Landsverordening op de invordering van directe belastingen - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsverordening op de invordering van directe belastingen

Publicatienummer: P.B. 2025, no. 210 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsverordening
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 15-10-2025
Datum inwerktreding: 01-01-1943
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK IV Belastingen )


LANDSBESLUIT van de 15de oktober 2025, no. 25/2420, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Landsverordening van den 31sten December 1942 op de invordering van directe belastingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
01-01-1943     n.v.t.     n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2025, no. 210 (GT) n.v.t.

Artikel A

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde wordt verstaan onder:
Inspecteur : de Inspecteur der Belastingen;
Ontvanger : de Ontvanger en de door de Minister van Financiën aangestelde ambtenaren met de invordering belast.

Artikel 1

(vervallen)

Artikel 2

(vervallen)

 

Artikel 3

(vervallen)

Artikel 4

Verkeerde tenaamstellingen in de kohieren kunnen bij bevelschrift van de Inspecteur worden hersteld. Dat bevelschrift heeft dezelfde kracht als het kohier en de aangeslagene kan daartegen bezwaar inbrengen en beroep instellen op gelijke wijze als voor de gewone aanslagen bij de Algemene landsverordening Landsbelastingen is bepaald.

Artikel 5

(vervallen)

Artikel 6

(vervallen)

Artikel 7

(vervallen)

Artikel 8

(vervallen)

Artikel 9

(vervallen)

Artikel 10

  1. Al degenen, die gelden aan belastingschuldigen toekomende onder zich hebben alsmede allen, die schuldenaar zijn van opeisbare vorderingen van deze, zijn verplicht op de daartoe gedane vordering van de Ontvanger, voor zover de gelden onder hen berustende of door hen verschuldigd strekken voor rekening van de belastingschuldige en vatbaar zijn voor beslag, de door dezen verschuldigde sommen te betalen zonder daartoe een rangregeling, verificatie of rechterlijke bevel af te wachten, tenzij onder hen beslag is gelegd of verzet gedaan is ter zake van vorderingen waaraan voorrang boven de vorderingen van ‘s Lands kas is toegekend. Zij zijn zelfs bevoegd de betaling uit eigen beweging te doen, voordat zij tot afgifte van de gelden of tot voldoening van het door hen verschuldigde overgaan. De kwitantie van de Ontvanger moet hen in rekening worden geleden. In gebreke blijvende aan de vordering van de Ontvanger te voldoen, worden zij door deze bij executoriaal beslag vervolgd op de wijze als bij Boek 2, titel 2, afdeling 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald. De kosten van vervolging zijn alsdan te hunnen laste, zonder recht van verhaal op de belastingschuldigen.
  2. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op werkgevers met betrekking tot het aan de in hun dienst zijnde personen verschuldigde loon. Zolang het in de vordering genoemd bedrag niet ten volle is gekweten zullen de werkgevers met de betaling moeten doorgaan naar gelang zij loon verschuldigd worden.
  3. De werkgevers zijn verplicht om aan de Ontvanger mede te delen wanneer een werknemer, om welke reden ook, zijn dienst verlaat. Deze mededeling wordt onverwijld gedaan en betreft alleen werknemers wier loon of salaris meer dan Cg 900,- per jaar bedraagt.

 

Artikel 10A

  1. Een transparante vennootschap als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen is hoofdelijk aansprakelijk voor de belastingen, bedoeld in artikel 1, onderdelen a, c of j van de Algemene landsverordening Landsbelastingen die verschuldigd zijn op het aan de deelgerechtigden toe te rekenen inkomen.
  2. De aansprakelijkheid, bedoeld in het eerste lid, bestaat voor:

a. de verschuldigde sommen die betrekking hebben op het inkomen en vermogen van de transparante vennootschap die op grond van artikel 3a, tweede lid, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen worden aangemerkt als het inkomen en vermogen van de deelgerechtigden tot het vermogen van de transparante vennootschap;
b. alle andere sommen die de transparante vennootschap verschuldigd zou zijn geweest, indien zij niet op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen had geopteerd voor behandeling als maatschap.

Artikel 11

  1. Bij de uitbetaling van bezoldigingen, verlofsbezoldigingen, non-activiteitstraktementen en wachtgelden van burgerlijke landsdienaren en van het personeel van de militaire politietroepen zal elke maand, tenzij de belasting binnen een maand na de dagtekening van het betrokken aanslagbiljet in haar geheel wordt voldaan, een deel van de aanslag in de inkomstenbelasting, in het lopend jaar opgelegd, worden ingehouden volgens voorschriften, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te geven.
  2. Het bepaalde in het voorgaande lid is eveneens van toepassing op pensioenen, welke door de Directeur van het Algemeen Pensioenfonds van Curaçao betaalbaar worden gesteld.
  3. Voor andere belastingschulden dan die in het eerste lid bedoeld, kan, op verzoek van de Ontvanger, door de betrokken ordonnateur korting op bezoldigingen, verlofsbezoldigingen, non-activiteitstraktementen en wachtgelden alsook op pensioenen en gagementen worden bevolen.
  4. De in het vorige lid bedoelde kortingen worden alleen toegepast wanneer van een aanslag in de inkomstenbelasting het totaal van meer dan twee en van aanslagen op grond van de andere belastingverordeningen het bedrag van meer dan één termijn achterstallig is, en indien geen regeling is getroffen en nagekomen als omschreven in artikel 8.
  5. De beperking van het beslag op loon is toepasselijk met betrekking tot de in de vorige leden bedoelde kortingen.

Artikel 12

(vervallen)

Artikel 12A

  1. De Ontvanger is ten aanzien van de belastingschuldige bevoegd aan hem uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake bedoelde belastingen en andere belastingen en heffingen met elkaar te verrekenen.
  2. Indien de belastingschuldige een dochtermaatschappij onderscheidenlijk een moedermaatschappij als bedoeld in artikel 1A, eerste lid, onderdelen d en e, van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 is, en met betrekking tot deze maatschappij de winstbelasting wordt geheven met toepassing van artikel 14 van even genoemde landsverordening, kunnen aan de belastingschuldige uit te betalen bedragen, behalve met de van deze te innen bedragen, worden verrekend met te innen bedragen van de moedermaatschappij dan wel van een andere dochtermaatschappij die vóór de heffing van de winstbelasting in deze is opgegaan, onderscheidenlijk met te innen bedragen van een dochtermaatschappij.
  3. Het tweede lid is mede van toepassing op aanslagbiljetten die zijn gedagtekend na de ontbinding van de fiscale eenheid, zoals geregeld in artikel 14 van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940, voor zover het aanslagbiljet betrekking heeft op de periode tot aan de gebeurtenis op grond waarvan de fiscale eenheid ten aanzien van de belastingschuldige wordt beëindigd.
  4. De Ontvanger stelt de belastingplichtige onverwijld in kennis van de verrekening.

Artikel 13

(vervallen)

Artikel 14

  1. ’s Lands kas heeft een voorrecht:
    A. Wat de grondbelasting aangaat:
    1°. op de aan de belastingschuldige toebehorende veld- en boomvruchten en verdere opbrengst van de goederen aan de belasting onderworpen, alsook op de verschuldigde en verschuldigd wordende pacht- of huurpenningen;
    2°. op de aan de belasting onderworpen goederen zelf.
    B. Wat de overige belastingen aangaat:
    op al de goederen van de belastingschuldige.
  2. Het voorrecht gaat boven alle andere voorrechten met uitzondering van die van de artikelen 287 en 288, onder a, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede dat van artikel 284 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek voor zover de kosten zijn gemaakt na de dagtekening van het aanslagbiljet. Het voorrecht gaat tevens boven pand, voor zover het pandrecht rust op een zaak of vrucht als is bedoeld in artikel 8 van de Landsverordening, houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften alsmede van de rechtspleging inzake van belastingen, bijdragen en vergoedingen , die zich bevindt in het bezit van de schuldenaar of in het huis, op de plantage of het erf, door hem bewoond of bij hem in gebruik en tegen inbeslagneming waarvan derden zich op die grond niet kunnen verzetten. Het behoudt deze rang in geval van faillissement van de belastingschuldige, ongeacht of tevoren inbeslagneming heeft plaatsgevonden.
  3. Het voorrecht vervalt twee jaren na de laatste dag van de uitreikingsperiode, bedoeld in artikel 2 dan wel na het in artikel 4 genoemde tijdstip ten aanzien van het in dit artikel bedoelde bevelschrift, of, zo binnen die termijn een dwangschrift tot betaling is betekend, twee jaar na de betekening van de laatste akte van vervolging. Ingeval uitstel van betaling is verleend, wordt de termijn van rechtswege met de tijd van het uitstel verlengd.

Artikel 14A

  1. De bepalingen van deze landsverordening omtrent de invordering en de voorrang strekken zich niet alleen uit tot de belasting zelf, doch ook tot de verschillende opcenten, de kosten en de interest op de belasting en/of opcenten.
  2. Onder kosten worden mede begrepen de kosten van vervolging.
  3. Onder opcenten worden verstaan de opcenten door het Land geheven.

Artikel 15

(vervallen)

Artikel 16

(vervallen)

 

Naar boven