arbeid, die voor hun krachten is berekend, een derde te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen van gelijke leeftijd in staat zijn met arbeid te verdienen.
  4. De hoogte van de kindertoelage wordt berekend overeenkomstig de regeling geldend voor ambtenaren.

Uitkering bij overlijden minister

Artikel 5

  1. In geval van overlijden van een minister, wordt aan de nabestaande een bedrag uitgekeerd, gelijk aan driemaal het bedrag van het maandelijkse inkomen op het tijdstip van overlijden.
  2. Indien de overleden minister geen nabestaande nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen, ten behoeve van deze betrekkingen.
  3. Laat de overleden minister ook geen betrekkingen als in het tweede lid bedoeld na, dan kan het in het eerste lid bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en der begrafenis, zo de nalatenschap van de overleden minister, voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Vakantie-uitkering

Artikel 6

  1. De minister heeft aanspraak op een vakantie-uitkering voor elke kalendermaand of de helft of meer daarvan, waarin het ambt wordt verricht. De vakantie-uitkering bedraagt 6 procent van het inkomen, voor de minister geldende op de eerste april van het jaar van uitbetaling, dan wel, bij de benoeming als minister in de loop van de maand april of de maand mei van dat jaar, op de datum van benoeming als minister.
  2. De vakantie-uitkering wordt eenmaal per kalenderjaar, in de tweede helft van de maand juni, uitbetaald.
  3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid vindt de uitbetaling van de vakantie-uitkering ook plaats bij ontslag of overlijden en wel over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover vakantie-uitkering werd uitbetaald en de datum van het ontslag of het overlijden.
  4. Indien de overledene geen nabestaande nalaat, geschiedt de uitbetaling overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, tweede en derde lid.

Vakantiedagen

Artikel 7

  1. Een minister heeft per kalenderjaar aanspraak op een vakantie van dertig werkdagen met behoud van vol inkomen. De minister is gerechtigd diens vakantie geheel of gedeeltelijk in het buitenland door te brengen.
  2. Voor elke volle kalendermaand gedurende welke de minister niet als zodanig werkzaam is geweest anders dan ten gevolge van ziekte of vakantie, wordt het in de eerste zin genoemde aantal vakantiedagen verminderd met 1/12 deel. Het aantal dagen waarop de minister na zodanige vermindering aanspraak blijft behouden, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele dagen.
  3. De vakantie bedoeld in het eerste lid wordt op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek bij landsbesluit verleend. De vakantie wordt voor zover mogelijk aaneengesloten opgenomen. Het landsbesluit waarbij aan een minister vakantie verleend wordt, de minister-president mede begrepen, wordt door de minister-president ondertekend.
  4. Voor zover aan een minister in een kalenderjaar het hem volgens dit artikel toekomend aantal vakantiedagen niet is verleend, wordt hem de niet genoten vakantie in het daaropvolgende kalenderjaar toegekend, met dien verstaande dat de minister diens aanspraak verliest op het door hem niet genoten aantal vakantiedagen die betrekking hebben op het kalenderjaar voorafgaande aan het afgelopen kalenderjaar.

Uitkering niet genoten vakantiedagen

Artikel 8

  1. Ter compensatie van het door een minister bij diens ontslag of overlijden niet genoten of gedeeltelijk niet genoten vakantie, wordt aan hem respectievelijk aan de nabestaande, een geldbedrag uitbetaald gelijk aan het bedrag dat de minister aan inkomen zou zijn uitgekeerd gedurende de vakantie, indien de vakantie zou zijn genoten.
  2. Indien de overledene geen nabestaande nalaat, geschiedt de uitbetaling overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, tweede en derde lid.

HOOFDSTUK 3
Onkostenvergoedingen ter uitvoering van het ambt

Communicatie

Artikel 9

  1. Aan een minister worden communicatiemiddelen ter beschikking gesteld, die in het kader van de vervulling van het ambt nodig zijn.
  2. De raad van ministers bepaalt voor ieder kalenderjaar de communicatiemiddelen en het maximale bedrag, dat een minister ten laste van het Land mag besteden.

Vervoerskosten lokaal

Artikel 10

Een minister krijgt de beschikking over een dienstwagen met chauffeur.

Vervoer- en verblijfskosten bij dienstreizen

Artikel 11

De ministers hebben bij dienstreizen recht op vrij reizen, een reisbiljet in businessclass voor vliegreizen die langer dan drie uur duren en voor overige vliegreizen in economy class, uitgaande van de kortst mogelijke route, alsmede vergoeding van verblijfs- en teerkosten volgens regels vast te stellen bij ministeriële regeling met algemene werking.

Overige vergoedingen ten behoeve van de gevolmachtigde minister

Artikel 12

  1. De gevolmachtigde minister heeft na diens benoeming recht op vrije overtocht naar Nederland in de eerste klasse van het vervoermiddel, waarmede wordt gereisd, voor zichzelf, diens meereizende echtgenoot of echtgenote en de kinderen tot wie deze in familierechtelijke betrekking staat die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest of van kinderen die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest waarover de gewezen gevolmachtigde de pleegouderlijke zorg draagt. Daarenboven heeft de gevolmachtigde minister op het bedoelde tijdstip aanspraak op vrije overtocht van persoonlijke bezittingen tot een maximum van 21 m³.
  2. Het in het eerste lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing bij terugkeer van de gewezen gevolmachtigde minister en de meereizende gezinsleden, bedoeld in het eerste lid.
  3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de persoon met wie een samenlevingsovereenkomst is gesloten gelijkgesteld met een echtgenoot dan wel echtgenote.

Ambtswoning ten behoeve van de gevolmachtigde minister

Artikel 13

Aan de gevolmachtigde minister wordt gedurende diens ambtsperiode een gemeubileerde ambtswoning ter beschikking gesteld.

Tegemoetkoming ten behoeve van de gevolmachtigde minister

Artikel 14

  1. Als tegemoetkoming in de kosten van terugkeer, wordt aan de gewezen gevolmachtigde minister, mits de gewezen gevolmachtigde minister binnen zes maanden na diens ontslag uit het ambt, terugkeert naar Curaçao, een bedrag uitgekeerd van:
    a. ten hoogste NAf 5.000,— indien de betrokkene gehuwd is en meereist;
    b. ten hoogste NAf 3.000,— indien de betrokkene ongehuwd is.
  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt mede als gehuwd beschouwd hij die gehuwd is geweest en de kinderen tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest te zijnen laste heeft of van kinderen die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest waarover de gewezen gevolmachtigde de pleegouderlijke zorg draagt, mits zij meereizen.
  3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld met betrekking tot bewijsstukken ter staving van de reële kosten.
  4. De bedragen, genoemd in het eerste lid, kunnen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden gewijzigd.

HOOFDSTUK 4
Ziektekosten

Ziektekosten ministers

Artikel 15

  1. Een minister heeft recht op vergoeding van de kosten van geneeskundige behandeling en verpleging van zichzelf conform het bepaalde in de Landsverordening basisverzekering ziektekosten en tevens recht op aanvullende voorzieningen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Landsbesluit aanvullende voorzieningen ziektekosten voor zichzelf en zijn gezinsleden.
  2. De gevolmachtigde minister heeft recht op vergoeding van de kosten van geneeskundige behandeling en verpleging van zichzelf en diens gezinsleden, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, conform de door hem in Nederland ten behoeve van zichzelf en diens gezin gesloten ziektekostenverzekering met dezelfde dekking die geldt voor de overige ministers.
  3. Een minister, die wegens ziekte verhinderd is om diens ambt uit te oefenen, heeft tot herstel van diens gezondheid aanspraak op ziekteverlof met behoud van diens vol inkomen.

HOOFDSTUK 5
De overbruggingsuitkering

Uitkering

Artikel 16

  1. De gewezen minister die op het tijdstip van ontslag de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, kan met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, aanspraak maken op een overbruggingsuitkering, tenzij de gewezen minister:
    a. zonder onderbreking opnieuw als minister of lid van de Staten optreedt;
    b. wegens enig strafbaar feit bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld.
  2. De gewezen minister dient het verzoek uiterlijk zes maanden na de datum, bedoeld in het eerste lid, in bij de Minister van Algemene Zaken.

Tijdsduur

Artikel 17

  1. De overbruggingsuitkering wordt toegekend voor de duur gelijk aan de tijd die betrokkene minister is geweest, doch ten hoogste voor de duur van twee jaren.
  2. Indien betrokkene het ambt van minister met een of meer onderbrekingen heeft bekleed, wordt voor de berekening van de duur van de uitkering in aanmerking genomen de tijd waarin betrokkene in een tijdvak direct voorafgaande aan het laatste ontslag het ambt van minister heeft vervuld, indien het ambt voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak zijn onderbroken.
  3. In het geval van beëindiging van de overbruggingsuitkering op grond van artikel 22, onderdeel c, wordt de volgende overbruggingsuitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop de eerstbedoelde overbruggingsuitkering zou zijn beëindigd, indien daarvan het recht niet tussentijds was beëindigd.

Hoogte van de uitkering

Artikel 18

  1. De overbruggingsuitkering bedraagt gedurende de eerste drie maanden 95 procent, de daarop volgende zeven maanden 85 procent, de daarop volgende tien maanden 75 procent en vervolgens 70 procent van de bezoldiging en eventuele kindertoelage waarop de gewezen minister aanspraak had op de dag voorafgaande aan het ontslag.
  2. Onkostenvergoedingen, als genoemd in hoofdstuk 3 en 4 van deze landsverordening, onder welke benaming dan ook, worden niet gerekend tot het inkomen.
  3. Indien de overbruggingsuitkering een gewezen minister betreft, die na ontslag in activiteit is hersteld als ambtenaar en hierna door het bevoegd gezag of op eigen verzoek, vrijgesteld wordt van dienst overeenkomstig de geldende wettelijke regeling inzake de vrijstelling van dienst van ambtenaren, dan bedraagt de overbruggingsuitkering, dat deel van de bezoldiging die de gewezen minister na inactiviteitherstelling zou hebben genoten.
  4. Indien de voor de ambtenaren vastgestelde bezoldiging een algemene wijziging in verband met waardevastheid of welvaartsvastheid wordt aangebracht, wordt de overbruggingsuitkering overeenkomstig deze wijziging aangepast met ingang van de datum waarop die algemene wijziging ingaat, mits de toestand van de openbare financiën zoals neergelegd in de meerjarenbegroting, dit toelaat.

Voortzetting uitkering bij invaliditeit

Artikel 19

  1. Indien de gewezen minister op de dag waarop de duur van de overbruggingsuitkering eindigt, door ziekten of gebreken ongeschikt is om diens vroegere ambt als minister te vervullen, wordt de uitkering voor de duur van de ongeschiktheid voortgezet met inachtneming van artikel 20.
  2. De voortgezette overbruggingsuitkering bedraagt 70 procent van de bezoldiging en eventuele kindertoelage waarop de gewezen minister aanspraak had op de dag voorafgaande aan diens ontslag.
  3. Ter beantwoording van de vraag of er sprake is van ongeschiktheid, als bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek van de Minister van Algemene Zaken door het adviescollege een onderzoek ingesteld door een door het adviescollege aangewezen commissie van geneeskundigen.

Procedure voortzetting uitkering bij invaliditeit

Artikel 20

  1. De voortzetting van de overbruggingsuitkering geschiedt op aanvraag van de betrokkene en voor termijnen niet langer dan twee jaar, onverminderd het in deze landsverordening bepaalde over de beëindiging van de uitkering.
  2. Een aanvraag wordt door de betrokkene uiterlijk drie maanden voor het einde van de toegekende overbruggingsuitkering, dan wel voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn, gedaan.

Verrekening

Artikel 21

  1. De inkomsten die de gewezen minister geniet, worden met de overbruggingsuitkering verrekend over de maand waarop die inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
  2. Onder inkomsten bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het gezamenlijk bedrag dat de betrokkene wegens het verrichten van activiteiten, ter hand genomen na de dag van ontslag als minister, geniet als:
    a. winst uit onderneming;
    b. inkomsten uit of in verband met het verrichten arbeid.
  3. De verrekening geschiedt aldus dat de overbruggingsuitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de overbruggingsuitkering, vermeerderd met die inkomsten, de bezoldiging waarvan de overbruggingsuitkering is afgeleid, overschrijdt.

Einde uitkering

Artikel 22

Onverminderd het bepaalde in artikel 19 of artikel 20, eindigt het recht op overbruggingsuitkering met ingang van de dag waarop de gewezen minister:
a. is overleden;
b. de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
c. opnieuw minister wordt of lid wordt van de Staten;
d. wegens enig strafbaar feit bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld.

Uitkering bij overlijden gewezen minister

Artikel 23

  1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen minister, die een overbruggingsuitkering geniet, wordt aan diens nabestaande, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een overlijdensuitkering uitgekeerd, gelijk aan de overbruggingsuitkering van de overledene over een tijdvak van drie maanden.
  2. Laat de overledene geen betrekking na als bedoeld in het eerste lid, dan geschiedt de overlijdensuitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag ten behoeve van kinderen tot wie de overleden in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest, of van kinderen die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest waarover overledene de pleegouderlijke zorg droeg.
  3. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de overlijdensuitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, indien de overledene kostwinner was van de ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
  4. Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en de lijkbezorging, indien de nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Betalingstermijn

Artikel 24

De overbruggingsuitkering wordt in maandelijkse termijnen betaald.

HOOFDSTUK 6

Toekenning en betaling van overbruggingsuitkering

Toekennen op aanvraag

Artikel 25

  1. De Minister van Algemene Zaken, het adviescollege gehoord, beslist over de toekenning van overbruggingsuitkering op aanvraag van de gewezen ministers. De stukken die het adviescollege nodig acht voor de behandeling van de aanvraag dienen te worden overgelegd.
  2. De overbruggingsuitkering wordt bij landsbesluit op voordracht van de Minister van Algemene Zaken toegekend. In het landsbesluit worden de gronden van de beslissing vermeld, alsmede de bepalingen van de landsverordening waarop die beslissing steunt.
  3. In een landsbesluit tot toekenning worden de voor de uitkering in aanmerking genomen, mede tellende diensttijd, alsmede het bedrag waarover deze is berekend, vastgesteld.
  4. Het adviescollege kan de directeur Human Resources en Organisatie en de directeur Shared Service Organisatie van het Ministerie van Bestuur, Planning en Dienstverlening en de Sectordirecteur Financieel Beleid en Begrotingsbeheer horen alvorens over te gaan tot het geven van een advies met betrekking tot een verzoek tot het toekennen van overbruggingsuitkering.
  5. De Minister van Algemene Zaken beslist binnen een maand na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid. Deze termijn kan met ten hoogste een maand worden verlengd.

Uitbetaling

Artikel 26

  1. De invorderbare termijnen van een overbruggingsuitkering die gedurende twee achtereenvolgende jaren niet zijn geïnd, worden niet uitgekeerd, tenzij naar het oordeel van de Minister van Algemene Zaken, het adviescollege gehoord, de betrokkene redelijkerwijs niet geacht kan worden in gebreke te zijn geweest.
  2. De Minister van Algemene Zaken, het adviescollege gehoord, is bevoegd een voorschot op een overbruggingsuitkering te verlenen, indien de behandeling van het verzoek vertraging oploopt. Artikel 25, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 7
Pensioen

Pensioenuitvoerder

Artikel 27

  1. De uitvoering van de pensioenregeling is in beheer van het Land.
  2. Bij landsbesluit, het adviescollege gehoord, kan het Algemeen Pensioenfonds van Curaçao belast worden met de uitvoering van de bepalingen van deze landsverordening ten aanzien van de pensioenen.

Pensioengerechtigde leeftijd

Artikel 28

Een minister heeft na ontslag recht op pensioen krachtens deze landsverordening, indien deze op de dag van ingang van het ontslag de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

Eigen pensioen

Artikel 29

  1. De pensioengrondslag in enig jaar is gelijk aan de berekeningsgrondslag per 1 januari van dat jaar verminderd met de voor dat jaar geldende franchise.
  2. De berekeningsgrondslag wordt gerekend over de bezoldiging die op dat jaar betrekking heeft.
  3. Onder franchise als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan 10/7 van de tot een jaarbedrag herleide uitkering van het wettelijke ouderdomspensioen, zoals deze geldt op de dag waarop het recht op pensioen ingaat. De franchise wordt naar boven afgerond op hele guldens.
  4. Elk jaar dat een minister het ambt bekleedt komt in aanmerking als diensttijd en telt mee voor de berekening van het pensioen. De pensioenaangroei in enig jaar bedraagt 3% van de pensioengrondslag die op dat jaar betrekking heeft.
  5. Indien in enig jaar niet de gehele tijd als diensttijd in aanmerking komt, telt voor elke maand in dat jaar die als diensttijd in aanmerking komt voor de berekening van het pensioen mee het 1/12de deel van 3% van de pensioengrondslag die op dat jaar betrekking heeft. Een resterende diensttijd van minder dan een maand wordt voor een hele maand gerekend.
  6. De aanspraak op pensioen van de minister in enig jaar wordt berekend als het bedrag dat in dat jaar ingevolge het bepaalde in het vierde lid onderscheidenlijk vijfde lid voor de berekening van het pensioen meetelt, vermeerderd met het bedrag van de in het voorafgaande jaar overeenkomstig dit lid geldende aanspraak op pensioen.
  7. Het pensioen waarop jaarlijks recht bestaat, is gelijk aan het bedrag van de aanspraak op pensioen, bedoeld in het zesde lid, die geldt in het jaar waarin het recht onderscheidenlijk het uitzicht op dat pensioen ontstaat.
  8. Het ingevolge deze bepaling berekende pensioen, vermeerderd met andere pensioenen die worden genoten ten laste van ‘s Lands kas, ten laste van een publiekrechtelijk lichaam of ten laste van een door het Land ingesteld fonds en het resultaat van 12 vermenigvuldigd met de berekende maandelijkse uitkering van het wettelijke ouderdomspensioen, bedoeld in de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering, bedraagt niet meer dan het bedrag van de bij die berekening gehanteerde hoogste berekeningsgrondslag.
  9. Het bedrag aan pensioen wordt naar boven afgerond tot het naaste getal in hele guldens.
  10. De periode waarin een gewezen minister een overbruggingsuitkering ontvangt, wordt in afwijking van het vierde lid, voor de helft meegerekend als diensttijd.

Uitbreiding berekeningsgrondslag

Artikel 30

Tot de berekeningsgrondslag, bedoeld in het voorgaande artikel, wordt mede gerekend de aan een minister toe te kennen toelagen, die bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden vastgesteld.

Aanpassing hoogte pensioen

Artikel 31

  1. Indien in de bezoldigingen van de ambtenaren een algemene wijziging in verband met waardevastheid of welvaartsvastheid wordt aangebracht, wordt de pensioenuitkering met ingang van de dag waarop die bezoldigingswijziging ingaat overeenkomstig deze wijziging aangepast, mits de toestand van de openbare financiën zoals neergelegd in de meerjarenbegroting, dit toelaat.
  2. De krachtens deze landsverordening toegekende pensioenen worden dienovereenkomstig opnieuw vastgesteld.
  3. Indien een wijziging van de bezoldigingen, bedoeld in het eerste lid, een verlaging van deze bezoldigingen inhoudt ten opzichte van het van het voorafgaande peil, vindt aanpassing van de pensioenuitkering niet plaats. Indien een later volgende wijziging als hiervoor bedoeld, een verhoging inhoudt, wordt deze verhoging geheel of gedeeltelijk achterwege gelaten totdat de aanpassing die de pensioenuitkering bij toepassing van het eerste lid zou hebben ondergaan, geheel is gecompenseerd.
  4. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen voor de uitvoering van het eerste en tweede lid nadere regels worden gesteld.

HOOFDSTUK 8

Het nabestaandenpensioen en wezenpensioen

Samenlevingsovereenkomst

Artikel 32

  1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een aangemelde samenlevingsovereenkomst, gelijkgesteld met een huwelijk.
  2. Een minister, gewezen minister of gepensioneerde minister kan een persoon waarmee deze een samenlevingsovereenkomst heeft gesloten, bij de Minister van Algemene Zaken aanmelden.
  3. Een gewezen minister kan, voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, eveneens een aanmelding doen als bedoeld in het tweede lid.
  4. De secretaris van het adviescollege schrijft de aangemelde samenlevingsovereenkomsten op aanwijzing van de Minister van Algemene Zaken in een door deze daartoe aangehouden register in.
  5. De partner uit de samenlevingsovereenkomst kan alleen als nabestaande rechten ontlenen aan een in het register ingeschreven samenlevingsovereenkomst.
  6. Het aanmelden van de samenlevingsovereenkomst geschiedt door middel van indiening bij de Minister van Algemene Zaken van een volledig en naar waarheid ingevuld formulier, waarvan het model door het adviescollege wordt vastgesteld.
  7. Bij het formulier wordt gevoegd:
    a. een gewaarmerkte kopie van de samenlevingsovereenkomst;
    b. een afschrift van de hem betreffende gegevens die zijn opgenomen in de basisadministratie met persoonsgegevens waaruit blijkt dat de minister, gewezen minister of gepensioneerde minister niet gehuwd is.
  8. De inschrijving van een samenlevingsovereenkomst eindigt met ingang van de dag waarop:
    a. een van de partijen bij de betreffende samenlevingsovereenkomst in het huwelijk treedt;
    b. door de minister, gewezen minister, of gepensioneerde minister een samenlevingsovereenkomst van recenter datum bij de Minister van Algemene Zaken wordt aangemeld; of
    c. door de minister, gewezen minister, of gepensioneerde minister aan de Minister van Algemene Zaken schriftelijk is bericht dat de samenlevingsovereenkomst is beëindigd.
  9. Het adviescollege verstrekt aan de minister, gewezen minister, of gepensioneerde minister een verklaring ten bewijze, dat de samenlevingsovereenkomst in het register is ingeschreven, alsmede de datum van die inschrijving.
  10. Het negende lid is van overeenkomstige toepassing bij de beëindiging van een samenlevingsovereenkomst.

Het nabestaandenpensioen

Artikel 33

  1. Recht op nabestaandenpensioen heeft de nabestaande van een minister, gewezen minister of gepensioneerde minister.
  2. Geen recht op nabestaandenpensioen bestaat indien het huwelijk is gesloten nadat de minister de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Het bijzonder nabestaandenpensioen

Artikel 34

  1. Recht op bijzonder nabestaandenpensioen heeft de vrouw of man met wie een overleden minister, gewezen minister of gepensioneerde minister gehuwd is geweest, mits die recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de minister, gewezen minister of gepensioneerde minister zou zijn overleden op de dag, waarop het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken, is ingeschreven in het daartoe ingestelde register.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de desbetreffende vrouw of man als gevolg van een huwelijk met dezelfde minister ter zake van diens overlijden recht op nabestaandenpensioen verkrijgt.

Het tijdelijk pensioen

Artikel 35

  1. Indien een minister, gewezen minister of gepensioneerde minister naar het oordeel van de Minister van Algemene Zaken, het adviescollege gehoord, is vermist, hebben degenen die aan het overlijden van de minister, gewezen minister of gepensioneerde minister recht op pensioen zouden ontlenen, recht op tijdelijk pensioen op dezelfde voet als in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk is omschreven.
  2. Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een voortdurend pensioen zodra het vermoedelijke overlijden van de vermiste is vastgesteld.

Het wezenpensioen

Artikel 36

  1. Recht op wezenpensioen hebben na het overlijden van een minister, gewezen minister of gepensioneerde minister:
    a. de kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest;
    b. de kinderen van een mannelijke minister tot wie hij niet in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest, indien hem ten behoeve van deze kinderen ten tijde van diens overlijden een wettelijke onderhoudsplicht, bedoeld in artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek was opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een onderhoudsplicht was erkend;
    c. de kinderen die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest voor wie de overledene ten tijde van diens overlijden de pleegouderlijke zorg droeg.
  2. Het eerste lid is eveneens van toepassing op de kinderen die de leeftijd van 21 maar niet van 25 jaren hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest, naar de onderscheidingen en voorwaarden in het eerste lid gesteld, en:
    a. van wie de tijd, behoudens in geval van ziekte of vakantie, geheel of grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs; of
    b. die naar het oordeel van de Minister van Algemene Zaken, het adviescollege gehoord, ten gevolge van ziekten of gebreken blijvend buiten staat zijn om met arbeid die voor hun krachten is berekend, 1/3 deel te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen van gelijke leeftijd in staat zijn met zodanige arbeid te verdienen.
  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op deze kinderen, indien zij zijn geboren, dan wel de pleegouderlijke zorg is begonnen nadat aan de betrokkene ontslag als minister is verleend.

Hoogte nabestaandenpensioen

Artikel 37

  1. Het nabestaandenpensioen bedraagt 70 procent van het pensioen, waarop de overleden minister als zodanig recht zou hebben gehad indien de overledene met ingang van de dag na die van het overlijden was ontslagen of waarop de overleden gewezen of gepensioneerde minister als zodanig op de dag van overlijden uitzicht respectievelijk recht had.
  2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het pensioen van de nabestaande van degene die overlijdt:
    a. als minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, 70 procent van het pensioen waarop die minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien het ambt tot het bereiken van genoemde leeftijd zou zijn bekleed;
    b. als gewezen minister in de periode, waarover hem een uitkering is toegekend, 70 procent van het pensioen waarop die gewezen minister recht zou hebben, indien tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd recht op uitkering zou zijn verkregen, met dien verstande, dat voor de berekening van het pensioen de diensttijd wordt doorgeteld in de mate waarin deze op grond van het bepaalde in artikel 29 als diensttijd geldt op de dag van overlijden.

Hoogte bijzonder nabestaandenpensioen

Artikel 38

  1. Het bijzonder nabestaandenpensioen van de nabestaande van een minister, gewezen minister of gepensioneerde minister wordt op dezelfde wijze berekend als het pensioen van de nabestaande van een minister, gewezen minister of gepensioneerde minister, met dien verstande dat slechts de diensttijd meetelt die is gelegen vóór de ontbinding van het huwelijk.
  2. Indien er aan hetzelfde overlijden recht op meer dan een bijzonder nabestaandenpensioen als bedoeld in dit hoofdstuk, wordt ontleend, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de berekening van het bijzonder nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk waaraan een eerder huwelijk voorafgaat, slechts de diensttijd meetelt die samenloopt of geacht wordt samen te lopen met de huwelijksduur.
  3. Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer bijzondere nabestaandenpensioenen wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan verminderd.

Hoogte tijdelijk pensioen

Artikel 39

Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou bestaan indien de vermiste op de dag van de vermissing was overleden.

Hoogte wezenpensioen

Artikel 40

  1. Het wezenpensioen bedraagt:
    a. voor elk kind wiens overlevende ouder aan het overlijden van de minister, gewezen minister of gepensioneerde minister recht op pensioen ontleent, 14 procent;
    b. voor elk ander kind, 28 procent, van het pensioen van de overledene, berekend met inachtneming van artikel 37.
  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ouder mede begrepen de nabestaande die op het tijdstip van het overlijden van de minister, gewezen minister of gepensioneerde minister de pleegouderlijke zorg had van het kind, bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdeel c.

Herberekening wezenpensioen

Artikel 41

  1. Het wezenpensioen wordt overeenkomstig artikel 40, eerste lid, herberekend, wanneer het nabestaandenpensioen of het bijzonder nabestaandenpensioen van de ouder wegens diens overlijden is geëindigd.
  2. Voor de toepassing van dit artikel is artikel 40, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Drempel

Artikel 42

  1. Het gezamenlijk bedrag van de pensioenen, bedoeld in dit hoofdstuk, gaat het pensioenbedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.
  2. Indien wegens toepassing van het eerste lid de daar bedoelde pensioengedeelten een vermindering moeten ondergaan, geschiedt deze in evenredigheid van de onderscheidene bedragen.

Uitkering bij overlijden gepensioneerde minister

Artikel 43

  1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerde minister wordt aan diens nabestaande, van wie deze niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van het pensioen van die minister over een tijdvak van twee maanden.
  2. Laat de overledene geen betrekking na als bedoeld in het eerste lid, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag ten behoeve van kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest, of van kinderen die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg.
  3. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, indien de overledene kostwinner was van de ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
  4. Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en de lijkbezorging, indien de nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

HOOFDSTUK 9

Toekenning en betaling van pensioen

Toekennen al dan niet op aanvraag

Artikel 44

Hoofdstuk 6 is van overeenkomstige toepassing op de toekenning en betaling van de pensioenen, met dien verstande dat voor ‘(de) overbruggingsuitkering’, telkens wordt gelezen: ‘(het) pensioen’.

Einde pensioen

Artikel 45

Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden. In geval van vermissing van de rechthebbende eindigt het pensioen met ingang van de dag, waarop diens vermoedelijke overlijden is vastgesteld.

HOOFDSTUK 10

Financiële bepalingen

Begroting

Artikel 46

De uitkeringen en pensioenen, die voortvloeien uit de aanspraken die ministers op grond van deze landsverordening hebben, komen ten laste van de begroting van het Land, met uitzondering van het bepaalde in artikel 48.

Terugvordering

Artikel 47

  1. Indien langer uitkering of pensioen is betaald dan overeenstemt met de artikelen 22 en 45, wordt het teveel betaalde teruggevorderd.
  2. Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan tijdelijk pensioen, bedoeld in artikel 35, is betaald, worden teruggevorderd.
  3. De betaling van teruggevorderde bedragen als bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt binnen de termijnen die de Minister van Algemene Zaken, het adviescollege gehoord, vaststelt.

HOOFDSTUK 11
Eigen bijdrage pensioen

Inhouding

Artikel 48

Op de bezoldiging van een minister en op de overbruggingsuitkering van een gewezen minister wordt een bedrag gelijk aan 6 procent, onderscheidenlijk 3 procent van de berekeningsgrondslag ingehouden als eigen bijdrage van de minister aan de pensioenpremie.

Fiscale bepalingen

Artikel 49

  1. De geldelijke voorzieningen die aan ministers onderscheidenlijk gewezen ministers worden toegekend, worden gelijkgesteld met loon uit dienstbetrekking dan wel vroegere dienstbetrekking als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976.
  2. De openbare rechtspersoon Curaçao wordt aangewezen als inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976 ten aanzien van ministers onderscheidenlijk gewezen ministers.
  3. De minister-president wijst een organisatieonderdeel aan die belast is met de uitvoering van verplichtingen die voorvloeien uit het bepaalde in het tweede lid.

HOOFDSTUK 12

Informatieverplichtingen

Recht op informatie

Artikel 50

  1. Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen, is verplicht de Minister van Algemene Zaken onmiddellijk mededeling te doen van alle hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering of pensioen dan wel op de hoogte daarvan.
  2. De Minister van Algemene Zaken is bevoegd van degene die aan de bij of op grond van deze landsverordening gegeven regels rechten ontleent of aan wie door die regels verplichtingen worden opgelegd, van de Inspecteur der Belastingen en van de Directeur van de Sociale Verzekeringsbank de inlichtingen te vorderen die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van de betreffende rechten en verplichtingen. Een vordering geschiedt schriftelijk.
  3. Van de personen, bedoeld in het eerste lid, en de instellingen, bedoeld in het tweede lid, is de Minister van Algemene Zaken tevens bevoegd de inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover de kennisneming van de inhoud daarvan redelijkerwijs nodig is voor een beoordeling van de rechten en verplichtingen, bedoeld in die leden.
  4. De Minister van Algemene Zaken is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden waar de gegevens en bescheiden zich bevinden, is het adviescollege bevoegd deze voor dat doel voor korte tijd mee te nemen, tegen een door de Minister van Algemene Zaken af te geven schriftelijk bewijs van ontvangst.
  5. De Minister van Algemene Zaken kan één of meer personen machtigen om de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, uit te oefenen.
  6. De personen, bedoeld in het vijfde lid, dragen bij de uitoefening van hun bevoegdheid een legitimatiebewijs, alsmede de machtiging of een kopie daarvan bij zich. Zij tonen deze desgevraagd aanstonds.

Verplichte medewerking

Artikel 51

  1. Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen is verplicht aan de Minister van Algemene Zaken alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen ter uitoefening van haar bevoegdheden.
  2. De personen die uit hoofde van hun ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.

HOOFDSTUK 13

Strafbepaling

Straf

Artikel 52

  1. Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen, die niet voldoet aan het bepaalde in de artikelen 50 en 51, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand, een geldboete van de tweede categorie of beide straffen.
  2. Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen, die ter uitvoering van de artikelen 50 en 51 een inlichting verstrekt waarvan de onjuistheid hem bekend is, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste een maand, een geldboete van de tweede categorie of beide straffen.
  3. Een ieder die recht heeft op uitkering of pensioen, die ter uitvoering van de artikelen 50 en 51 een onjuiste inlichting verstrekt met het oogmerk de Minister van Algemene Zaken, dan wel het personeel dat namens deze met de uitvoering van deze landsverordening is belast, te bewegen tot een handeling die door de genoemden zonder die inlichting niet zou zijn verricht, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar, een geldboete van de derde categorie, of met beide straffen.
  4. De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen, het in het derde lid strafbaar gestelde feit is een misdrijf.

HOOFDSTUK 14
Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 53

Voor de periode van 10 oktober 2010 tot en met 30 juni 2020 gelden als geldelijke voorzieningen als bedoeld in artikel 37 van de Staatsregeling van Curaçao, de feitelijke bedragen die aan de ministers gedurende die periode zijn uitgekeerd onderscheidenlijk van hen zijn ingehouden.

Afwijken op basis van solidariteitsprincipe

Artikel 54

Met ingang van 1 juli 2020 bedraagt de bezoldiging van de ministers NAf 12.714,- verhoogd met 12.5 procent, worden de bedragen genoemd in artikel 3 met dien verstande dat de bedragen genoemd in artikel 3, derde en vierde lid, op NAf 0,- vastgesteld en wordt het percentage genoemd in artikel 6, eerste lid, op 0 procent vastgesteld.

Inwerkingtreding

Artikel 55

  1. Deze landsverordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking, met dien verstande dat artikel 54 terugwerkt tot en met 1 juli 2020 en vervalt op een bij landsbesluit vast te stellen tijdstip dat ligt na de beëindiging van de liquiditeitssteun door Nederland aan Curaçao in het kader van het COVID-19 pandemie, en ik elk geval na 30 juni 2023, en dat overigens in overeenstemming is met een evaluatie van de stand van openbare financiën zoals blijkt uit de meerjarenbegroting.
  2. De minister-president draagt, in overeenstemming met de Minister van Financiën, het ontwerp voor het landsbesluit, bedoeld in het eerste lid, ter vaststelling voor aan de Gouverneur.

Artikel 55a

  1. De minister zendt binnen een jaar na inwerkingtreding van deze landsverordening een verslag naar de Staten over de uitvoerbaarheid van de landsverordening, de financiële en organisatorische aspecten van de pensioenregeling, en overige aspecten die relevant zijn voor het maatschappelijk draagvlak uitgaande van een redelijk en passend systeem voor de geldelijke voorzieningen.
  2. Bij landsbesluit wordt voor het verrichten van de evaluatie een gemengde commissie ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van de relevante ambtelijke diensten en onafhankelijke deskundigen op het gebied van pensioenvorming. De commissie wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter.

Citeertitel

Artikel 56

Deze landsverordening kan worden aangehaald als: Landsverordening geldelijke voorzieningen ministers.

Naar boven