Landsverordening openbare orde - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou Uw mening

Wet- en Regelgeving

Landsverordening openbare orde

Publicatienummer: P.B. 2015, no. 31, zoals laatstelijk gewijzigd bij  P.B. 2020, no. 136
Categorie: Landsverordening
Onderwerp(en): Openbare orde
Ministerie: Justitie
Datum ondertekening: 22-07-2015
Datum inwerktreding: 01-08-2015
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK V Openbare orde)


LANDSVERORDENING van de 22ste juli 2015 houdende vaststelling van regels ter bevordering van de openbare orde, rust en veiligheid, en ter bescherming van de gemeenschap (Landsverordening openbare orde)

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats                 Zittingsjaar
1-08-2015 Moederregeling P.B. 2015, no. 31 Staten van Curaçao, zittingsjaar 2014 – 2015 – 50
5-12-2020 Artt. 5, 5a, 5b en 81 P.B. 2020, no. 136 Staten van Curaçao, zittingsjaar 2019 – 2020 – 168

§ 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. afvalstoffen: alle voorwerpen of stoffen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of moet ontdoen, behalve ten behoeve van hergebruik;
b. ambtenaar van politie: opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering;
c. binnenstad: het gebied bestaande uit de wijken Punda, Otrobanda, Pietermaai en Scharloo, begrensd in het zuiden door de territoriale zee en in het noorden door de Sint Anna Boulevard en de Romulo Betancourt Boulevard;
d. eigenaar: beheerder en voorts een ieder, die krachtens enig zakelijk recht, beschikking over enige zaak heeft;
e. evenement: elk voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak of ontspanning in de ruimste zin van het woord, waaronder een muziek-, dans-, toneel- of zanguitvoering;
f. huisdieren: honden, katten en pluimvee;
g. openbare weg: alle straten, wegen, stegen, gangen, paden, pleinen, kaden, bruggen, stoepen, trottoirs, plantsoenen of andere gronden of plaatsen, die al of niet voor de publieke dienst bestemd, feitelijk voor een ieder toegankelijk zijn en, voor zover de bij de betrekkelijke artikelen bedoelde feiten daarop kunnen plaats hebben, ook alle watervlakten;
h. vee: eenhoevige of herkauwende dieren en varkens.

Artikel 2

  1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
  2. Een vergunning of ontheffing kan worden geweigerd, indien verlening van de vergunning of ontheffing strijdig is met het belang van de openbare orde, rust of veiligheid, of met de welstand volgens bij ministeriële regeling met algemene werking, vast te stellen regels.
  3. Een vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd, indien:
    a. de verstrekte gegevens na de verlening zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, indien bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens verstrekt waren;
    b. als blijkt dat de vergunningsvoorwaarden niet in acht worden genomen, waarbij de aard en de ernst van de niet-nakoming en het aantal keren dat dit is geschied meewegen voor een beslissing;
    c. de vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is gegeven;
    d. de vergunninghouder zulks schriftelijk verzoekt.

Artikel 3

  1. Voor de afgifte van een vergunning of ontheffing zijn leges verschuldigd vast te stellen bij landsverordening.
  2. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanvragen van een vergunning of ontheffing, alsmede met betrekking tot het behandelen van een aanvraag, en het model voor een vergunning of ontheffing.

Artikel 4

  1. Met rijtuigen bestemd voor het vervoer van personen, worden in deze landsverordening gelijk gesteld rijtuigen bestemd voor het vervoer van zaken.
  2. Indien een rechtspersoon eigenaar is in de zin van deze landsverordening, dan zijn de leden van het bestuur van die rechtspersoon naast de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor een verplichting of een verbod, in enige bepaling van deze landsverordening ten aanzien van eigenaars voorkomende.

§ 2. MAATREGELEN TER BEVORDERING VAN DE
OPENBARE ORDE, RUST, VEILIGHEID EN REINHEID

Artikel 5

  1. In geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is de Minister van Justitie bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de Staatsregeling gestelde voorschriften worden afgeweken.
  2. De Minister van Justitie laat tot maatregelen van geweld niet overgaan dan na het doen van de nodige waarschuwing.

Artikel 5a

  1. Wanneer een omstandigheid als bedoeld in artikel 5, eerste lid, zich voordoet, kan de Minister van Justitie bij ministeriële regeling met algemene werking voorschriften geven die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig zijn. Daarbij kan van andere dan bij de Staatsregeling gestelde voorschriften worden afgeweken. Hij maakt deze voorschriften bekend op een door hem te bepalen wijze.
  2. De Minister van Justitie brengt de voorschriften zo spoedig mogelijk ter kennis van de Staten, van de Gouverneur en van het openbaar ministerie.
  3. De voorschriften vervallen, indien zij niet door de Staten in hun eerstvolgende vergadering worden bekrachtigd. Het uitblijven van bekrachtiging wordt op last van de voorzitter van de Staten door de minister in het Publicatieblad bekendgemaakt.
  4. De Minister van Justitie stelt de algemeen verbindende voorschriften buiten werking zodra de omstandigheden dit toelaten. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5b

Het is verboden een plaats te betreden die in het kader van het onderzoek naar een mogelijk strafbaar feit door het bevoegd gezag is afgezet.

Artikel 6

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een voorafgaande schriftelijke vergunning van de Minister van Justitie op de openbare weg optochten te houden, te leiden, te organiseren of daaraan deel te nemen.
  2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan te allen tijde worden ingetrokken.

Artikel 7

  1. Degene aan wie, bij gelegenheid van een volksverzameling, optocht of betoging op de openbare weg door de ambtenaar van politie gelast wordt zich te verwijderen, is verplicht aan deze last onmiddellijk te voldoen en wel langs de weg of in de richting door de ambtenaar van politie aangewezen.
  2. Na het eindigen van openbare vermakelijkheden, of waar een grote volksmenigte samengestroomd is of zich bijeen bevindt, of wanneer de orde of rust verstoord of bedreigd wordt, is ieder op de openbare weg verplicht gevolg te geven aan de bevelen van de ambtenaar van politie in het belang van het verkeer op die weg ter plaatse gegeven.

Artikel 8

Personen die op of aan de openbare weg staande, op stoepen of treden zittende of zich heen en weer bewegende, door enigerlei houding, handeling of vertoning de aandacht van de voorbijgangers tot zich trekken, zijn, als hun door de ambtenaar van politie gelast wordt zich daarvan te onthouden of zich vandaar te verwijderen, verplicht onmiddellijk aan deze last te voldoen.

Artikel 9

Personen die op of aan de openbare weg staande, op stoepen of treden zittende of zich heen en weer bewegende, door enigerlei houding, handeling of vertoning aan weggebruikers of omwonenden naar het oordeel van de ambtenaar van politie of een door de Minister van Justitie, in het kader van de naleving van deze landsverordening aan te wijzen persoon, overlast of hinder veroorzaken, zijn verplicht op een daartoe strekkend bevel van de ambtenaar van ambtenaar van politie of een door de Minister van Justitie, in het kader van de naleving van deze landsverordening, aan te wijzen persoon, hun weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 10

Het is aan personen van wie redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat zij zich aan prostitutie of andere ontucht overgeven, verboden met kennelijke ontuchtige bedoelingen op of aan de openbare weg of op een van de openbare weg waarneembare plaats iemand door handelingen, houding, gebaren, woorden, geluiden of op enigerlei andere wijze aan te lokken.

Artikel 11

Het is verboden de geregelde gang of de volgorde van een begrafenisstoet, een marcherende troep of een optocht te belemmeren of te storen.

Artikel 12

Het is, behalve ter uitvoering van een van overheidswege opgedragen taak, verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de Minister van Justitie op de openbare weg of aan de huizen inzamelingen van geld te houden.

Artikel 13

Het is verboden zonder de nodige voorzorgsmaatregelen genomen te hebben explosieven te gebruiken of door middel van ontploffing stenen te springen op plaatsen, waar zulks voor naburige erven of voor voorbijgangers schadelijk of gevaarlijk kan zijn.

Artikel 14

(vervallen)

Artikel 15

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning:
    a. in, op, aan of over de openbare weg iets hoegenaamd te planten, te plaatsen, te spannen, te hangen, vast te hechten, uit te spreiden, uit te slaan, te drogen, te luchten, te slepen of te hebben of bouwwerken aan te brengen;
    b. op de openbare weg voorwerpen, stoffen, of water te werpen, uit te storten of te doen afvloeien;
    c. goederen, puin, afbraak, kalk, aarde, klei, zand, mest of bouwmaterialen op de openbare weg neder te leggen of te hebben, behalve wanneer en voor zolang dit voor geregeld voortgezet laden of lossen noodzakelijk is;
    d. de openbare weg tot werkplaats te bezigen, te overdekken, bij het bouwen of verbouwen van percelen ten gebruik in te nemen;
    e. op of aan de openbare weg een terras te exploiteren of te doen exploiteren.
  2. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de Minister van Economische Ontwikkeling:
    a. op of aan de openbare weg standplaats in te nemen, waarbij onder standplaats wordt verstaan een vaste plaats voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van waren dan wel het aanbieden van diensten, al dan niet gebruik makend van zaken;
    b. op of aan de openbare weg standplaats in te nemen met een carrosserie of een voertuig dat uitsluitend dan wel mede voor het ten verkoop in voorraad hebben of voor de verkoop van eet- of drinkwaren is ingericht, en vanuit die carrosserie of dat voertuig deze waren aan het publiek te koop aan te bieden of te verkopen.
  3. Het is verboden om zonder ontheffing van de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning te lopen of zich te bevinden, met een voertuig te rijden door, deze te doen staan of te laten staan in parken of op plantsoenen, groenstroken of grasperken deel uitmakende van de openbare weg, buiten de daarin gelegen wegen of paden.

Artikel 16

  1. Het is verboden handelsreclame op of aan een roerende of onroerende zaak welke van de openbare weg af zichtbaar is, aan te brengen dan wel als eigenaar of gebruiker van die onroerende zaak die reclame in stand te houden of de aanwezigheid daarvan te gedogen.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
    a. handelsreclame voor zaken, welke worden vervaardigd of verhandeld dan wel voor bedrijven, welke worden uitgeoefend op of in de onroerende zaak, voor zover de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning niet in een aanschrijving aan de eigenaar of gebruiker van de onroerende zaak heeft verklaard, dat de handelsreclame naar zijn mening de welstand op ontoelaatbare wijze schendt. Deze aanschrijving wordt niet verzonden alvorens vier weken zijn verlopen nadat de minister de eigenaar of de gebruiker schriftelijk mededeling heeft gedaan van zijn bezwaren.
    b. handelsreclame, aangebracht op een bord met een oppervlakte van ten hoogste 1,5 m², tot het te koop of te huur aanbieden van een of meer gebouwen of terreinen;
    c. opschriften betrekking hebbend op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf en niet verlicht zijn en mits zij zodanig worden geplaatst dat zij de openbare orde en welstand niet schenden, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben.
    d. aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, voor zover deze niet op de openbare weg of op gebouwen worden geplakt of met krijt, kleur- of verfstof of op andere wijze worden aangebracht, mits van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning en deze niet binnen drie weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken.
  3. De minister kan van het verbod, bedoeld in het eerste lid, alleen ontheffing verlenen, indien de handelsreclame waarvoor de ontheffing wordt verzocht, de welstand niet op ontoelaatbare wijze schendt volgens bij ministeriële regeling met algemene werking vast te stellen regels.
  4. Het is verboden ideële propaganda in verband met een op handen zijnde verkiezing voor de leden van de Staten op of aan de openbare weg aan te brengen of in stand te houden, buiten de periode gelegen tussen de dag van kandidaatstelling en acht dagen na die waarop de stemming is gehouden, en voor zover dit niet leidt tot beschadiging van bomen of objecten bestemd voor of gebruikt ten behoeve van het publiek of schending van een beschermd stadsgezicht.
  5. Het is verboden ideële propaganda als bedoeld in het vierde lid en overige ideële propaganda op of aan een onroerende zaak welke van de openbare weg af zichtbaar is, aan te brengen dan wel als eigenaar of gebruiker van die onroerende zaak die reclame in stand te houden of de aanwezigheid daarvan te gedogen, indien deze strijdig is met de openbare orde.

Artikel 17

Het is behalve ter uitvoering van werken ten behoeve of onder toezicht van de overheid verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning de bestrating of wegbedekking op te breken of te beschadigen of in de openbare weg te graven.

Artikel 18

Het is verboden de verlichting bij de voorwerpen of de plaatsen, bedoeld in de artikelen 15 en 17, aangebracht gedurende de tijd gelegen tussen zonsondergang en zonsopgang te doven of te verplaatsen.

Artikel 19

Het is verboden een van openingen voorziene put, kelder, regenbak of soortgelijk reservoir te hebben, dat niet op zodanig deugdelijke wijze is gesloten dat er geen gevaar voor personen of dieren kan ontstaan.

Artikel 20

  1. Het is verboden afval of resten van etenswaren, bussen, papier of andere voorwerpen of stoffen neer te leggen, te werpen of zichtbaar achter te laten op of aan de openbare weg.
  2. Degene, door wie of op wiens last enige werkzaamheid op of aan de openbare weg verricht wordt, is verplicht hetgeen tengevolge daarvan op de openbare weg achterblijft, onmiddellijk na afloop op te ruimen of te doen opruimen.
  3. Degene die op of aan de openbare weg waren aan het publiek aflevert, is verplicht hetgeen van die waren of van haar verpakking in de onmiddellijke omgeving van de plaats van aflevering langs of op de openbare weg achterblijft, onmiddellijk op te ruimen.

Artikel 21

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning voorwerpen op de openbare weg uit te stallen of uitgestald te hebben of aan de openbare weg aan de buitenzijde van gevels, deuren of vensters ter uitstalling op te hangen, te bevestigen of opgehangen of bevestigd te hebben.

Artikel 22

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de Minister van Economische Ontwikkeling op of aan de openbare weg te venten, waarbij onder venten wordt verstaan het niet gebonden aan een vaste plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten.

Artikel 23

Het is verboden op de openbare weg:
a. schadelijke of gevaarlijke voorwerpen of stoffen te verkopen, te koop aan te bieden of ten verkoop in voorraad te hebben;
b. bij het venten, bij het omroepen of bij het verspreiden, aanbevelen, aankondigen of bekend maken van gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen, zodanig te roepen, rond te gaan of te rijden met zodanige reclamemiddelen of zodanige geraasmakende middelen dat daardoor de openbare orde verstoord of bedreigd, of de goede zeden aanstoot gegeven wordt.

Artikel 24

Het is verboden:
a. in vensterbanken, op de rand van balkons, op bordessen of in goten voorwerpen te plaatsen of te hebben, zonder dat deze tegen het vallen op de openbare weg beveiligd zijn;
b. aan hekken, omheiningen, muren, deuren, vensters, bomen of palen voorwerpen op te hangen, te bevestigen of te hebben indien deze gevaar opleveren op de openbare weg te vallen.

Artikel 25

Eigenaars van bomen of struiken, waarvan de takken over de openbare weg hangen of groeien, zijn verplicht, ter plaatse, waar zulks het verkeer belemmert of gevaar oplevert, op eerste aanzegging door of vanwege de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning zodanige takken te snoeien.

Artikel 26

  1. Het is verboden afvalstoffen over te dragen of ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de door de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur aangewezen inzameldienst, tenzij deze beschikt over een geldige vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan wel anders dan op een door de inzameldienst aangewezen stortplaats of overslagstation, te storten.
  2. Het is een ander dan de inzameldienst verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur, van derden afvalstoffen in te zamelen. De houder van een vergunning draagt deze tijdens het inzamelen steeds bij zich en toont deze op verzoek van degenen bij wie hij inzamelt.
  3. Het is verboden:
    a. fecaliën of andere afvalstoffen op open of gesloten erven te storten of te verbranden;
    b. mest-, vuilnis- of ashopen op open of gesloten erven aan te brengen of te hebben;
    c. anders dan tijdens of onmiddellijk voor of na het verrichten van werkzaamheden puin, afbraak, kalk-, klei- of zandhopen op open of gesloten erven aan te brengen of te hebben;
    d. vee te begraven;
    e. huisdieren in het openbaar te doden.
  4. Onverminderd het eerste en derde lid is het verboden op of aan de openbare weg:
    a. fecaliën of andere afvalstoffen te storten of te verbranden;
    b. metalen te bewerken anders dan ten behoeve van een aantoonbare bedrijfsmatige activiteit;
    c. anders dan tijdens of onmiddellijk voor of na het verrichten van werkzaamheden puin, afbraak, kalk-, klei- of zandhopen aan te brengen of te hebben;
    d. enig vee of huisdier te verbranden of te begraven, of het lijk te plaatsen.
  5. Bij ministeriële regeling met algemene werking, kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 27

Het is verboden op een terrein, bij een ander in gebruik of op eens anders terrein te plaatsen, te werpen, te verbranden, uit te gieten of te laten vallen of vloeien een voorwerp of stof, waardoor dat terrein of de lucht kan worden verontreinigd.

Artikel 28

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur:
    a. vee te houden;
    b. meer dan 25 stuks pluimvee te houden, of
    c. een pluimveefokkerij te drijven.
  2. De vergunning wordt niet gegeven dan onder de voorwaarden na overleg met de directeur van de Uitvoeringsorganisatie Geneeskundige en Gezondheidszaken te stellen en vervalt een jaar na een daartoe strekkende schriftelijke aanzegging door de minister.

Artikel 29

Het is verboden dieren te houden op een voor de omgeving schadelijke of hinderlijke wijze.

Artikel 30

  1. Het is verboden op de openbare weg:
    a. bloed of ingewanden van dieren of stank verspreidende stoffen te vervoeren anders dan op voldoende wijze afgedekt en op andere uren dan tussen des avonds tien uur en des morgens vijf uur;
    b. puin, afbraak, kalk, aarde, klei, zand, mest, zaagsel, krullen, spaanders, los stro, pakhooi, as, slijk of andere afvalstoffen anders te vervoeren dan in vervoermiddelen, die zodanig zijn ingericht en worden gebruikt dat het storten of wegstuiven van de inhoud voorkomen wordt;
    c. suikergoed, brood en andere eetwaren, bestemd om ongekookt of ongeschild genuttigd te worden, anders dan behoorlijk en zindelijk gedekt te vervoeren, te koop aan te bieden of ten verkoop in voorraad te hebben.
  2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt voor wat het te koop aanbieden en het ten verkoop in voorraad hebben betreft, ook indien zulks aan de openbare weg geschiedt.

Artikel 31

  1. Het is verboden anders dan conform zedelijkheidsnormen deugdelijk dan wel voldoende gekleed in het openbaar te zwemmen of te baden.
  2. Het is verboden binnen een afstand van 200 meter ter weerszijden van de brug “Koningin Emma der Nederlanden” te zwemmen of te baden zonder vergunning van de Minister van Justitie.

Artikel 32

Het is verboden op of aan de openbare weg, buiten de door de Minister van Justitie als openbare toiletten aangewezen plaatsen, datgene te verrichten, waartoe zulke inrichtingen bestemd zijn.

Artikel 33

  1. Het is verboden op de openbare weg:
    a. anderen hinder of overlast aan te doen, het verkeer enig beletsel in de weg te leggen of zich op een daarvoor hinderlijke wijze te bewegen of te bevinden;
    b. te vechten, te schreeuwen, stenen of andere voorwerpen voort te schoppen, straatvuurtjes te stoken, in bomen of palen, op hekken, muren, afsluitingen, op een in beweging zijnd rijtuig, motorrijtuig of handkar te klimmen, daaraan te hangen of lopende achter of terzijde daarvan vast te houden, tegen kiosken, paviljoenen of muziektenten te leunen, daarop te klimmen, daaraan te hangen of op enig gedeelte daarvan te zitten, te liggen of te staan;
    c. straatafsluitingen of afsluitingen die met vergunning of op last van het bevoegde gezag geplaatst zijn, weg te nemen, te verplaatsen of omver te halen;
    d. vee door het afsteken van vuurwerk of anderzins te doen schrikken;
    e. vee of rijwielen enige hinder of enig beletsel in de weg te leggen;
    f. met kaarten, geld, dominostenen of dobbelstenen of om geld te spelen.
  2. Het is verboden op de openbare weg te plaatsen, te werpen, uit te gieten of te laten vallen of vloeien een voorwerp of stof waardoor:
    a. de weg kan worden verontreinigd of beschadigd;
    b. aan de gebruikers van de weg schade, hinder of letsel kan worden toegebracht.
  3. Het is verboden op of aan de openbare weg een voertuig te plaatsen of te hebben dat:
    a. rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert;
    b. waarvoor geen geldig goedkeuringsbewijs als bedoeld in artikel 95 van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000 is afgegeven; en
    c. waarvoor geen geldig bewijs van verzekering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Landsverordening aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is afgegeven; of
    d. anders in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.

Artikel 34

  1. Indien de rechthebbende op of de beheerder van een inrichting, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is, waarover hij de beschikking heeft, toestaat of gedoogt, dat daarin of van daar middelen als bedoeld in de artikelen 2, 2a, 3, 3a of 4 van de Opiumlandsverordening 1960 zonder dat daartoe de op grond van die landsverordening vereiste verloven zijn verstrekt worden gebruikt, bereid, bewerkt, verwerkt, gekocht of verkocht, besteld, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd dan wel aanwezig zijn, kan de Minister van Justitie, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of aantasting van het woon- of leefklimaat is vereist, de sluiting van die inrichting, dat perceel of perceelsgedeelte of die ruimte bevelen.
  2. De minister maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang of toegangen van de inrichting, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.
  3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
  4. Het is de rechthebbende op en de beheerder van een inrichting, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte als bedoeld in het eerste lid verboden daarin bezoekers of betreders toe te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.
  5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten inrichting, perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te betreden of als bezoeker daarin te verblijven of zich als betreder daarin op te houden.
  6. Onder bezoekers of betreders worden voor de toepassing van het vierde en het vijfde lid niet verstaan:
    a. de levenspartner en kinderen van de rechthebbende of beheerder, alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten of die van zijn levenspartner in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;
    b. personen wier aanwezigheid in de inrichting, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte wegens dringende redenen strikt noodzakelijk is.
  7. De sluiting kan op aanvraag van de belanghebbende door de minister worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 35

Onverminderd de Opiumlandsverordening 1960 is het verboden op of aan de openbare weg met de daaraan gelegen portieken, galerijen, arcaden of nissen post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan openbare wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, indien redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat zulks geschiedt om middelen als bedoeld in de artikelen 2, 2a, 3, 3a of 4 van de Opiumlandsverordening 1960, of daarop gelijkende waar al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 36

  1. Het is verboden op of aan wegen, die door de Minister van Justitie zijn aangewezen indien de openbare orde dat in verband met het openlijk gebruik van of handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2, 2a, 3, 3a of 4 van de Opiumlandsverordening 1960, naar zijn oordeel noodzakelijk maakt, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen.
  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet als de verzameling personen geen verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2, 2a, 3, 3a of 4 van de Opiumlandsverordening 1960.
  3. Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie of van een ander door de minister, in het kader van de naleving van deze landsverordening, aan te wijzen persoon, zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 37

Het is verboden, op of aan de openbare weg, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2, 2a, 3, 3a of 4 van de Opiumlandsverordening 1960 te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 38

Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten.

Artikel 39

  1. De Minister van Justitie kan in het belang van de openbare orde aan degene die zich gedraagt in strijd met de artikelen 35, 36, 37 en 38, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad.
  2. De minister kan in het belang van de openbare orde aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad.
  3. De minister beperkt het verbod, genoemd in het eerste of tweede lid, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkenen noodzakelijk is.

Artikel 39a

  1. Het is verboden op of aan een openbare plaats, die door de Minister van Justitie is aangewezen omdat het belang van de bescherming van de openbare orde dit naar zijn oordeel nodig maakt, deel te nemen aan een groep van meer dan vier personen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat deze groep een bedreiging voor de openbare orde met zich meebrengt.
  2.  De aanwijzing van een openbare plaats, als bedoeld in het eerste lid, wordt gegeven voor ten hoogste zes maanden, welke termijn telkenmale kan worden verlengd.
  3. Degene die zich bevindt in een groep als bedoeld in het eerste lid is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangegeven richting te verwijderen.

 

Artikel 39b

  1. Een ieder is verplicht op een daartoe strekkend beschikking, schriftelijk genomen door of namens de Minister van Justitie in het belang van de openbare orde, zich te verwijderen en verwijderd te houden uit een door deze aangewezen gebied gedurende de tijd die in de beschikking genoemd is.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op personen, die in het aangewezen gebied:
    a. zich bevinden in een middel van openbaar vervoer;
    b. aldaar werkzaam zijn dan wel aldaar staan ingeschreven bij een onderwijsinstelling;
    c. volgens de basisadministratie persoonsgegevens aldaar woonachtig zijn.
  3. Een beschikking als bedoeld in het eerste lid is slechts geldig gedurende een in beschikking genoemde periode van ten hoogste 12 weken.

Artikel 40

Het is verboden op of aan de openbare weg voorwerpen, waarin zich afvalstoffen bevinden:
a. te plaatsen of te hebben anders dan behoorlijk afgedekt en anders dan onmiddellijk tegen het perceel of de wand;
b. op een andere dag dan die waarop de inzameldienst volgens het normale schema het afval ophaalt, te plaatsen of te hebben, tenzij de inzameldienst een wijziging in het schema publiekelijk bekend heeft gemaakt;
c. te hebben op zondag of op een met de zondag gelijk gestelde dag als bedoeld in de Arbeidsregeling 2000;
d. te doorzoeken, om te halen of uit te storten;
e. te plaatsen of te hebben, indien die voorwerpen, reeds voor hetzelfde doel gebruikt zijnde, niet zodanig zijn gereinigd, dat zij geen stank verspreiden.

Artikel 41

  1. Het is verboden op de openbare weg, op andere dan door de Minister van Onderwijs, Cultuur, Wetenschap en Sport aangewezen plaatsen vliegers op te laten of enig balspel te spelen.
  2. Het is verboden vliegers op te laten of in de lucht te houden:
    a. binnen een afstand van 3 kilometer van de grens van het luchtvaartterrein;
    b. indien daardoor schade kan ontstaan aan bovengrondse telefoon- of elektrische leidingen;
    c. tussen zonsondergang en zonsopgang;
    d. indien de lengte van de uitgevierde lijn langer is dan 100 meter;
    e. door middel van een nylonlijn.

Artikel 42

  1. Het is verboden vuurwapens of windbuksen af te schieten, behoudens op of in krachtens vergunning van de Minister van Justitie, daartoe bijzonder ingerichte schietbanen, die alvorens in gebruik te worden genomen door de Minister van Justitie moeten zijn goedgekeurd.
  2. Het gebruik van de schietbanen geschiedt onder de door de Minister van Justitie te stellen voorwaarden.

Artikel 43

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van de Minister van Justitie in overeenstemming met de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur wilde of exotische dieren te verhandelen of te hebben, indien zij schadelijk of gevaarlijk voor de omgeving kunnen zijn.

Artikel 44

  1. Het is verboden:
    a. op de openbare weg voorwerpen, langer dan drie meter, anders dan in horizontale stand en daarbij zodanig te dragen, dat elke uiteinde op de schouder of in de hand van een drager rust;
    b. op daken, buiten aan gevels, muren of wanden van aan de openbare weg grenzende gebouwen of getimmerten enig werk te verrichten of aan de openbare weg te bouwen, gebouwen, muren of getimmerten af te breken, zonder dat op een van die weg zichtbare plaats aan of bij het gebouw, de muur of het getimmerte ter hoogte van 2,5 a 3 meter boven de begane grond een rode driehoek met gelijke zijden van ten minste 0,3 meter uithangt en overeenkomstig bij vergunning van de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning te stellen voorwaarden zodanige maatregelen zijn genomen dat gevaar voor voorbijgangers uitgesloten is en tussen zonsondergang en zonsopgang bovendien behoorlijke verlichting ter plaatse is aangebracht;
    c. op of aan de openbare weg voorwerpen te hijsen, neer te laten of te werpen, zonder dat beneden een meerderjarig persoon staat, die voorbijgangers tijdig waarschuwt;
    d. over de openbare weg openslaande deuren, vensters, luiken of bladen anders dan behoorlijke plat tegen de muur of wand vastgezet open te laten staan;
    e. aan de openbare weg in de binnenstad metalen pinnen of puntige, stekende, scherpe of snijdende voorwerpen te plaatsen of te hebben op, aan of tegen hekken, palen of afsluitingen, muren of percelen zodanig dat zij over de openbare weg uitsteken;
    f. afsluitingen, muren, percelen of houtwerk aan de openbare weg staande binnen een verticale afstand van 2 meter boven de begane grond te beschilderen of te teren, zonder maatregelen te nemen om zowel bij dag als bij nacht voorbijgangers te waarschuwen, zolang het beschilderde of geteerde nog niet droog is;
    g. van daken op de openbare weg in de binnenstad afstromend hemelwater te laten afvloeien, anders dan door goten, leidingen of afvoerbuizen, die niet hoger dan een halve meter boven de openbare weg verheven zijn of uitmonden, en overeenkomstig bij vergunning van de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning, de directeur van de uitvoeringsorganisatie Openbare Werken gehoord, te stellen voorwaarden maatregelen te hebben genomen, dat de wegbedekking niet door het neerstortend water beschadigd wordt;
    h. condenswater op de openbare weg te laten vloeien anders dan door leidingen die niet hoger dan een halve meter boven de openbare weg eindigen, onverminderd artikel 33, tweede lid.
  2. Degene op wiens last werkzaamheden, als bedoeld in het eerste lid, onder b, c en f, plaats hebben, is verplicht te zorgen, dat de daarin opgenomen voorschriften nagekomen worden.

Artikel 45

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een evenementenvergunning van de Minister van Justitie openbare vermakelijkheden te geven of voor het publiek toegankelijke bijeenkomsten tot ontspanning of vermaak te houden.
  2. Het eerste lid geldt niet voor de houder van een vergunning als bedoeld in de Vergunningslandsverordening die beschikt over de toestemming, bedoeld in artikel 52 van die landsverordening, mits een te houden evenement valt binnen de voorschriften en beperkingen verbonden aan deze toestemming.
  3. Het is verboden deel te nemen aan een danspartij gehouden in strijd met het eerste lid.
  4. Onverminderd artikel 2, tweede lid, kan de minister een evenementenvergunning weigeren, indien na verlening van een eerdere evenementenvergunning vast is komen te staan dat de vergunninghouder zich niet aan de vergunningsvoorwaarden in het kader van de openbare orde, rust of veiligheid heeft gehouden.

Artikel 46

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een evenementenvergunning van de Minister van Justitie op de openbare weg:
    a. muziek- of zanguitvoeringen of vertoningen te geven, muziek te maken of te zingen;
    b. vuurwerk af te steken of daarmede te werpen, buskruit of andere ontplofbare stoffen aan te steken of op andere wijze te doen ontploffen fakkels of teertonnen te branden en vuur aan te leggen of te hebben;
    c. voordrachten of toespraken te houden;
    d. zich te bevinden geheel of gedeeltelijk vermomd of gemaskerd.
  2. Het verbod onder b geldt ook ten aanzien van de daarin bedoelde feiten, indien zij aan de openbare weg plaats hebben.
  3. Het verbod onder d geldt niet ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van tien jaren.

Artikel 47

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een evenementenvergunning voor buitenlandse artiesten van de Minister van Justitie een artiest die geen ingezetene van Curaçao is te laten optreden of daartoe gelegenheid te geven.
  2. Behoudens in bij ministeriële regeling met algemene werking door de Minister van Justitie en de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn, bepaalde gevallen, worden in de periode van 1 december tot en met de eerste woensdag na de dag waarop de Carnavalsoptocht wordt gehouden, geen vergunningen verleend.

Artikel 48

De deelnemers aan een optocht, waarvoor geen vergunning is verleend, zijn verplicht op de eerste vordering van de ambtenaar van politie uiteen te gaan.

Artikel 49

  1. Het is verboden danspartijen, muziekuitvoeringen en andere feestelijkheden of vermakelijkheden, die niet als openbaar of voor het publiek toegankelijk kunnen worden aangemerkt, voort te zetten, nadat degene die zodanige feestelijkheid of vermakelijkheid houdt of geeft een schriftelijk met reden omkleed verbod dat daarmede wordt voortgegaan, bereikt heeft, welk verbod de Minister van Justitie heeft uitgevaardigd omdat daardoor de openbare rust, orde of veiligheid verstoord of bedreigd wordt, of de goede zeden aanstoot gegeven wordt, of op grond dat de toestand van een in de buurt aanwezige zieke zulks vordert, in welk laatste geval een schriftelijke verklaring van een geneeskundige mede moet worden vertoond.
  2. Het is verboden bij de danspartijen, muziekuitvoeringen en andere feestelijkheden of vermakelijkheden, bedoeld in het eerste lid, alsmede bij het op enigerlei wijze ten gehore brengen van enige vorm van muziek of zang hetzij in een al dan niet afgesloten ruimte hetzij in de buitenlucht, zodanig geluid voort te brengen dat daardoor schade of overlast voor omwonenden ontstaat.
  3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden nadere regels gesteld inzake de toepassing van dit artikel.

Artikel 50

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de Minister van Justitie een niet openbare of niet voor het publiek toegankelijke danspartij te houden, waartoe bezoekers tegen vergoeding in geld toegelaten worden.
  2. Een vergunning als bedoeld in het vorige lid wordt geweigerd:
    a. indien het oogmerk van de danspartij is persoonlijk geldelijk gewin voor zichzelf of voor een ander te verkrijgen;
    b. indien de aanvrager in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
    c. indien er gegronde redenen bestaan om te verwachten dat van de vergunning gebruik zal worden gemaakt in strijd met de openbare orde of goede zeden;
    d. indien de aanvrager reeds viermaal in de periode van één jaar een vergunning is verleend.
  3. In afwijking van het tweede lid, onder d, kan de minister aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, werkzaam ten algemene nutte in de periode van één jaar ten hoogste negenmaal een vergunning, als bedoeld in het eerste lid verlenen.

Artikel 51

  1. Het is verboden zonder vergunning van de Minister van Justitie personen beneden de leeftijd van vijftien jaren toe te laten tot een danspartij als bedoeld in artikel 45 of artikel 50.
  2. Degene, die met inachtneming van artikel 45 of van artikel 50 een danspartij houdt, is verplicht te zorgen, dat personen beneden de leeftijd van vijftien jaren niet daartoe worden toegelaten, tenzij een vergunning als bedoeld in het eerste lid is verkregen.

Artikel 52

Het is verboden een danspartij, tot het houden waarvoor ingevolge deze landsverordening een vergunning nodig is, na des nachts drie uur te laten voortduren of na bedoeld uur daaraan deel te nemen.

Artikel 53

Bij ongeregeldheden, wanordelijkheden, rumoer of burengerucht zijn de houders van een danspartij, waarvoor ingevolge deze landsverordening een vergunning nodig is, op eerste vordering van ambtenaren, met het opsporen van overtredingen van deze landsverordening belast, verplicht de danspartij te staken en zijn de deelnemers daaraan verplicht uiteen te gaan.

 

Artikel 54

Op de eerste vordering van ambtenaren met het opsporen van overtredingen van deze landsverordening belast, zijn de houders van een in strijd met deze landsverordening gehouden danspartij verplicht die te staken en de deelnemers daaraan verplicht uiteen te gaan.

 

Artikel 55

De artikelen 50 tot en 54 blijven buiten toepassing ten aanzien van wettelijk erkende, bij het in werking treden van die artikelen bestaande verenigingen en ten aanzien van danspartijen te houden in gebouwen, behorende tot die verenigingen.

Artikel 56

Het is verboden, zonder of in afwijking van een vergunning van de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur:
a. enig werk te verrichten, dat geraas of andere hinder van ernstige aard veroorzaakt of schadelijke of walgelijke lucht verspreidt, indien zulks op de naburige erven of op de openbare weg waargenomen kan worden;
b. in de open gaanderijen van de huizen aan de openbare weg vuur aan te leggen of te hebben.

Artikel 57

  1. Het is verboden:
    a. enig aanplakbiljet, reclameplaat, ander drukwerk of geschrift hoegenaamd op eens anders eigendom aan te plakken, te bevestigen of aan te brengen zonder toestemming van de eigenaar of de huurder. Deze bepaling is niet toepasselijk op gerechtelijke akten en andere stukken, waarvan de aanplakking door of op last van openbare ambtenaren krachtens wettelijk voorschrift geschiedt;
    b. zonder daartoe gerechtigd te zijn, niet eigen muren, schuttingen, hekken, stoepen, deuren, ramen of vensters te besmeren, te bekrassen of daarop te schrijven of te tekenen;
    c. tussen zonsondergang en zonsopgang op of aan de openbare weg te liggen of zonder daartoe gerechtigd te zijn tegen enig perceel te leunen of op de stoepen of treden te zitten of post te vatten.
  2. Onverminderd de artikelen 33, 46 en 56, is het verboden een vuur aan te leggen, aan te doen leggen of aan te houden, indien daardoor schade, hinder of overlast voor anderen kan ontstaan.

Artikel 58

Het is verboden holle voorwerpen, waarin of waartussen hemelwater zich kan verzamelen, op of tegen hekken, palen, afsluitingen of percelen te bevestigen of bevestigd te hebben.

 

Artikel 59

  1. Het is verboden hetzij in de woning of in het bij een woning behorend erf hetzij in het besloten lokaal of erf bij een ander in gebruik orde, rust of veiligheid verstorende handelingen te plegen.
  2. Het is verboden zich wederrechtelijk te bevinden op of in een voertuig, vaartuig of luchtvaarttuig, bij een ander in gebruik.

Artikel 60

Het is verboden:
a. zich tot een begraafplaats toegang te verschaffen anders dan ter daartoe aangewezen plaats, tenzij op last van de beheerder;
b. op een begraafplaats bij gelegenheid van het begraven of vervoeren van lijken de orde te verstoren.

Artikel 61

  1. De eigenaar of gebruiker van lokalen of percelen, niet voor bewoning bestemd zijnde, is indien daarin niemand van 18.00 tot 8.00 uur onafgebroken aanwezig pleegt te zijn, verplicht aan de Minister van Justitie of een door hem aan te wijzen ambtenaar schriftelijke opgave te doen van de naam, het adres, en zo mogelijk het telefoonnummer van tenminste één onmiddellijk bereikbare persoon, die in het bezit is van de sleutels van het lokaal of perceel.
  2. De eigenaar of gebruiker, bedoeld in het eerste lid, is verplicht elke verandering in de door hem bij zijn schriftelijke opgave verstrekte gegevens terstond schriftelijk op te geven aan de Minister van Justitie of door deze aangewezen ambtenaar.

§ 3. HET RIJDEN, HET VERVOEREN EN
LOS LOPEN VAN DIEREN

Artikel 62

  1. Het is verboden:
    a. vee onbeheerd op of los langs de openbare weg te laten lopen;
    b. vee op het terrein, bij een ander in gebruik, zonder diens toestemming los te laten lopen.
  2. Het vee, bedoeld in het eerste lid, wordt vanwege de Minister van Justitie in bewaring genomen en indien het binnen acht dagen na mededeling aan de rechthebbende of na openbare bekendmaking vanwege de Minister van Justitie niet door de rechthebbende is opgeëist, verkocht.
  3. Bij teruggave van het in bewaring genomen vee worden de gemaakte kosten ingevorderd.
  4. Bij verkoop worden uit de opbrengst betaald de kosten van verkoop en van bewaring alsmede de kosten die zijn gemaakt tot opsporing van de rechthebbende.
  5. De overblijvende gelden worden in de landskas gestort en ter beschikking van de rechthebbende gesteld.
  6. Vee dat los over de openbare weg loopt, mag door de ambtenaar van politie worden afgemaakt, zo het vangen gevaar oplevert.

Artikel 63

Het is verboden niet-uitvliegend pluimvee op de openbare weg te laten lopen.

Artikel 64

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de Minister van Justitie wilde dieren over de openbare weg te laten gaan of te vervoeren.

Artikel 65

Het is verboden uitvliegend pluimvee te houden of te doen of laten houden binnen een door de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning vastgestelde afstand vanaf een vliegveld of luchthaven.

Artikel 66

Onverminderd artikel 26, eerste lid, onder d en e, en het tweede lid, onder c, is het verboden een kadaver of dergelijk walgelijk voorwerp te brengen of te hebben op of in een verzameling van vuilnis of van dergelijke stoffen, dan wel op of in een vuilnisemmer, ton, kist of dergelijke.

Artikel 67

Het is verboden:
a. op de openbare weg een trekdier te besturen, dat gewond of door een uiterlijk waarneembare ziekelijke aandoening is aangetast, tenzij het dier in die toestand is geraakt tijdens het gebruik dat er van gemaakt werd op het ogenblik dat het feit geconstateerd werd en het nog niet mogelijk is geweest het buiten gebruik te stellen;
b. een stuk vee op de openbare weg te laten gaan, wanneer redelijkerwijs te voorzien is, dat het tengevolge van verwonding of zwakte zijn bestemming niet zal kunnen bereiken;
c. op de openbare weg vee te vervoeren met de kop buiten het vervoermiddel of in liggende houding in zulk een aantal, dat de bodem van het vervoermiddel niet elk stuk vee voldoende en behoorlijke ligplaats verschaft;
d. op de openbare weg een rijtuig te besturen, indien het vervoerde, daaronder begrepen de bestuurder en andere inzittenden, zich niet in evenwicht bevindt of wegens de zwaarte bovenmatige inspanning bij het trekdier vergt;
e. op de openbare weg een rijtuig of een trekdier te besturen, indien enig deel van het tuig, wegens hardheid, onvoldoende breedte of afmetingen bij het dier verwondingen, vervelling of schaving veroorzaakt.

Artikel 68

  1. Het is verboden een hond vast te leggen, te doen vastleggen of vastgelegd te hebben of te houden, tenzij de hond is voorzien van een halsband, waarvan de lengte en breedte zodanig zijn dat de band voor hem niet schadelijk is en op zodanige wijze is vastgelegd dat hij zich ongehinderd kan bewegen.
  2. Binnen het bereik van de vastgelegde hond moeten zich een schaduwrijke plek of ruimte bevinden waar het dier beschutting heeft tegen weersomstandigheden.

Artikel 69

  1. Het is verboden anders dan kortstondig vee vast te zetten dan wel in een koraal of stal te hebben, indien het niet afdoende wordt beschut tegen weersomstandigheden zoals zon en regen.
  2. Het is verboden katten vast te leggen, vast te zetten, vastgelegd of vastgezet te hebben, dan wel te doen of laten vastzetten.

§ 4. PERCEELNUMMERS, STRAATNAAMBORDEN,
WAARSCHUWINGSBORDEN EN
VERKEERSTEKENEN

Artikel 70

  1. De eigenaar van een gebouw of getimmerte is verplicht te zorgen, dat:
    a. het voorzien is van een duidelijk zichtbare, bij de Uitvoeringsorganisatie Ruimtelijke Ordening en Planning tegen betaling verkrijgbare plaat, welke het nummer vermeldt door die ambtenaar voor het betrokken of getimmerte bepaald.
    b. de plaat zo spoedig mogelijk op een van de openbare weg zichtbare, daarvoor geschikte plaats van het gebouw of getimmerte wordt aangebracht, welke ter hoogte van ten minste anderhalve meter en ten hoogste drie meter boven de begane grond is gelegen;
    c. het op de plaat aangebrachte nummer in goed leesbare staat blijft.
  2. Bij vernummering van het perceel mag het oude nummer mits doorgestreept nog zichtbaar blijven gedurende de tijd van één jaar, te rekenen van de dag, waarop het nieuwe nummer aangebracht is.
  3. Indien een woning zelfstandig tot huisvesting wordt ingericht dient het een plaat, vermeldende een afzonderlijk nummer, te verkrijgen.

Artikel 71

  1. Bij bouw, herbouw, verbouwing, splitsing of vereniging van percelen, is het de eigenaar verboden een gebouw of getimmerte in gebruik te nemen of op enige wijze in gebruik te geven, alvorens dit voorzien is van het door Uitvoeringsorganisatie Ruimtelijke Ordening en Planning aangewezen nummer.
  2. De eigenaar is verplicht te zorgen, dat tijdens het verrichten van werkzaamheden aan het perceel het nummer duidelijk leesbaar blijft aangeduid.

Artikel 72

  1. Het is verboden het nummer, krachtens de artikelen 70 en 71 aangebracht, van het perceel te verwijderen of een ander nummer aan te brengen of te hebben.
  2. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden nadere regels gesteld met betrekking tot de naamgeving van openbare ruimten en de nummering van percelen.

Artikel 73

  1. Eigenaars zijn verplicht toe te laten dat door of vanwege het bevoegde gezag straatnaamborden, waarschuwingsborden of verkeerstekenen aan hun gebouw of getimmerte of op hun erf worden aangebracht.
  2. Het is verboden het aldus aangebrachte bord of teken te wijzigen, onzichtbaar of onkenbaar te maken, te verwijderen of aldaar een bord met de naam van een andere openbare weg of een ander waarschuwingsbord of verkeersteken aan te brengen of te hebben.

§ 5. TOEZICHT EN HANDHAVING

Artikel 74

  1. Met het toezicht op de naleving van de regels gegeven bij of krachtens deze landsverordening, zijn belast de personen aangewezen in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering, alsmede de bij landsbesluit aangewezen ambtenaren of personen. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. De personen, bedoeld in het eerste lid, zijn uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
    a. alle inlichtingen te vragen;
    b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
    c. goederen aan opneming en onderzoek te onderwerpen, deze daartoe tijdelijk mee te nemen en daarvan monsters te nemen;
    d. alle plaatsen, met uitzondering van woningen, zonder uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van de door hen aangewezen personen;
    e. schepen en stilstaande voertuigen, alsmede de lading daarvan te onderzoeken;
    f. woningen of tot woning bestemde gedeelten van vaartuigen zonder uitdrukkelijke toestemming van de bewoner binnen te treden.
  3. Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm.
  4. Op het binnentreden van woningen of van tot woning bestemde gedeelten van vaartuigen als bedoeld in het derde lid, onderdeel f, is Titel X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156, tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, laatste zinsnede, en 160, eerste lid, en met dien verstande dat de machtiging, indien het betreft de krachtens het eerste lid aangewezen personen, wordt verleend door de procureur-generaal.
  5. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de krachtens dit artikel aangewezen ambtenaren en personen.
  6. Een ieder verleent alle medewerking aan de ambtenaren en personen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 75

  1. De betrokken minister is bevoegd op kosten van de overtreder van een bepaling gegeven bij of krachtens deze landsverordening te doen wegnemen, te beletten of in de vorige toestand te herstellen hetgeen in strijd met die bepalingen is of wordt gehouden, gemaakt of gesteld, ondernomen of weggenomen. Een beslissing tot toepassing van bestuursdwang wordt op schrift gesteld en geldt als een beschikking.
  2. Met uitzondering van spoedeisende gevallen wordt van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, geen gebruik gemaakt, dan nadat van de belanghebbende schriftelijk is gevorderd binnen een redelijke termijn te doen datgene waartoe hij bij of krachtens deze landsverordening is gehouden.
  3. De betrokken minister is eveneens bevoegd tot het in de vorige toestand herstellen van schade toegebracht aan overheidswerken, voor rekening van degene door wiens toedoen de schade is veroorzaakt, alsmede tot het treffen van maatregelen ter voorkoming van meerdere schade.
  4. De kosten wegens schade toegebracht aan overheidswerken, alsmede de kosten wegens de te nemen of genomen maatregelen, worden door een daartoe door het bevoegd gezag aangewezen persoon geraamd en vermeld in een proces-verbaal dat aan degene die de schade heeft toegebracht wordt toegezonden.

Artikel 76

  1. De overtreder is de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
  2. De beschikking, bedoeld in artikel 75, eerste lid, vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder plaatsvindt.
  3. Indien de kosten geheel of gedeeltelijk niet ten laste van de overtreder zullen worden gebracht, wordt zulks in de beschikking vermeld.
  4. Onder kosten, worden tevens begrepen de kosten verbonden aan de voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze kosten zijn gemaakt na het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in artikel 75, tweede lid, is verstreken.
  5. De kosten zijn ook verschuldigd, indien de bestuursdwang door opheffing van de onrechtmatige situatie niet of niet volledig is uitgevoerd.

Artikel 77

  1. De betrokken minister kan van de overtreder bij dwangbevel de verschuldigde kosten, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, invorderen.
  2. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
  3. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open.
  4. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de minister, kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Artikel 78

De kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang zijn bevoorrecht op de zaak ten aanzien waarvan zij zijn besteed en worden, na de kosten, bedoeld in artikel 284, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, uit de opbrengst van de zaak betaald.

 

Artikel 79

  1. Met opsporing van de in deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, belast de daartoe bij landsbesluit aangewezen personen. Een zodanige aanwijzing wordt bekend gemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vereisten waaraan de krachtens het eerste lid aangewezen personen dienen te voldoen.

Artikel 80

De feiten bij deze landsverordening strafbaar gesteld zijn overtredingen.

 

 

Artikel 81

  1. Overtreding van enig voorschrift bij of krachtens deze landsverordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste de tweede categorie.
  2. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk geworden is of vrijwillig voldaan is aan de voorwaarde door de bevoegde ambtenaar van het Openbaar Ministerie krachtens artikel 1:161 van het Wetboek van Strafrecht gesteld, kan hechtenis of geldboete tot het dubbele van het maximum gesteld in het vorige lid worden opgelegd.
  3. In geval van overtreding van enige bepaling van deze landsverordening, kunnen de voorwerpen in de desbetreffende bepaling genoemd, waarmee de overtreding is gepleegd of door middel van de overtreding verkregen, voor een periode gelijk aan de tijd die nodig is voor de behandeling van de overtreding door het Openbaar Ministerie, in bewaring worden genomen, voor zover zij aan de overtreder toebehoren, met uitzondering van dieren, die geen vee zijn. Na behandeling van de overtreding kan de overtreder de in bewaring genomen artikelen opeisen, na betaling van de kosten van de in bewaringneming en -houding van de artikelen.
  4. Bij een veroordeling wegens overtreding van een bepaling, bedoeld in het derde lid, kunnen de voorwerpen, bedoeld in het derde lid, worden verbeurd verklaard, uitgezonderd vervoermiddelen.
  5. Bij recidive wegens overtreding van een bepaling, bedoeld in het derde lid, kunnen ook vervoermiddelen worden verbeurd verklaard.

 

§6. SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 82

  1. Artikel 15, onderdeel a, is niet van toepassing op voorwerpen als bedoeld in dat artikel, aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening, gedurende een jaar na die datum, mits de eigenaar of gebruiker van het voorwerp binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze landsverordening, ontheffing van het verbod aanvraagt.
  2. Artikel 16, eerste lid, is niet van toepassing op handelsreclame, aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening gedurende een jaar na die datum, mits de eigenaar of gebruiker van de onroerende zaak binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze landsverordening ontheffing van het verbod aanvraagt.
  3. De beschikking tot weigering van een ontheffing vermeldt binnen welke termijn een voorwerp als bedoeld in het eerste lid, of handelsreclame als bedoeld in het tweede lid, wordt verwijderd.
  4. Beschikkingen gegeven krachtens het Landsbesluit van 22 maart 2011 (2011/028249), zoals verlengd, voor zover nog geldend op het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening, gelden als gegeven krachtens deze landsverordening.

 

Artikel 83

[Red: Wijzigt de Eilandsverordening leges, precariorechten en retributies Curaçao.]

Artikel 84

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Landsverordening openbare orde.

Artikel 85

Deze landsverordening treedt in werking met ingang van de eerste dag van de kalendermaand na de datum van bekendmaking.

 

Naar boven