Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou Uw mening

Wet- en Regelgeving

Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren

Publicatienummer: P.B. 2016, no. 79 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Landsverordening
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 25-09-2014
Datum inwerktreding: 01-03-2015
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK X ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN)


LANDSBESLUIT van de 29ste oktober 2020, 20/1723 bepalende de opneming in het Publicatieblad van de geldende tekst van de Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren

Hoofdstuk 1
Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
bankgarantie: een garantie, verstrekt door een kredietinstelling die is ingeschreven in Afdeling I van het register, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994 , waarin is bepaald dat de kredietinstelling onherroepelijk en onvoorwaardelijk garant staat ten behoeve van derden ter zake van de door hen in het kader van een geldtransactie als bedoeld in onderdeel b ter beschikking gestelde en nog niet betaalde of betaalbaar gestelde gelden of geldswaarden;
de Bank: de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten en tevens de instantie die belast is met het toezicht op geldtransactiekantoren;
de Minister: de Minister van Financiën;
dwangbevel: een schriftelijk bevel van de Bank dat ertoe strekt de betaling van een geldschuld af te dwingen;
externe deskundige: een externe deskundige als bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van meer dan 10% van het nominaal kapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van meer dan 10% van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling;
geldtransactie: 1°. het in het kader van een geldelijke overmaking ter beschikking krijgen van gelden of geldswaarden, teneinde deze gelden of geldswaarden aan een derde elders betaalbaar te stellen of te doen stellen, dan wel het betalen, of betaalbaar stellen van gelden of geldswaarden nadat deze gelden of geldswaarden ter beschikking zijn gesteld, waarbij deze geldelijke overmaking een op zich zelf staande dienst is;
2°. bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen andere verwante activiteit;
geldtransactiekantoor: een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een derde geldtransacties uitvoert, dan wel beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming daarvan;
register: het register van geldtransactiekantoren, bedoeld in artikel 11;
toezichthoudende instantie: een overheidsinstantie respectievelijk een van overheidswege aangewezen instantie die belast is met het toezicht op financiële markten of op rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen die op die markten werkzaam zijn, alsmede een overheidsinstantie, respectievelijk een van overheidswege aangewezen instantie die belast is met het toezicht op de naleving van wettelijke regelingen ter zake de bestrijding van witwassen en financiering terrorisme.

Hoofdstuk 2
Het vergunningsstelsel

Artikel 2

  1. Het is een ieder verboden in of vanuit Curaçao het bedrijf van geldtransactiekantoor uit te oefenen zonder voorafgaande vergunning van de Bank.
  2. Aan de vergunning kunnen te allen tijde voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld in het belang van een gezonde financiële sector, het te voeren monetaire beleid en het deviezenverkeer.
  3. Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing op:
    a. de Bank; of
    b. de deviezenbanken waaraan krachtens artikel 9, derde lid, van het Centrale Bank-Statuut voor Curaçao en Sint Maarten een machtiging is verleend om als deviezenbank werkzaam te zijn.

Artikel 3

  1. De Bank kan aan een categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling, of, op verzoek, in uitzonderlijke gevallen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder een onderneming of instelling vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, vastgesteld.
  3. De ontheffing of vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd, indien de Bank op grond van de beoordeling van de deskundigheid en integriteit van één van de personen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdelen b, c, d en e, van oordeel is dat:
    a. de integriteit van de financiële sector wordt aangetast. Daarvan is in elk geval sprake indien de Bank een redelijk vermoeden heeft dat het geldtransactiekantoor of één of meer van de personen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdelen b, c, d en e, zich schuldig maken of schuldig zullen maken aan witwassen, dan wel betrokken zijn of zullen zijn bij de financiering van misdrijven die uit hoofde van internationale verplichtingen inzake terrorismebestrijding strafbaar zijn gesteld; of
    b. de bedrijfsvoering dan wel de administratieve organisatie onvoldoende is om een integere bedrijfsvoering te bevorderen of te handhaven, of om aan de op het geldtransactiekantoor rustende overige wettelijke verplichtingen te voldoen.
  4. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld in het belang van een gezonde financiële sector, het te voeren monetaire beleid of het deviezenverkeer.
  5. De vrijstelling of ontheffing wordt ingetrokken, indien:
    a. de gronden waarop de vrijstelling of ontheffing zijn verleend zodanig zijn gewijzigd dat een vrijstelling of ontheffing niet meer verantwoord is; of
    b. de voorschriften of beperkingen, bedoeld in het vierde lid, zijn overtreden, onderscheidenlijk niet worden nageleefd.

Artikel 4

  1. Een onderneming of instelling, die voornemens is het bedrijf van geldtransactiekantoor uit te oefenen, verzoekt de Bank per aangetekende brief om een vergunning om het bedrijf van geldtransactiekantoor uit te oefenen.
  2. De aanvraag wordt niet als zodanig beschouwd en door de Bank niet in behandeling genomen, indien zij niet de volgende gegevens en bescheiden bevat:
    a. het aanvangskapitaal van het geldtransactiekantoor;
    b. het aantal, de identiteit, de opleiding, de werkervaring en de antecedenten van de leden van de raad van commissarissen van het geldtransactiekantoor;
    c. het aantal, de identiteit, de opleiding, de werkervaring en de antecedenten van degenen die naar het oordeel van de Bank het beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen;
    d. de identiteit, de opleiding, de werkervaring en de antecedenten van de personen die het beleid bepalen van de groep waartoe het geldtransactiekantoor behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen;
    e. de identiteit, de financiële positie en de antecedenten van degenen die een gekwalificeerde deelneming houden in een geldtransactiekantoor, alsmede de omvang van de desbetreffende gekwalificeerde deelneming;
    f. de oprichtingsakte van het geldtransactiekantoor;
    g. de voorziene bedrijfsvoering, waaronder de maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering;
    h. de voorziene administratieve organisatie van het geldtransactiekantoor, met inbegrip van de financiële administratie en interne controle;
    i. de schriftelijke toezegging van een kredietinstelling dat een bankgarantie wordt gegeven indien de vergunning wordt verleend;
    j. overige gegevens en bescheiden die de Bank nodig heeft in het belang van de beoordeling van de aanvraag.
  3. De Bank kan de aanvrager verzoeken, indien de verstrekte gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, de aanvraag binnen 30 dagen aan te vullen. De voor het geven van een vergunning bepaalde termijn, bedoeld in artikel 5, tweede lid, wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
  4. De Bank kan voorts besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen, indien zij van oordeel is dat de verstrekte gegevens, bewijsstukken en inlichtingen onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Het besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Artikel 5

  1. De Bank verleent de vergunning, indien:
    1º. het dagelijks beleid van het geldtransactiekantoor door twee of meer natuurlijke personen wordt bepaald;
    2º. zij van oordeel is dat de deskundigheid van één of meer personen die het beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen, voldoende is om het bedrijf van geldtransactiekantoor uit te oefenen;
    3º. zij op grond van de voornemens of de antecedenten van één of meer personen die het beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen van oordeel is dat met het oog op de belangen van de klanten of toekomstige klanten van het geldtransactiekantoor, de integriteit van één van deze personen buiten twijfel staat;
    4º. het geldtransactiekantoor een raad van commissarissen heeft, bestaande uit ten minste drie leden;
    5º. zij op grond van de voornemens of de antecedenten van één of meer personen die het beleid van de groep waartoe het geldtransactiekantoor behoort, bepalen of mede bepalen en tevens uit dien hoofde het beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen van oordeel is dat met het oog op de belangen van de klanten of toekomstige klanten van het geldtransactiekantoor, de integriteit van één van deze personen buiten twijfel staat;
    6º. zij van oordeel is dat de deskundigheid van één of meer personen die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe het geldtransactiekantoor behoort, voor zover zij tevens uit dien hoofde het beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen, voldoende is om het bedrijf van geldtransactiekantoor uit te oefenen;
    7º. het geldtransactiekantoor beschikt over een door de Bank nader vast te stellen minimumbedrag aan eigen vermogen en een bankgarantie als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel i;
    8º. zij van oordeel is dat ingevolge een gekwalificeerde deelneming in het geldtransactiekantoor er geen sprake is of zou kunnen zijn van een invloed op het geldtransactiekantoor die in strijd is met een gezonde financiële sector, het te voeren monetaire beleid of het deviezenverkeer;
    9º. zij op grond van de voornemens en antecedenten van de houders van een gekwalificeerde deelneming van oordeel is dat met het oog op de belangen van de klanten of toekomstige klanten van het geldtransactiekantoor, de integriteit van één van deze personen buiten twijfel staat;
    10°. zij op grond van de gegevens, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdelen g en h, van oordeel is dat het geldtransactiekantoor in staat is om aan haar uit hoofde van het toezicht te stellen eisen te voldoen;
    11°. zij op grond van de statutaire doelomschrijving geen reden heeft om aan te nemen dat het geldtransactiekantoor activiteiten kan ontplooien op terreinen die buiten de eigen terreinen liggen en aldus gevaar voor een gezonde financiële sector, het te voeren monetaire beleid of het deviezenverkeer kunnen inhouden; en
    12°. het geldtransactiekantoor een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap is, dan wel indien het een buitenlands geldtransactiekantoor betreft, deze een met deze rechtspersonen vergelijkbare rechtsvorm heeft.
  2. De Bank beslist over het verzoek om een vergunning binnen 60 dagen na ontvangst van:
    a. een volledige aanvraag; en
    b. het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid,
    en deelt haar beslissing bij aangetekende brief mee.
  3. De Bank kan besluiten dat een geldtransactiekantoor niet hoeft te voldoen aan één of meer van de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, indien deze aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze landsverordening beoogt te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt. De Bank kan het hiervoor bedoelde besluit wijzigen of intrekken, indien naar haar oordeel de omstandigheden waaronder het besluit is genomen zodanig zijn gewijzigd dat de doeleinden die deze landsverordening beoogt te bereiken niet langer worden bereikt.

Artikel 6

De Bank kan de vergunning weigeren, indien:
a. zij gronden heeft om aan te nemen dat het geldtransactiekantoor de vergunning heeft aangevraagd om zich te onttrekken aan de regelgeving inzake het toezicht op het geldtransactiekantoor in een andere Staat;
b. de structuur van de groep waarvan het geldtransactiekantoor deel uitmaakt zodanig is dat de Bank onvoldoende adequaat en effectief toezicht kan uitoefenen op het geldtransactiekantoor;
c. zij van oordeel is dat het verlenen van de vergunning in strijd is of zou kunnen zijn met een gezonde financiële sector, het te voeren monetaire beleid of het deviezenbeleid; of
d. zij van oordeel is dat de Bank of de instantie van het land van herkomst van het betrokken geldtransactiekantoor, die met het toezicht op geldtransactiekantoren is belast, onvoldoende adequaat en effectief toezicht op geconsolideerde basis kan uitoefenen.

Artikel 7

  1. Het geldtransactiekantoor waaraan een vergunning is verleend, is gehouden aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend, bedoeld in artikel 5, eerste lid, alsmede aan de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de vergunning, bedoeld in artikel 2, tweede lid, te blijven voldoen.
  2. Een onderneming of instelling waaraan een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is verleend is gehouden aan de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de vergunning, bedoeld in artikel 3, vierde lid, te blijven voldoen.

Artikel 8

  1. De Bank trekt de vergunning in, indien:
    a. het geldtransactiekantoor de intrekking daarvan verzoekt. Binnen 60 dagen na ontvangst van een zodanig verzoek wordt daarop door de Bank beslist;
    b. het geldtransactiekantoor in staat van faillissement is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend;
    c. het geldtransactiekantoor kennelijk zijn werkzaamheden als geldtransactiekantoor niet meer uitoefent;
    d. het geldtransactiekantoor kennelijk niet meer voldoet aan de in artikel 1, onderdeel a, gegeven definitie;
    e. het geldtransactiekantoor van de vergunning misbruik of oneigenlijk gebruik maakt;
    f. de structuur van de groep waarvan het geldtransactiekantoor deel uitmaakt zodanig wordt gewijzigd dat de Bank of de instantie van het land van herkomst die met het toezicht op het geldtransactiekantoor is belast, onvoldoende adequaat en effectief toezicht, onderscheidenlijk geconsolideerd toezicht kan uitoefenen op het geldtransactiekantoor;
    g. het geldtransactiekantoor of één van de beleidsbepalende of medebeleidsbepalende personen van het desbetreffende geldtransactie-kantoor niet of niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen.
  2. De Bank kan de vergunning intrekken, indien:
    a. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
    b. zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan, zo zij vóór het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd;
    c. één der bestuurders of degene die het dagelijks beleid van het geldtransactiekantoor bepaalt of mede bepaalt in staat van faillissement is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend;
    d. de bankgarantie, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel i, niet meer wordt verleend.
  3. Het besluit tot intrekking van de vergunning of de weigering tot intrekking van de vergunning is met redenen omkleed en wordt door de Bank bij deurwaardersexploot aan het betrokken geldtransactiekantoor betekend.
  4. Het besluit tot intrekking van de vergunning en, indien de Bank zulks noodzakelijk acht in het belang van de ontwikkeling en instandhouding van een gezonde financiële sector, het monetair beleid of het deviezenverkeer, de redenen voor de intrekking, worden zo spoedig mogelijk nadat dit besluit onherroepelijk is geworden, gepubliceerd in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst. De Bank kan, indien zij dit in het belang van de klanten van het geldtransactiekantoor acht, het besluit, alsmede de redenen voor de intrekking, bedoeld in de eerste volzin, eveneens op andere door haar te bepalen wijze bekendmaken. De kosten van de bekendmaking komen ten laste van het betrokken geldtransactiekantoor.
  5. De Bank kan de publicatie, bedoeld in het vierde lid, tot een nader door haar te bepalen tijdstip aanhouden, indien openbaarmaking ernstige schade aan de belangen van de klanten van het geldtransactiekantoor zou kunnen toebrengen.
  6. De Bank zegt het geldtransactiekantoor waarvan de vergunning is ingetrokken en dat tegen het besluit tot intrekking bezwaar of beroep heeft aangetekend, per aangetekende brief aan, dat vanaf het tijdstip van intrekking van de vergunning alle of bepaalde organen van het geldtransactiekantoor hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door één of meer door de Bank aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, welke aanzegging ter stond van kracht wordt. Met betrekking tot deze aanzegging is het bepaalde in artikel 23, vierde lid, onderdelen a, b, d en e, van overeenkomstige toepassing. Het is het geldtransactiekantoor verboden in strijd met de aanzegging van de Bank te handelen.
  7. Het geldtransactiekantoor waarvan de vergunning is ingetrokken en het besluit tot intrekking onherroepelijk is geworden, is verplicht haar werkzaamheden als geldtransactiekantoor volgens de door de Bank te stellen voorwaarden, procedure en termijn af te wikkelen. De Bank kan daarbij de uitoefening van de bevoegdheid van het geldtransactiekantoor om over haar waarden te beschikken beperken of haar verbieden om – anders dan met schriftelijke machtiging van de Bank – over deze waarden te beschikken.
  8. Het geldtransactiekantoor dat bezwaar of beroep heeft aangetekend tegen de weigering van de Bank om de vergunning in te trekken, is verplicht hangende de behandeling van het bezwaar of beroep haar bedrijf voort te zetten met inachtneming van de bij of krachtens deze landsverordening vastgestelde algemeen verbindende voorschriften, alsmede de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de vergunning.

Artikel 9

  1. De Bank stelt ten behoeve van de ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht staande geldtransactiekantoren algemeen verbindende voorschriften vast met betrekking tot:
    a. de deskundigheid en integriteit;
    b. de financiële waarborgen;
    c. de bedrijfsvoering, waaronder de maatregelen gericht op het bevorderen van een integere bedrijfsvoering en de administratieve organisatie van het geldtransactiekantoor, daaronder begrepen de financiële administratie en de interne controle; en
    d. de informatieverschaffing aan de Bank en aan het publiek.
  2. Onder algemeen verbindende voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden in ieder geval verstaan regels ter zake van:
    1°. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
    2°. het voorkomen van betrokkenheid van het geldtransactiekantoor en van haar werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in het geldtransactiekantoor of in de financiële markten in het algemeen schaden;
    3°. het voorkomen van betrokkenheid van het geldtransactiekantoor en van haar werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in het geldtransactiekantoor of in de financiële markten in het algemeen schaden;
    4°. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van de cliënten van het geldtransactiekantoor;
    5°. ordelijke en transparante financiële marktprocessen;
    6°. zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten of consumenten, zoals het waarborgen van de informatieverstrekking aan cliënten of consumenten.
  3. De Bank kan bepalen dat de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in het eerste lid, ook van toepassing zijn op de instellingen, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, dan wel de ondernemingen of instellingen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, die verplicht zijn zich te houden, alsmede zich te blijven houden aan die voorschriften.
  4. Een geldtransactiekantoor waaraan een vergunning is verleend, is verplicht zich te houden, alsmede zich te blijven houden aan de voorschriften, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10

  1. De Bank kan ter uitvoering van aanbevelingen en regelingen van internationale of intergouvernementele organisaties, algemeen verbindende voorschriften van technische en organisatorische aard vaststellen ten behoeve van ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht staande geldtransactiekantoren.
  2. Alvorens de Bank deze algemeen verbindende voorschriften vaststelt of wijzigt, pleegt de Bank overleg met de representatieve organisaties.
  3. De Bank kan bepalen dat de algemeen verbindende voorschriften van technische en organisatorische aard , bedoeld in het eerste lid, ook van toepassing zijn op de instellingen, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, dan wel de ondernemingen of instellingen, bedoeld in artikel 3, eerste lid. Deze instellingen of ondernemingen zijn verplicht zich te houden, alsmede zich te blijven houden aan die voorschriften.
  4. Een geldtransactiekantoor waaraan een vergunning is verleend, is verplicht zich te houden, alsmede zich te blijven houden aan de voorschriften, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10a

  1. De Bank kan bij overtreding van artikel 2, eerste lid, dan wel in het geval dat in strijd met de weigering, bedoeld in artikel 3, derde lid, het bedrijf van geldtransactie wordt uitgeoefend, een openbare waarschuwing uitvaardigen, indien nodig onder vermelding van de overwegingen die tot die waarschuwing hebben geleid.
  2. De bevoegdheid om een openbare waarschuwingen als bedoeld in het eerste lid uit te vaardigen laat onverlet de bevoegdheid van de Bank om openbare waarschuwingen van internationale of intergouvernementele organisaties, hier te lande te publiceren.
  3. Indien de Bank besluit een openbare waarschuwing als bedoeld in het eerste lid uit te vaardigen, stelt zij de betrokken persoon of instelling in kennis van het besluit.
  4. Het besluit vermeldt in ieder geval de geconstateerde overtreding, de inhoud van de openbaarmaking, de gronden waarop het besluit berust alsmede de wijze waarop en de termijn waarna de openbare waarschuwing zal worden uitgevaardigd.
  5. Het uitvaardigen van een openbare waarschuwing geschiedt niet eerder dan nadat vijf werkdagen zijn verstreken na de dag waarop de betrokken persoon of instelling overeenkomstig het derde en vierde lid in kennis is gesteld van het besluit.
  6. Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak wordt de werking van het besluit opgeschort totdat er een uitspraak is van het Gerecht.
  7. Indien bescherming van de belangen die deze landsverordening beoogt te beschermen geen uitstel toelaat, kan de toezichthouder, in afwijking van de voorgaande leden, onverwijld een openbare waarschuwing uitvaardigen.
  8. Artikel 64, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3
Het register

Artikel 11

  1. De Bank houdt een register voor geldtransactiekantoren aan wie een vergunning is verleend. Het register bevat voorts één of meerdere bijlagen waarin de ondernemingen of instellingen met een vrijstelling of ontheffing, bedoeld in artikel 3, eerste lid, worden ingeschreven.
  2. Een geldtransactiekantoor waaraan een vergunning is verleend wordt per gelijke datum van de vergunningverlening door de Bank ingeschreven in het register.
  3. De inschrijving van een geldtransactiekantoor in het register waarvan de vergunning is ingetrokken, wordt door de Bank doorgehaald.
  4. De inschrijving van een geldtransactiekantoor in het register wordt binnen twee weken na de dag waarop zij heeft plaatsgehad, digitaal bekendgemaakt op de website van de Bank.
  5. In de maand januari van elk jaar draagt de Bank zorg voor de openbaarmaking van het register naar de stand van 31 december van het voorgaande jaar in het Publicatieblad.
  6. De Bank houdt een afschrift van het register voor een ieder kosteloos ter inzage.

Hoofdstuk 4
Controle en rapportage

Artikel 12

  1. Ieder geldtransactiekantoor is verplicht jaarlijks binnen een door de Bank vast te stellen termijn een jaarrekening, ten minste bevattend een balans en een winst- en verliesrekening, met bijbehorende toelichting, over het afgelopen boekjaar, in een door de Bank vast te stellen vorm, bij de Bank in te dienen. Hierbij worden ook een verklaring van een externe deskundige en de directiebrieven toegevoegd.
  2. Ieder geldtransactiekantoor is verplicht bij de Bank periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen rapportagestaten nopens zijn bedrijf in te dienen.
  3. De vorm waarin de rapportagestaten, bedoeld in het tweede lid, moeten worden opgemaakt, de achtereenvolgende tijdstippen waarop zij betrekking hebben en de termijnen binnen welke zij moeten worden ingediend, worden door de Bank bepaald na overleg met de representatieve organisatie, zou deze zijn aangewezen.
  4. Indien de Bank zulks in het belang van een doelmatig toezicht nodig acht, kan zij met betrekking tot de rapportagestaten, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat:
    a. de achtereenvolgende tijdstippen waarop zij betrekking hebben, alsmede de termijnen waarbinnen zij moeten worden ingediend, worden verkort;
    b. hieromtrent een verklaring van een externe deskundige wordt overlegd.
  5. De Bank kan een geldtransactiekantoor ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Het geldtransactiekantoor is gehouden aan de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de ontheffing, bedoeld in de eerste volzin, te blijven voldoen.
  6. De Bank kan bepalen dat de jaarrekening van een geldtransactiekantoor dat niet voldoet aan de definitie van grote vennootschap, bedoeld in artikel 119, tweede lid, afdeling 4 van titel 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt beoordeeld, onderscheidenlijk gecontroleerd door een andere deskundige dan de externe deskundige.

Artikel 13

  1. De externe deskundige die op grond van artikel 12, eerste lid, de jaarrekening van een geldtransactiekantoor van een verklaring moet voorzien en die op grond van artikel 12, vierde lid, onderdeel b, de staten van een verklaring moet voorzien, is verplicht de Bank zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden kennis heeft gekregen en die:
    a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van de vergunning zijn gesteld;
    b. in strijd is met de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen;
    c. het voortbestaan van het geldtransactiekantoor bedreigt; of
    d. de afgifte van een goedkeurende verklaring omtrent de getrouwheid in gevaar zou kunnen brengen, te melden.
  2. De externe deskundige is voorts verplicht bij een melding als bedoeld in het eerste lid onverwijld aan de Bank een afschrift van zijn rapport, de directiebrieven en de correspondentie die rechtstreeks betrekking heeft op de verklaring bij de jaarrekening, respectievelijk van enig van de periodiek bij de Bank in te dienen staten te zenden, indien en voor zover de Bank bij deze staten een verklaring van een externe deskundige nodig heeft geacht. Indien de Bank zulks noodzakelijk acht, geeft de externe deskundige de Bank een mondelinge toelichting op de jaarrekening en de voornoemde stukken.
  3. Op de externe deskundige die naast zijn werkzaamheden voor het geldtransactiekantoor ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing indien het geldtransactiekantoor dochter-maatschappij is van een andere onderneming of instelling, dan wel indien die andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van het geldtransactiekantoor.
  4. De externe deskundige die op grond van het eerste en derde lid tot een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor de schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot een melding had mogen worden overgegaan.

 

Artikel 14

  1. Het geldtransactiekantoor is verplicht binnen een door de Bank vast te stellen termijn zijn jaarrekening over het afgelopen boekjaar, in een door de Bank vast te stellen vorm, te publiceren.
  2. De Bank kan nadere algemeen verbindende voorschriften vaststellen met betrekking tot het publiceren van de in het eerste lid bedoelde jaarrekening en de wijze van publicatie.

Artikel 15

  1. Tot het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 12, eerste en vierde lid, onderdeel b, is slechts bevoegd een externe deskundige tegen wie de Bank geen bezwaar heeft gemaakt.
  2. De Bank kan tegen de aanstelling of handhaving van een externe deskundige bezwaar maken, indien de externe deskundige naar haar oordeel niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de hem toevertrouwde taak met betrekking tot het geldtransactiekantoor naar behoren zal vervullen.
  3. Het bezwaar, bedoeld in het tweede lid, wordt schriftelijk ter kennis gebracht van het betrokken geldtransactiekantoor en van de betrokken externe deskundige.
  4. Een geldtransactiekantoor is verplicht gebruik te maken van de diensten van een externe deskundige, waartegen de Bank geen bezwaar heeft gemaakt.

Artikel 16

  1. Het is een geldtransactiekantoor verboden zonder voorafgaande toestemming van de Bank:
    a. zijn statuten te wijzigen;
    b. een gekwalificeerde deelneming in een andere onderneming of instelling te houden, te verwerven, dan wel te vergroten; of
    c. filialen, bijkantoren of kassa’s te vestigen.
  2. Het is een ieder verboden zonder voorafgaande toestemming van de Bank:
    a. personen die het dagelijks beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen te benoemen;
    b. leden van de raad van commissarissen van het geldtransactiekantoor te benoemen; of
    c. aandelen direct of indirect van een geldtransactiekantoor over te dragen of te vervreemden.

Hoofdstuk 5
Dekking kosten vergunning en toezicht

Artikel 17

  1. De aanvrager van een vergunning of een ontheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is ter zake van de aanvraag aan de Bank een bedrag verschuldigd. De Bank brengt het bedrag, voor zover mogelijk direct na ontvangst van de aanvraag, bij beschikking in rekening.
  2. Een geldtransactiekantoor en degene die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is jaarlijks aan de Bank een bedrag verschuldigd.
  3. De hoogte van de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen wordt zodanig vastgesteld dat de totale jaarlijkse opbrengst van het in rekening te brengen bedrag ten hoogste gelijk is aan de kosten die de Bank in dat jaar maakt ter zake van de behandeling van de aanvragen onderscheidenlijk het toezicht dat de Bank uitoefent ingevolge deze landsverordening.
  4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden, gehoord de Bank en de representatieve organisaties, nadere regels gesteld omtrent de kostendoorberekening en de grondslagen waarop die is gebaseerd en wordt de hoogte van de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen vastgesteld. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt naar directe en indirecte kosten.
  5. Het in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrag wordt betaald binnen zes weken na dagtekening van de beschikking waarbij de betalingsverplichting is opgelegd.
  6. Voor zover het bedrag, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, niet binnen de in het vijfde lid bedoelde termijn wordt betaald, stuurt de Bank aan betrokkene een schriftelijke aanmaning om binnen twee weken na dagtekening van de aanmaning het verschuldigde bedrag, verhoogd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop de in het vijfde lid bedoelde termijn is verstreken, en verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat het bedrag, voor zover dat niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het zevende lid wordt ingevorderd.
  7. Bij gebreke van betaling binnen de in de aanmaning gestelde termijn vordert de Bank het bedrag van de aanmaning, verhoogd met de kosten van de invordering, bij dwangbevel in.
  8. Het dwangbevel wordt op kosten van de betrokkene bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 59 is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 6
Geheimhoudingsplicht en uitwisseling van gegevens of inlichtingen

Artikel 18

  1. Gegevens of inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde omtrent afzonderlijke geldtransactiekantoren zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens of inlichtingen die van een instantie als bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid, zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.
  2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze landsverordening of van krachtens deze landsverordening genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld, verboden van gegevens of inlichtingen, die ingevolge deze landsverordening zijn verstrekt of ontvangen, of van gegevens of inlichtingen bij het onderzoek van boeken, bescheiden of andere informatiedragers verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze landsverordening wordt geëist.
  3. De Bank kan, in afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid, ter handhaving van een gezonde financiële sector aangifte doen van een vermoeden van een strafbaar feit. In de gevallen waarin door de Bank aangifte is gedaan, dan wel in de gevallen waarin de Bank wordt opgeroepen om als getuige of deskundige op te treden, kan de Bank in het kader van de opsporing, het gerechtelijk vooronderzoek of de behandeling ter terechtzitting, inlichtingen verschaffen.
  4. De Bank kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, mededelingen doen, mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke geldtransactiekantoren. Met schriftelijke toestemming van het geldtransactiekantoor dat het aangaat, worden de gegevens of inlichtingen met betrekking tot afzonderlijke geldtransactiekantoren wel gepubliceerd.
  5. De Bank kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, het Meldpunt, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties inlichten, indien zij bij de uitoefening van de haar bij deze landsverordening opgedragen taak feiten ontdekt die duiden op witwassen of van financiering van terrorisme.

Artikel 19

  1. De Bank kan, in afwijking van artikel 18, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, verstrekken aan buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instanties, tenzij:
    a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende is bepaald;
    b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen die op die markten werkzaam zijn;
    c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de geldende wettelijke regelingen of de openbare orde;
    d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
    e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze landsverordening beoogt te beschermen; of
    f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
  2. Voor zover de Bank gegevens of inlichtingen van een buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie heeft ontvangen, verstrekt de Bank deze gegevens niet aan een ander buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie tenzij de buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
  3. Indien een buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie aan de Bank die de gegevens of inlichtingen op grond van het eerste of tweede lid heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de Bank dat verzoek slechts in:
    a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste lid of tweede lid of voor zover die toezichthoudende instantie op een andere wijze dan in deze landsverordening voorzien vanuit Curaçao met inachtnemening van de daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
    b. na overleg met de procureur-generaal indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.
  4. De Bank kan tevens, in afwijking van artikel 18, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verstrekken aan het openbaar ministerie, het Meldpunt, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties, of andere autoriteiten belast met opsporing en vervolging, die zij heeft verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, voor zover de gegevens of inlichtingen naar het oordeel van de Bank van belang zijn of zouden kunnen zijn voor onderzoeken, dan wel de nog in te stellen onderzoeken van het openbaar ministerie, het Meldpunt, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties, of andere autoriteiten belast met opsporing en vervolging.
  5. De Bank verstrekt tevens, in afwijking van artikel 18, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, aan de Algemene Rekenkamer, voor zover de gegevens of inlichtingen naar het oordeel van de Algemene Rekenkamer noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar wettelijke taak op grond van de artikelen 25 en 41 van de Landsverordening Algemene Rekenkamer Curaçao. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
  6. De Algemene Rekenkamer is verplicht tot geheimhouding van de op grond van het vijfde lid ontvangen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen en kan die slechts openbaar maken indien deze niet herleid kunnen worden tot afzonderlijke personen.

Artikel 20

  1. De Bank kan ten behoeve van de uitoefening van haar taak op grond van dit hoofdstuk van het geldtransactiekantoor gegevens of inlichtingen vorderen, indien dat voor de vervulling van de taak van een buitenlandse toezichthoudende instantie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, nodig is. Artikel 19, eerste lid, en 24, tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
  2. Op verzoek van een buitenlandse toezichthoudende instantie bedoeld in het eerste lid kan de Bank gegevens of inlichtingen vragen aan of onderzoek instellen of doen instellen bij een ieder die ingevolgde deze landsverordening onder haar toezicht valt of behoort te vallen en waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de verzoekende instantie.
  3. Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het tweede lid wordt gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen binnen een door de Bank te stellen termijn.
  4. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in het tweede lid, wordt ingesteld, verleent alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze landsverordening onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
  5. De Bank kan toestaan dat een functionaris van een buitenlandse toezichthoudende instantie als bedoeld in het tweede lid, deelneemt aan de uitvoering van een onderzoek als bedoeld in dat tweede lid.
  6. De functionaris van een buitenlandse toezichthoudende instantie waaraan toestemming als bedoeld in het vijfde lid is verleend, volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de leiding van het onderzoek is belast en staat onder leiding van deze persoon.

Artikel 20a

De bij of krachtens deze landsverordening gegeven voorschriften die het verstrekken van gegevens of inlichtingen verbieden of anderszins tot geheimhouding verplichten, gelden niet bij de toepassing van de bij of krachtens hoofdstuk III van de Landsverordening internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen gegeven voorschriften op een administratieplichtige als bedoeld in artikel 22 van de laatstgenoemde landsverordening, of op de Bank voor zover het die administratieplichtige betreft.

Hoofdstuk 7
Bepalingen van bijzondere aard

Artikel 21

  1. De Minister kan, gehoord de Bank, een organisatie van geldtransactiekantoren aanwijzen als representatieve organisatie.
  2. De Bank pleegt, zo vaak als zij dit nodig acht, doch ten minste éénmaal per jaar, overleg met de krachtens het eerste lid aangewezen representatieve organisatie omtrent het beleid inzake het toezicht op geldtransactiekantoren.

Artikel 22

Het is aan een instelling die diensten als bedoeld in de Landsverordening identificatie bij dienstverlening verleent, verboden diensten te verlenen aan een geldtransactiekantoor waarop, naar de instelling weet of redelijkerwijs kan vermoeden, dat het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van toepassing is.

Hoofdstuk 8
Uitvoering, Toezicht en Opsporing

Artikel 23

  1. Indien de Bank constateert dat een geldtransactiekantoor de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen niet naleeft, dan wel de belangen van de klanten of toekomstige klanten van het geldtransactiekantoor anderszins in gevaar brengt of zou kunnen brengen, verzoekt de Bank het geldtransactiekantoor bij aangetekende brief de nodige maatregelen te nemen. Zo nodig doet de Bank haar verzoek vergezeld gaan van een aanwijzing om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen. Het is het geldtransactiekantoor verboden in strijd met de door de Bank opgelegde maatregelen en aanwijzingen te handelen.
  2. Indien naar het oordeel van de Bank onvoldoende, niet, of niet binnen de door haar vastgestelde termijn aan haar verzoek als bedoeld in het eerste lid gevolg is gegeven, kan de Bank:
    a. het geldtransactiekantoor bij aangetekende brief aanzeggen dat vanaf een door haar te bepalen tijdstip alle of bepaalde organen van het geldtransactiekantoor hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door één of meer door de Bank aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, welke aanzegging ter stond van kracht wordt;
    b. het geldtransactiekantoor bij aangetekende brief aanzeggen dat zij zal overgaan tot publicatie van de maatregelen en de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid. Deze publicatie geschiedt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst, alsmede in één of meer dagbladen ter keuze van de Bank. Bij de publicatie wordt, indien het geldtransactiekantoor zulks verlangt, tevens de correspondentie bekendgemaakt die naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, tussen de Bank en het geldtransactiekantoor is gevoerd;
    c. wanneer zij zulks in het belang acht van de klanten of toekomstige klanten van het geldtransactiekantoor met de representatieve organisatie van de groep geldtransactiekantoren waartoe het geldtransactiekantoor behoort, dienaangaande in overleg treden. De Bank doet het geldtransactiekantoor mededeling van het overleg.
  3. Indien de Bank bij een geldtransactiekantoor tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, kan zij, in afwijking van het eerste lid, het geldtransactiekantoor bij aangetekende brief aanzeggen dat zij onmiddellijk uitvoering geeft aan de onderdelen a en c van het tweede lid. De aanzegging wordt eerst van kracht nadat de Bank het geldtransactiekantoor in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door de Bank te stellen termijn zijn mening over de onmiddellijke uitvoering te geven.
  4. Met betrekking tot de aanzegging, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid, is het volgende van toepassing:
    a. de organen van het geldtransactiekantoor zijn verplicht de door de Bank aangewezen personen alle medewerking te verlenen, respectievelijk de opdrachten van deze personen uit te voeren;
    b. de Bank kan de betrokken organen van het geldtransactiekantoor toestaan bepaalde handelingen zonder de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde goedkeuring, te verrichten;
    c. de door de Bank aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaar na verzending van de aanzegging. De Bank is bevoegd deze termijn te verlengen telkens voor ten hoogste één jaar. Van zodanige verlenging doet de Bank het geldtransactiekantoor mededeling per aangetekende brief;
    d. de Bank kan te allen tijde de door haar aangewezen personen door anderen vervangen;
    e. voor schade ten gevolge van handelingen verricht in strijd met de aanzegging, zijn degenen die deel uitmaken van het orgaan van het geldtransactiekantoor dat deze handelingen verrichtte, persoonlijk aansprakelijk tegenover het geldtransactiekantoor. Het geldtransactiekantoor kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn.
    f. zodra de Bank van oordeel is dat de belangen van de klanten of toekomstige klanten van het geldtransactiekantoor niet langer gevaar lopen, deelt zij het geldtransactiekantoor per aangetekende brief mee dat de betrokken organen van het geldtransactiekantoor hun bevoegdheden weer onbeperkt kunnen uitoefenen.
  5. De Bank kan slechts wanneer haar beslissing tot publicatie van de gebeurtenissen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onherroepelijk is geworden, tot publicatie overgaan. Indien het geldtransactiekantoor na de publicatie alsnog voldoet aan de maatregelen en de gedragslijn, bedoeld in het eerste lid, dan wel indien de maatregelen of de gedragslijn door de Bank worden ingetrokken, geeft de Bank hiervan op dezelfde wijze als bij de voorafgaande publicatie kennis.
  6. De kosten en beloning van de door de Bank aangewezen personen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en de kosten van de bekendmakingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en het vijfde lid, komen ten laste van het betrokken geldtransactiekantoor.

Artikel 24

  1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde zijn belast de daartoe door de President van de Bank aan te wijzen functionarissen van de Bank. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. De krachtens het eerste lid aangewezen functionarissen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
    a. alle inlichtingen te vragen;
    b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan kopieën te maken of deze daartoe voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs;
    c. zaken aan opneming en onderzoek te onderwerpen, deze daartoe tijdelijk mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs, en daarvan monsters te nemen;
    d. alle plaatsen te betreden, eventueel vergezeld van door hen aangewezen personen, met uitzondering van woningen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner.
    e. (vervallen)
  3. Een ieder is verplicht aan de krachtens het eerste lid aangewezen functionarissen alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.
  4. Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm.
  5. (vervallen)

Artikel 25

  1. De Bank kan zich bij het uitoefenen van het toezicht, bedoeld in artikel 24, eerste lid, doen bijstaan, dan wel een zodanig toezicht geheel doen uitvoeren door een door de Bank aan te wijzen externe deskundige of andere deskundigen. De Bank kan de kosten die hiermee verband houden geheel of gedeeltelijk doorberekenen aan het betrokken geldtransactiekantoor. Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing.
  2. Indien het uitoefenen van het toezicht, bedoeld in artikel 24, eerste lid, dan wel bepaalde werkzaamheden in het kader van een zodanig toezicht door de Bank aan een externe deskundige of aan een andere deskundige worden opgedragen, is deze verplicht zijn bevindingen rechtstreeks en schriftelijk aan de Bank te rapporteren en na verkregen toestemming van de Bank een afschrift daarvan aan het betrokken geldtransactiekantoor te zenden.
  3. Het geldtransactiekantoor is op verzoek van de Bank verplicht een erkende deskundige aan te wijzen die rechtstreeks aan de Bank rapporteert over de interne organisatie van het geldtransactiekantoor.

Artikel 26

De Bank is tevens bevoegd, in het kader van toezichtuitoefening onderzoeken van buitenlandse instanties die met het toezicht op geldtransactiekantoren zijn belast, toe te laten bij hier te lande gevestigde geldtransactiekantoren die onder geconsolideerd toezicht staan van genoemde toezichthouders. De Bank zal in voorkomend geval tevoren voorwaarden stellen aan onderscheidenlijk aanwijzingen geven voor de uitvoering van deze toezichtwerkzaamheden. De functionarissen van de buitenlandse instanties die met het toezicht op geldtransactiekantoren zijn belast, zijn gehouden de aanwijzingen van de Bank stipt te volgen.

Artikel 27

  1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren, belast de daartoe bij landsbesluit aangewezen functionarissen van de Bank. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld omtrent de vereisten waaraan de krachtens het eerste lid aangewezen functionarissen dienen te voldoen.

Hoofdstuk 9
Last onder dwangsom en bestuurlijke boete

Artikel 28

Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding; en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 29

  1. De Bank kan bij overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste lid, 7, 8, zesde lid, laatste volzin, zevende en achtste lid, 9, derde en vierde lid, 10, tweede lid, laatste volzin, en derde lid, 12, eerste, tweede en vijfde lid, laatste volzin, 13, eerste, tweede en derde lid, 14, eerste lid, 15, vierde lid, 16, 18, tweede lid, 20, derde en vierde lid, 22, en 23, eerste lid, laatste volzin, en vierde lid, onderdeel a, 24, derde lid, en 25, tweede en derde lid, een last onder dwangsom opleggen. Artikel 1:127 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
  2. De last onder dwangsom kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.
  3. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
  4. Bij de last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
  5. Een beslissing tot oplegging van een last onder dwangsom wordt op schrift gesteld en is een beschikking.
  6. De Bank stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
  7. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt het bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, bepaald.

Artikel 30

Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

Artikel 31

  1. Indien een last onder dwangsom is opgelegd kan de Bank op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn, of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor die overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.
  2. Indien een last onder dwangsom is opgelegd kan de Bank op verzoek van de overtreder de last opheffen, indien de beschikking één jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.

Artikel 32

In afwijking van artikel 60, eerste lid, verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van één jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

Artikel 33

Geen last onder dwangsom kan worden opgelegd voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond.

Artikel 34

  1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom beslist de Bank bij beschikking omtrent de invordering van de dwangsom.
  2. De Bank geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt.
  3. De Bank beslist binnen zes weken op het verzoek.

Artikel 35

  1. Indien uit een beschikking tot intrekking of wijziging van de last onder dwangsom voorvloeit dat een reeds gegeven beschikking tot invordering van die dwangsom niet in stand kan blijven, vervalt die beschikking.
  2. De Bank kan een nieuwe invordering geven die in overeenstemming is met de gewijzigde last onder dwangsom.

Artikel 36

  1. Een bezwaar, beroep, hoger beroep of een verzoek om schorsing, dan wel voorlopige voorziening gericht tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
  2. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan beslissen het beroepschrift toe te zenden naar de Bank, overeenkomstig artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak , indien behandeling door de Bank gewenst is.
  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om schorsing dan wel op een voorlopige voorziening.

Artikel 37

Onder bestuurlijke boete wordt verstaan: de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom.

Artikel 38

  1. De Bank kan bij overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste lid, 7, 8, zesde lid, laatste volzin, zevende en achtste lid, 9, derde en vierde lid, 10, tweede lid, laatste volzin, en derde lid, 12, eerste, tweede en vijfde lid, laatste volzin, 13, eerste, tweede en derde lid, 14, eerste lid, 15, vierde lid, 16, 18, tweede lid, 20, derde en vierde lid, 22, en 23, eerste lid, laatste volzin, en vierde lid, onderdeel a, 24, derde lid, en 25, tweede en derde lid, , een bestuurlijke boete opleggen. Artikel 1:127 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt de hoogte en de wijze van bepaling van de bestuurlijke boete voor de verschillende overtredingen bepaald.
  3. Alvorens over te gaan tot oplegging van een boete, stelt de Bank de betrokkene schriftelijk op de hoogte van het voornemen een boete op te leggen onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

Artikel 39

Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien:
a. de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten;
b. de overtreder is overleden;
c. aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 45, derde lid, onderdeel a, is bekendgemaakt; of
d. een rechtvaardigingsgrond voor de overtreding bestaat.

Artikel 40

  1. Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, of het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 1:149 van het Wetboek van Strafrecht.
  2. Indien de gedraging tevens een strafbaar feit is, wordt zij aan de officier van justitie voorgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift is bepaald, dan wel met het openbaar ministerie is overeengekomen, dat daarvan kan worden afgezien.
  3. Voor een gedraging die aan de officier van justitie moet worden voorgelegd, legt de Bank slechts een bestuurlijke boete op indien:
    a. de officier van justitie aan de Bank heeft medegedeeld ten aanzien van de overtreder van strafvervolging af te zien, of
    b. de Bank niet binnen dertien weken een reactie van de officier van justitie heeft ontvangen.

Artikel 41

  1. Een bestuurlijke boete vervalt, indien zij op het tijdstip van het overlijden van de overtreder niet onherroepelijk is. Een onherroepelijke bestuurlijke boete vervalt voor zover zij op dat tijdstip nog niet is betaald.
  2. Een reeds opgelegde bestuurlijke boete vervalt, indien het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba met toepassing van artikel 25 van het Wetboek van Strafvordering de vervolging van de overtreder voor dat feit beveelt.
  3. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.
  4. Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn, bedoeld in het derde lid, opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist.

Artikel 42

  1. Indien de personen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, een bepaalde natuurlijke persoon of rechtspersoon verhoren met het oog op het aan hem opleggen van een bestuurlijke boete, is deze niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. De betrokkene wordt hiervan in kennis gesteld voordat hij mondeling ter zake om informatie wordt gevraagd.
  2. Indien beroep is ingesteld tegen een bestuurlijke boete is de partij aan wie de boete is opgelegd niet verplicht omtrent de overtreding verklaringen af te leggen.

Artikel 43

  1. De Bank of de personen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, kunnen van de overtreding een rapport opmaken.
  2. Het rapport is gedagtekend en vermeldt in ieder geval:
    a. de naam van de overtreder;
    b. de overtreding, alsmede het overtreden voorschrift;
    c. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip of de periode waarop de overtreding is geconstateerd.
  3. Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de bekendmaking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete aan de overtreder toegezonden of uitgereikt.
  4. Indien van de overtreding een proces-verbaal als bedoeld in artikel 186 van het Wetboek van Strafvordering is opgemaakt, treedt dit voor de toepassing van dit hoofdstuk in de plaats van het rapport.

Artikel 44

  1. De Bank stelt de overtreder desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete, dan wel het voornemen daartoe, berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen. De Bank kan beslissen om bepaalde stukken van kennisneming uit te zonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.
  2. Voor zover blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt, draagt de Bank er zoveel mogelijk zorg voor dat deze gegevens aan de overtreder worden medegedeeld in een voor deze begrijpelijke taal.

Artikel 45

  1. De Bank kan de overtreder in de gelegenheid stellen over het voornemen tot opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen.
  2. Op het moment dat de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen:
    a. wordt het rapport reeds bij de uitnodiging daartoe aan de overtreder toegezonden of uitgereikt;
    b. zorgt de Bank voor bijstand door een tolk, indien blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt.
  3. Indien de Bank nadat de overtreder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, beslist dat:
    a. voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd, of
    b. de overtreding alsnog aan de officier van justitie zal worden voorgelegd,
    wordt dit schriftelijk aan de overtreder medegedeeld.

Artikel 46

  1. Een beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete vermeldt in ieder geval:
    a. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;
    b. de te betalen geldsom, alsmede een toelichting op de hoogte daarvan; en
    c. de termijn, bedoeld in artikel 50, waarbinnen de boete moet worden betaald.
  2. Op verzoek van de overtreder die de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de officiële talen in de zin van de Landsverordening officiële talen onvoldoende begrijpt, draagt de Bank er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van de beschikking aan de betrokkene wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

Artikel 47

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Hoofdstuk 10
Geldschulden en verjaring

Artikel 48

Dit hoofdstuk is van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete.

Artikel 49

  1. De verplichting tot betaling van een geldsom wordt bij beschikking vastgesteld.
  2. De beschikking vermeldt in ieder geval:
    a. de te betalen geldsom; en
    b. de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden.

Artikel 50

Behoudens in het geval dat artikel 30 toepassing vindt, geschiedt de betaling van een geldschuld binnen zes weken nadat de beschikking tot invordering van een dwangsom, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderscheidenlijk de beschikking tot het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 38, eerste lid, op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

Artikel 51

  1. Betaling geschiedt aan een door de Bank te bepalen kantoor dan wel door bijschrijving op een daartoe door de Bank bestemde bankrekening.
  2. Betaling geschiedt in Nederlands-Antilliaanse guldens, tenzij door de Bank anders is bepaald.
  3. De betaling heeft plaats op het tijdstip waarop de betaling aan het kantoor wordt verricht dan wel in geval van bijschrijving de rekening van de Bank wordt gecrediteerd.
  4. De kosten van betaling komen ten laste van de overtreder.

Artikel 52

  1. De overtreder is in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn van zes weken heeft betaald.
  2. Het verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
  3. De Bank stelt het bedrag van verschuldigde wettelijke rente bij beschikking vast.

Artikel 53

  1. De Bank maant de overtreder die in verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden.
  2. De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de overtreder uit te voeren invorderingsmaatregelen.
  3. De Bank kan voor de aanmaning een vergoeding in rekening brengen. De vergoeding wordt in de aanmaning vermeld.

Artikel 54

1. De Bank kan een dwangbevel uitvaardigen.
2. Een dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd.
3. Een dwangbevel wordt slechts uitgevaardigd wanneer binnen de aanmaningstermijn, bedoeld in artikel 53, eerste lid, niet volledig is betaald.

 

Artikel 55

  1. Bij het dwangbevel kunnen tevens de aanmaningsvergoeding, de wettelijke rente en de kosten van het dwangbevel worden ingevorderd.
  2. Het dwangbevel kan betrekking hebben op verschillende verplichtingen tot betaling van een geldsom door de overtreder aan de Bank.
  3. De betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden op kosten van degene tegen wie het is uitgevaardigd.
  4. De kosten zijn ook verschuldigd indien het dwangbevel door betaling van verschuldigde bedragen niet of niet volledig ten uitvoer is gelegd.

Artikel 56

  1. Het dwangbevel vermeldt in ieder geval:
    a. aan het hoofd het woord: dwangbevel;
    b. het bedrag van de invorderbare hoofdsom;
    c. de beschikking of het wettelijk voorschrift waaruit de geldschuld voortvloeit;
    d. de kosten van het dwangbevel, en
    e. dat het op kosten van degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd ten uitvoer kan worden gelegd.
  2. Het dwangbevel vermeldt, indien van toepassing:
    a. het bedrag van de aanmaningsvergoeding, en
    b. de ingangsdatum van de wettelijke rente.

Artikel 57

  1. De bekendmaking van een dwangbevel geschiedt door middel van de betekening van een exploot als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
  2. Het exploot vermeldt in ieder geval de gerechtelijke instantie waarbij tegen het dwangbevel en de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de artikelen 438 en 438a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden opgekomen.

Artikel 58

De Bank beschikt ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft.

Artikel 59

  1. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de Bank.
  2. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de openbare rechtspersoon Curaçao kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Artikel 60

  1. De rechtsvordering tot betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 48, behoudens indien deze voortvloeit uit een last onder dwangsom, verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken.
  2. Na voltooiing van de verjaring kan de Bank zijn bevoegdheden tot aanmaning en tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet meer uitoefenen.

Artikel 61

  1. De verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
  2. Erkenning van het recht op betaling stuit de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent.
  3. De Bank kan de verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in artikel 53, eerste lid, of door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.

Artikel 62

  1. Door stuiting van de verjaring begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag.
  2. De nieuwe termijn is gelijk aan de oorspronkelijke termijn, doch niet langer dan vijf jaren.
  3. Wordt de verjaring echter gestuit door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, dan is artikel 324 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

Artikel 63

  1. De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling aan de Bank wordt verlengd met de tijd gedurende welke de overtreder na de aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien:
    a. de overtreder in surseance van betaling verkeert;
    b. de overtreder in staat van faillissement verkeert; of
    c. de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is geschorst ingevolge een lopend rechtsgeding, met dien verstande dat de termijn waarmee de verjaringstermijn wordt verlengd een aanvang neemt op de dag waarop het rechtsgeding door middel van dagvaarding aanhangig wordt gemaakt.

Hoofdstuk 11
Openbaarmaking van overtredingen

Artikel 64

  1. De Bank kan, in afwijking van artikel 18, eerste en tweede lid, teneinde de naleving van deze landsverordening te bevorderen ter openbare kennis brengen het feit ter zake waarvan een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete is opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift. Indien het doel van het door de Bank uit te oefenen toezicht op de naleving van deze landsverordening zulks bepaaldelijk vordert en zich daartegen geen zwaarwegende belangen verzetten, waaronder die van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, kan de Bank de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd ter openbare kennis brengen.
  2. De openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt digitaal op de website van de Bank dan wel op een andere door de Bank te bepalen wijze.

Artikel 65

Degene jegens wie door de Bank een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat de Bank zijn handelen of nalaten op grond van artikel 64 ter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

Artikel 66

  1. De Bank geeft, indien zij voornemens is op grond van artikel 64 een feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan schriftelijk kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
  2. De Bank kan de betrokkene in de gelegenheid stellen om over het voornemen tot openbaarmaking van overtredingen als bedoeld in artikel 64 zijn zienswijze naar voren te brengen.
  3. De Bank is niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 67

De beschikking om op grond van artikel 64 een feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht; en
c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 68

Tenzij de bevordering van de naleving van deze landsverordening geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 64 een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken of, indien bezwaar of beroep is ingesteld, op het bezwaar of beroep is beslist.

Artikel 69

De beschikking treedt in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking op grond van artikel 68 wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 70

  1. De bevoegdheid om op grond van artikel 64 een feit ter openbare kennis te brengen vervalt, indien ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 1:149 van het Wetboek van Strafrecht.
  2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als bedoeld in artikel 64 vervalt, indien de Bank het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.

Artikel 71

  1. De bevoegdheid om op grond van artikel 64 een feit ter openbare kennis te brengen vervalt één jaar na de dag waarop het feit heeft plaatsgehad.
  2. De termijn, genoemd in het eerste lid, wordt gestuit door bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 72

De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 64 ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Artikel 73

Door de Minister van Financiën en de Minister van Justitie gezamenlijk kunnen regels worden gesteld ter zake van de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in de Hoofdstukken 9 en 11.

Hoofdstuk 12
Strafbepalingen

Artikel 74

  1. Handelen in strijd met enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 2, eerste lid, 7, 8, zesde lid, laatste volzin, zevende en achtste lid, 9, derde en vierde lid, 10, tweede en derde lid, 12, eerste, tweede en vijfde lid, laatste volzin, 13, eerste, tweede en derde lid, 14, eerste lid, 15, vierde lid, 16, 18, tweede lid, 20, derde en vierde lid, 22 en 23, eerste lid, laatste volzin, tweede lid, onderdeel a, en vierde lid, onderdeel a, 24, derde lid, en 25, tweede en derde lid, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste één jaar en geldboete van de vijfde categorie dan wel met één van beide straffen.
  2. Opzettelijk handelen in strijd met de voorschriften, genoemd in het eerste lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar en geldboete van de zesde categorie dan wel met één van beide straffen.
  3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen en de in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

Hoofdstuk 13
Verplichtingen van de Bank

Artikel 75

De Bank draagt zorg voor de openbaarmaking van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, 10, eerste lid, en 14, tweede lid, daaronder begrepen de plaatsing van die voorschriften in het Publicatieblad en elektronisch op de website van de Bank, eveneens met vermelding van datum van uitgifte.

Artikel 76

  1. De Bank legt de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in deze landsverordening, ter goedkeuring voor aan de Minister.
  2. De voordracht tot publicatie van de algemeen verbindende voorschriften wordt niet eerder gedaan dan nadat deze zijn goedgekeurd door de Minister.
  3. De Minister kan in het geval dat de algemeen verbindende voorschriften in strijd zijn met de wet, een verdrag of een bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie of met het algemeen belang en de Bank de geconstateerde onvolkomenheid na overleg niet heeft weggenomen, weigeren de goedkeuring te verlenen.
  4. De goedkeuring wordt geacht te zijn gegeven indien de Minister binnen vier weken na het overleggen van de algemeen verbindende voorschriften, niet heeft gereageerd.
  5. Algemeen verbindende voorschriften van de Bank, die in strijd zijn met het recht of het algemeen belang, kunnen door de Gouverneur als hoofd van de Regering bij gemotiveerd besluit worden geschorst en vernietigd. De voordracht tot vernietiging geschiedt, gehoord de Raad van Advies, in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers. Een schorsing bedraagt maximaal vier weken, tenzij binnen die vier weken de Raad van Advies wordt gehoord. Indien de Raad van Advies wordt gehoord, bedraagt een schorsing maximaal vier weken na de dag waarop het advies van die raad is uitgebracht.

Artikel 77

(vervallen)

Hoofdstuk 14

Wijziging van andere wettelijke regelingen

Artikel 78

(vervallen)

Artikel 79

(vervallen)

Hoofdstuk 15
Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 80

(vervallen)

Artikel 81

(vervallen)

Artikel 82

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Landsverordening toezicht geldtransactie-kantoren.

Naar boven