Landsverordening op de Loonbelasting 1976 - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsverordening op de Loonbelasting 1976

Publicatienummer: P.B. 2026, no. 138 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsverordening
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 28-05-2026
Datum inwerktreding: 01-01-1976
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK IV Belastingen )


Landsbesluit van de 28ste mei 2026, no. 26/1456, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
01-01-1976 n.v.t. n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2026, no. 138 (GT) n.v.t.

Hoofdstuk I
Belastingplicht

Artikel 1

Onder de naam “loonbelasting” wordt een belasting van de werknemers geheven.

Artikel 2

  1. Werknemer is de natuurlijke persoon die tot een inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staat of van een inhoudingsplichtige loon geniet uit een vroegere dienstbetrekking van hemzelf of van een ander.
  2. Wie niet in Curaçao woont, wordt slechts als werknemer beschouwd voor zover hij:
    a. zijn dienstbetrekking in Curaçao vervult, dan wel loon geniet uit een vroeger in Curaçao vervulde dienstbetrekking;
    b. in dienstbetrekking staat tot een Curaçaose publiekrechtelijk rechtspersoon, dan wel uit andere hoofde loon geniet van een zodanige rechtspersoon;
    c. loon geniet uit een bestaande of vroegere functie door hemzelf of door een ander vervuld als bestuurder of commissaris van een in Curaçao gevestigd lichaam als bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940, ook in geval van beperking van de bevoegdheid tot buiten Curaçao gelegen gedeelten van de onderneming van dat lichaam.
  3. Krachtens wettelijk vruchtgenot aan een kind ontleend loon wordt geacht door het kind te zijn genoten.
  4. (vervallen)
  5. (vervallen)

Artikel 3

  1. Als dienstbetrekking wordt beschouwd elke arbeidsverhouding, waarbij een gezagsverhouding bestaat tussen degene die werk opdraagt en degene die het uitvoert.
  2. Onder dienstbetrekking wordt tevens verstaan de arbeidsverhouding van:
    a. de bestuurder of commissaris van een in Curaçao gevestigd lichaam als bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940;
    b. het kind van 14 jaar of ouder dat werkzaam is in de onderneming van zijn ouder, tenzij die onderneming mede voor zijn rekening wordt gedreven;
    c. personen die niet anders dan op provisiebasis werken;
    d. degene, die als artiest of beroeps-sportbeoefenaar optreedt en zijn woonplaats niet in Curaçao heeft;
    e. degene, wiens functie op een benoeming berust;
    f. degene die, anders dan in de uitoefening van een onderneming, zich verbindt om persoonlijk een werk van stoffelijke aard uit te voeren tegen een te betalen prijs;
    g. degene die de in onderdeel f bedoelde persoon bij het tot stand brengen van dat werk bijstaat;
    h. degene die, anders dan in de uitoefening van een onderneming, door tussenkomst van degene tot wie de arbeidsverhouding bestaat, persoonlijk arbeid verricht voor een derde;
    i. degene, die werkzaam is om vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen degene, die als leerling van een instelling van onderwijs praktisch werkzaam is, alsmede degene, die aan een bedrijfsschool opleiding ontvangt, een en ander indien een beloning wordt genoten, die niet uitsluitend bestaat in het ontvangen van onderricht.
  3. Het tweede lid, onderdelen f en g, vindt geen toepassing indien de in onderdeel f bedoelde verbintenis rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden dan wel met de openbare rechtspersoon het Land Curaçao.
  4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen bedrijfssectoren en -takken worden aangewezen ten aanzien waarvan het tweede lid, onderdelen f en g, niet van toepassing is.
  5. Als loon van de in het tweede lid, onder f, bedoelde uitvoerder wordt aangemerkt het gehele door de aanbesteder verstrekte loon, verminderd met het loon van de hulpen. Deze vermindering is slechts van toepassing voor zover de uitvoerder aan de aanbesteder een door hem en zijn hulpen ondertekende verklaring doet toekomen waaruit het loon van ieder van de hulpen blijkt.
  6. Onder loon uit vroegere dienstbetrekking van hemzelf of van een ander worden tevens verstaan de uitkeringen die de Sociale Verzekeringsbank doet op grond van:
    a. de Landsverordening Ziekteverzekering en de Landsverordening Ongevallenverzekering voor zover die niet door tussenkomst van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat, worden uitbetaald;
    b. de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering ;
    c. de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering ;
    d. de Cessantia-landsverordening .

Artikel 4

  1. Inhoudingsplichtige is:
    a. degene, tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan;
    b. degene, die aan een of meer personen loon uit vroegere dienstbetrekking tot hemzelf of tot een ander verstrekt.
  2. Als degene, tot wie de dienstbetrekking bestaat, wordt beschouwd in de gevallen bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder:
    a. het lichaam;
    b. de ouder;
    c. degene, van wie provisie genoten wordt;
    d. degene, met wie het optreden is overeengekomen;
    e. degene, te wiens laste de betaling komt;
    f. de aanbesteder;
    g. de aanbesteder;
    h. degene op wie de verplichting rust het loon te betalen;
    i. degene bij wie de werkzaamheden worden verricht of de opleiding wordt genoten.
  3. Degene tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat wordt geacht aan de werknemer het loon te verstrekken, dat deze uit hoofde van zijn dienstbetrekking geniet van een niet-inhoudingsplichtige.
  4. Wie buiten Curaçao woont of gevestigd is, wordt slechts als inhoudingsplichtige beschouwd indien hij in Curaçao:
    a. een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger heeft;
    b. één of meer personen in dienst heeft en door de Inspecteur als inhoudingsplichtige is aangewezen.
    Onverminderd het bepaalde in de vorige volzin worden ten aanzien van een niet in Curaçao wonende of gevestigde aannemer of onderaannemer als bedoeld in artikel 21a, eerste lid, de werkzaamheden ten behoeve van het werk te zijn verricht met behulp van een vaste inrichting in Curaçao indien de uitvoering van het werk langer duurt dan 30 dagen.
  5. Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel a, wordt als een vaste inrichting in ieder geval aangemerkt:
    a. de plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of montagewerkzaamheden indien de duur ervan 30 dagen overschrijdt;
    b. het verrichten van werkzaamheden die gericht zijn op het verlenen van tussenkomst ten behoeve van degenen die tegen beloning persoonlijke arbeid in Curaçao verrichten en een derde ten behoeve van wie die arbeid wordt verricht.
  6. Diplomatieke, consulaire en andere vertegenwoordigers van vreemde mogendheden en hun toegevoegde ambtenaren, alsmede bij ministeriële regeling met algemene werking aan te wijzen internationale organisaties en vertegenwoordigers en functionarissen daarvan, worden niet als inhoudingsplichtigen beschouwd. De consulaire vertegenwoordiger is evenwel inhoudingsplichtig, indien en voor zover hij naast het consulaire ambt een onderneming uitoefent.
  7. Inhoudingsplichtige voor het loon genoemd in artikel 3, zesde lid, is de Sociale Verzekeringsbank.
  8. Ter vergemakkelijking van de heffing van de inkomstenbelasting kunnen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, regels worden gegeven ingevolge welke loonbelasting mede wordt geheven van natuurlijke personen die:
    a. termijnen van lijfrente of andere periodieke uitkeringen of verstrekkingen genieten;
    b. uitkeringen genieten ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen;
    c. uitkeringen ten laste van een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrekening genieten.
  9. Ingeval artikel 6b toepassing vindt, is in afwijking van het eerste lid voor de aanspraak die ingevolge dat artikel als loon wordt aangemerkt, inhoudingsplichtige degene die als verzekeraar van die aanspraak optreedt.

Hoofdstuk II
Voorwerp van de belasting

Artikel 5

  1. De belasting wordt geheven naar het belastbaar loon.
  2. Belastbaar loon is het gezamenlijke bedrag aan loon verminderd met de bedragen als bedoeld in artikel 6g.

Artikel 6

  1. Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.
  2. Tot het loon behoren mede de stortingen van de werkgever ten name van de werknemer in een spaar- of voorzieningsfonds, alsmede de op het tegoed bijgeschreven rente. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen regels gegeven worden waaraan spaar- of voorzieningsfondsen moeten voldoen.
  3. Degene, tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat, wordt geacht de uitkeringen van ongevallengelden en ziekengelden ingevolge de Landsverordening Ongevallenverzekering en de Landsverordening Ziekteverzekering, welke door zijn tussenkomst worden uitbetaald, als loon uit de dienstbetrekking te verstrekken.
  4. Tot het loon behoren aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.
  5. Onder aanspraken worden mede verstaan rechten op geheel of gedeeltelijk betaald verlof.
  6. Tot het loon behoren uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een tot het loon behorende aanspraak voor zover de aanspraak in afwijking van hetgeen bij of krachtens deze landsverordening is bepaald, bij de bepaling van de verschuldigde belasting niet als loon in aanmerking is genomen.
  7. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen in bepaalde gevallen of groepen van gevallen regels gegeven worden met betrekking tot het bedrag aan fooien en dergelijke prestaties van derden dat geacht wordt te zijn genoten. Hierbij kan ook bepaald worden dat een bedrag ter zake niet tot het loon behoort.

Artikel 6a

  1. Niet in geld genoten loon (loon in natura) wordt in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, met dien verstande dat ingeval door een derde, niet zijnde een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap, ter zake van het niet in geld genoten loon een bedrag aan de inhoudingsplichtige in rekening wordt gebracht, het door de derde in rekening gebrachte bedrag in aanmerking wordt genomen. Voor zover de verwerving van het loon het gebruik of verbruik daarvan meebrengt wordt de waarde ten hoogste gesteld op het bedrag van de besparing.
  2. Met betrekking tot niet in geld genoten loon in de vorm van verstrekkingen van branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap, wordt, in zoverre in afwijking van het eerste lid, ingeval voor de aanschaf van deze producten in het economische verkeer aan een derde, onder voor het overige overeenkomstige omstandigheden, een bedrag in rekening zou worden gebracht, het aan deze derde in rekening te brengen bedrag in aanmerking genomen.
  3. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen regels gesteld worden op grond waarvan de waarde van het volgende niet in geld genoten loon op een lager bedrag kan worden gesteld dan het ingevolge de vorige leden in aanmerking te nemen bedrag:
    a. voorzieningen die geheel of gedeeltelijk gebruikt of verbruikt worden op een bij die ministeriële regeling aan te wijzen werkplek;
    b. rente van personeelsleningen;
    c. het genot van een in het kader van de dienstbetrekking ter beschikking gestelde woning.
  4. De waarde van een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen wordt gesteld op de bedragen die bij een derde worden gestort, of voor zover geen stortingen worden verricht, zouden moeten worden gestort teneinde de aanspraak te dekken.
  5. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de waardering van aanspraken.
  6. De ingevolge de vorige leden in aanmerking te nemen waarde wordt verminderd met het bedrag dat de werknemer ter zake in rekening wordt gebracht, met dien verstande dat de aldus verminderde waarde ten minste op nihil wordt gesteld.

Artikel 6b

  1. Indien aan een werknemer mede voor privé doeleinden een personenauto ter beschikking is gesteld, wordt het loon in natura op basis van een kalenderjaar gesteld op een bedrag gelijk aan 15 procent van de nieuwwaarde, met inbegrip van de omzetbelasting en de invoerheffingen, van de auto, tenzij de werknemer aantoont dat die auto niet voor privé doeleinden, waaronder woon-werkverkeer, wordt gebruikt.
  2. Een door de werknemer aan de inhoudingsplichtige betaalde vergoeding ter zake van het gebruik van de personenauto voor privé doeleinden komt in mindering op de in het eerste lid bedoelde bijtelling tot ten hoogste het bedrag van die bijtelling. Andere vergoedingen of gemaakte onkosten kunnen niet in mindering worden gebracht.
  3. Als personenauto in de zin van dit artikel wordt mede beschouwd een automobiel voor zowel personen- als goederenvervoer.

Artikel 6c

  1. Ingeval in het kader van een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking met een werknemer een aandelenoptierecht is overeengekomen, behoort niet de waarde van dat recht tot het loon doch hetgeen door de werknemer ter zake van de uitoefening of vervreemding van dat recht wordt genoten.
  2. Het loon dat ingevolge het eerste lid in aanmerking wordt genomen, wordt verminderd met het bedrag dat de werknemer ter zake van het aandelenoptierecht in rekening is gebracht, maar niet verder dan tot nihil.
  3. Indien zulks plaatsvindt in het kader van een aandelenfusie, een splitsing van een rechtspersoon, een fusie van een rechtspersoon of een overname van 50 procent of meer van de aandelen in de inhoudingsplichtige of een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap wordt als uitoefening of vervreemding van een aandelenoptierecht niet beschouwd:
    a. het wijzigen van de voorwaarden van het optierecht ter zake van het aandeel waarop het optierecht ziet; of
    b. het vervangen van het optierecht door een ander aandelenoptierecht waarbij dat andere optierecht ziet op een ander aandeel, tenzij aannemelijk is dat het wijzigen of het vervangen van het aandelenoptierecht, in meer dan betekenende mate plaatsvindt om belastingheffing ter zake van het recht uit te stellen of te ontgaan.
  4. Onder vervreemding wordt mede begrepen het formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid worden, het brengen in het vermogen van een onderneming, alsmede het ontvangen van een schadeloosstelling als bedoeld in artikel 320 of artikel 349 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De overgang onder algemene titel van een aandelenoptierecht wordt niet als een vervreemding aangemerkt.
  5. Ingeval bij vervreemding van een aandelenoptierecht de tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst, wordt als genoten bedrag aangemerkt de waarde in het economische verkeer welke ten tijde van de vervreemding aan het recht kan worden toegekend.
  6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een aandelenoptierecht verstaan een recht om een of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten te verwerven in de inhoudingsplichtige vennootschap of in een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap, of een daarmee gelijk te stellen recht.
  7. Voor de toepassing van deze landsverordening wordt onder een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap verstaan:
    a. een vennootschap waarin de inhoudingsplichtige voor ten minste een derde gedeelte belang heeft;
    b. een vennootschap die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de inhoudingsplichtige;
    c. een vennootschap waarin een derde voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, terwijl deze derde tevens voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de inhoudingsplichtige.
  8. Voor de toepassing van dit artikel wordt, indien een inhoudingsplichtige vennootschap of een met de inhoudingsplichtige vennootschap verbonden vennootschap is betrokken bij een splitsing of een fusie op de voet van artikel 335 onderscheidenlijk artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, onder die vennootschap mede verstaan de verkrijgende vennootschap in de zin van die artikelen alsmede de vennootschap die vóór de splitsing onderscheidenlijk fusie werd aangemerkt als een met de inhoudingsplichtige vennootschap verbonden vennootschap.

Artikel 6d

  1. Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij direct dan wel indirect een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 wordt het in een kalenderjaar genoten loon ten minste gesteld op:
    a. een bedrag dat gelijk is aan 50 procent van de omzet van het lichaam; dan wel,
    b. een bedrag van Cg 50.000 indien de omzet van het lichaam meer bedraagt dan Cg 100.000; dan wel,
    c. indien aannemelijk is dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is, een bedrag dat gelijk is aan dat lagere loon; dan wel,
    d. indien bij het lichaam of daarmee verbonden lichamen ook andere werknemers in dienst zijn, een bedrag dat niet lager is dan het hoogste loon van de overige werknemers. Ingeval aannemelijk is dat het loon, gelet op wat gebruikelijk is in het economische verkeer waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, op een lager bedrag behoort te worden gesteld dan het hoogste loon van de overige werknemers wordt het, in afwijking in zoverre van de vorige volzin, op een zodanig bedrag gesteld dat het niet meer in belangrijke mate afwijkt van hetgeen gebruikelijk is. Het loon wordt in de gevallen genoemd in de voorgaande twee volzinnen nimmer op een lager bedrag gesteld dan het bedrag dat in het desbetreffende geval geldt ingevolge onderdeel a dan wel onderdeel b.
  2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt het in een kalenderjaar genoten loon in het jaar van oprichting van het lichaam en de drie daaropvolgende kalenderjaren op verzoek van de werknemer gesteld op het bedrag van de commerciële winst van het lichaam, indien deze lager is dan het bedrag ingevolge het eerste lid, doch niet op een lager bedrag dan nihil.
  3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van meerdere lichamen waarin hij direct dan wel indirect een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943, met dien verstande dat alsdan de totale omzet van die lichamen gezamenlijk in aanmerking wordt genomen. Het aldus vastgestelde loon geldt voor alle lichamen gezamenlijk.
  4. (vervallen)
  5. Dit artikel is niet van toepassing indien het bij toepassing van het eerste lid, onderdeel a, vast te stellen loon voor de arbeid in het lichaam, bedoeld in het eerste lid, of daarmee verbonden lichamen, in het kalenderjaar niet hoger is dan Cg 12.500.
  6. In bijzondere situaties kan de Inspecteur op verzoek van de werknemer voor een periode van twee kalenderjaren bij voor bezwaar vatbare beschikking bepalen de toepassing van het eerste lid achterwege te laten. Bij ministeriële regeling met algemene werking worden bijzondere situaties als bedoeld in de eerste volzin vastgesteld.

Artikel 6e

  1. De in Curaçao wonende of gevestigde inhoudingsplichtige wordt geacht met het door hem verschuldigde loon van een in Curaçao wonende werknemer tevens te verstrekken het loon dat de werknemer zonder toepassing van dit artikel zou hebben genoten als werknemer van een andere inhoudingsplichtige, indien:
    a. de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking tevens werkzaam is als werknemer van die andere inhoudingsplichtige onder de verplichting het hem toekomende loon af te staan aan de inhoudingsplichtige; en
    b. die andere inhoudingsplichtige het bedoelde loon rechtstreeks afdraagt aan de inhoudingsplichtige en aan de werknemer geen verstrekkingen verstrekt die niet vooraf aan de inhoudingsplichtige zijn medegedeeld.
    Aan de voorwaarde in de eerste volzin, onderdeel a, dat de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking tevens werkzaam is als werknemer van een andere inhoudingsplichtige is ook voldaan indien de inhoudingsplichtige waaraan het loon wordt afgestaan een lichaam is waarin de werknemer een aanmerkelijk belang heeft in de zin van artikel 11, derde lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943, de werknemer via dit lichaam een belang heeft in de andere inhoudingsplichtige en dit belang tezamen met zijn werkzaamheden voor die andere inhoudingsplichtige materieel grotendeels overeenkomt met het aandeel en de werkzaamheden van een vennoot in een openbare vennootschap.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een buiten Curaçao wonende werknemer ingeval het aan de inhoudingsplichtige afgestane loon voor de toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting niet anders zou worden behandeld dan het door deze inhoudingsplichtige aan de werknemer uit te betalen loon.
  3. Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing als de Inspecteur de inhoudingsplichtige die zonder toepassing van deze leden belasting had moeten inhouden, op gezamenlijk verzoek van deze inhoudingsplichtige, de inhoudingsplichtige aan wie het loon wordt afgestaan en de werknemer bij voor bezwaar vatbare beschikking, die te allen tijde bij nadere, voor bezwaar vatbare, beschikking kan worden herroepen, heeft vastgesteld dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan.
  4. Het derde lid is niet van toepassing indien:
    a. de werknemer een aanmerkelijk belang heeft in de zin van de artikel 11, derde lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 in zowel de inhoudingsplichtige die zonder toepassing van dit artikel belasting had moeten inhouden als in de inhoudingsplichtige aan wie het loon wordt afgestaan; en
    b. de inhoudingsplichtige aan wie het loon wordt afgestaan aangifte doet in overeenstemming met het eerste of tweede lid.

Artikel 6f

  1. Tot het loon worden niet gerekend:
    a. aanspraken ingevolge een pensioenregeling, een en ander volgens de in of krachtens hoofdstuk IIA gestelde normeringen en beperkingen;
    b. aanspraken ingevolge de Landsverordening Ongevallenverzekering, de Landsverordening Ziekteverzekering, de Cessantia-landsverordening en de Landsverordening basisverzekering ziektekosten;
    c. aanspraken, die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel b;
    d. aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon, mits:
    1° deze aanspraken voorzien in aan de werknemer of gewezen werknemer toekomende periodieke uitkeringen die niet later ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of in periodieke uitkeringen die bij zijn overlijden ingaan en toekomen aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot dan wel degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd en met wie geen bloed-of aanverwantschap in de rechte lijn bestaat, of aan zijn kinderen of pleegkinderen die de leeftijd van 27 jaar nog niet hebben bereikt;
    2° voor deze aanspraken als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 1 van de Beschikking Pensioenen, eerste lid, onderdelen a, b, d of e, of de natuurlijke persoon tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of heeft gestaan; en
    3° deze aanspraken niet zijn opgekomen ingevolge artikel 6c (aandelenoptie);
    e. aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit;
    f. aanspraken:
    1° op vakantieverlof en compensatieverlof, voor zover deze aanspraken aan het einde van het kalenderjaar in totaal niet meer bedragen dan de arbeidsduur per week gerekend over een periode van vijftig weken;
    2° op bij ministeriële regeling aan te wijzen geclausuleerd verlof;
    3° op verlof tijdens rust- en feestdagen;
    g. aanspraken op vergoedingen en verstrekkingen ter zake van op de werknemer drukkende uitgaven voor het volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van loon;
    h. aanspraken van de werknemer op vrije geneeskundige behandeling en verpleging en op tegemoetkoming in ziektekosten;
    i. aanspraken op een eenmalige uitkering bij de beëindiging van de dienstbetrekking anders dan vanwege arbeidsongeschiktheid of overlijden van de werknemer;
    j. de premies door de werkgever betaald ingevolge de Landsverordening Ongevallenverzekering, de Landsverordening Ziekteverzekering en de Cessantia-landsverordening;
    k. eenmalige uitkeringen en verstrekkingen ter zake van het overlijden van de werknemer voor zover deze uitkeringen en verstrekkingen driemaal het loon over een maand niet overtreffen. Het loon wordt in aanmerking genomen met inachtneming van het volgende:
    1° artikel 6g vindt geen toepassing;
    2° tantièmes en toevallige bijzondere beloningen, alsmede tot het loon behorende aanspraken worden niet in aanmerking genomen;
    l. de toeslagen van de werkgever op het loon van de werknemer, ter compensering van de door de werknemer verschuldigde premies, ingevolge de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering, de Landsverordening Algemene Weduwen- en Wezenverzekering, de Landsverordening Algemene Verzekering Bijzondere Ziektekosten en de Landsverordening basisverzekering ziektekosten;
    m. de bijdragen van de werkgever voor een pensioenregeling een en ander volgens de in of krachtens hoofdstuk IIA gestelde normeringen en beperkingen;
    n. de bijdragen van de werkgever ten behoeve van de werknemer, diens echtgenote en kinderen gemaakte kosten in verband met geneeskundige behandeling en verpleging;
    o. vergoedingen voor zover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten tot verwerving van het loon, behoudens ter zake van:
    1° posten als bedoeld in artikel 9C, eerste lid, met uitzondering van onderdeel h, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943;
    2° vervoerskosten als bedoeld in artikel 9C, derde lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 voor zover meer wordt vergoed dan de aldaar genoemde prijs per kilometer;
    3° vaste vergoedingen voor zover niet is voldaan aan bij ministeriële regeling met algemene werking te stellen regels;
    p. uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking geleden schade aan of verlies van persoonlijke zaken;
    q. uitkeringen tot dekking van op de werknemer drukkende kosten van zijn opleiding of studie voor een beroep, alsmede verstrekkingen met betrekking tot zodanige opleiding of studie;
    r. geschenken ter gelegenheid van algemeen erkende feestdagen, een jubileum van de inhoudingsplichtige, dan wel de verjaardag en andere persoonlijke feestdagen van de werknemer voor zover de waarde die daaraan in het economisch verkeer kan worden toegekend Cg 250 per jaar niet overtreft, met overeenkomstige toepassing van het bij en krachtens artikel 6a, bepaalde;
    s. de verstrekking en terbeschikkingstelling van computers en bijbehorende apparatuur, als mede de vergoeding van kosten daarvan, dan wel de omwisseling van maximaal 24 verlofuren, voor zover de waarde in het economisch verkeer van de computers en de apparatuur tezamen in het kalenderjaar en de twee voorafgaande jaren niet meer bedraagt en aannemelijk is dat zij mede dienen ter vervulling van de dienstbetrekking;
    t. verstrekkingen van consumpties tijdens werktijd, niet zijnde maaltijden;
    u. bijdragen van de inhoudingsplichtige ter aflossing van schulden, die zijn aangegaan ter zake van de financiering van een opleiding of studie voor een beroep, alsmede daarmee verband houdende – bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen – kosten en lasten, tot een bedrag van Cg 10.000 per jaar gedurende een periode van maximaal tien jaar. Artikel 8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. De termijn van 10 jaar geldt ook bij opeenvolgende inhoudingsplichtigen;
    v. overwerkloon, in de zin van de Arbeidsregeling 2000 , tot ten hoogste 10 uren per week, mits het bruto jaarinkomen van de werknemer niet hoger is dan de inkomensgrens vermeld in artikel 3 van de Arbeidsregeling 2000. De eerste volzin is van toepassing voor zover de Inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking het verzoek daartoe heeft goedgekeurd.
  2. Bij of krachtens ministeriële regeling met algemene werking kan worden bepaald dat eveneens niet tot het loon behoren andere aanspraken dan bedoeld in het eerste lid, indien zulks tot vergemakkelijking van de heffing van de belasting kan leiden.
  3. Voor zover de aanspraken op vakantieverlof en compensatieverlof aan het einde van het kalenderjaar in totaal de in het eerste lid, onderdeel f, onder i, opgenomen begrenzingen overschrijden, wordt het meerdere geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt.
  4. Voor aanspraken op periodieke uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, waarvan de uitkeringen eindigen uiterlijk op het tijdstip waarop de gerechtigde de leeftijd van 27 jaar bereikt, is de grootte van de kans op overlijden van de gerechtigde niet van belang.
  5. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel v, wordt door de inhoudingsplichtige binnen twee weken na aanvang van het kalenderjaar bij de Inspecteur ingediend. Het verzoek omvat het overwerkregister bedoeld in artikel 30 van de Arbeidsregeling 2000 en een schatting van de duur van het te verrichten overwerk per werknemer voor het lopend jaar.
  6. De inspecteur beslist op het verzoek, binnen een termijn van twee weken na ontvangst van het verzoek dat voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel v, van artikel 6. Indien de Inspecteur binnen de gestelde termijn geen beschikking heeft afgegeven, wordt het verzoek geacht te zijn toegewezen.

Artikel 6g

Het belastbaar loon wordt verkregen door het loon te verminderen, indien het een dienstbetrekking betreft van:
a. een in Curaçao wonende werknemer:
i. met Cg 500 ingeval van een bestaande dienstbetrekking, met dien verstande dat de aftrek niet meer bedraagt dan dat loon;
ii. met de bijdragen van een werknemer in de verschuldigde premies ingevolge de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering en de Landsverordening Algemene Weduwen- en Wezenverzekering;
iii. met aanspraken ingevolge een pensioenregeling, een en ander volgens de in of krachtens hoofdstuk IIA gestelde normeringen en beperkingen;
iv. met 5 procent tot een maximum bedrag van Cg 840 voor de aan het loon verbonden verplichte bijdragen in spaar- en voorzieningsfondsen.
b. een niet in Curaçao wonende werknemer: met Cg 500 ingeval van een bestaande dienstbetrekking, met dien verstande dat de aftrek niet meer bedraagt dan dat loon.

Hoofstuk IIA
Pensioenregeling

Artikel 6h

  1. Onder pensioenregeling wordt verstaan een regeling die uitsluitend:
    a. ten doel heeft de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit of ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 27 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest; en
    b. een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen, mede in verband met diensttijd en genoten beloningen redelijk moet worden geacht en waarvan het lichaam dat als verzekeraar van een pensioen optreedt de pensioenverplichting voor de heffing van de winstbelasting rekent tot het binnenlands ondernemingsvermogen.
  2. De Minister is bevoegd om:
    a. nadere regels te geven ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b;
    b. onder door hem te stellen voorwaarden, bepaalde regelingen of groepen van regelingen die afwijken van het in het eerste lid bepaalde, als pensioenregeling in de zin van dit artikel aan te wijzen.

Artikel 6i

  1. Ingeval van een gebeurtenis als hierna bedoeld, wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of de gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak:
    a. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling is niet langer als zodanig aan te merken;
    b. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid;
    c. een in Curaçao gevestigd lichaam dat als verzekeraar van een pensioen optreedt, houdt op in Curaçao te zijn gevestigd dan wel rekent de pensioenverplichting niet langer geheel tot het binnenlandse ondernemingsvermogen;
    d. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is.
  2. Ingeval een verplichting ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar wordt de aanspraak ingevolge die regeling geacht te worden afgekocht. De eerste volzin is niet van toepassing voor zover deze verplichting geheel of gedeeltelijk overgaat naar een in Curaçao gevestigde verzekeraar die de pensioenverplichting rekent tot zijn binnenlands ondernemingsvermogen.
  3. De Minister is bevoegd om, onder daarvoor te stellen voorwaarden, het tweede lid, laatste volzin, ook van toepassing te verklaren op een pensioenverplichting welke geheel of gedeeltelijk overgaat op een in Nederland, Aruba, dan wel een verdragsland gevestigde verzekeraar.

Hoofdstuk III
Wijze van berekening en inhouding

Artikel 7

  1. Het loon genoten over een ander loontijdvak dan een jaar wordt tot een voljaarsloon herleid.
    Loontijdvak is het tijdvak waarover het loon wordt verkregen.
    Bij die herleiding wordt voor:
    a. halve-dagloners een jaar op 520 halve dagen gesteld;
    b. dagloners een jaar op 260 dagen gesteld;
    c. weekloners een jaar op 52 weken gesteld;
    d. quincena-loners een jaar op 26 quincena’s gesteld;
    e. maandloners een jaar op 12 maanden gesteld;
    f. kwartaalloners een jaar op 4 kwartalen gesteld.
  2. Een loontijdvak van niet meer dan 4 uren wordt op een halve dag gesteld.
  3. Als voljaarsloon geldt voor de toepassing van deze landsverordening het in het kalenderjaar te verkrijgen loon, indien over het gehele jaar van de inhoudingsplichtige loon zou worden verkregen.
    Hierbij wordt uitgegaan van het loon over het tijdvak, hetwelk bij de aanvang van het kalenderjaar wordt verkregen of zo de dienstbetrekking in de loop van het kalenderjaar is ontstaan, het loon over het tijdvak, bij de aanvang van de dienstbetrekking.
  4. (vervallen)
  5. (vervallen)

Artikel 8

  1. Het bedrag van de verschuldigde belasting over een loontijdvak van een jaar wordt bepaald overeenkomstig de artikelen 24, eerste lid en 24A van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943.
  2. Indien de werknemer over loontijdvakken die geheel of gedeeltelijk samenvallen loon geniet uit meer dan één dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking dan wel van meer dan één inhoudingsplichtige en dit loon voor de berekening van de belasting niet wordt samengevoegd, kan de werknemer de basiskorting, kindertoeslag, alleenverdienertoeslag en de ouderentoeslag slechts in één dienstbetrekking dan wel tegenover één inhoudingsplichtige geldend maken.
  3. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen voor de heffing van het bedrag bedoeld in het eerste lid loonbelastingtabellen, waaronder begrepen de tabel voor bijzondere beloningen bedoeld in het vierde lid, worden vastgesteld voor loontijdvakken die nodig worden geacht. Bij het opstellen van deze tabellen kunnen loonklassen en afrondingen worden aangebracht.
  4. Tantièmes, gratificaties, overwerkloon anders dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel v, van artikel 6f en andere beloningen welke gewoonlijk slechts éénmaal of éénmaal per jaar worden genoten worden belast volgens de tabel voor bijzondere beloningen. In deze tabel worden jaarlonen en belastingpercentages opgenomen. Bij elk jaarloon komt het belastingpercentage overeen met het percentage dat verschuldigd is van de laatste duizend gulden van 90 procent van het belastbaar loon, bedoeld in artikel 6g.
  5. In de gevallen dat toepassing van dit artikel tot hardheden leidt, is de Inspecteur bevoegd, hetzij op verzoek, hetzij ambtshalve deze hardheden op te heffen.
  6. Indien dit niet tot een hoger belastingbedrag leidt mogen de in het vierde lid bedoelde beloningen worden beschouwd als een toevoeging aan het loon over het loontijdvak waarin zij worden uitbetaald.
  7. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid wordt als jaarloon in aanmerking genomen:
    a. het in dat jaar genoten loon ingeval de werknemer over het gehele voorafgaande kalenderjaar van de inhoudingsplichtige loon heeft genoten; of
    b. het tot een jaarloon herleide bedrag van het in dat jaar genoten loon ingeval de werknemer over een gedeelte van het voorafgaande jaar van de inhoudingsplichtige loon heeft genoten.
  8. (vervallen)

Artikel 8a

(vervallen)

Artikel 9

  1. In afwijking van het in artikel 8 bepaalde wordt de belasting berekend op basis van het hoogste tarief genoemd in de tabel van artikel 24, eerste lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 ingeval:
    a. de werknemer zijn naam, adres of woonplaats niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt;
    b. de inhoudingsplichtige bij een werknemer die loon uit tegenwoordige arbeid geniet diens identiteit niet heeft vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig artikel 19a, eerste lid;
    c. de werknemer ter zake van de onderdelen a en b onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit wist of redelijkerwijs had moeten weten.
  2. In afwijking van het in artikel 8 bepaalde wordt de belasting ten aanzien van de buiten Curaçao wonende artiest die een overeenkomst van korte duur om als artiest op te treden is aangegaan berekend op basis van het laagste tarief genoemd in de tabel van artikel 24, eerste lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 over de overeengekomen vergoedingen verminderd met de in artikel 6f, eerste lid, onderdeel n, bedoelde bedragen.
  3. In afwijking van het in artikel 8 bepaalde bedraagt het tarief ten aanzien van uitkeringen ten laste van een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrekening als bedoeld in artikel 16AA van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 19,5 procent. Ingeval van een gebeurtenis als bedoeld in artikel 16AA, elfde lid, van even genoemde landsverordening is in afwijking van de vorige volzin het tarief gelijk aan het hoogste tarief van de tabel genoemd in artikel 24, eerste lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943. Tevens is dan een boete verschuldigd ten bedrage van 25 procent van het saldo van de lijfrentespaarrekening of de lijfrentebeleggingsrekening, welke tegelijkertijd met de belasting door de inhoudingsplichtige moet worden ingehouden en afgedragen. In afwijking van de vorige volzin komt, in geval van een gebeurtenis als bedoeld in artikel 16AA, elfde lid, onderdeel c, de boete voor rekening van de inhoudingsplichtige en moet door deze worden voldaan zonder inhouding op het saldo van de rekening.

Artikel 10

  1. Loon wordt beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het loon:
    a. betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt; dan wel
    b. vorderbaar en tevens inbaar wordt.
  2. Indien is overeengekomen dat het loon op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten, wordt daarmee voor de toepassing van het eerste lid geen rekening gehouden.
  3. Voor zover ingevolge artikel 6d het loon hoger is dan het werkelijk genoten loon, wordt het meerdere geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt.

Artikel 11

  1. De belasting wordt geheven door inhouding op het loon.
  2. De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop het loon wordt genoten.
  3. De inhouding vindt plaats volgens de op het tijdstip van inhouding geldende tabel.
  4. Overtreft de belasting het van de inhoudingsplichtige genoten loon in geld, dan wordt het ontbrekende geacht te zijn ingehouden op het tijdstip waarop het loon wordt genoten, met dien verstande dat de inhoudingsplichtige bevoegd is dat ontbrekende te verhalen op de werknemer.
  5. Ingeval op grond van een verdrag of andere regeling ter voorkoming van dubbele belasting geen loonbelasting behoort te worden ingehouden, mag de inhoudingsplichtige de inhouding slechts achterwege laten, indien de werknemer hem een daartoe strekkende verklaring van de Inspecteur heeft doen toekomen.
  6. De inhoudingsplichtige is verplicht de in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte af te dragen.

Artikel 12

(vervallen)

Hoofdstuk IV
Naheffing en administratieve boeten
(vervallen)

Artikelen 13 tot en met 15

(vervallen)

Hoofdstuk V
Bezwaar en beroep
(vervallen)

Artikelen 16 tot en met 18

(vervallen)

Hoofdstuk VI
Bijzondere bepalingen

Artikel 19

  1. De inhoudingsplichtige is gehouden:
    a. een loonboekhouding te voeren, waaruit duidelijk blijkt aan de hand waarvan en de wijze waarop de belasting werd berekend en ingehouden;
    b. van de werknemer opgave te vragen van gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn. Tot de bedoelde gegevens behoort mede het ID-nummer dan wel het Crib-nummer;
    c. de identiteit van de loon uit tegenwoordige arbeid genietende werknemer vast te stellen aan de hand van een geldig paspoort, rijbewijs, dan wel een geldige identiteitskaart, alsmede de aard, het nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen;
    d. aan de werknemer opgave te verstrekken van het in een kalenderjaar genoten loon, van de ingehouden belasting en van andere gegevens welke van belang kunnen zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting. Bij beëindiging van de dienstbetrekking in de loop van het kalenderjaar moet de verklaring desgevraagd worden gegeven over de tijd, waarin de werknemer in dat kalenderjaar bij hem in dienstbetrekking was. De verklaring wordt binnen tien dagen na het verzoek van de werknemer afgegeven.
  2. Om de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, te verkrijgen, reikt de inhoudingsplichtige aan de werknemer een loonbelastingverklaring uit:
    a. zodra hij ten aanzien van de werknemer inhoudingsplichtige wordt;
    b. op verzoek van de werknemer;
    c. zodra hij weet dat zich een wijziging heeft voorgedaan in de gegevens die de werknemer in de laatst ingeleverde loonbelastingverklaring heeft verstrekt en die wijziging tot gevolg heeft dat de werknemer een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.
  3. De inhoudingsplichtige bewaart de loonbelastingverklaring bij de loonboekhouding tot tien jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd, dan wel waarin de loonbelastingverklaring door een ander is vervangen. Desgevorderd doet de inhoudingsplichtige de loonbelastingverklaring aan de Inspecteur toekomen binnen een door deze gestelde termijn.

Artikel 19a

  1. De werknemer is verplicht volgens bij ministeriële regeling met algemene werking te stellen regels aan de inhoudingsplichtige opgave te verstrekken van gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn en, ingeval de werknemer loon uit tegenwoordige arbeid geniet, een op hem betrekking hebbend geldig paspoort, rijbewijs, dan wel een geldige identiteitskaart ter inzage te verstrekken en een afschrift van het ter inzage verstrekte document in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige te laten opnemen.
  2. Tot de in het eerste lid bedoelde gegevens behoort mede het ID-nummer dan wel het Crib-nummer.
  3. De werknemer verzoekt de inhoudingsplichtige om uitreiking van een loonbelastingverklaring indien zich een wijziging voordoet met betrekking tot de omstandigheden die voor de heffing van belang zijn.
  4. De werknemer aan wie een loonbelastingverklaring is uitgereikt, is verplicht de daarbij gevraagde gegevens te verstrekken door de loonbelastingverklaring duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend in te leveren bij de inhoudingsplichtige vóór de eerste loonverstrekking waarbij de te verstrekken gegevens van belang zijn voor de inhouding van belasting.

Artikel 20

(vervallen)

Artikel 21

  1. Hoofdelijk aansprakelijk is:
    a. voor de belasting en de administratieve boete verschuldigd door een niet in Curaçao wonende of gevestigde inhoudingsplichtige: de leider van zijn vaste inrichting in Curaçao, zijn in Curaçao wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger, dan wel degene, die de leiding heeft van de hier te lande verrichte werkzaamheden;
    b. voor de belasting en de administratieve boete verschuldigd door een in Curaçao gevestigde rechtspersoon: ieder van de bestuurders;
    c. voor de belasting en de administratieve boete verschuldigd door een niet rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap of vereniging: ieder van de bestuurders;
    d. voor de belasting en de administratieve boete verschuldigd door twee of meer inhoudingsplichtigen: ieder van de inhoudingsplichtigen;
    e. voor de belasting welke de inhoudingsplichtige verschuldigd is in verband met het verrichten van werkzaamheden door een werknemer die met instandhouding van de dienstbetrekking tot de inhoudingsplichtige door deze ter beschikking is gesteld van een derde om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn: die derde, behoudens voor zover hij aantoont dat te zijnen aanzien een te hoog bedrag aan belasting in aanmerking is genomen. Onder derde worden niet begrepen de openbare rechtspersoon Curaçao of een andere Curaçaose publiekrechtelijke rechtspersoon.
  2. De werknemer kan hoofdelijk aansprakelijk gesteld worden voor de van hem ten onrechte niet ingehouden loonbelasting, tenzij hij de Inspecteur tijdig van de nalatigheid van de inhoudingsplichtige in kennis heeft gesteld.
  3. Indien de inhoudingsplichtige niet in Curaçao woont of gevestigd is, kan de werknemer mede aansprakelijk worden gesteld voor de verschuldigde belasting.
  4. Met afwijking in zoverre van hetgeen in artikel 11, eerste lid, is bepaald, kan de werknemer, die in dienstbetrekking is bij een niet in Curaçao wonende of gevestigde inhoudingsplichtige en die Curaçao wenst te verlaten, terstond mede aansprakelijk gesteld worden voor de verschuldigde belasting.

Artikel 21a

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:
    a. aannemer: degene, die zich jegens een ander, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard uit te voeren tegen een te betalen prijs;
    b. onderaannemer: degene, die zich jegens een aannemer verbindt om buiten dienstbetrekking het onder a bedoelde werk geheel of gedeeltelijk uit te voeren tegen een te betalen prijs.
  2. Voor de toepassing van dit artikel wordt de onderaannemer ten opzichte van zijn onderaannemer als aannemer beschouwd.
  3. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een aannemer gelijkgesteld degene, die zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard uitvoert.
  4. Voor de toepassing van dit artikel wordt ten opzichte van de aannemer als onderaannemer beschouwd de verkoper van een toekomstig goed, indien en voor zover de koop en verkoop voortvloeit uit of verband houdt met het in het eerste lid, onder a, bedoelde werk.
  5. De aannemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de belasting:
    a. die de onderaannemer en, indien een werk geheel of gedeeltelijk door een of meer volgende onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer verschuldigd is in verband met het verrichten van werkzaamheden door zijn werknemers ter zake van dat werk, behoudens voor zover hij aannemelijk maakt dat te zijnen aanzien een te hoog bedrag aan belasting in aanmerking is genomen;
    b. waarvan de onderaannemer en, indien een werk geheel of gedeeltelijk door een of meer volgende onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer ingevolge artikel 21, eerste lid, onder e, hoofdelijk aansprakelijk is ter zake van dat werk, behoudens voor zover hij aannemelijk maakt dat te zijnen aanzien een te hoog bedrag aan belasting in aanmerking is genomen.
  6. Indien en voor zover een aannemer ingevolge een schriftelijke overeenkomst met een onderaannemer het bedrag waarvoor hij op grond van het vijfde lid hoofdelijk aansprakelijk is heeft overgemaakt op een rekening die door die onderaannemer bij een ingevolge de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994 ingeschreven kredietinstelling ter zake van dat werk wordt gehouden voor betaling van belasting, wordt elke betaling die de onderaannemer voor dat doel voor het tijdvak waarin het werk is uitgevoerd ten laste van die rekening heeft gedaan, vermoed betrekking te hebben op dat werk.
    Onder betaling van belasting, bedoeld in de vorige volzin, wordt mede begrepen een betaling door een onderaannemer aan zijn onderaannemer, welke betaling ingevolge een tussen hen gesloten schriftelijke overeenkomst wordt gedaan op een rekening als bedoeld in de vorige volzin. De Minister kan voor zoveel nodig in overeenstemming met de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn met betrekking tot de toepassing van dit lid nadere regelen stellen.
  7. De aansprakelijkheid op grond van het vijfde lid geldt niet met betrekking tot de belasting verschuldigd door een aannemer indien aannemelijk is dat de niet-betaling door de onderaannemer noch aan hem noch aan de aannemer te wijten is, dan wel, indien de aannemer uiterlijk binnen een week na dagtekening van de overeenkomst met de onderaannemer een afschrift van de door alle partijen ondertekende overeenkomst aan de Inspecteur heeft overgelegd.
    De overeenkomst dient in ieder geval te vermelden de naam of benaming en de woonplaats van de onderaannemer, het onderdeel van het werk waarvoor de onderaannemer zorg draagt, de plaats en de datum van het werk, de geschatte aanneemsom en de geschatte loonsom. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld.
  8. De voorgaande leden zijn niet van toepassing:
    1e. indien een werk, tot de uitvoering waarvan een onderaannemer zich jegens een aannemer heeft verbonden, geheel of grotendeels wordt verricht op de plaats, waar de onderneming van de onderaannemer is gevestigd; of
    2e. indien de uitvoering van een werk waartoe een onderaannemer zich jegens een aannemer heeft verbonden ondergeschikt is aan een tussen hen gesloten overeenkomst van koop en verkoop van een bestaande zaak.

Artikel 21b

Op de aansprakelijkheid van degene, die op grond van artikel 21, eerste lid, onder e, of artikel 21a hoofdelijk aansprakelijk is wordt geen beroep gedaan alvorens de Inspecteur het bedrag tot hetwelk de aansprakelijkheid bestaat heeft vastgesteld bij een beschikking, welke de gronden vermeldt waarop de aansprakelijkheid berust.

Artikel 21c

  1. Degene, die ingevolge artikel 21, eerste lid, onder e, of artikel 21a heeft betaald, heeft hiervoor verhaal op de inhoudingsplichtige, die de belasting verschuldigd is.
  2. Indien het in het eerste lid bedoelde verhaal geheel of gedeeltelijk onmogelijk blijkt en twee of meer personen ingevolge artikel 21a hoofdelijk aansprakelijk zijn, moeten dezen onderling in het onvoldaan gebleven deel bijdragen, in evenredigheid met het aandeel in het totaal van het uit te voeren werk dat ieder van hen door een onderaannemer heeft laten uitvoeren.
    Indien dit aandeel niet kan worden vastgesteld, moeten zij onderling voor gelijke delen in het onvoldaan gebleven deel bijdragen. Degene, die meer heeft betaald dan zijn aandeel, heeft voor het meerdere verhaal op degene, die minder dan zijn aandeel heeft betaald. Een tekort, veroorzaakt doordat één van hen geen verhaal biedt, wordt over de anderen verdeeld naar evenredigheid van de gedeelten waarvoor de schuld ieder van hen aanging.
  3. leder, die in de belasting heeft bijgedragen, blijft gerechtigd het bijgedragene alsnog van de inhoudingsplichtige die de belasting verschuldigd is, terug te vorderen.
  4. Van de voorgaande leden kan bij overeenkomst worden afgeweken.

Artikel 21d

Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen bedrijfssectoren en –takken worden aangewezen ten aanzien waarvan het bepaalde in artikelen 21, eerste lid, sub e, 21a, 21b en 21c niet van toepassing is.

Artikelen 22 tot en met 24

(vervallen)

Hoofdstuk VII
Strafbepalingen

Artikelen 25 tot en met 32

(vervallen)

Hoofdstuk VIII
Invordering

Artikel 33

(vervallen)

Hoofdstuk IX
Slotbepalingen

Artikelen 34 en 35

(vervallen)

Artikel 36

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Landsverordening op de Loonbelasting 1976.

Artikel 37

(vervallen)

Naar boven