| Publicatienummer: | A.B. 2010, no. 87 |
| Categorie: | Landsverordening |
| Onderwerp(en): | Ambtenarenrecht |
| Ministerie: | Algemene Zaken en Minister President |
| Datum ondertekening: | 04-09-2010 |
| Datum inwerktreding: | 10-10-2010 |
| Geregistreerd in: |
Klapper Afkondigingsblad (
HOOFDSTUK XVIII Organisme van het land)
|
Landsverordening van de houdende regelen betreffende de rechtstoestand van de ambtenaren, werkzaam bij de griffie van de Staten en houdende wijziging van diverse landsverordeningen
De Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (P.B. 1951, no. 134) en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften zijn op de ambtenaar van toepassing. De bepalingen van andere wettelijke regelingen en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften vinden slechts toepassing op de ambtenaar voor zover zulks bij deze landsverordening of bij de uit kracht daarvan gegeven voorschriften is of wordt bepaald.
Een exemplaar van deze landsverordening, alsmede van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (P.B. 1964, no. 159) en de uit kracht van beide gegeven voorschriften, alsmede van alle wijzigingen ervan, liggen ter griffie van de Staten ter inzage, voor de ambtenaar.
Op de ambtenaar worden van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht van overeenkomstige toepassing verklaard:
van Hoofdstuk II, Aanstelling en bevordering, de artikelen 5 tot en met 11 en 13 en 14;
van Hoofdstuk III, Beoordeling en ranglijst, de artikelen 15 tot en met 17;
van Hoofdstuk IV, Bezoldiging, uitkeringen en toelagen, de artikelen 18 tot en met 32 en 34 tot en met 38;
van Hoofdstuk V, Dienst- en Werktijden, artikel 39;
van Hoofdstuk VI, Verlof, verlofsbezoldiging en aanspraken in geval van ziekte, de artikelen 40 tot en met 43 en 45A;
van Hoofdstuk VII, Verschillende verplichtingen en rechten van de ambtenaar, de artikelen 44 tot en met 52, 57 en 58 tot en met 86;
van Hoofdstuk VIII, Disciplinaire straffen, de artikelen 87 tot en met 92;
van Hoofdstuk IX, Schorsing en ontslag, de artikelen 93 tot en met 103;
van Hoofdstuk X, Inhouding, beslag en korting, de artikelen 104 tot en met 113;
alsmede de uit kracht van deze artikelen gegeven voorschriften, met dien verstande:
dat in de artikelen 26, tweede, derde en vijfde lid, 27, eerste lid, 37, tweede lid, 38, eerste lid, 45, tweede lid, 46, eerste en tweede lid, 50, derde lid, 58, vierde lid, 60, zevende lid, 61, tweede lid, 64 tot en met het vierde lid, en 66, eerste lid, telkens in plaats van “de betrokken Minister” wordt gelezen: het bevoegde gezag;
dat in artikel 26, vijfde lid, in plaats van “de desbetreffende minister ” wordt gelezen: het bevoegde gezag;
dat artikel 54 wordt gelezen als volgt:
Artikel 54
1. Het is de ambtenaar in dienst van Curaçao en werkzaam bij de griffie van de Staten verboden een uit de landskas bezoldigd ambt tegelijk met zijn ambt te bekleden anders dan met machtiging van het bevoegde gezag waaronder hij ressorteert.
2. Het weigeren van een gevraagde of het intrekken van een reeds verleende machtiging wordt door de bevoegde autoriteit bij een met redenen omkleed besluit ter kennis
van de betrokken ambtenaar gebracht.
3. Bij aanvaarding van een ambt, bedoeld in het eerste lid, zonder de vereiste machtiging of voortgezette bekleding daarvan, nadat bedoelde machtiging is ingetrokken, wordt de ambtenaar geacht zijn ontslag te hebben gevraagd, indien aan een schriftelijke aanzegging om het ambt te laten varen geen gevolg wordt gegeven;
dat artikel 87 tweede lid, wordt gelezen als volgt:
2. Het bevoegde gezag kan de bevoegdheid tot het opleggen van de in het vorige lid onder a, b en c genoemde straffen overdragen;
en dat artikel 90, zesde lid, wordt gelezen als volgt:
6. Indien de strafoplegging plaatsvindt door de krachtens het tweede lid van artikel 87 aangewezene, wordt in het besluit tot strafoplegging tevens medegedeeld, dat binnen veertien dagen na ontvangst daarvan bij het bevoegde gezag schriftelijk beroep van betrokkene onder aanvoering van gronden open staat. Het bevoegde gezag is verplicht binnen drie maanden na de dag, waarop de ambtenaar in beroep is gekomen, deze een met redenen omklede beslissing toe te zenden.
Artikel 3, eerste lid, onder b, van de Landsverordening van de 20ste augustus 1959, houdende regelen betreffende het verlenen van eervol ontslag aan landsdienaren van de Nederlandse Antillen en aan ambtenaren der eilandgebieden wegens het bereiken van een bepaalde leeftijd en het toekennen van een uitkering bij wijze van pensioen aan deze landsdienaren en ambtenaren en aan hun weduwen en wezen (P.B.1959, no.126), komt te luiden:
b. de Staten, wat betreft het ontslag van hun griffier en substituut-griffiers en de commissie voor huishoudelijke aangelegenheden van de Staten, wat betreft het ontslag van het overige griffiepersoneel;
Artikel 4 van de Landsverordening van de 4de februari 1949 tot regeling van de positie en bezoldiging, de aanspraak op vakantie, vakantie-uitkering, tegemoetkoming in de kosten van geneeskundige behandeling en/of verpleging, de uitkering bij overlijden en het pensioen van de griffier van de Staten, alsmede het pensioen van diens weduwe en wezen (P.B. 1949, No. 15) komt als volgt te luiden:
Artikel 4
De griffier wordt bezoldigd conform schaal 17 van het Bezoldigingslandsbesluit (pm). Zijn pensioengrondslag wordt dienovereenkomstig bepaald.
Deze landsverordening kan worden aangehaald als: “landsverordening Materieel Ambtenarenrecht Staten”.
Deze landsverordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.