Landsverordening sociale vormingsplicht - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsverordening sociale vormingsplicht

Publicatienummer: P.B. 2024, no. 87 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsverordening
Ministerie: Onderwijs, Wetenschap, Cultuur & Sport
Datum ondertekening: 10-07-2024
Datum inwerktreding: 25-02-2006
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK XIII Volksontwikkeling en opvoeding. erediensten)


LANDSBESLUIT van de 10de juli 2024, no. 24/1538, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Landsverordening sociale vormingsplicht

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
25-02-2006 n.v.t. n.v.t. Geconsolideerde tekst

 

P.B. 2024, no 87 (GT) n.v.t.

 

Hoofdstuk 1

Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze landsverordening wordt verstaan onder:
a. minister : de minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport;
b. jongere : een ingezetene van Curaçao die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, maar nog niet de leeftijd van 25 jaar;
c. deelnemer : de jongere die zich bij een uitvoerende instantie heeft ingeschreven voor het volgen van het voor hem vastgestelde kanstraject;
d. jongerenregister : het geautomatiseerde bestand, waarin de jongeren en deelnemers aan de kanstrajecten staan ingeschreven;
e. persoonsbestand : de gegevens met betrekking tot een jongere, zoals opgenomen in het jongerenregister;
f. sociale vormingsplicht : de verplichting van iedere jongere tot het volgen van een kanstraject in geval hij niet beschikt over een beroepskwalificatie niveau 1;
g. raamplan kanstrajecten : een plan als bedoeld in artikel 9;
h. kanstraject : een traject als bedoeld in artikel 10;
i. beroepskwalificatie niveau 1 : het niveau van een assistent-beroepsbeoefenaar, die in staat is onder begeleiding routinematige arbeid uit te voeren, welk niveau overeenkomt met het diploma assistent opleiding of een diploma voorbereidend secundair beroepsonderwijs (vsbo).
j. oproepingsinstantie : de met de uitvoering van deze landsverordening belaste sector;
k. uitvoerende instantie : een instantie die een raamplan kanstrajecten opstelt, de kanstrajecten en de daarmee samenhangende begeleiding verzorgt en krachtens artikel 26 een bijdrage van de minister hiervoor ontvangt;
l. Sector : de Sector Cultuur en Sport;
m. inspecteur : de inspecteur van het onderwijs, belast met het toezicht op scholen voor voortgezet en beroepsonderwijs.

Hoofdstuk 2

Oproeping en melding

Artikel 2

1. Iedere jongere wordt binnen één maand na het bereiken van de leeftijd van 16 jaar opgeroepen door de oproepingsinstantie, om te laten bepalen of op hem de sociale vormingsplicht rust. De jongere meldt zich op het hem in de oproeping opgegeven tijdstip bij de oproepingsinstantie.
2. Scholen, instellingen, andere voorzieningen en ouders zijn verplicht aan de oproepingsinstantie te melden van alle leerlingen die de school zonder diploma verlaten of verlaten hebben.

Artikel 3

1. De jongere op wie de sociale vormingsplicht rust, meldt zich op het hem in de oproeping opgegeven tijdstip bij de daarin opgegeven uitvoerende instantie voor een educatieve intake.
2. De educatieve intake heeft tot doel te onderzoeken de mate waarin de jongere beschikt over de kennis en vaardigheden voor een beroepskwalificatie niveau 1.

Hoofdstuk 3

Vrijstelling en ontheffing van de sociale vormingsplicht

Artikel 4

De minister verleent de jongere vrijstelling van de sociale vormingsplicht indien:
a. uit bij de aanvraag verschafte gegevens en bescheiden blijkt dat de jongere op grond van lichamelijke of geestelijke onbekwaamheid nooit in staat zal zijn aan enige krachtens deze landsverordening voor hem geldende verplichting te voldoen, of
b. de jongere ten minste in het bezit is van een diploma beroepsvoorbereidend onderwijs (b.v.o.) variant B of D, een diploma voorbereidend secundair beroepsonderwijs (v.s.b.o.) theoretisch kadergerichte leerweg of praktisch kadergerichte leerweg, middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (m.a.v.o.), hoger algemeen voortgezet onderwijs (h.a.v.o.) voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (v.w.o.) dan wel een diploma van een door de minister aangewezen gelijkwaardige, erkende opleiding.

Artikel 5

De minister verleent op verzoek van de jongere ontheffing van het volgen van een kanstraject:
a. wegens vervulling van de werkelijke dienst, bedoeld in artikel 1 van de Dienstplichtverordening 1961 ;
b. indien hij een opleiding volgt aan:
1° een dagschool, avondschool of dag-avondschool voor voorbereidend wetenschappelijke onderwijs (v.w.o.), hoger algemeen voortgezet onderwijs (h.a.v.o.), of voorbereidend secundair beroepsonderwijs (v.s.b.o);
2° een door de minister aangewezen instelling;
c. indien hij op grond van lichamelijke of geestelijke onbekwaamheid tijdelijk niet in staat is aan enige bij deze landsverordening gestelde verplichting te voldoen;
d. indien hij wegens persoonlijke omstandigheden tijdelijk niet in staat is aan enige bij deze landsverordening gestelde verplichting te voldoen.

Artikel 6

1. Een aanvraag tot vrijstelling of ontheffing als bedoeld in de artikelen 4 en 5 wordt ingediend bij de oproepingsinstantie door middel van een formulier waarvan het model door de minister wordt vastgesteld.
2. De jongere verschaft bij de aanvraag de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
3. De minister vermeldt in zijn besluit tot ontheffing de duur van de ontheffing. De duur van een ontheffing bedraagt per keer ten hoogste een jaar. Ontheffing wegens vervulling van de werkelijke dienst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, wordt verleend voor zolang de betrokken jongere de werkelijke dienst vervult.
4. Op een aanvraag tot vrijstelling of ontheffing wordt beslist binnen dertig dagen na indiening. Indien binnen deze termijn geen beslissing is genomen, wordt de aanvraag geacht te zijn ingewilligd en wordt aan de aanvrager op diens verzoek een besluit van die strekking afgegeven of toegezonden.
5. Zolang niet op de aanvraag tot vrijstelling of ontheffing, bedoeld in artikel 5, eerste lid, is beslist, is de verplichting tot het volgen van een kanstraject als bedoeld in artikel 10 opgeschort.
6. Een ontheffing kan onder voorwaarden en beperkingen worden verleend.

Hoofdstuk 4

Jongerenregister

Artikel 7

1. Er wordt een jongerenregister gehouden.
2. De beheerder van het jongerenregister is de oproepingsinstantie.
3. Elke jongere die door de oproepingsinstantie wordt opgeroepen, wordt ingeschreven in het jongerenregister. Bij de melding dient de jongere zijn identiteitsbewijs of een ander geldig legitimatiebewijs te tonen.
4. Het jongerenregister dient op verzoek van de jongere een afschrift te geven van de over hem geregistreerde gegevens.
5. In het jongerenregister worden de volgende gegevens opgenomen:
a. bij oproeping en vrijstelling of ontheffing: alle gegevens conform een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld;
b. aanvragen voor vrijstelling alsmede de verstrekte vrijstelling alsmede de duur daarvan;
c. aanvragen voor ontheffing en de verstrekte ontheffingen alsmede de duur daarvan;
d. uitgegane uitnodigingen voor een educatieve intake als bedoeld in artikel 2, en de resultaten daarvan;
e. het kanstraject, de daarvan deel uitmakende modules die de jongere moet volgen en de wijzigingen daarin;
f. de door de deelnemer met succes afgeronde modules;
g. het behalen van het in artikel 12 bedoelde certificaat;
h. de ingevolge artikel 3 geregistreerde gegevens;
i. gegevens omtrent de toepassing van artikel 19 op de jongere.
6. De gegevens, bedoeld in het vijfde lid, worden in het persoonsbestand van de onderscheiden jongeren opgenomen.
7. De bij de aanmelding verstrekte gegevens worden door de beheerder van het jongerenregister vergeleken met:
a. de gegevens van de leerlingenadministratie, ter vaststelling of de verstrekte gegevens met betrekking tot deelname aan het onderwijs juist zijn; en
b. de basisadministratie persoonsgegevens, ter vaststelling of alle in de basisadministratie opgenomen jongeren, zijn opgeroepen.
8. Elk kwartaal wordt het jongerenregister door de beheerder van het register bijgewerkt door vergelijking met de gegevens van de leerlingenadministratie en de basisadministratie persoonsgegevens, bedoeld in het zevende lid, en door opgave van jongeren respectievelijk van uitvoerende instanties.

Artikel 8

1. De in het jongerenregister opgenomen gegevens worden uitsluitend gebruikt voor de uitvoering, handhaving en evaluatie van deze landsverordening en zijn als zodanig uitsluitend toegankelijk voor de uitvoerende instantie en de in artikel 14 genoemde personen, voor zover deze gegevens redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taak.
2. De beheerder van het jongerenregister draagt zorg voor de nodige voorzieningen van technische en organisatorische aard ter beveiliging van het register tegen verlies of aantasting van de gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of verstrekking daarvan.
3. De minister stelt voor het jongerenregister een reglement vast. Het reglement bevat in elk geval een duidelijke regeling van de volgende onderwerpen:
a. het doel van de registratie;
b. de categorieën van personen over wie gegevens in het register worden opgenomen;
c. de soorten van gegevens die in de registratie worden opgenomen, en de wijze waarop deze worden verkregen;
d. de gevallen waarin opgenomen gegevens worden verwijderd;
e. de categorieën van personen of instanties, waaraan gegevens uit de registratie worden verstrekt;
f. de rechtstreekse toegang tot de registratie;
g. de wijze waarop geregistreerde personen kennisneming en verbetering van de over hen opgenomen gegevens kunnen verkrijgen;
h. de wijze waarop geregistreerde personen mededeling van verstrekking van hen betreffende gegevens kunnen verkrijgen;
i. de hoofdlijnen van het beheer van de registratie.
4. Het reglement alsmede wijziging en intrekking daarvan wordt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst bekendgemaakt en voor een ieder ter inzage gelegd bij de uitvoerende instantie.

Hoofdstuk 5

Vaststelling raamplan kanstrajecten

Artikel 9

1. De uitvoerende instantie stelt een raamplan kanstrajecten op. Het raamplan kanstrajecten omvat ten minste:
a. de vormings- en scholingsdoelen en de bijbehorende begin- en eindtermen;
b. de modules en deelmodules;
c. de inhoud, duur, de mogelijke kanstrajecten en praktijkonderdelen;
d. de momenten en de wijze waarop de toetsen worden afgenomen;
e. de termijn waarbinnen de resultaten van de toetsen bekend worden gemaakt aan de jongere;
f. de instructietaal;
g. de kwalificatie van de docenten, trajectbegeleiders en praktijkbegeleiders;
h. de aard en intensiteit van de begeleiding van de jongere in de verschillende kanstrajecten;
i. de wijze waarop het bedrijfsleven betrokken is bij de inhoud van kanstrajecten in de vorm van leerwerktrajecten en bijdraagt met stage- of praktijkplaatsen;
j. de periode gedurende welke het raamplan kanstrajecten van kracht is.
2. Het raamplan kanstrajecten wordt voor goedkeuring aan de minister voorgelegd.
3. Op een aanvraag tot goedkeuring van een raamplan kanstrajecten neemt de minister een beslissing binnen 60 dagen na indiening.

Hoofdstuk 6

Kanstraject

Artikel 10

1. Op grond van de resultaten van de educatieve intake, bedoeld in artikel 3, stelt de uitvoerende instantie een op zijn individuele situatie afgestemd kanstraject voor de jongere vast.
2. Het kanstraject bestaat uit een of meerdere modulen die samengesteld zijn met het oog op:
a. de persoonlijke ontplooiing;
b. het leggen van een brede basis van algemene kennis en algemene en sociale vaardigheden;
c. het leggen van een basis voor de bereidheid tot voortdurende persoonlijke ontwikkeling en uitbreiding van beroepsvaardigheden (‘lifelong learning’);
d. het ontwikkelen van de nodige attitudes en vaardigheden om zich in een werkkring te kunnen handhaven (‘employability’);
e. het doen beschikken over een beroepskwalificatie niveau 1;
f. het aanbieden van een basispakket bestaande uit Papiamentu en/of Engels, Nederlands, Spaans en computervaardigheden.
3. Het kanstraject heeft een totale duur van ten minste zes maanden en ten hoogste twee jaar.
4. Het kanstraject kan worden gewijzigd op grond van wijzigingen in de gegevens zoals die op het in artikel 2 bedoelde aanmeldingsformulier door de jongere zijn verstrekt.

Artikel 11

De jongere is verplicht aanwezig en verleent zijn medewerking aan alle onderdelen van het voor hem vastgestelde kanstraject en de daarmee samenhangende begeleiding.

Artikel 12

Nadat de deelnemer alle modules van het voor hem vastgestelde dan wel gewijzigde kanstraject met succes heeft afgerond, ontvangt hij een certificaat of een diploma, afhankelijk van de aard van het traject.

Hoofdstuk 7

Geheimhoudingsplicht

Artikel 13

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze landsverordening en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze landsverordening de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Hoofdstuk 8

Toezicht

Artikel 14

1. Met de uitoefening van het toezicht op de naleving van deze landsverordening zijn belast de door de minister aangewezen toezichthouders, zijnde functionarissen in dienst van de Sector.
2. Met het toezicht op de kwaliteit van de aangeboden kanstrajecten is belast de inspecteur.

Artikel 15

1. Bij de uitoefening van hun taak dragen de toezichthouders, bedoeld in artikel 14, een legitimatiebewijs bij zich.
2. Desgevraagd tonen zij hun legitimatiebewijs aanstonds.
3. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de toezichthouder en vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid.

Artikel 16

1. De toezichthouders, bedoeld in artikel 14, zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
2. Zo nodig verschaffen zij zich toegang met behulp van de sterke arm.
3. Zij zijn bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hen zijn aangewezen, voor zover dit voor het doel van het betreden redelijkerwijs nodig is.
4. Indien de plaats, bedoeld in het eerste lid, een woning is, treedt een toezichthouder de woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner niet binnen dan met inachtneming van het bepaalde in het vijfde lid.
5. Op het binnentreden in woningen is Titel X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156, tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, laatste zinsnede, en 160, eerste lid, en met dien verstande dat de machtiging wordt verleend door de procureur-generaal.

Artikel 17

De toezichthouders, bedoeld in artikel 14, zijn bevoegd inlichtingen te verlangen, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 18

Een ieder is verplicht aan de toezichthouders, bedoeld in artikel 14, alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kunnen vorderen ter uitoefening van hun bevoegdheden.

Hoofdstuk 9

Administratieve boeten

Artikel 19

1. Ter zake van gedragingen in strijd met artikel 2, eerste lid, tweede volzin, 3, eerste lid, of 11 kan de minister aan de jongere een administratieve boete opleggen.
2. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van het feit, de omstandigheden waarin de jongere verkeert en de mate van verwijtbaarheid.
3. De boete kan voorwaardelijk of onvoorwaardelijk worden opgelegd.
4. Het opleggen van een voorwaardelijke boete geschiedt steeds onder de algemene voorwaarde dat de betrokkene zich voor het einde van de proeftijd, die op ten hoogste twee jaar gesteld kan worden, niet gedraagt op de in het eerste lid bedoelde wijze.
5. Bij het opleggen van een voorwaardelijke boete kunnen voorts bijzondere voorwaarden worden gesteld, onder meer inzake het tijdstip van het zich alsnog melden bij de oproepingsinstantie of de uitvoerende instantie, het gedrag van betrokkene gedurende de proeftijd en storting door betrokkene van een waarborgsom.
6. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt een jaar nadat de overtreding is begaan.
7. De hoogte van de administratieve boete, bedoeld in het eerste lid, is:
a. indien het feit, bedoeld in het eerste lid, voor de eerste keer wordt gepleegd: ten minste NAf 25,– en ten hoogste NAf 500,– ;
b. in geval van het herhaald plegen van het feit, bedoeld in het eerste lid: ten minste NAf. 100,– en ten hoogste NAf 2500,–.
8. De administratieve boeten komen ten goede van de uitvoering van deze landsverordening.

Artikel 20

1. Indien de minister voornemens is een administratieve boete op te leggen, geeft hij daarvan kennis aan de jongere, onder vermelding van het feit terzake waarvan het voornemen bestaat en van de gronden waarop het voornemen berust.
2. Voordat de boete wordt opgelegd, stelt de minister de jongere in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen. Hij kan zich daarbij doen bijstaan door een raadspersoon.

Hoofdstuk 10

Strafbepalingen

Artikel 21

1. Hij, die zich gedraagt in strijd met de artikelen 2, eerste lid, tweede volzin, 3, eerste lid, of 11 wordt gestraft:
a. indien het feit voor de eerste keer wordt gepleegd: met hechtenis van ten hoogste 10 dagen, een geldboete van de tweede categorie of met beide straffen.
b. in geval van het herhaald plegen van het feit, bedoeld in het eerste lid: met hechtenis van ten hoogste twee maanden, een geldboete van de tweede categorie of met beide straffen.
2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
3. Strafrechtelijke vervolging ter zake van een in het eerste lid genoemd strafbaar feit is niet mogelijk zolang geen toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 19.

Artikel 22

1. Hij, die zich gedraagt in strijd met artikel 13 wordt gestraft met:
a. indien hij het feit opzettelijk heeft gepleegd: hechtenis van ten hoogste zes maanden, een geldboete van de vierde categorie of met beide straffen.
b. in de overige gevallen: een hechtenis van ten hoogste drie maanden, een geldboete van de derde categorie of beide straffen.
2. De in het eerste lid, onder a, strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. De in het eerste lid, onder b, strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
3. Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van degene te wiens aanzien de geheimhouding geschonden is.

Artikel 23

Hij die op grond van de bij of krachtens deze landsverordening vastgestelde bepalingen gehouden is inlichtingen of gegevens te verstrekken en daarbij opzettelijk een valse opgave doet dan wel opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden, een geldboete van de vierde categorie of met beide straffen. Het in de eerste volzin strafbaar gestelde feit is een misdrijf.

Artikel 24

Hij die op andere wijze dan door het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift, dat bestemd is tot bewijs van enig feit te dienen opzettelijk een opgave doet in strijd met de waarheid, zulks met het oogmerk om de verlening van vrijstelling of ontheffing van de sociale vormingsplicht te verkrijgen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden, een geldboete van de vierde categorie of met beide straffen. Het in de eerste volzin strafbaar gestelde feit is een misdrijf.

Hoofdstuk 11

Kanstrajecttoelage

Artikel 25

1. Een jongere die deelneemt aan een kanstraject als bedoeld in artikel 10, komt in aanmerking voor een tegemoetkoming in de noodzakelijk te maken onkosten voor vervoer, kleding en schoeisel, verzorging, en een ziektekostenverzekering, van gemiddeld NAf 500,– per maand en voor kinderopvang maximaal NAf 200,– per maand. Daartoe dient hij een aanvraag in bij de oproepingsinstantie, met gebruikmaking van het formulier volgens het model dat door de minister wordt vastgesteld.
2. De oproepingsinstantie neemt binnen 4 weken een besluit en stelt de jongere daarvan schriftelijk op de hoogte.
3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt geregeld op welke wijze de tegemoetkoming in de in het eerste lid bedoelde onkosten wordt berekend.
4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan een hoger bedrag dan dat genoemd in het eerste lid, worden vastgesteld.

Hoofdstuk 12

Bekostiging raamplan kanstrajecten

Artikel 26

1. De aan de uitvoering van een raamplan kanstrajecten verbonden kosten en toelagen komen ten laste van het Land.
2. Het raamplan kanstrajecten kan slechts verzorgd worden door een rechtspersoon die in aanmerking komt voor bekostiging hiervan uit de openbare kas.
3. Een aanvraag voor bekostiging van een raamplan kanstrajecten wordt ingediend bij de minister.
4. Indien er geen of onvoldoende aanvragen als bedoeld in het derde lid, worden ingediend, waardoor er een tekort aan kanstrajectplaatsen dreigt te ontstaan of waardoor er onvoldoende differentiatie is in het aangeboden raamplan kanstrajecten, kan de minister een aanbesteding houden.
5. Binnen vier maanden na ontvangst, neemt de minister een beslissing op de aanvraag.
6. De minister stelt de aanvrager in kennis van zijn met redenen omkleed besluit. Bij inwilliging van de aanvraag vermeldt het besluit in ieder geval de datum waarop de minister voornemens is de bekostiging uit de openbare kas te doen ingaan.
7. De minister sluit met de uitvoerende instantie een overeenkomst voor de bekostiging overeenkomstig artikel 27, derde lid.

Artikel 27

1. De bijdrage aan een uitvoerende instantie ten behoeve van een raamplan kanstrajecten wordt berekend op grondslag van:
a. een overzicht van jongeren die deelnemen aan een kanstraject, waarbij in ieder geval vermeld is naam, voornaam, adres, telefoon- en persoonsnummer (ID), gevolgde en voltooide opleiding, en kanstraject waaraan de jongere deelneemt;
b. een normbedrag per jongere.
2. Het overzicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt maandelijks door de uitvoerende instanties verstrekt aan de beheerder van het jongerenregister, bedoeld in artikel 8, tweede lid.
3. De uitvoerende instantie ontvangt bij de aanvang van de uitvoering van het raamplan kanstrajecten per deelnemer 50% van het normbedrag en wanneer de deelnemer aan het kanstraject voor meer dan 80% heeft deelgenomen nog eens 30%. Indien de deelnemer het kanstraject met succes afrondt, ontvangt de uitvoerende instantie de resterende 20%.

Artikel 28

(vervallen)

Artikel 29

1. De uitvoerende instantie zendt jaarlijks binnen drie maanden na afloop van het jaar waarvoor een bijdrage uit de openbare kas is verstrekt in de kosten van de uitvoering van het raamplan kanstrajecten, aan de minister een schriftelijk verslag over de uitgevoerde kanstrajecten.
2. De met het beheer van het jongerenregister belaste instantie zendt binnen drie maanden na de opzet van het jongerenregister een schriftelijk verslag aan de minister over het functioneren van het register.

Artikel 30

1. De uitvoerende instantie dient bij de minister vóór 1 maart volgend op het jaar waarvoor een bijdrage uit de openbare kas is verkregen, een financiële verantwoording in waaruit blijkt:
a. dat de bijdrage rechtmatig is aangewend;
b. of, en zo ja op welke wijze, ten aanzien van het voorafgaande jaar, gebruik is gemaakt van de verstrekte bijdrage.
2. (vervallen)
3. De financiële verantwoording wordt ingericht volgens door de minister gegeven richtlijnen.
4. Het verslag, waarin de financiële verantwoording zoals bedoeld in het eerste lid is vervat, wordt, vergezeld van een verklaring van deskundige als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van het Wetboek van Koophandel. Aan de minister wordt op diens verzoek inzicht gegeven in de gegevens die bij de controle op enigerlei wijze een rol spelen, en in de rapporten van bedoelde deskundige.

Artikel 31

De minister kan de vastgestelde bijdrage binnen een periode van vijf jaar, gerekend vanaf de dag waarop het verzoek tot bekostiging was ingewilligd intrekken of ten nadele van de uitvoerende instantie wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan de minister bij de vaststelling van de bijdrage redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de bijdrage lager zou zijn vastgesteld;
b. indien de vaststelling van de bijdrage onjuist was en de uitvoerende instantie dit wist of behoorde te weten;
c. indien de uitvoerende instantie na de vaststelling van de bijdrage niet heeft voldaan aan het bepaalde in deze landsverordening.

Artikel 32

(vervallen)

Artikel 33

(vervallen)

Hoofdstuk 13

Rapportage en evaluatie

Artikel 34

1. Binnen vier weken na afloop van een kwartaal brengt de oproepingsinstantie verslag uit aan de minister over het aantal meldingen, oproepingen en toegekende en afgewezen aanvragen voor onkostenvergoeding. Van oproepingen waaraan niet tijdig gehoor is gegeven stelt de oproepingsinstantie de minister in kennis binnen twee weken na afloop van de termijn waarbinnen de jongere gehoor had moeten geven aan de oproeping.
2. Binnen vier weken na afloop van elk kwartaal brengt een uitvoerende instantie verslag uit aan de minister over het aantal afgenomen educatieve intakes, het aantal deelnemers, de mate waarin de deelnemers conform het kanstraject vorderen, het aantal deelnemers dat een kanstraject met goed gevolg heeft voltooid en het aantal jongeren dat vertrokken is.
3. De inspecteur brengt elk kwartaal verslag uit aan de minister over de kwaliteit van de uitvoering van het goedgekeurde raamplan kanstrajecten.
4. De Sector brengt 2 keer per jaar verslag uit aan de minister over de voortgang van de uitvoering van deze landsverordening.

Artikel 35

De minister zendt binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van deze landsverordening, en vervolgens telkens na zes maanden, aan de Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze landsverordening in de praktijk.

Hoofdstuk 14

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 36

1. (vervallen)
2. De minister verleent aan een ieder aan wie geen plaats kan worden aangeboden in de programma’s, genoemd in het tweede lid, ontheffing van de verplichting tot het volgen van een kanstraject.

Artikel 37

(vervallen)

 

Artikel 38

1. Een in deze landsverordening gestelde termijn die op zaterdag, zondag of een feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of feestdag is.
2. Artikel 5, tweede lid, van de Regeling ambtenarenrechtspraak is van overeenkomstige toepassing. Een feestdag is eveneens iedere dag die daarenboven bij landsbesluit als zodanig wordt aangewezen.

Artikel 39

(vervallen)

Artikel 40

Deze landsverordening wordt aangehaald als: de Landsverordening sociale vormingsplicht.

 

***

Naar boven