Landsverordening In- en Uitvoer - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsverordening In- en Uitvoer

Publicatienummer: P.B. 2025, no. 38 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsverordening
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 26-02-2025
Datum inwerktreding: 28-03-1968
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK X Economische aangelegenheden )


LANDSBESLUIT van de 26ste febuari 2025, no. 25/395, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Landsverordening In- en Uitvoer

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
28-03-1968 n.v.t. n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2025, no. 38 (GT) n.v.t.

Artikel 1

Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze landsverordening wordt verstaan onder:
a. invoer van goederen : het brengen van goederen in het vrije verkeer;
b. uitvoer van goederen : het brengen van goederen buiten het vrije verkeer.

Artikel 2

De uit kracht van deze landsverordening gegeven voorschriften kunnen onder “invoer van goederen” mede begrijpen “het brengen van goederen binnen de landsgrenzen” en onder “uitvoer van goederen” slechts begrijpen “het brengen van goederen buiten de landsgrenzen”.

Artikel 3

Deze landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften verstaan onder:
a. “invoer van goederen” en “uitvoer van goederen” mede iedere handeling, die kennelijk rechtstreeks gericht is op het bewerkstelligen van invoer van goederen of uitvoer van goederen;
b. “internationale afspraak” mede een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.

Artikel 3a

  1. De uitvoer van goederen van archeologische of andere cultuurhistorische waarde is verboden.
  2. De Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport kan van het verbod, bedoeld in het eerste lid, op een daartoe strekkend verzoek ontheffing verlenen.
  3. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 3b

  1. Het is verboden:
    a. afval of andere stoffen in te voeren of uit te voeren met het oogmerk zich op zee hiervan te ontdoen vanuit schepen, luchtvaartuigen of bouwwerken, door middel van storting of verbranding;
    b. schepen, luchtvaartuigen of bouwwerken in te voeren of uit te voeren met het oogmerk deze op zee tot zinken te brengen, en
    c. afval of andere stoffen in te voeren of uit te voeren met het oogmerk deze in de bodem van de zee of de ondergrond hiervan op te slaan vanuit schepen, luchtvaartuigen of bouwwerken, tenzij vóór de invoer een ontheffing als bedoeld in artikel 44 of artikel 45 van de Landsverordening maritiem beheer is verkregen, of de doelstelling van de uitvoer in overeenstemming met het 7 november 1996 tot stand gekomen Protocol bij het op 29 december 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door het storten van afval en vuil (Trb. 1998, 134).
  2. Onder zee wordt verstaan: alle mariene wateren, met uitzondering van de binnenwateren van de landen van het Koninkrijk en die van andere staten.

Artikel 4

  1. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regelen worden gesteld ten aanzien van de invoer of uitvoer van goederen:
    a. in het belang van de inwendige of uitwendige veiligheid van het Land of van de internationale rechtsorde dan wel van een daarop betrekking hebbende internationale afspraak;
    b. in het belang van de volkshuishouding; dan wel
    c. in het belang van de economische aangelegenheden.
  2. In de gevallen bedoeld in het eerste lid hoort de betrokken minister de Sociaal Economische Raad of een naar zijn oordeel bij het te treffen besluit in belangrijke mate betrokken organisaties van belanghebbenden, tenzij het algemeen belang zich naar diens oordeel daartegen verzet.
  3. (vervallen)

Artikel 4a

Indien een in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, bedoeld belang of internationale afspraak, ten behoeve waarvan in een landsbesluit ten aanzien van de in- of uitvoer van goederen regels worden gesteld, zulks vereist, kunnen de regels in dat besluit van overeenkomstige toepassing worden verklaard op doorvoer als bedoeld in artikel 144 van de Algemene Verordening I. U. en D 1908 . Ter zake van die toepassing kunnen bij dat besluit nadere regels worden gesteld.

Artikel 4b

Indien een in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, bedoeld belang of internationale afspraak zulks vereist, kunnen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, regels worden gesteld ten aanzien van in het internationaal handelsverkeer omtrent goederen te bezigen verklaringen. In een zodanig landsbesluit kan tevens het orgaan worden aangewezen dat met het afgeven van dergelijke verklaringen zal zijn belast. Bij een zodanige aanwijzing kan van het aangewezen orgaan de medewerking worden gevorderd.

Artikel 5

De regelen bedoeld in de artikelen 4 tot en met 4b kunnen onder meer:
a. een verbod inhouden van invoer of uitvoer van goederen al dan niet onder toekenning van de bevoegdheid aan de bij het landsbesluit aangewezen Minister om ontheffing van dat verbod te verlenen. Aan de vergunning tot ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden; die voorwaarden kunnen mede op de hoeveelheid en de hoedanigheid van de goederen betrekking hebben;
b. heffingen vaststellen ter zake van de invoer van goederen, op te leggen bij gezamenlijke beschikking van de Minister van Economische Ontwikkeling en de Minister van Financiën, ter opheffing van factoren, welke een normale prijsvorming van die goederen verstoren;
c. voorschriften geven betreffende het voeren van een administratie.

Artikel 6

  1. In een spoedeisend geval kunnen de regelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, worden gesteld bij ministeriële regeling met algemene werking van de Minister, die het aangaat. Een dergelijke regeling blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht tot het tijdstip, waarop een landsbesluit houdende algemene maatregelen krachtens artikel 4 hetwelk hetzelfde onderwerp betreft, in werking treedt, doch ten hoogste tot zes maanden na de dag waarop zij in werking is getreden.
  2. De regeling wordt in het Publicatieblad opgenomen.

Artikel 7

Het in artikel 4 bedoelde landsbesluit dan wel de in artikel 6 bedoelde regeling bepaalt bij welke instantie de aanvrage tot vergunning moet worden ingediend en eventueel welke gegevens bij de aanvrage moeten worden verstrekt.

Artikel 8

(vervallen)

Artikel 9

Een vergunning kan door de Minister of door de Ministers die haar hebben verleend worden ingetrokken:
a. indien de daaraan verbonden voorwaarden niet worden nageleefd;
b. indien de gegevens, verstrekt ter verkrijging van de beschikking zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn, dat op de aanvrage afwijzend of anders zou zijn beschikt, indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend zouden zijn geweest.

Artikel 10

Weigering van een vergunning dan wel intrekking van een vergunning wordt aan de betrokkene schriftelijk medegedeeld onder opgave van redenen.

Artikel 11

  1. De inzake de invordering van invoerrechten geldende bepalingen van de Algemene Verordening I. U. en D. 1908 zijn van overeenkomstige toepassing.
  2. De heffingen zijn verschuldigd boven die, welke zijn opgenomen in de Landsverordening tarief van invoerrechten, als waren zij mede in genoemd tarief opgenomen.
  3. Teruggaaf of vrijstelling wordt door de douaneautoriteiten verleend overeenkomstig hetgeen ten aanzien van teruggaaf of vrijstelling van invoerrechten in de Landsverordening tarief van invoerrechten is bepaald.

Artikel 12

Het is verboden ter zake van een aanvrage om ontheffing onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken.

Artikel 13

Allen, die betrokken zijn of zijn geweest bij de uitvoering van deze landsverordening zijn verplicht tot geheimhouding van al hetgeen hun in hun hoedanigheid is bekend geworden, voor zover zij niet in die hoedanigheid tot mededeling daarvan bevoegd of verplicht zijn.

Artikel 13a

Tegen een beschikking genomen krachtens deze landsverordening, staat voor belanghebbende binnen zes weken na de dag waarop deze is gegeven, beroep open bij de Raad van Beroep voor belastingzaken.

Artikel 14

  1. Handelen in strijd met het bepaalde krachtens artikel 3a, artikel 3b, artikel 4, eerste lid, of bij de artikelen 6, eerste lid, of 13, of overtreding van het in artikel 12 gestelde verbod, is, voor zover opzettelijk begaan, een misdrijf en wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
  2. Handelen in strijd met het bepaalde krachtens artikel 4, eerste lid, of bij de artikelen 6, eerste lid, of 13, of overtreding van het in artikel 12 gestelde verbod, is, voor zover niet opzettelijk begaan, een overtreding en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier weken of geldboete van de tweede categorie.
  3. (vervallen)

Artikel 14a

  1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde zijn belast de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen, alsmede andere daartoe bij landsbesluit aangewezen personen. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
    a. alle inlichtingen te vragen;
    b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
    c. goederen aan opneming en onderzoek te onderwerpen, deze daartoe tijdelijk mee te nemen en daarvan monsters te nemen;
    d. alle plaatsen, met uitzondering van woningen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van door hen aangewezen personen;
    e. vaartuigen, stilstaande voertuigen en de lading daarvan te onderzoeken;
    f. in woningen of in tot woning bestemde gedeelten van vaartuigen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner binnen te treden.
  3. Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm.
  4. Op het binnentreden in woningen of in tot woning bestemde gedeelten van vaartuigen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel f, is Titel X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156, tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, laatste zinsnede, en 160, eerste lid, en met dien verstande dat de machtiging wordt verleend door de procureur-generaal.
  5. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de in het eerste lid bedoelde personen.
  6. Een ieder is verplicht aan de in het eerste lid bedoelde personen alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.

Artikel 15

  1. Met de opsporing van de bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren, belast de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen, alsmede de daartoe bij landsbesluit aangewezen personen. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vereisten waaraan de krachtens het eerste lid aangewezen personen dienen te voldoen

Artikel 16

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Landsverordening In- en Uitvoer.

 

Naar boven