Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou Uw mening

Wet- en Regelgeving

Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen

Publicatienummer: P.B. 2019, no. 59 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Landsverordening
Ministerie: Justitie
Datum ondertekening: 02-02-1994
Datum inwerktreding: 05-02-1994
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( Hoofdstuk. X-b. ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN, 40)


LANDSBESLUIT van de 23ste augustus 2019, no. 19/1634, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994

Artikel 1

  1. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
    a. Bank: de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten;
    b. Minister: de Minister van Financiën;
    c. kredietinstelling: een onderneming of instelling, die in belangrijke mate haar bedrijf maakt van het ter beschikking krijgen van gelden, direct of op termijn opvorderbaar, al dan niet in de vorm van spaargelden of tegen uitgifte van één of meer soorten schuldbewijzen en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen;
    d. internationale kredietinstelling: een kredietinstelling die middelen verkrijgt uit onderscheidenlijk uitzet in het buitenland en waaraan een ontheffing van de artikelen 9 tot en met 15 van de Landsverordening Deviezenverkeer is verleend;
    e. representatieve organisatie: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van kredietinstellingen, die door de Minister, de Bank gehoord, als zodanig is aangewezen;
    f. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van meer dan 10% van het nominaal kapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van meer dan 10% van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling;
    g. gerecht: gerecht in eerste aanleg;
    h. externe deskundige: een externe deskundige als bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
    i. dwangbevel: een schriftelijk bevel van de Bank dat ertoe strekt de betaling van een geldschuld af te dwingen;
    j. toezichthoudende instantie: een overheidsinstantie respectievelijk een van overheidswege aangewezen instantie die belast is met het toezicht op financiële markten of op rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen die op die markten werkzaam zijn, alsmede een overheidsinstantie, respectievelijk een van overheidswege aangewezen instantie die belast is met het toezicht op de naleving van wettelijke regelingen ter zake van de bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme.
  2. De Bank wordt niet als kredietinstelling in de zin van deze landsverordening beschouwd.
  3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan worden bepaald dat een onderneming of instelling waarop de in het eerste lid, onderdeel c, genoemde definitie van toepassing is, niet als een kredietinstelling in de zin van deze landsverordening wordt aangemerkt indien de belangen die deze landsverordening beoogt te beschermen, naar het oordeel van de Minister reeds op andere wijze afdoende worden beschermd of niet in het gedrang komen of zijn.

 

Artikel 2

  1. Het is een ieder verboden in Curaçao het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen zonder voorafgaande vergunning van de Bank.
  2. Aan een vergunning als bedoeld in het eerste lid, kunnen door de Bank te allen tijde beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden in het belang van de ontwikkeling en instandhouding van een gezond bank- en kredietwezen alsmede ter bescherming van de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstelling.

Artikel 3

  1. Een onderneming of instelling, die voornemens is het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, verzoekt de Bank per aangetekende brief om een vergunning om het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen.
  2. De aanvraag wordt niet als zodanig beschouwd en door de Bank niet in behandeling genomen, indien zij niet de volgende gegevens en bescheiden bevat, dan wel de Bank na toepassing van haar bevoegdheden krachtens artikel 4, zesde lid, en artikel 5, niet beschikt over voldoende gegevens inzake:
    a. het aanvangskapitaal van de onderneming of instelling;
    b. het aantal, de identiteit, de opleidingen, de werkervaring en de antecedenten van de personen, die naar het oordeel van de Bank, het beleid van de onderneming of instelling bepalen of mede bepalen;
    c. het aantal, de identiteit, de opleidingen, de werkervaring en de antecedenten van de leden van de raad van commissarissen dan wel van het orgaan dat een aan die raad van commissarissen gelijksoortige taak heeft;
    d. de identiteit, de opleidingen, de werkervaring en de antecedenten van personen die het beleid bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming of instelling bepalen of mede bepalen;
    e. de identiteit, financiële positie en de antecedenten van degenen die een gekwalificeerde deelneming houden in de onderneming of instelling, alsmede de omvang van de desbetreffende gekwalificeerde deelneming;
    f. de laatste drie jaarrekeningen van het moederbedrijf, voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een externe deskundige inhoudende de verklaring dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de omvang en de samenstelling van het vermogen van de onderneming of instelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;
    g. een programma van werkzaamheden welke de onderneming of instelling voornemens is te verrichten, alsmede balansprognoses en raming van baten en lasten voor de eerste drie boekjaren;
    h. de voorziene administratieve organisatie met inbegrip van de financiële administratie en interne controle;
    i. de voorziene bedrijfsvoering, waaronder de maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering;
    j. de statuten van de onderneming of instelling; en
    k. de formele en de feitelijke zeggenschapsstructuur van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort.
  3. De Bank kan de aanvrager verzoeken, indien de verstrekte gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, de aanvraag binnen 30 dagen aan te vullen.
  4. Het besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Artikel 4

  1. De Bank verleent de vergunning, tenzij:
    a. het dagelijks beleid van de onderneming of instelling door minder dan twee natuurlijke personen wordt bepaald;
    b. zij van oordeel is dat de deskundigheid van één of meer personen die het beleid van de onderneming of instelling bepalen of mede bepalen, onvoldoende is om het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen;
    c. zij op grond van de voornemens of de antecedenten van één of meer personen die het beleid van de onderneming of instelling bepalen of mede bepalen, van oordeel is dat met het oog op de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling, de integriteit van één van deze personen niet buiten twijfel staat;
    d. de onderneming of instelling zijnde een rechtspersoon, niet een raad van commissarissen of een orgaan dat een aan die raad van commissarissen gelijksoortige taak heeft, bestaande uit ten minste drie leden, heeft;
    e. zij van oordeel is dat de deskundigheid van één of meer personen die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort, voor zover zij tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming bepalen of mede bepalen, onvoldoende is om het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen;
    f. zij op grond van de voornemens of antecedenten van één of meer personen die het beleid van de onderneming of instelling of van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort, bepalen of mede bepalen en tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming of instelling bepalen of mede bepalen, van oordeel is dat met het oog op de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling, de integriteit van één van deze personen niet buiten twijfel staat;
    g. de onderneming of instelling niet beschikt over een per registerafdeling door de Bank nader vast te stellen minimumbedrag aan eigen vermogen;
    h. zij, onverminderd artikel 23, eerste lid, onderdeel b, van oordeel is dat ingevolge een gekwalificeerde deelneming in de onderneming of instelling van een invloed op de onderneming of instelling sprake is of zou kunnen zijn, die in strijd is met een gezond bankbeleid;
    i. zij op grond van de voornemens en antecedenten van de houders van gekwalificeerde deelneming van oordeel is dat met het oog op de belangen van crediteuren of toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling, de integriteit van één van deze personen niet buiten twijfel staat;
    j. de verklaring, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f, een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de onderneming of instelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;
    k. zij op grond van de gegevens, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen f, g, h of i, van oordeel is dat de onderneming of instelling niet in staat zal zijn om aan haar uit hoofde van het toezicht te stellen eisen te voldoen;
    l. zij op grond van de statutaire doelomschrijving reden heeft om aan te nemen dat de onderneming of instelling activiteiten kan ontplooien op terreinen die buiten de eigen terreinen liggen en aldus gevaar voor een gezond beleid op het gebied van bank- en kredietwezen kunnen inhouden;
    m. de onderneming of instelling niet een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap, of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is dan wel indien het een buitenlandse onderneming of instelling betreft, deze niet een met deze rechtspersonen vergelijkbare rechtsvorm heeft;
    n. de statuten niet voldoen aan de bepalingen omtrent aandelen en doelomschrijving, bedoeld in de algemene vergunningsvoorschriften.
  2. De Bank kan besluiten dat een kredietinstelling niet hoeft te voldoen aan één of meer van de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, indien deze aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze landsverordening beoogt te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt. De Bank kan het hiervoor bedoelde besluit wijzigen of intrekken, indien naar haar oordeel de omstandigheden waaronder het besluit is genomen zodanig zijn gewijzigd dat de doeleinden die deze landsverordening beoogt te bereiken niet langer worden bereikt.
  3. De Bank kan besluiten de vergunning niet te verlenen indien zij gronden heeft om aan te nemen dat de onderneming of instelling de vergunning heeft aangevraagd om zich te onttrekken aan de regelgeving inzake het toezicht op het bank- en kredietwezen in een andere staat dan wel indien de structuur van de groep waarvan de kredietinstelling deel uitmaakt zodanig is dat de Bank onvoldoende adequaat en effectief toezicht kan uitoefenen op de kredietinstelling.
  4. De Bank kan besluiten de vergunning niet te verlenen indien zij van oordeel is dat het verlenen van de gevraagde vergunning in strijd is of zou kunnen zijn met de ontwikkeling of instandhouding van een gezond bank- en kredietwezen onderscheidenlijk ten detrimente van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstellingen zou kunnen zijn.
  5. De Bank kan besluiten de vergunning niet te verlenen indien naar het oordeel van de Bank, de Bank of de instantie van het land van herkomst van de betrokken onderneming of instelling die met het toezicht op kredietinstellingen is belast, onvoldoende adequaat en effectief toezicht op geconsolideerde basis kan uitoefenen.
  6. De Bank is bevoegd bij iedere onderneming of instelling die een verzoek heeft ingediend tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, alle inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen, als zij meent nodig te hebben ter verificatie van de juistheid en volledigheid van de bij de aanvraag gevoegde informatie, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a tot en met j.

Artikel 5

De aanvragende onderneming of instelling is verplicht de Bank of degene die in haar opdracht de inlichtingen inwint, zoveel mogelijk behulpzaam te zijn en desgevraagd inzage in en alsmede afschriften van alle boeken, bescheiden en andere informatie dragers te verschaffen als door de Bank noodzakelijk wordt geacht in het kader van de vergunningsprocedure.

 

Artikel 6

Een kredietinstelling waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is verleend, is gehouden aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, alsmede aan de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de vergunning te blijven voldoen.

Artikel 6a

  1. De Bank stelt ten behoeve van de ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht staande kredietinstellingen algemeen verbindende voorschriften vast met betrekking tot:
    a. deskundigheid en integriteit;
    b. financiële waarborgen;
    c. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van en integere bedrijfsvoering en de administratieve organisatie van de kredietinstelling, daaronder begrepen de financiële administratie en de interne controle; en
    d. informatieverschaffing aan de Bank en aan het publiek.
  2. Onder algemeen verbindende voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden in ieder geval verstaan regels ter zake van:
    a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
    b. het voorkomen van betrokkenheid van de kredietinstelling en van haar werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in de kredietinstelling of in de financiële markten in het algemeen schaden;
    c. het voorkomen van betrokkenheid van de kredietinstelling en van haar werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in de kredietinstelling of in de financiële markten in het algemeen schaden;
    d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van de cliënten van de kredietinstelling;
    e. ordelijke en transparante financiële marktprocessen;
    f. zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten of consumenten, zoals het waarborgen van de informatieverstrekking aan cliënten of consumenten.
  3. De Bank kan ter uitvoering van aanbevelingen en regelingen van internationale of intergouvernementele organisaties, algemeen verbindende voorschriften van technische en organisatorische aard uitvaardigen ten behoeve van de ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht staande kredietinstellingen.
  4. Alvorens de Bank deze algemeen verbindende voorschriften vaststelt of wijzigt, pleegt de Bank overleg met de representatieve organisaties.
  5. De Bank kan bepalen dat de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in het eerste en derde lid, ook van toepassing zijn op degenen met een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in artikel 45, vierde respectievelijk vijfde lid.
  6. Een kredietinstelling waaraan een vergunning is verleend, is verplicht zich te houden, alsmede zich te blijven houden aan de voorschriften, bedoeld in het eerste en derde lid.
  7. De voorschriften, bedoeld in het eerste en derde lid, treden in werking op een in die voorschriften te bepalen tijdstip doch niet eerder dan de bekendmaking, bedoeld in artikel 111, derde lid, van de Staatsregeling. De Bank plaatst de voorschriften digitaal op de website van de Bank.

 

Artikel 6b

  1. De Bank legt de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in deze landsverordening, ter goedkeuring voor aan de Minister.
  2. De voordracht tot publicatie van de algemeen verbindende voorschriften wordt niet eerder gedaan dan nadat deze zijn goedgekeurd door de Minister.
  3. De Minister kan in het geval dat de algemeen verbindende voorschriften in strijd zijn met de wet, een verdrag of een bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie of met het algemeen belang en de Bank de geconstateerde onvolkomenheid na overleg niet heeft weggenomen, weigeren de goedkeuring te verlenen.
  4. De goedkeuring wordt geacht te zijn gegeven indien de Minister binnen vier weken na het overleggen van de algemeen verbindende voorschriften, niet heeft gereageerd.
  5. Algemeen verbindende voorschriften van de Bank, die in strijd zijn met het recht of het algemeen belang, kunnen door de Gouverneur als hoofd van de Regering bij gemotiveerd besluit worden geschorst en vernietigd. De voordracht tot vernietiging geschiedt, gehoord de Raad van Advies, in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers. Een schorsing bedraagt maximaal vier weken, tenzij binnen die vier weken de Raad van Advies wordt gehoord. Indien de Raad van Advies wordt gehoord, bedraagt een schorsing maximaal vier weken na de dag waarop het advies van die raad is uitgebracht.

Artikel 6c

  1. De Bank kan bij overtreding van artikel 2, eerste lid, of van artikel 45, eerste en tweede lid, dan wel in het geval dat in strijd wordt gehandeld met de voorschriften of beperkingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, of met de in artikel 45, vierde en vijfde lid, bedoelde beperkingen respectievelijk voorschriften, een openbare waarschuwing uitvaardigen, indien nodig onder vermelding van de overwegingen die tot die waarschuwing hebben geleid.
  2. De Bank kan tevens voor het feit dat een ondernemer, onderneming of instelling het woord “bank”, “krediet” of “spaar” en vertalingen of vormen daarvan bezigt in strijd met artikel 44 of het feit dat een onderneming of instelling handelt in strijd met artikel 45 een openbare waarschuwing uitvaardigen.
  3. De bevoegdheid om een openbare waarschuwing als bedoeld in het eerste en tweede lid uit te vaardigen laat onverlet de bevoegdheid van de Bank om openbare waarschuwingen van internationale of intergouvernementele organisaties, hier te lande te publiceren.
  4. Indien de Bank besluit een openbare waarschuwing als bedoeld in het eerste en tweede lid uit te vaardigen, stelt zij de betrokken persoon of instelling in kennis van het besluit.
  5. Het besluit vermeldt in ieder geval de geconstateerde overtreding, de inhoud van de openbaarmaking, de gronden waarop het besluit berust alsmede de wijze waarop en de termijn waarna de openbare waarschuwing zal worden uitgevaardigd.
  6. Het uitvaardigen van een openbare waarschuwing geschiedt niet eerder dan nadat vijf werkdagen zijn verstreken na de dag waarop de betrokken persoon of instelling overeenkomstig het vierde en vijfde lid in kennis is gesteld van het besluit.
  7. Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak wordt de werking van het besluit opgeschort totdat er een uitspraak is van het gerecht.
  8. Indien bescherming van de belangen die deze landsverordening beoogt te beschermen geen uitstel toelaat, kan de Bank, in afwijking van de voorgaande leden, onverwijld een openbare waarschuwing uitvaardigen.
  9. De uitvaardiging van een openbare waarschuwing als bedoeld in dit artikel, geschiedt digitaal op de website van de Bank dan wel op een andere door de Bank te bepalen wijze.

Artikel 7

  1. Op een aanvraag om een vergunning beslist de Bank uiterlijk 60 dagen na ontvangst van een volledige aanvraag en deelt de aanvrager haar beslissing bij aangetekende brief mee.
  2. De voor het geven van een vergunning bepaalde termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag krachtens artikel 3, derde lid, is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
  3. Een besluit tot verlening van een vergunning wordt binnen twee weken na de dagtekening van de vergunning digitaal bekend gemaakt op de website van de Bank.

Artikel 8

  1. Indien blijkt dat het bedrijf van een kredietinstelling wordt uitgeoefend zonder een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt op aanwijzing van de Bank, onverminderd het bepaalde in artikel 50, de uitoefening van dat bedrijf onmiddellijk gestaakt en worden onder toezicht van de Bank de verrichte handeling of handelingen, voor zover de Bank zulks mogelijk acht, binnen een door de Bank te stellen termijn, ongedaan gemaakt. De Bank kan, indien daartoe wordt verzocht, alsnog vergunning verlenen om het bedrijf van een kredietinstelling uit te oefenen.
  2. Indien het bedrijf van een kredietinstelling zonder een vergunning wordt uitgeoefend door een vennootschap opgericht naar het Curaçaos recht, kan de Bank, onverminderd het bepaalde in artikel 50, aan de rechter in eerste aanleg ontbinding van de vennootschap vorderen, wanneer deze na een aanwijzing van de Bank als bedoeld in het eerste lid, het bedrijf van een kredietinstelling blijft uitoefenen. Op een ontbondenverklaring zijn de bepalingen in titel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die betrekking hebben op de ontbinding van een rechtspersoon, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9

  1. De Bank trekt de vergunning in, indien:
    a.de vergunninghouder de intrekking daarvan verzoekt. Binnen 60 dagen na ontvangst van een zodanig verzoek wordt daarop door de Bank beslist;
    b. blijkt dat de vergunninghouder niet heeft voldaan aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 4, eerste lid;
    c. de vergunninghouder niet binnen een door de Bank vast te stellen termijn met haar bedrijf daadwerkelijk een aanvang heeft gemaakt;
    d. de vergunninghouder kennelijk haar bedrijf niet meer uitoefent;
    e. de vergunninghouder opgehouden heeft kredietinstelling te zijn;
    f. de vergunninghouder van de vergunning misbruik of oneigenlijk gebruik maakt;
    g. de structuur van de groep waarvan de kredietinstelling deel uitmaakt zodanig wordt gewijzigd dat de Bank of de instantie van het land van herkomst die met het toezicht op kredietinstellingen is belast, onvoldoende adequaat en effectief toezicht, onderscheidenlijk geconsolideerd toezicht kan uitoefenen op de kredietinstelling; of
    h. de kredietinstelling of één van de beleidsbepalende of medebeleidsbepalende personen van de betreffende kredietinstelling niet of niet meer voldoen aan de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen.
  2. De Bank kan de vergunning intrekken, indien:
    a. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
    b. zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan, zo zij vóór het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd;
    c. de kredietinstelling aan een waarschuwing of aanwijzing als bedoeld in artikel 10, binnen een door de Bank te bepalen termijn geen gevolg heeft gegeven;
    d. de kredietinstelling niet voldoet aan de voorschriften gegeven krachtens de artikelen 19 en 21; of
    e. de kredietinstelling niet beschikt over een verklaring omtrent de getrouwheid dan wel die verklaring een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening van de instelling een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar.
  3. Het besluit tot intrekking van de vergunning of de weigering tot intrekking van de vergunning is met redenen omkleed en wordt door de Bank bij deurwaardersexploot aan de betrokken kredietinstelling betekend.
  4. Het besluit tot intrekking van de vergunning en, indien de Bank zulks noodzakelijk acht in het belang van de ontwikkeling en instandhouding van een gezond bank- en kredietwezen, ook de redenen voor de intrekking, worden zo spoedig mogelijk nadat dit besluit onherroepelijk is geworden, digitaal bekend gemaakt op de website van de Bank. De Bank kan, indien zij dit in het belang van de crediteuren van de kredietinstelling nodig acht, het besluit, alsmede de redenen voor de intrekking, bedoeld in de eerste volzin, eveneens op andere door haar te bepalen wijze bekendmaken. De kosten van de laatstbedoelde bekendmaking komen ten laste van de betrokken kredietinstelling.
  5. De Bank kan de in het vierde lid bedoelde publicatie tot een nader door haar te bepalen tijdstip aanhouden, indien de bekendmaking ernstige schade aan de belangen van de crediteuren zou kunnen toebrengen.
  6. De Bank zegt de kredietinstelling waarvan een vergunning is ingetrokken en die tegen het besluit tot intrekking bezwaar of beroep heeft aangetekend, per aangetekende brief aan dat vanaf het tijdstip van intrekking van de vergunning alle of bepaalde organen van de kredietinstelling hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door één of meer door de Bank aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, welke aanzegging terstond van kracht wordt. Met betrekking tot deze aanzegging is het bepaalde in artikel 22, vierde lid, onderdelen a, b, d en e, van overeenkomstige toepassing. Het is de kredietinstelling verboden in strijd met de aanzegging van de Bank te handelen.
  7. De kredietinstelling waarvan de vergunning is ingetrokken en het besluit tot intrekking onherroepelijk is geworden, is verplicht haar werkzaamheden als kredietinstelling af te wikkelen conform de door de Bank vast te stellen voorwaarden, procedure en termijn. De Bank kan daarbij de uitoefening van de bevoegdheid van de kredietinstelling om over haar waarden te beschikken beperken of haar verbieden om – anders dan met schriftelijke machtiging van de Bank – over deze waarden te beschikken.
  8. De kredietinstelling die bezwaar of beroep heeft aangetekend tegen de weigering van de Bank haar vergunning in te trekken zet, hangende de behandeling van het bezwaar of beroep, haar bedrijf voort met inachtneming van de bij of krachtens deze landsverordening vastgestelde algemeen verbindende voorschriften alsmede de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de vergunning.

Artikel 10

  1. De Bank kan onverminderd het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aan een kredietinstelling, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is verleend een schriftelijke waarschuwing of aanwijzing geven, indien;
    a. de kredietinstelling naderhand niet meer voldoet aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid,
    b. de kredietinstelling zich niet houdt aan de ingevolge artikel 2, tweede lid, aan de vergunning gestelde beperkingen of verbonden voorschriften, of
    c. de kredietinstelling niet voldoet aan de verplichtingen opgelegd bij of krachtens de artikelen 12 tot en met 16.
  2. Een waarschuwing of aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, is met redenen omkleed en wordt door de Bank per aangetekende brief aan de betrokken kredietinstelling medegedeeld en is van kracht zodra zij door de betrokken kredietinstelling is ontvangen.
  3. De betrokken kredietinstelling is gehouden binnen een periode van 30 dagen na ontvangst van de aangetekende brief, bedoeld in het tweede lid, aan de waarschuwing of respectievelijk aanwijzing gevolg te geven op een voor de Bank aanvaardbare wijze.
  4. De Bank kan de in het derde lid genoemde termijn van 30 dagen verlengen met ten hoogste 60 dagen.
  5. (vervallen)

Artikel 11

  1. Er is een register van kredietinstellingen, waarvan de inrichting in twee afdelingen als volgt is vastgesteld:
  • Afdeling I – Kredietinstellingen
  • Afdeling II – Internationale kredietinstellingen.
    De Bank kan de afdelingen onderverdelen in onderafdelingen voor door de Bank te onderscheiden categorieën kredietinstellingen en internationale kredietinstellingen. Het register bevat voorts één of meerdere bijlagen waarin natuurlijke personen en kredietinstellingen met een ontheffing als bedoeld in artikel 45, worden ingeschreven.
  1. Het register wordt gehouden door de Bank.
  2. Een onderneming of instelling waaraan krachtens artikel 4, eerste lid, een vergunning is verleend, wordt per gelijke datum als waarop de vergunning is verleend, door de Bank ingeschreven in het register. Inschrijving in meer dan één afdeling onderscheidenlijk onderafdeling vindt niet plaats.
  3. De inschrijving van een kredietinstelling waarvan de vergunning is ingetrokken, wordt door de Bank doorgehaald.
  4. Een afschrift van het register ligt voor een ieder kosteloos ter inzage op de kantoren van de Bank.
  5. Elke inschrijving in het register wordt binnen twee weken na de dag van de inschrijving, digitaal bekend gemaakt op de website van de Bank. In de maand januari van elk jaar publiceert de Bank een afschrift van het register naar de stand per 31 december van het voorafgaande jaar digitaal op haar website.

Artikel 12

  1. Iedere kredietinstelling is verplicht de Bank desgevraagd alle inlichtingen te verschaffen, die zij meent nodig te hebben voor de juiste uitoefening van het in artikel 18 bedoelde toezicht, alsmede voor het bevorderen van een veilig en efficiënt belastingsverkeer.
  2. Iedere persoon als bedoeld in artikel 3 tweede lid sub b van een kredietinstelling, van wie in redelijkheid kan worden aangenomen, dat hij over inlichtingen als bedoeld in het eerste lid, beschikt, is ook na beëindiging van zijn dienstverband bij die kredietinstelling, verplicht deze inlichtingen na daartoe per aangetekende brief door de Bank te zijn gevraagd, aan de Bank te verstrekken.
  3. De inlichtingen en opgaven bij of krachtens deze landsverordening aan de Bank te verschaffen, moeten tijdig, volledig, naar waarheid en op niet misleidende wijze worden verstrekt.

Artikel 13

  1. Iedere kredietinstelling is verplicht de op haar boekhouding betrekking hebbende boeken, bescheiden en andere informatiedragers hier te lande aan te houden.
  2. Een kredietinstelling die een bijkantoor is van een in het buitenland gevestigde kredietinstelling, is verplicht voor haar bedrijf hier te lande een afzonderlijke boekhouding te voeren en de daarop betrekking hebbende boeken, bescheiden en andere informatiedragers hier te lande aan te houden.

Artikel 14

  1. Iedere kredietinstelling is verplicht bij de Bank periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen staten nopens haar bedrijf in te dienen.
  2. De vorm waarin de in het eerste lid bedoelde staten moeten worden opgemaakt, de achtereenvolgende tijdstippen waarop zij betrekking moeten hebben, en de termijnen binnen welke zij moeten worden ingediend, worden door de Bank bepaald na overleg met de representatieve organisaties. De staten kunnen voor elke afdeling of onderafdeling van het register verschillend zijn.
  3. Indien de Bank zulks in het belang van een doelmatig toezicht nodig acht, kan zij een kredietinstelling opdragen:
    a. staten als bedoeld in het eerste lid, bij haar in te dienen die betrekking hebben op tijdstippen met kortere tussenpoos of op kortere termijnen dan ingevolge het tweede lid is bepaald;
    b. een verklaring van een externe deskundige als bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over te leggen nopens de in het eerste lid bedoelde staten.
  4. De Bank kan de kredietinstellingen, ingeschreven in een bepaalde afdeling onderscheidenlijk onderafdeling van het register, geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en tweede lid. De Bank kan aan de ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden.

Artikel 15

  1. Iedere kredietinstelling is verplicht jaarlijks binnen een door de Bank vast te stellen termijn een jaarrekening, ten minste bevattend een balans en een winst- en verliesrekening met bijbehorende toelichting, over het afgelopen boekjaar, in een door de Bank vast te stellen vorm bij de Bank in te dienen. Hierbij worden ook een verklaring van een externe deskundige en de directiebrieven gevoegd.
  2. De externe deskundige die op grond van het eerste lid de jaarrekening van een kredietinstelling van een verklaring moet voorzien en die op grond van artikel 14, derde lid, onderdeel b, de staten van een verklaring moet voorzien, meldt de Bank zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden kennis heeft gekregen en die:
    a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van de vergunning zijn gesteld;
    b. in strijd is met de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen;
    c. het voortbestaan van de kredietinstelling bedreigt; of
    d. de afgifte van een goedkeurende verklaring omtrent de getrouwheid in gevaar zou kunnen brengen.
  3. Bij een melding als bedoeld in het tweede lid zendt de externe deskundige onverwijld aan de Bank een afschrift van zijn rapport, de directiebrieven en de correspondentie die rechtstreeks betrekking heeft op de verklaring bij de jaarrekening, respectievelijk van enig van de periodiek bij de Bank in te dienen staten, indien en voor zover de Bank bij die staten een verklaring van een externe deskundige als bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek nodig heeft geacht. Indien de Bank zulks noodzakelijk acht, geeft de externe deskundige de Bank een mondelinge toelichting op de jaarrekening en de voornoemde stukken.
  4. Op de externe deskundige die naast zijn werkzaamheden voor de kredietinstelling ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het tweede lid, van overeenkomstige toepassing indien de kredietinstelling dochtermaatschappij is van die andere onderneming of instelling dan wel indien die andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de kredietinstelling.
  5. De externe deskundige die op grond van het tweede of vierde lid tot een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor de schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.
  6. De Bank kan de kredietinstellingen van bepaalde afdelingen, onderscheidenlijk onderafdelingen van het register geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. Aan de ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. De kredietinstelling is verplicht aan de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de ontheffing, bedoeld in de eerste volzin, te blijven voldoen.
  7. De Bank kan bepalen dat de jaarrekening van een kredietinstelling van een bepaalde afdeling, onderscheidenlijk onderafdeling van het register, die niet voldoet aan de definitie van grote vennootschap, bedoeld in afdeling 4 van titel 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt beoordeeld, onderscheidenlijk gecontroleerd door een andere deskundige dan de externe deskundige.

Artikel 15a

  1. Iedere kredietinstelling is verplicht binnen een door de Bank te stellen termijn haar jaarrekening over het afgelopen boekjaar, in een door de Bank vast te stellen vorm, te publiceren.
  2. De Bank kan, na overleg met de representatieve organisaties, nadere algemeen verbindende voorschriften vaststellen met betrekking tot het publiceren van de in het eerste lid bedoelde jaarrekening en de wijze van publicatie.
  3. Op de voorschriften, bedoeld in dit artikel, is artikel 6a, zevende lid, van overeenkomstige

Artikel 16

(vervallen)

Artikel 17

De Bank is bevoegd bij iedere onderneming of instelling waarin een kredietinstelling een gekwalificeerde deelneming heeft dan wel bij iedere onderneming of instelling die een gekwalificeerde deelneming heeft in een kredietinstelling, alle inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen die zij nodig acht ter uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis

Artikel 18

  1. De Bank houdt toezicht op kredietinstellingen ter uitvoering van de haar krachtens de artikelen 3, eerste lid, en 8, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, van het Centrale Bank-Statuut voor Curaçao en Sint Maarten opgelegde taak, alsmede in het belang van de liquiditeit, solvabiliteit en integriteit van de kredietinstellingen.;
  2. De Bank kan toezicht uitoefenen bij iedere onderneming of instelling waarin een kredietinstelling een gekwalificeerde deelneming heeft op geconsolideerde wijze dan wel bij iedere onderneming of instelling, die een gekwalificeerde deelneming heeft in een kredietinstelling.
  3. De Bank kan bepalen dat de artikelen 19 en 20 geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn op de internationale kredietinstellingen.

Artikel 19

  1. De Bank kan, ter uitvoering van de taken, haar opgelegd in de artikelen 3, eerste lid, en 8, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, van het Centrale Bank-Statuut voor Curaçao en Sint Maarten, aan de kredietstellingen algemeen verbindende voorschriften van technische of organisatorische aard geven inzake:
    a. de minimale omvang van een bij de Bank aan te houden tegoed in verhouding tot andere balansdelen;
    b. de omvang van de activa of bepaalde onderdelen van die activa al dan niet in verhouding tot de passiva of bepaalde onderdelen van die passiva.
  2. Algemeen verbindende voorschriften als bedoeld in het eerste lid, worden slechts gegeven en gewijzigd na overleg met de betrokken representatieve organisaties. De algemene verbindende voorschriften kunnen voor de onderscheidene categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.
  3. De Bank kan zich in een algemeen voorschrift de bevoegdheid voorbehouden in bijzondere gevallen aan een of meer kredietinstellingen geheel of gedeeltelijk ontheffing van het voorschrift te verlenen.
  4. De Bank is bevoegd in een algemeen voorschrift een termijn te stellen, binnen welke aan dat voorschrift moet zijn voldaan en deze termijn voor alle dan wel een of meer kredietinstellingen te verlengen.
  5. Op de voorschriften, bedoeld in dit artikel, is artikel 6a, zevende lid, van overeenkomstige

Artikel 20

  1. Indien de Bank tekenen ontwaart van een ontwikkeling met betrekking tot de monetaire situatie dan wel de betalingsbalans, welke ontwikkeling naar haar oordeel de adequate uitvoering van de taak haar opgelegd in de artikelen 3, eerste lid, , en 8, eerste lid en tweede lid, onderdeel a van het Centrale Bank-Statuut voor Curaçao en Sint Maarten in gevaar brengt of zou kunnen brengen, pleegt zij met de betrokken representatieve organisaties overleg inzake de door de betrokken categorieën kredietinstellingen in verband met die ontwikkeling te volgen gedragslijn.
  2. Indien het overleg binnen een door de Bank in verband met de aard van de ontwikkeling, bedoeld in het eerste lid, aanvaardbare geachte termijn leidt tot overeenstemming tussen de Bank en de betrokken representatieve organisaties inzake de te volgen gedragslijn, doch naar het oordeel van de Bank geen voldoende mate van medewerking wordt verkregen van een of meer van de betrokken afzonderlijke kredietinstellingen, kan de Bank aan die afzonderlijke kredietinstellingen algemeen verbindende voorschriften voor hun bedrijfsvoering geven. Deze algemeen verbindende voorschriften kunnen uitsluitend inhouden, dat de betrokken afzonderlijke kredietinstellingen de gedragslijn dienen te volgen waaromtrent overeenstemming bestaat tussen de Bank en de betrokken representatieve organisaties. Deze algemeen verbindende voorschriften alsmede de inhoud van de te volgen gedragslijn worden door de Bank bij aangetekende brief ter kennis gebracht van de betrokken kredietinstellingen.
  3. Indien het overleg binnen een door de Bank in verband met de aard van de ontwikkeling, bedoeld in het eerste lid, aanvaardbaar geachte termijn niet leidt tot overeenstemming tussen de Bank en de betrokken representatieve organisaties, kan de Bank de betrokken categorie van kredietinstellingen algemeen verbindende voorschriften voor haar bedrijfsvoering geven. Deze algemeen verbindende voorschriften dienen door de Minister te worden goedgekeurd.
  4. Algemeen verbindende voorschriften als bedoeld in het derde lid, kunnen voor onderscheidene groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Algemeen verbindende voorschriften als bedoeld in het derde lid, kunnen ook indien zij tussentijds zijn gewijzigd, niet langer gelden dan gedurende ten hoogste een jaar na de dag van hun eerste publicatie in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst, behoudens de bevoegdheid van de Bank om de geldigheidsduur na verkregen goedkeuring van de Minister eenmaal te verlengen voor een termijn, overeenkomende met ten hoogste de oorspronkelijke geldigheidsduur.
  5. De Bank kan zich in een algemeen voorschrift als bedoeld in het derde lid, de bevoegdheid voorbehouden de daarin gegeven regels binnen in het voorschrift aan te geven grenzen te wijzigen.
  6. De Bank kan zich in een algemeen verbindende voorschrift als bedoeld in het derde lid, de bevoegdheid voorbehouden in bijzondere gevallen of onder bij­zondere omstandigheden voor een of meer kredietinstellingen geheel of gedeeltelijk ontheffing van het voorschrift te verlenen.
  7. De Bank is bevoegd in een algemeen voorschrift als bedoeld in het derde lid, een termijn te stellen, binnen welke aan dat voorschrift moet worden voldaan, en deze termijn voor alle dan wel een of meer kredietinstellingen te verlengen.
  8. Op de voorschriften, bedoeld in het derde lid, is artikel 6a, zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21

  1. De Bank kan – al dan niet tevens op geconsolideerde basis – aan de kredietinstellingen algemeen verbindende voorschriften voor hun bedrijfsvoering geven in het belang van de solvabiliteit of de liquiditeit van deze instellingen.
  2. De algemeen verbindende voorschriften hebben betrekking op:
    a. de minimale omvang en samenstelling van het toetsingsvermogen in verhouding tot de krediet-, markt- en operationele risico’s;
    b. de minimale omvang van de liquide middelen in verhouding tot de opvragingsrisico’s;
    c. het verbod, de beperking of het aan voorwaarden binden van risicovolle activiteiten of risicovolle verplichtingen binnen of buiten de balanstelling;
    d. de reikwijdte van de consolidatie;
    e. de bedrijfsvoering met betrekking tot de administratieve organisatie met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle.
  3. De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b en c, worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. De voorschriften kunnen voor de onderscheiden categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.
  4. De Bank kan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de in het tweede lid bedoelde voorschriften verlenen, mits de solvabiliteit of liquiditeit alsmede de administratieve organisatie van de kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende zijn gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen of voorschriften verbinden.
  5. In de voorschriften wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen waaromtrent voorschriften worden gegeven.
  6. Op de voorschriften, bedoeld in dit artikel, is artikel 6a, zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22

  1. Indien de Bank constateert dat een kredietinstelling waaraan een vergunning is verleend de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen niet naleeft of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel de solvabiliteit of liquiditeit van de kredietinstelling dan wel de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstelling anderszins in gevaar brengt of zou kunnen brengen, verzoekt de Bank de kredietinstelling bij aangetekende brief de nodige maatregelen te nemen. Zo nodig doet de Bank haar verzoek vergezeld gaan van een aanwijzing om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen. Handelen in strijd met deze door de Bank opgelegde maatregelen dan wel aanwijzing is verboden.
  2. Indien naar het oordeel van de Bank onvoldoende, niet of niet binnen de door haar vastgestelde termijn aan haar verzoek als bedoeld in het eerste lid gevolg is gegeven, kan de Bank:
    a. de kredietinstelling bij aangetekende brief aanzeggen dat vanaf een door haar te bepalen tijdstip alle of bepaalde organen van de kredietinstelling hun bevoegd heden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door één of meer door de Bank aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen;
    b. de kredietinstelling bij aangetekende brief aanzeggen dat zij zal overgaan tot publicatie van de maatregelen en de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid. Deze publicatie geschiedt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst, alsmede in één of meer dagbladen ter keuze van de Bank. Bij de publicatie wordt, indien de kredietinstelling zulks verlangt, tevens de correspondentie bekendgemaakt die naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, tussen de Bank en de kredietinstelling is gevoerd;
    c. wanneer zij zulks in het belang acht van de crediteuren of toekomstige crediteuren, met de representatieve organisatie van de groep kredietinstellingen waartoe de kredietinstelling behoort, dienaangaande in overleg treden. De Bank doet de kredietinstelling mededeling van het overleg.
  3. Indien de Bank bij een kredietinstelling tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, kan zij in afwijking van het eerste lid, de kredietinstelling aanzeggen dat zij onmiddellijk uitvoering geeft aan de onderdelen a of c van het tweede lid. Deze aanzegging wordt eerst van kracht nadat de Bank de kredietinstelling in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door de Bank te stellen termijn haar mening over de onmiddellijke uitvoering te geven.
  4. Met betrekking tot de aanzegging, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid, is het volgende van toepassing:
    a. de organen van de kredietinstelling zijn verplicht de door de Bank aangewezen personen alle medewerking te verlenen;
    b. de Bank kan de betrokken organen van de kredietinstelling toestaan bepaalde handelingen zonder de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde goedkeuring te verrichten;
    c. de door de Bank aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na verzending van de aanzegging. De Bank is bevoegd deze termijn telkens voor ten hoogste één jaar te verlengen. Van zodanige verlenging doet de Bank aan de kredietinstelling mededeling per aangetekende brief. De verlenging wordt terstond van kracht en daaraan behoort gevolg te worden gegeven niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening;
    d. de Bank kan de door haar aangewezen personen te allen tijde door anderen vervangen;
    e. voor schade ten gevolge van handelingen verricht in strijd met de aanzegging, zijn degenen die deze handelingen als orgaan van de kredietinstelling verrichten, persoonlijk aansprakelijk tegenover de kredietinstelling. De kredietinstelling kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn;
    f. zodra de Bank van oordeel is dat de solvabiliteit of de liquiditeit van de kredietinstelling, de integere bedrijfsvoering van de kredietinstelling of andere belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstelling niet langer gevaar lopen, deelt zij de kredietinstelling per aangetekende brief mee dat de betrokken organen van de kredietinstelling hun bevoegdheden weer onbeperkt kunnen uitoefenen.
  5. De Bank kan slechts wanneer haar beslissing tot publicatie van de maatregelen en de gedragslijn, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onherroepelijk is geworden, tot publicatie overgaan. Indien de kredietinstelling na de publicatie alsnog voldoet aan de maatregelen en de gedragslijn, bedoeld in het eerste lid, dan wel indien deze maatregelen of gedragslijn door de Bank worden ingetrokken, geeft de Bank hiervan op dezelfde wijze als bij de voorafgaande publicatie kennis.
  6. De kosten en beloning van de door de Bank aangewezen personen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en de kosten van de bekendmakingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en het vijfde lid, laatste volzin, komen ten laste van de betrokken kredietinstelling.

Artikel 23

  1. Het is een kredietinstelling verboden zonder voorafgaande toestemming van de Bank:
    a. haar eigen vermogen door terugbetaling van kapitaal of uitkering van reserves of van de winst van het lopend boekjaar te verminderen;
    b. een gekwalificeerde deelneming in een andere onderneming of instelling te houden, te verwerven dan wel te vergroten;
    c. de activa en passiva van een andere onderneming of instelling geheel of voor een belangrijk deel over te nemen;
    d. een fusie aan te gaan met een andere onderneming of instelling;
    e. over te gaan tot financiële of vennootschappelijke reorganisatie;
    f. filialen, bijkantoren en kassen onder welke naam dan ook te vestigen;
    g. haar statuten te wijzigen.
  2. Het is een ieder verboden zonder voorafgaande toestemming van de Bank:
    a. personen die het dagelijks beleid van een kredietinstelling bepalen of mede bepalen, te benoemen;
    b. leden van de raad van commissarissen van een kredietinstelling of van een orgaan dat aan de raad van commissarissen gelijksoortige taak heeft, te benoemen;
    c. aandelen direct of indirect van een kredietinstelling over te dragen of te vervreemden.
  3. De Bank kan aan toestemming als bedoeld in het eerste of tweede lid, voorwaarden verbinden.
  4. Indien blijkt dat een kredietinstelling een handeling als omschreven in het eerste lid, heeft verricht zonder toestemming van de Bank, is die instelling onverminderd het bepaalde in de artikelen 46 en 50 gehouden op aanwijzing van de Bank de handeling voor zover mogelijk ongedaan te maken, tenzij de Bank, daartoe verzocht door de betrokken kredietinstelling, alsnog toestemming verleent.
  5. Indien blijkt dat een handeling als omschreven in het tweede lid, is verricht zonder toestemming van de Bank, is diegene die de handeling heeft verricht, onverminderd het bepaalde in artikel 50 de handeling voor zover mogelijk ongedaan te maken, tenzij de Bank daartoe verzocht alsnog toestemming verleent.

Artikel 24

  1. Tot het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdeel b, en artikel 15, eerste lid, is slechts bevoegd een externe deskundige tegen wie de Bank geen bezwaar heeft gemaakt.
  2. De Bank kan tegen de aanstelling of handhaving van een externe deskundige bezwaar maken, indien de externe deskundige naar haar oordeel niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de hem toevertrouwde taak met betrekking tot de kredietinstelling naar behoren zal vervullen.
  3. Het bezwaar, bedoeld in het tweede lid, wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de betrokken kredietinstelling en van de betrokken externe deskundige.
  4. Een kredietinstelling is verplicht gebruik te maken van de diensten van een externe deskundige, waartegen de Bank geen bezwaar heeft gemaakt.

Artikel 25

De Bank is bevoegd, in het kader van de toezichtuitoefening onderzoeken van buitenlandse instanties die met het toezicht op kredietinstellingen zijn belast, toe te laten bij hier te lande gevestigde kredietinstellingen die onder geconsolideerd toezicht staan van genoemde toezichthouders. De Bank zal in voorkomend geval tevoren voorwaarden stellen aan onderscheidenlijk aanwijzingen geven voor de uitvoering van deze toezichtswerkzaamheden. De functionarissen van de buitenlandse instanties die met het toezicht op kredietinstel­lingen zijn belast, zijn gehouden de aanwijzingen van de Bank stipt te volgen.

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 26

Een kredietinstelling is verplicht onverwijld een besluit tot algehele of gedeeltelijke liquidatie dan wel tot ontbinding of verkoop, direct of indirect, van haar bedrijf in Curaçao schriftelijk aan de Bank mede te delen en een zodanig besluit onder toezicht en volgens de aanwijzingen van de Bank uit te voeren.

 

 

 

 

 

 

Artikel 27

  1. Een vordering of verzoek tot faillietverklaring van een kredietinstelling – eigen aangifte daaronder begrepen – wordt niet in behandeling genomen zolang de kredietinstelling in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid.
  2. Indien de vergunning van een kredietinstelling is ingetrokken, wordt op het verzoek of de vordering tot faillietverklaring niet beslist dan nadat de rechter de Bank in de gelegenheid heeft gesteld haar gevoelen daaromtrent kenbaar te maken.
  3. De wettelijke bepalingen inzake surséance van betaling zijn op kredietinstellingen niet van toepassing.

Artikel 28

  1. Wanneer het belang van de gezamenlijke crediteuren van de kredietinstelling wiens vergunning is ingetrokken een bijzondere voorziening vordert, kan het gerecht op verzoek van de Bank, een noodregeling uitspreken.
  2. Bij het uitspreken van een noodregeling machtigt het gerecht de Bank tot overdracht van de verbintenissen van de kredietinstelling welke zij in de uitoefening van haar bedrijf als kredietinstelling tot het ter beschikking verkrijgen van gelden heeft aangegaan of van een deel daarvan, respectievelijk tot gehele of gedeeltelijke liquidatie van het bedrijf van de kredietinstelling of tot de herstructurering van het bedrijf van de kredietinstelling. Zolang het de Bank nog niet is gebleken dat de kredietinstelling een negatief eigen vermogen heeft, strekt de machtiging mede tot vereffening van het vermogen van de kredietinstelling.
  3. Het gerecht behandelt het verzoek van de Bank tot het uitspreken van de noodregeling met de meeste spoed op een openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze landsverordening niet is afgeweken.
  4. Het gerecht is bevoegd inzage te nemen of te doen nemen van de boeken, bescheiden en andere informatiedragers van de kredietinstelling. Artikel 16, tweede lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing.
  5. Het gerecht geeft geen beschikking dan na de kredietinstelling en de Bank in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.
  6. Een door de kredietinstelling tegen de intrekking van een vergunning ingesteld bezwaar of beroep schorst de behandeling van het verzoek van de Bank tot het uitspreken van de noodregeling niet.
  7. De beschikking van het gerecht wordt met redenen omkleed en wordt, zo het verzoek van de Bank wordt toegewezen, op een openbare terechtzitting uitgesproken. De griffier maakt de zakelijke inhoud van de beschikking bekend in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  8. Tegen de beschikking staat generlei voorziening open behoudens cassatie in het belang van de wet.

Artikel 29

  1. Wanneer een verzoek van de Bank tot het uitspreken van de noodregeling aanhangig is tegelijk met een verzoek of vordering tot faillietverklaring, wordt de behandeling van het verzoek of de vordering tot faillietverklaring geschorst totdat op het verzoek van de Bank is beschikt. Indien het gerecht de noodregeling uitspreekt, vervalt het verzoek of de vordering tot faillietverklaring van rechtswege.
  2. Het uitspreken van de noodregeling heeft mede tot gevolg dat de krediet­instelling slechts in staat van faillissement kan worden verklaard overeenkomstig artikel 37.
  3. Het gerecht kan op verzoek van de Bank de noodregeling intrekken. De grif­fier maakt de intrekking bekend in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.

Artikel 30

  1. Indien het gerecht de noodregeling uitspreekt, oefent de Bank bij uitsluiting alle bevoegdheden van de bestuurders en de commissarissen van de kredietinstelling uit.
  2. De Bank waakt voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.
  3. De bestuurders en de commissarissen van de kredietinstelling zijn verplicht bij de uitoefening door de Bank van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden alle door de Bank gevraagde medewerking te verlenen.
  4. De Bank is bevoegd de bestuurders van de kredietinstelling te machtigen bepaalde handelingen te verrichten.
  5. De Bank is bevoegd bestuurders en commissarissen namens de kredietinstelling te ontslaan. Bij dit ontslag worden de overeengekomen of wettelijke termijnen in acht genomen, met dien verstande dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende is.
  6. Indien de kredietinstelling statutair gevestigd is in Curaçao behoeft een besluit van zijn aandeelhouders of leden om van kracht te zijn de goedkeuring van de Bank.
  7. Wordt een besluit van aandeelhouders of leden, dat ingevolge de statuten van de in het zesde lid bedoelde kredietinstelling voor een handeling is vereist, niet genomen of verkrijgt dit besluit niet de volgens de statuten vereiste goedkeuring, dan kan de Bank dit besluit nemen.
  8. De Bank kan personen machtigen alle of een deel van de bevoegdheden uit te oefenen, die zij ingevolge het eerste lid heeft. De Bank kan het gerecht verzoeken een beloning voor de gemachtigden vast te stellen. De Bank maakt de naam en woonplaats van een door haar gemachtigde alsook de intrekking van een machtiging bekend in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst. De naam en de woonplaats van een door de Bank gemachtigde, alsook de intrekking van de machtiging worden door de Bank ter inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel aangeboden.
  9. Ingevolge de haar verleende machtiging is de Bank, ongeacht hetgeen daaromtrent bij de statuten van de kredietinstelling is bepaald, bevoegd alle nog niet gedane stortingen op de aandelen in het geplaatste kapitaal van de kredietinstelling uit te schrijven en te innen.

Artikel 31

  1. Het uitspreken van de noodregeling heeft tot gevolg dat de kredietinstelling niet kan worden genoodzaakt tot nakoming van zijn schulden die vóór de uitspraak zijn ontstaan, zomin als tot nakoming van zijn schulden, na de uitspraak ontstaan. Aangevangen executies worden geschorst en gelegde beslagen vervallen. Artikel 32 van het Faillissementsbesluit 1931 is van overeenkomstige toepassing op de in de eerste volzin bedoelde schulden.
  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de Bank uitkeringen doen op de vorderingen waarop het eerste lid van toepassing is, voor zover dit gelet op de liquiditeitspositie van de kredietinstelling verantwoord is.
  3. Het in het eerste lid bepaalde geldt ook niet voor:
    a. vorderingen die door pand of hypotheek op goederen van de verzekeraar zijn gedekt;
    b. termijnen van huurkoop.
  4. Voor zover vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt, niet op de verbonden zaak kunnen worden verhaald, werkt de uitspraak wel ten aan­zien van deze vorderingen.
  5. Het uitspreken van de noodregeling werkt niet ten voordele van de medeschuldenaren en borgen van de kredietinstelling.
  6. Artikel 231a van het Faillissementsbesluit 1931 is van overeenkomstige toepassing

Artikel 32

  1. Met betrekking tot schuldvergelijking en schuldoverneming vinden de artikelen 224 en 225 van het Faillissementsbesluit 1931 overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de schuldenaar van de kredietinstelling die zijn schuld wil vergelijken met een schuldvordering aan order of toonder, gehouden is te bewijzen dat hij reeds op het ogenblik der uitspraak waarbij het verzoek tot machtiging werd toegewezen, te goeder trouw eigenaar was van het order- of toonderpapier.
  2. Met betrekking tot wederkerige overeenkomsten in het algemeen en tot termijnzaken, overeenkomsten van huurkoop, huurovereenkomsten en arbeidsovereenkomsten in het bijzonder, waarbij de kredietinstelling ten aanzien waarvan de machtiging is verleend, partij is, vinden de artikelen 226, 226a, 227, 227a, 228 en 229 van het Faillissementsbesluit 1931 overeenkomstige toepassing.
  3. Met betrekking tot de voldoening van een schuld aan de kredietinstelling na­dat de noodregeling is uitgesproken, vindt artikel 230 van het Faillis­sementsbesluit 1931 overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 33

  1. Het gerecht kan tegelijk met de in artikel 28, tweede lid, bedoelde machtiging of daarna de Bank op haar verzoek een bijzondere machtiging verlenen die strekt tot een of meer van de volgende handelingen:
    a. wijziging, bij de overdracht van rechten en verplichtingen uit of krachtens overeenkomsten tot het ter beschikking verkrijgen van gelden, van die overeenkomsten;
    b. verkorting van de duur van overeenkomsten tot het ter beschikking verkrijgen van gelden.
  2. Ten aanzien van de bijzondere machtiging is artikel 28, derde tot en met zesde lid, zevende lid, eerste volzin, en achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
  3. Zodra overdracht van rechten en verplichtingen krachtens de in artikel 28, tweede lid, bedoelde machtiging heeft plaatsgevon­den, maakt de Bank deze overdracht en, zo handelingen door haar zijn verricht krachtens de in het eerste lid bedoelde bijzondere machtiging, die handelingen bekend in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst en in ten minste twee door het gerecht aan te wijzen dagbladen. De Bank kan, indien zij dit in het belang van de crediteuren van de kredietinstelling nodig acht, de bedoelde overdracht en handelingen tevens op andere wijze bekendmaken.
  4. De overdracht alsmede de wijziging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden ten aanzien van alle andere belanghebbenden van de betrokken kredietinstelling van kracht met ingang van de dag, volgende op die waarop de bekendmaking in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst, is geschied.

Artikel 34

Een overdracht van rechten en verplichtingen ingevolge dit hoofdstuk mag geen nadeel toebrengen aan de rechten van de overblijvende schuldeisers.

 

 

Artikel 35

  1. Het gerecht stelt het bedrag vast van de kosten van de noodregeling. Deze kosten komen ten laste van de kredietinstelling.
  2. De kosten van de noodregeling omvatten de door of namens de Bank ter zake gedane uitgaven en de vergoeding van de door of namens haar ter zake verrichte werkzaamheden.

Artikel 36

Voor de toepassing van de artikelen 200, 355, 356 en 360 van het Wetboek van Strafrecht wordt met faillissement gelijkgesteld de rechtstoestand waarin een kredietinstelling verkeert zolang te zijnen aanzien de noodregeling van kracht is.

Artikel 36a

  1. Na afloop van de noodregeling, inhoudende geheel of gedeeltelijke liquidatie van het bedrijf, worden de overgebleven gelden van de vorderingen van de niet verschenen dan wel niet gevonden crediteuren, alsmede de gelden van de crediteuren die de hen toegekende gelden niet in ontvangst hebben willen nemen, gestort in de consignatiekas. Twintig jaar na datum van storting in de consignatiekas vervallen de gestorte gelden aan de openbare rechtspersoon Curaçao of de openbare rechtspersoon Sint Maarten, afhankelijk van de plaats van vestiging van het bedrijf. De overgebleven gelden van een bedrijf dat op Curaçao is gevestigd vervallen aan Curaçao en de overgebleven gelden van een bedrijf dat op Sint Maarten is gevestigd vervallen aan Sint Maarten.
  2. Bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde stortingen vindt plaats in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst, alsmede in één of meer dagbladen ter keuze van de Bank. Deze bekendmaking kan ook plaatsvinden op een andere door de Bank te bepalen wijze.

 

Artikel 37

  1. De Bank dient een verzoek tot faillietverklaring van de kredietinstelling in, indien haar blijkt dat de kredietinstelling een negatief eigen vermogen heeft en hetzij het met de noodregeling te bereiken doel is of niet meer kan worden verwezenlijkt, hetzij – indien niet tevoren de noodregeling werd uitgesproken – geen redelijk vooruitzicht meer bestaat dat het met de noodregeling te bereiken doel alsnog kan worden verwezenlijkt.
  2. De faillietverklaring wordt uitgesproken ongeacht of de kredietinstelling verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. Het bepaalde in de eerste titel van het Faillissementsbesluit 1931 is overigens van toe­passing.
  3. De noodregeling houdt van rechtswege op van kracht te zijn in geval de kredietinstelling in staat van faillissement wordt verklaard. Alsdan, zomede indien de faillietverklaring wordt uitgesproken binnen een maand na het intrekken van de noodregeling gelden de volgende bepalingen:
    a. het tijdstip waarop de termijnen, in de artikelen 39 en 41 van het Faillissementsbesluit 1931 vermeld, aanvangen, wordt berekend vanaf het tijdstip waarop de beschikking, houdende het uitspreken van de noodregeling, uitvoerbaar is geworden;
    b. een beroep op schuldvergelijking kan in afwijking van artikel 49 van het Faillissementsbesluit 1931 slechts worden gedaan indien de schuldvordering en de schuldplichtigheid beide zijn ontstaan vóór het tijdstip waarop de beschikking, houdende het uitspreken van de noodregeling uitvoerbaar is geworden dan wel voortvloeien uit een handeling vóór dat tijdstip met de gefailleerde verricht;
    c. handelingen, ingevolge artikel 30 door of namens de Bank verricht gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, worden beschouwd als handelingen van de curator, terwijl boedelschulden, gedurende die tijd ontstaan, ook in het faillissement als boedelschulden zullen gelden;
    d. de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen van de kredietin­stelling die in strijd met artikel 30, eerste en vierde lid, zijn aangegaan gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, dan voor zover deze daardoor is gebaat.

Artikel 38

De Bank brengt na beëindiging van en desgevraagd tijdens de noodregeling daar­omtrent zo spoedig mogelijk verslag uit aan de Minister.

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 39

  1. De Bank pleegt overleg met de betrokken representatieve organisaties over de invoering van een regeling omtrent een garantie voor schuldvorderingen van rekeninghouders tot een bepaald maximumbedrag op een ingevolge artikel 11 geregistreerde kredietinstelling, niet zijnde een internationale kredietinstelling, tegen het risico dat zodanige kredietinstelling haar verplichtingen met betrekking tot die schuldvorderingen niet nakomt. De aard van de te garanderen schuldvorderingen, de soorten rekeninghouders alsmede het maximum te garanderen bedrag worden bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, bepaald.
  2. Indien het overleg, bedoeld in het eerste lid, niet binnen een door de Minister te bepalen termijn leidt tot overeenstemming, zal de Minister een rege­ling als be­doeld in het eerste lid, invoeren.
  3. De regeling, bedoeld in het eerste lid onderscheidenlijk tweede lid, is bin­dend voor alle geregistreerde kredietinstellingen, niet zijnde internationale kredietinstellingen. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan echter worden bepaald dat de regeling niet van toepassing is op een of meer­dere kredietinstellingen.
  4. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is mede van toepassing op wijziging en intrekking van een regeling, tot stand gekomen met inachtne­ming van die bepalingen.

 

Artikel 40

  1. Gegevens of inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze lands­verordening bepaalde omtrent afzonderlijke ondernemingen en instellingen zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens of inlichtingen die van een instantie als bedoeld in artikel 41 zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.
  2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze landsverorde­ning of van krachtens deze landsverordening genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze landsverordening verstrekt of van een instantie als bedoeld in artikel 41, ont­vangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van boeken, bescheiden of andere informatiedragers verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uit­oefening van zijn taak of door deze landsverordening wordt geëist.
  3. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid is de Bank bevoegd ter handhaving van een gezond bank- en kredietwezen aangifte te doen van een vermoeden van een strafbaar feit. In de gevallen waarin door de Bank aangifte is gedaan, dan wel in de gevallen waarin de Bank wordt opgeroepen om als getuige of deskundige op te treden, is de Bank bevoegd in het kader van de opsporing, het gerechtelijk vooronderzoek of de behandeling ter terechtzitting, inlichtingen te verschaffen met dien verstande dat het een strafzaak betreft.
  4. In afwijking van het eerste en tweede lid is de Bank bevoegd met gebruik­making van gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, mededelingen te doen mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke kredietinstellingen. Met schriftelijke toestemming van de kredietinstelling die het aangaat, worden de gegevens of inlichtingen met betrekking tot afzonderlijke kredietinstellingen wel gepubliceerd.
  5. De Bank is bevoegd, indien zij dit in het belang van een doelmatig toezicht en de ontwikkeling van een gezond bank- en kredietwezen noodzakelijk acht, de aandacht van alle kredietinstellingen uit een of meer afdelingen van het register te vestigen op een getotaliseerde, zeer omvangrijke kredietverle­ning aan één bepaalde kredietnemer door een aantal niet nader gespecificeerde kredietinstellingen. De kredietinstellingen zijn verplicht een zodanige mededeling geheim te houden.
  6. De Bank is, in afwijking van het eerste lid, bevoegd de financiële inlichtingen eenheid, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties in te lichten, indien zij bij de uitoefening van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak feiten ontdekt die duiden op een vermoeden van witwassen of financiering van terrorisme.

 

Artikel 41

  1. De Bank is in afwijking van artikel 40, eerste en tweede lid, bevoegd gegevens en inlichtingen, verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, te verstrekken aan buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instanties, tenzij:
    a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende is bepaald;
    b. het beoogde gebruik van gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen die op die markten werkzaam zijn;
    c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de geldende wettelijke regelingen of de openbare orde;
    d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
    e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze landsverordening beoogt te beschermen; of
    f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
  2. Voor zover de Bank gegevens of inlichtingen van een buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie heeft ontvangen, verstrekt de Bank deze gegevens niet aan een ander buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie tenzij de buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
  3. Indien een buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie aan de Bank die de gegevens of inlichtingen op grond van het eerste of tweede lid heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de Bank dat verzoek slechts in:
    a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste lid of derde lid of voor zover die toezichthoudende instantie op een andere wijze dan in deze landsverordening voorzien vanuit Curaçao met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
    b. na overleg met de procureur-generaal indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.
  4. De Bank kan tevens, in afwijking van artikel 40, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verstrekken aan het openbaar ministerie, de financiële inlichtingen eenheid, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties, of andere autoriteiten belast met opsporing en vervolging, die zij heeft verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, voor zover de gegevens of inlichtingen naar het oordeel van de Bank van belang zijn of zouden kunnen zijn voor onderzoeken, dan wel de nog in te stellen onderzoeken van het openbaar ministerie, de financiële inlichtingen eenheid, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties, of andere autoriteiten belast met opsporing en vervolging.
  5. De Bank verstrekt tevens, in afwijking van artikel 40, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, aan de Algemene Rekenkamer, voor zover de gegevens of inlichtingen naar het oordeel van de Algemene Rekenkamer noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar wettelijke taak op grond van de artikelen 25 en 41 van de Landsverordening Algemene Rekenkamer Curaçao. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
  6. De Algemene Rekenkamer is verplicht tot geheimhouding van de op grond van het vijfde lid ontvangen gegevens of inlichtingen en kan die slechts openbaar maken indien deze niet herleid kunnen worden tot afzonderlijke personen.

Artikel 41a

  1. De Bank kan ten behoeve van de uitoefening van haar taak op grond van dit hoofdstuk van een kredietinstelling of degenen met een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in artikel 45, vierde respectievelijk vijfde lid, gegevens of inlichtingen vorderen, indien dat voor de vervulling van de taak van een buitenlandse toezichthoudende instantie nodig is. Artikel 41, eerste lid, en 49a, tweede tot en met vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
  2. Op verzoek van een buitenlandse toezichthoudende instantie kan de Bank gegevens of inlichtingen vragen aan of een onderzoek instellen of doen instellen bij een ieder die ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht valt of behoort te vallen en waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de verzoekende instantie.
  3. Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het tweede lid wordt gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen binnen een door de Bank te stellen termijn.
  4. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in het tweede lid, wordt ingesteld, verleent alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze landsverordening onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.

Artikel 41b

  1. De Bank kan toestaan dat een functionaris van een buitenlandse toezichthoudende instantie deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in artikel 41a, tweede lid.
  2. De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de leiding van de uitvoering van het onderzoek is belast en staat onder leiding van deze persoon.

Artikel 41ba

De bij of krachtens deze landsverordening gegeven voorschriften die het verstrekken van gegevens of inlichtingen verbieden of anderszins tot geheimhouding verplichten, gelden niet bij de toepassing van de bij of krachtens hoofdstuk III van de Landsverordening internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen gegeven voorschriften op een administratieplichtige als bedoeld in artikel 22 van de laatstgenoemde landsverordening, of op de Bank voor zover het die administratieplichtige betreft.

 

Artikel 41c

  1. De Bank kan, in afwijking van artikel 78, eerste en tweede lid, teneinde de naleving van deze landsverordening te bevorderen ter openbare kennis brengen het feit ter zake waarvan een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete is opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift. Indien het doel van het door de Bank uit te oefenen toezicht op de naleving van deze landsverordening zulks bepaaldelijk vordert en zich daartegen geen zwaarwegende belangen verzetten, waaronder die van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, kan de Bank de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd ter openbare kennis brengen.
  2. De openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt digitaal op de website van de Bank dan wel op een andere door de Bank te bepalen wijze.

 

Artikel 41d

Degene jegens wie door de Bank een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat de Bank zijn handelen of nalaten op grond van artikel 41c ter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

 

Artikel 41e

  1. De Bank geeft, indien zij voornemens is op grond van artikel 41c een feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan schriftelijk kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
  2. De Bank kan de betrokkene in de gelegenheid stellen om over het voornemen tot openbaarmaking van overtredingen als bedoeld in artikel 41c zijn zienswijze naar voren te brengen.
  3. De Bank is niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 41f

De beschikking om op grond van artikel 41c een feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht; en
c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 41g

Tenzij de bevordering van de naleving van deze landsverordening geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 41c een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken of, indien bezwaar of beroep is ingesteld, op het bezwaar of beroep is beslist.

Artikel 41h

De beschikking om op grond van artikel 41c een feit ter openbare kennis te brengen, treedt in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking op grond van artikel 41g wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

 

Artikel 41i

  1. De bevoegdheid om op grond van artikel 41c een feit ter openbare kennis te brengen vervalt, indien ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 1:149 van het Wetboek van Strafrecht.
  2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als bedoeld in artikel 41c vervalt, indien de Bank het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.

 

Artikel 41j

  1. De bevoegdheid om op grond van artikel 41c een feit ter openbare kennis te brengen vervalt één jaar na de dag waarop het feit heeft plaatsgehad.
  2. De in het eerste lid genoemde termijn wordt gestuit door bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 41k

De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 41c ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Artikel 42

Een kredietinstelling is verplicht alle brieven, bescheiden en informatiedragers haar bedrijf aangaande alsmede de boeken inzake het mutatieverloop op alle door de kredietinstelling aan te houden rekeningen ten name van zowel haarzelf als van der­den met de daarbij behorende brieven, bescheiden en andere informatiedragers gedurende ten minste tien jaren te bewaren.

 

Artikel 43

Ter zake het beleid inzake het toezicht op het bank- en kredietwezen pleegt de Bank overleg met de representatieve organisaties zo vaak als zij dit nodig acht, doch ten ­minste eenmaal per jaar.

 

 

Artikel 44

  1. Behoudens de kredietinstellingen die zijn ingeschreven in de afdelingen van het register, bedoeld in artikel 11, eerste lid, is het een ondernemer, onderneming of instelling verboden om het woord “bank”, “krediet” of “spaar” en vertalingen of vormen daarvan te gebruiken in hun naam of bij de uitoefening van hun bedrijf, tenzij zulks in zodanige samenhang geschiedt, dat daaruit duidelijk blijkt, dat de onderneming of instelling geen kredietin­stelling is.
  2. De Bank kan van het verbod, vervat in het eerste lid, ontheffing verlenen. Aan deze ontheffing kan voorwaarden worden gesteld.
  3. Het verbod, vervat in het eerste lid, is niet van toepassing op de Bank en andere bij landsverordening opgerichte rechtspersonen.

Artikel 45

  1. Het is een ieder verboden zich direct of indirect tot het publiek te wenden ter zake van het aantrekken van opvorderbare gelden of het verlenen van kredieten door anderen dan de kredietinstellingen die zijn ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 11, eerste lid.
  2. Het is een ieder verboden, al dan niet door middel van een netwerksysteem, kredietbemiddelingsactiviteiten te verrichten dan wel te faciliteren.
  3. Het is een verlener van kredieten die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 11, of een bijlage van dat register, verboden om de kredietnemer bij het aangaan van een kredietovereenkomst te verplichten een andere overeenkomst betreffende een financieel product of financiële dienst aan te gaan.
  4. De Bank kan van het verbod, bedoeld in het eerste en tweede lid, al dan niet op verzoek ontheffing verlenen. Aan de ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
  5. De Bank kan van het verbod, bedoeld in het eerste en tweede lid, vrijstelling verlenen. Aan de vrijstelling kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
  6. Degenen met een ontheffing als bedoeld in het vierde lid, respectievelijk een vrijstelling als bedoeld in het vijfde lid, worden door de Bank in de bijlagen behorende bij het register, bedoeld in artikel 11, opgenomen.

Artikel 45a

  1. De aanvrager van een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of een ontheffing als bedoeld in artikel 45, vierde lid, is ter zake van de aanvraag aan de Bank een bedrag verschuldigd. De Bank brengt het bedrag, voor zover mogelijk direct na ontvangst van de aanvraag, bij beschikking in rekening.
  2. Een kredietinstellingen en degene die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 45, vierde lid, is jaarlijks aan de Bank een bedrag verschuldigd.
  3. De hoogte van de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen wordt zodanig vastgesteld dat de totale jaarlijkse opbrengst van het in rekening te brengen bedrag ten hoogste gelijk is aan de kosten die de Bank in dat jaar maakt ter zake van de behandeling van de aanvragen onderscheidenlijk het toezicht dat de Bank uitoefent ingevolge deze landsverordening.
  4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden, gehoord de Bank en de representatieve organisaties, nadere regels gesteld omtrent de kostendoorberekening en de grondslagen waarop die is gebaseerd en wordt de hoogte van de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen vastgesteld. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt naar directe en indirecte kosten.
  5. Het in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrag wordt betaald binnen zes weken na dagtekening van de beschikking waarbij de betalingsverplichting is opgelegd.
  6. Voor zover het bedrag, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, niet binnen de in het vijfde lid bedoelde termijn wordt betaald, stuurt de Bank aan betrokkene een schriftelijke aanmaning om binnen twee weken na dagtekening van de aanmaning het verschuldigde bedrag, verhoogd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop de in het vijfde lid bedoelde termijn is verstreken, en verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat het bedrag, voor zover dat niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het zevende lid wordt ingevorderd.
  7. Bij gebreke van betaling binnen de in de aanmaning gestelde termijn vordert de Bank het bedrag van de aanmaning, verhoogd met de kosten van de invordering, bij dwangbevel in.
  8. Het dwangbevel wordt op kosten van de betrokkene bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 48gg is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 46

(vervallen)

Artikel 47

Het krachtens artikel 19, derde lid, van het Centrale Bank-Statuut 1985 bepaalde, vindt overeenkomstige toepassing met betrekking tot de artikelen 19 en 20.

Artikel 48

Voor zover de bepalingen in de reglementen of andere interne regelingen van een aan toezicht onderworpen kredietinstelling of in overeenkomsten met derden geslo­ten in strijd zijn met de bepalingen van deze landsverordening getroffen voorzie­nin­gen, zijn zij nietig.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 48a

Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a.een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 48b

  1. De Bank kan bij overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste lid, 5, 6, 6a, vierde en vijfde lid, 9, zesde lid, laatste volzin, zevende en achtste lid, 10, derde lid, 12, 13, 14, eerste, derde en vierde lid, laatste volzin, 15, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, laatste volzin, 15a, eerste lid, 21, eerste lid, 22, eerste lid, laatste volzin, tweede lid, onderdeel a, en vierde lid, onderdeel a, 23, eerste en tweede lid, 24, vierde lid, 26, 30, derde lid, 41a, tweede lid, 41b, tweede en derde lid, 44, eerste lid, 45, eerste tot en met derde lid, vierde lid, laatste volzin en vijfde lid, laatste volzin, 49a, derde lid, en 49b, tweede en derde de lid, een last onder dwangsom opleggen. Artikel 1:127 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
  2. De last onder dwangsom kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.
  3. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
  4. Bij de last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
  5. Een beslissing tot oplegging van een last onder dwangsom wordt op schrift gesteld en is een beschikking.
  6. De Bank stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd dan wel per overtreding van de last. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
  7. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt het bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, bepaald.

Artikel 48c

Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

Artikel 48d

  1. Indien een last onder dwangsom is opgelegd kan de Bank op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn, of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor die overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.
  2. Indien een last onder dwangsom is opgelegd kan de Bank op verzoek van de overtreder de last opheffen, indien de beschikking één jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.

Artikel 48e

In afwijking van artikel 48hh, eerste lid, verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van één jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

 

 

Artikel 48f

Geen last onder dwangsom kan worden opgelegd voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond.

 

 

Artikel 48g

  1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom beslist de Bank bij beschikking omtrent de invordering van de dwangsom.
  2. De Bank geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt.
  3. De Bank beslist binnen zes weken op het verzoek.

Artikel 48h

  1. Indien uit een beschikking tot intrekking of wijziging van de last onder dwangsom voortvloeit dat een reeds gegeven beschikking tot invordering van die dwangsom niet in stand kan blijven, vervalt die beschikking.
  2. De Bank kan een nieuwe beschikking tot invordering geven die in overeenstemming is met de gewijzigde last onder dwangsom.

 

 

 

 

Artikel 48i

  1. Een bezwaar, beroep, hoger beroep of een verzoek om schorsing dan wel voorlopige voorziening gericht tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
  2. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan de beslissing op het hoger beroep tegen de beschikking tot invordering van de dwangsom verwijzen naar de Bank, overeenkomstig artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak, indien behandeling door de Bank gewenst is.
  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om schorsing dan wel voorlopige voorziening.

 

Artikel 48j

Onder bestuurlijke boete wordt verstaan: de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom.

 

Artikel 48k

  1. De Bank kan bij overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste lid, 5, 6, 6a, vierde en vijfde lid, 9, zesde lid, laatste volzin, zevende en achtste lid, 10, derde lid, 12, 13, 14, eerste, derde en vierde lid, laatste volzin, 15, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, laatste volzin, 15a, eerste lid, 21, eerste lid, 22, eerste lid, laatste volzin, tweede lid, onderdeel a, en vierde lid, onderdeel a, 23, eerste en tweede lid, 24, vierde lid, 26, 30, derde lid, 41a, tweede lid, 41b, tweede en derde lid, 42, 44, eerste lid, 45, eerste tot en met derde lid, vierde lid, laatste volzin, en vijfde lid, laatste volzin, 49a, derde lid, en 49b, tweede en derde de lid, een bestuurlijke boete opleggen. Artikel 1:127 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt de hoogte en de wijze van bepaling van de bestuurlijke boete voor de verschillende overtredingen, bepaald. Een op grond van het eerste lid op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 1:54, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de kredietinstelling in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd.
  3. Alvorens over te gaan tot oplegging van een boete, stelt de Bank de betrokkene schriftelijk op de hoogte van het voornemen een boete op te leggen onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

Artikel 48l

Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien:
a. de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten;
b. de overtreder is overleden;
c. aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 48r, derde lid, onderdeel a, is bekendgemaakt; of
d. een rechtvaardigingsgrond voor de overtreding bestaat.

 

Artikel 48m

  1. Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, of het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 1:149 van het Wetboek van Strafrecht.
  2. Indien de gedraging tevens een strafbaar feit is, wordt zij aan de officier van justitie voorgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift is bepaald, dan wel met het openbaar ministerie is overeengekomen, dat daarvan kan worden afgezien.
  3. Voor een gedraging die aan de officier van justitie moet worden voorgelegd, legt de Bank slechts een bestuurlijke boete op indien:
  4. de officier van justitie aan de Bank heeft medegedeeld ten aanzien van de overtreder van strafvervolging af te zien; of
  5. de Bank niet binnen dertien weken een reactie van de officier van justitie heeft ontvangen.

 

Artikel 48n

  1. Een bestuurlijke boete vervalt, indien zij op het tijdstip van het overlijden van de overtreder niet onherroepelijk is. Een onherroepelijke bestuurlijke boete vervalt voor zover zij op dat tijdstip nog niet is betaald.
  2. Een reeds opgelegde bestuurlijke boete vervalt, indien het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba met toepassing van artikel 25 van het Wetboek van Strafvordering de vervolging van de overtreder voor dat feit beveelt.
  3. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt vijf jaren na de dag waarop de overtreding heeft plaatsgevonden.
  4. Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn, bedoeld in het derde lid, opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist.

Artikel 48o

  1. Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestuurlijke boete, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
  2. Indien beroep is ingesteld tegen een bestuurlijke boete is de partij aan wie de boete is opgelegd niet verplicht omtrent de overtreding verklaringen af te leggen. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 48p

  1. De Bank of de personen, bedoeld in artikel 49a, eerste lid, kunnen van de overtreding een rapport opmaken.
  2. Het rapport is gedagtekend en vermeldt in ieder geval:
    a. de naam van de overtreder;
    b. de overtreding, alsmede het overtreden voorschrift;
    c. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip of de periode waarop de overtreding is geconstateerd.
  3. Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de bekendmaking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete aan de overtreder toegezonden of uitgereikt.
  4. Indien van de overtreding een proces-verbaal als bedoeld in artikel 186 van het Wetboek van Strafvordering is opgemaakt, treedt dit voor de toepassing van deze paragraaf in de plaats van het rapport.

Artikel 48q

  1. De Bank stelt de overtreder desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete, dan wel het voornemen daartoe, berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen. De Bank kan beslissen om bepaalde stukken van kennisneming uit te zonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.
  2. Voor zover blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt, draagt de Bank er zoveel mogelijk zorg voor dat deze gegevens aan de overtreder worden medegedeeld in een voor deze begrijpelijke taal.

Artikel 48r

 

  1. De Bank kan de overtreder in de gelegenheid stellen over het voornemen tot opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen.
  2. Op het moment dat de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen:
    a. wordt het rapport reeds bij de uitnodiging daartoe aan de overtreder toegezonden of uitgereikt;
    b.zorgt de Bank voor bijstand door een tolk, indien blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt.
  3. Indien de Bank nadat de overtreder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, beslist dat:
    a. voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd, of
    b. de overtreding alsnog aan de officier van justitie zal worden voorgelegd, wordt dit schriftelijk aan de overtreder medegedeeld.

Artikel 48s

  1. Een beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete vermeldt in ieder geval:
    a. de naam van de overtreder;
    b. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;
    c. het bedrag van de boete, alsmede een toelichting op de hoogte daarvan; en
    d. de termijn, bedoeld in artikel 48w, waarbinnen de boete moet worden betaald.
  1. Op verzoek van de overtreder die de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de officiële talen in de zin van de Landsverordening officiële talen[1] onvoldoende begrijpt, draagt de Bank er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van de beschikking aan de betrokkene wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

[1] P.B. 2007, no. 20.

Artikel 48t

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

 

 

Artikel 48u

Door de Minister en de Minister van Justitie gezamenlijk kunnen bij ministeriële regeling met algemene werking regels worden gesteld ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in de Hoofdstukken VIIIa en Xa, paragrafen 1 en 2.

Artikel 48v

Deze paragraaf is van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete.

Artikel 48w

Behoudens in het geval dat artikel 48c toepassing vindt, geschiedt de betaling van een geldschuld binnen zes weken nadat de beschikking tot invordering van een dwangsom, bedoeld in artikel 48g, eerste lid, onderscheidenlijk de beschikking tot het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 48k, eerste lid, op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt

Artikel 48x

  1. De Bank kan uitstel van betaling van een geldschuld verlenen.
  2. Gedurende het uitstel kan de Bank niet aanmanen of invorderen.
  3. De beschikking tot uitstel van betaling vermeldt de termijn waarvoor het uitstel geldt.
  4. De Bank kan aan de beschikking tot uitstel van betaling voorschriften verbinden

Artikel 48y

  1. Betaling van een geldschuld geschiedt aan een door de Bank te bepalen kantoor dan wel door bijschrijving op een daartoe door de Bank bestemde bankrekening.
  2. Betaling geschiedt in wettig betaalmiddel, tenzij door de Bank anders is bepaald.
  3. De betaling heeft plaats op het tijdstip waarop de betaling aan het kantoor wordt verricht dan wel in geval van bijschrijving de rekening van de Bank wordt gecrediteerd.
  4. De kosten van betaling komen ten laste van de overtreder.

Artikel 48z

  1. De overtreder is in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn van zes weken heeft betaald.
  2. Het verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
  3. De Bank stelt het bedrag van de verschuldigde wettelijke rente bij beschikking vast.

 

Artikel 48aa

  1. De Bank maant de overtreder die in verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden.
  2. De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de overtreder uit te voeren invorderingsmaatregelen.
  3. De Bank kan voor de aanmaning een vergoeding in rekening brengen. De vergoeding wordt in de aanmaning vermeld.

Artikel 48bb

  1. De Bank kan een dwangbevel uitvaardigen.
  2. Een dwangbevel levert een executoriale titel op die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd.
  3. Een dwangbevel wordt slechts uitgevaardigd wanneer binnen de overeenkomstig artikel 48aa, eerste lid, gestelde aanmaningstermijn niet volledig is betaald.

Artikel 48cc

  1. Bij het dwangbevel kunnen tevens de aanmaningsvergoeding, de wettelijke rente en de kosten van het dwangbevel worden ingevorderd.
  2. Het dwangbevel kan betrekking hebben op verschillende verplichtingen tot betaling van een geldsom door de overtreder aan de Bank.
  3. De betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden op kosten van degene tegen wie het is uitgevaardigd.
  4. De kosten zijn ook verschuldigd indien het dwangbevel door betaling van verschuldigde bedragen niet of niet volledig ten uitvoer is gelegd

Artikel 48dd

  1. Het dwangbevel vermeldt in ieder geval:
    a. aan het hoofd het woord: dwangbevel;
    b. het bedrag van de invorderbare hoofdsom;
    c. de beschikking of het wettelijk voorschrift waaruit de geldschuld voortvloeit;
    d. de kosten van het dwangbevel; en
    e. dat het op kosten van degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd ten uitvoer kan worden gelegd.
  2. Het dwangbevel vermeldt, indien van toepassing:
    a. het bedrag van de aanmaningsvergoeding; en
    b. de ingangsdatum van de wettelijke rente.

Artikel 48ee

  1. De bekendmaking van een dwangbevel geschiedt door middel van de betekening van een exploot als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
  2. Het exploot vermeldt in ieder geval de gerechtelijke instantie waarbij tegen het dwangbevel en de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de artikelen 438 en 438a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden opgekomen.

Artikel 48ff

De Bank beschikt ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft.

 

Artikel 48gg

  1. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de Bank.
  2. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de Bank kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Artikel 48hh

  1. De rechtsvordering tot betaling van een geldschuld als bedoeld in artikel 48v, behoudens indien deze voortvloeit uit een last onder dwangsom, verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken.
  2. Na voltooiing van de verjaring kan de Bank zijn bevoegdheden tot aanmaning en tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet meer uitoefenen.

Artikel 48ii

  1. De verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
  2. Erkenning van het recht op betaling stuit de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent.
  3. De Bank kan de verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in artikel 48aa, eerste lid, een dwangbevel of door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.

Artikel 48jj

  1. Door stuiting van de verjaring begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag.
  2. De nieuwe termijn is gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren.
  3. Wordt de verjaring echter gestuit door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, dan is artikel 324 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

Artikel 48kk

  1. De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling aan de Bank wordt verlengd met de tijd gedurende welke de overtreder na de aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien:
    a. de overtreder in surseance van betaling verkeert;
    b. de overtreder in staat van faillissement verkeert; of
    c. de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is geschorst ingevolge een lopend rechtsgeding, met dien verstande dat de termijn waarmee de verjaringstermijn wordt verlengd een aanvang neemt op de dag waarop het rechtsgeding door middel van dagvaarding aanhangig wordt gemaakt.

Artikel 49

(vervallen)

Artikel 49a

  1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde zijn belast de daartoe door de President van de Bank aan te wijzen functionarissen van de Bank, belast met toezicht. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. De krachtens het eerste lid aangewezen functionarissen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
    a. alle inlichtingen te vragen;
    b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan kopieën te maken of deze daartoe voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs;
    c. zaken aan opneming en onderzoek te onderwerpen, deze daartoe tijdelijk mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs, en daarvan monsters te nemen;
    d. alle plaatsen te betreden, eventueel vergezeld van door hen aangewezen personen, met uitzondering van woningen of tot bewoning bestemde gedeelten van vaartuigen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner
  3. Een ieder is verplicht aan de krachtens het eerste lid aangewezen functionarissen alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.
  4. Zo nodig wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm.

Artikel 49b

  1. De Bank kan zich bij het uitoefenen van het toezicht, bedoeld in artikel 49a, eerste lid, doen bijstaan dan wel een zodanig toezicht geheel doen uitvoeren door een door de Bank aan te wijzen externe deskundige of andere deskundigen. De Bank kan de kosten die hiermee verband houden geheel of gedeeltelijk doorberekenen aan de betrokken kredietinstelling. Artikel 49a is van overeenkomstige toepassing.
  2. Indien het uitoefenen van het toezicht, bedoeld in artikel 49a, eerste lid, dan wel bepaalde werkzaamheden in het kader van een zodanig toezicht door de Bank aan een externe deskundige of aan een andere deskundige worden opgedragen, is deze verplicht zijn bevindingen rechtstreeks en schriftelijk aan de Bank te rapporteren en na verkregen toestemming van de Bank een afschrift daarvan aan de betrokken kredietinstelling te zenden.
  3. Een kredietinstelling is op verzoek van de Bank verplicht een erkende deskundige aan te wijzen die rechtstreeks aan de Bank rapporteert over de interne organisatie van de kredietinstelling.

Artikel 49c

  1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren, belast de daartoe bij landsbesluit aangewezen functionarissen van de Bank. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld omtrent de vereisten waaraan de krachtens het eerste lid aangewezen functionarissen dienen te voldoen.

Artikel 50

  1. Handelen in strijd met enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 2, eerste lid, 5, 6, 6a, eerste en derde lid, 9, zesde lid, laatste volzin, zevende en achtste lid, 10, derde lid, 12, 13, 14, eerste lid, 15, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, laatste volzin, 15a, eerste lid, 21, eerste lid, 22, eerste lid, laatste volzin, tweede lid, onderdeel a, en vierde lid, onderdeel a, 23, eerste en tweede lid, 24, vierde lid, 26, 30, derde lid, 40, tweede lid, 41aderde lid, 41b, tweede en derde lid, 42, 44, eerste lid, 45, eerste tot en met derde lid, vierde lid, laatste volzin, en vijfde lid, laatste volzin, 49a, derde lid, en 49b, tweede en derde lid, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste één jaar en geldboete van de vijfde categorie dan wel met één van beide straffen.
  2. Opzettelijk handelen in strijd met de voorschriften, genoemd in het eerste lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar en geldboete van de zesde categorie dan wel met één van beide straffen.
  3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen en de in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

Artikel 51 t/m 57

(vervallen)

Artikel 58

Deze landsverordening kan worden aangehaald als: Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen.

 

Naar boven