Uw mening

Wet- en Regelgeving

Landsverordening toezicht trustwezen

Publicatienummer: P.B. 2019, no. 93 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Landsverordening
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 23-12-2003
Datum inwerktreding: 31-12-2003
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK X Economische aangelegenheden)


LANDSBESLUIT van de 7de november 2019, no. 19/2008, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Landsverordening toezicht trustwezen

Artikel 1

In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. beheersdiensten
1. het oprichten of doen oprichten van een buitengaatse onderneming;
2. het optreden als plaatselijk vertegenwoordiger of als binnen Curaçao wonende of gevestigde bestuurder of trustee van een buitengaatse onderneming;
3. het aan een buitengaatse onderneming beschikbaar stellen van binnen Curaçao wonende of gevestigde natuurlijke personen of rechtspersonen als plaatselijk vertegenwoordiger, bestuurder of trustee;
4. het liquideren of doen liquideren van een buitengaatse onderneming;
b. verlener van beheersdiensten: degene die op grond van artikel 2 bevoegd is om beheersdiensten te verlenen;
c. trustkantoor: een rechtspersoon, een maatschap of een natuurlijk persoon die beroeps- of bedrijfsmatig beheersdiensten verleent;
d. buitengaatse onderneming: een in Curaçao statutair of feitelijk gevestigde rechtspersoon, een vennootschap, trust of natuurlijk persoon die een ontheffing heeft van het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 15 van de Landsverordening Deviezenverkeer;
e. de Bank: de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten;
f. bank: de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten;
g. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van meer dan 10% van het nominaal kapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van meer dan 10% van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling;
h. externe deskundige: een externe deskundige als bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
i. dwangbevel: een schriftelijk bevel van de Bank dat ertoe strekt de betaling van een geldschuld af te dwingen;
j. toezichthoudende instantie: een overheidsinstantie respectievelijk een van overheidswege aangewezen instantie die belast is met het toezicht op financiële markten of op rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen die op die markten werkzaam zijn, alsmede een overheidsinstantie, respectievelijk een van overheidswege aangewezen instantie die belast is met het toezicht op de naleving van wettelijke regelingen ter zake van de bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme.

Artikel 2

  1. Het is een ieder, met uitzondering van degenen vermeld in het tweede lid, verboden in of vanuit Curaçao beheersdiensten te verlenen.
  2. Beheersdiensten mogen uitsluitend verleend worden door:
    a. trustkantoren die in het bezit zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 3 en door de natuurlijke personen en rechtspersonen die staan vermeld op de bijlagen van een aan een trustkantoor verleende vergunning;
    b. natuurlijke personen of rechtspersonen die daartoe ontheffing hebben verkregen van de Bank.
  3. Een ontheffing kan worden verleend aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die van het verlenen van beheersdiensten geen bedrijf maakt, indien er naar het oordeel van de Bank gegronde redenen aanwezig zijn voor de buitengaatse onderneming om de diensten door die persoon te doen verlenen.
  4. Een ontheffing geldt slechts voor diensten die worden verleend aan de in de ontheffing genoemde buitengaatse onderneming of aan entiteiten die behoren tot een in de ontheffing genoemd concern.
  5. Aan een ontheffingen kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. Het trustkantoor is gehouden aan de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de ontheffing, bedoeld in de eerste volzin, te blijven voldoen.
  6. De Bank kan een ontheffing intrekken, indien:
    a. misbruik of oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de ontheffing;
    b. een beperking waaronder de ontheffing is verleend wordt overschreden of een aan de ontheffing verbonden voorschrift niet of niet voldoende wordt nageleefd;
    c. niet of niet meer voldaan wordt aan de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen.
  7. De Bank kan besluiten om in de gevallen, genoemd in het zesde lid, de ontheffing niet in te trekken. Indien de Bank besluit om de ontheffing niet in trekken, worden aan de ontheffing nieuwe beperkingen en voorschriften verbonden dan wel de reeds aan de ontheffing verbonden beperkingen en voorschriften gewijzigd.

Artikel 3

  1. De Bank verleent een vergunning voor het werkzaam zijn als trustkantoor. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld in het belang van de ontwikkeling en instandhouding van een gezond trustwezen, alsmede ter bescherming van de belangen van de buitengaatse ondernemingen of toekomstige buitengaatse ondernemingen.
  2. Voor het verkrijgen van een vergunning is vereist dat de aanvrager hier te lande kantoor houdt en voldoet aan de bij de voorschriften, bedoeld in artikel 11, eerste lid, te stellen eisen met betrekking tot:
    a. deskundigheid en integriteit;
    b. financiële waarborgen; en
    c. bedrijfsvoering, waaronder de maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering;
  3. Indien de bestuurder of de plaatselijke vertegenwoordiger van een internationale kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen, of van een verzekeraar als bedoeld in het Landsbesluit bijzondere vergunningen verzekeringsbedrijf, of van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Landsverordening toezicht beleggingsinstellingen en administrateurs krachtens deze landsverordening vergunningsplichtig is, behoeft deze bestuurder of plaatselijke vertegenwoordiger geen vergunning of ontheffing krachtens de Landsverordening toezicht trustwezen aan te vragen.
  4. Een natuurlijk persoon die optreedt als bestuurder van slechts één buitengaatse onderneming waarvan hij tevens de enige aandeelhouder is, behoeft geen vergunning of ontheffing krachtens deze landsverordening aan te vragen.
  5. Aan een aanvrager die zulks verzoekt, kan een vergunning worden verleend onder de voorwaarde dat het bedrijf zich zal beperken tot of zich zal onthouden van het verlenen van diensten aan buitengaatse ondernemingen met bepaalde kenmerken. De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, worden door de Bank afgestemd op de opgelegde beperkingen.
  6. De Bank kan aan een aanvrager een vergunning verlenen, indien de aanvrager aantoont dat redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan aan één of meer van de eisen gesteld krachtens de voorschriften, bedoeld in het derde lid en dat de doeleinden die deze landsverordening beoogt te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt. De Bank kan het hiervoor bedoelde besluit wijzigen of intrekken indien naar haar oordeel de omstandigheden waaronder het besluit is genomen zodanig zijn gewijzigd dat de doeleinden die deze landsverordening beoogt te bereiken niet langer worden bereikt

Artikel 3a

De Bank kan de vergunning weigeren, indien:
a. zij gronden heeft om aan te nemen dat het trustkantoor de vergunning heeft aangevraagd om zich te onttrekken aan de regelgeving inzake het toezicht op trustkantoren in een andere Staat;
b. de structuur van de groep waarvan het trustkantoor deel uitmaakt zodanig is dat de Bank onvoldoende adequaat en effectief toezicht kan uitoefenen op het trustkantoor;
c. zij van oordeel is dat het verlenen van de vergunning in strijd is of zou kunnen zijn met de ontwikkeling of instandhouding van een gezond trustwezen, onderscheidenlijk ten detrimente van de buitengaatse of toekomstige buitengaatse ondernemingen zou kunnen zijn;
d. zij van oordeel is dat de Bank of de instantie van het land van herkomst van het betrokken trustkantoor die met het toezicht op trustkantoren is belast, onvoldoende adequaat en effectief toezicht op geconsolideerde basis kan uitoefenen.

Artikel 4

  1. Bij de aanvraag voor een vergunning legt de aanvrager aan de Bank over zodanige documentatie als redelijkerwijs nodig is om te kunnen beoordelen of de aanvrager aan de in artikel 3 bedoelde vereisten voldoet.
  2. Bij de aanvrage worden voorts overgelegd:
    a. Indien de aanvrager een natuurlijk persoon is: zijn curriculum vitae en een naar genoegen van de Bank gewaarmerkte kopie van een geldig paspoort, onder vermelding van zijn woonplaats en adres.
    b. Indien de aanvrager een rechtspersoon is: een uittreksel van de inschrijving van de aanvrager in het handelsregister ter plaatse waar de aanvrager is gevestigd, alsmede de door een notaris gewaarmerkte tekst van de geldende statuten, de namen en de adressen van de aandeelhouders, en de namen en de adressen van de personen die anders dan als bestuurder of middellijke of onmiddellijke aandeelhouder het beleid van de aanvrager bepalen of mede bepalen.
    c. Indien de aanvrager een maatschap is: het onder a en b bedoelde met betrekking tot ieder der maten, ook de eventuele commanditaire vennoten, alsmede een door een notaris gewaarmerkt afschrift van de maatschapovereenkomst waaruit blijkt het doel van de maatschap en de onderlinge taakverdeling der maten.
  3. Indien de Bank na ontvangst van de aanvraag nadere informatie nodig acht, stelt zij de aanvrager in de gelegenheid om deze nadere informatie binnen een door haar te stellen redelijke termijn te verschaffen.
  4. De aanvraag wordt afgewezen indien de aanvrager niet of onvoldoende heeft aangetoond dat hij aan de in artikel 3 gestelde vereisten voldoet, wanneer de Bank redenen heeft om aan zijn integriteit te twijfelen of wanneer de Bank het niet aannemelijk acht dat de aanvrager voornemens is hetgeen in artikel 12 is voorgeschreven nauwgezet na te leven.
  5. Op een aanvraag om een vergunning beslist de Bank uiterlijk 60 dagen na ontvangst van een volledige aanvraag en deelt de aanvrager haar beslissing bij aangetekende brief mee.
  6. De termijn voor het geven van een vergunning, bedoeld in het vijfde lid, wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag krachtens het derde lid, is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
  7. De Bank kan besluiten de aanvraag niet in behandeling nemen, indien zij van oordeel is dat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Het besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Artikel 4a

Een trustkantoor waaraan krachtens artikel 3, eerste lid, een vergunning is verleend, is gehouden aan het bepaalde in artikel 3, tweede lid, alsmede aan de beperkingen gesteld bij en de voorschriften verbonden aan de vergunning te blijven voldoen.

Artikel 5

  1. De Bank trekt de vergunning in, indien:
    a. de vergunninghouder de intrekking daarvan verzoekt. Binnen 60 dagen na ontvangst van een zodanig verzoek wordt daarop door de Bank beslist;
    b. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
    c. zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan, zo zij vóór het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd;
    d. de vergunninghouder is opgehouden beroeps- of bedrijfsmatig beheersdiensten te verlenen of daarmee niet is aangevangen binnen een door de Bank gestelde termijn;
    e. de vergunninghouder kennelijk niet meer voldoet aan de in artikel 1, onderdeel c, gegeven definitie;
    f. de vergunninghouder van de vergunning misbruik of oneigenlijk gebruik maakt;
    g. de structuur van de groep waarvan het trustkantoor deel uitmaakt zodanig wordt gewijzigd dat de Bank of de instantie van het land van herkomst die met het toezicht op verleners van beheersdiensten is belast, onvoldoende adequaat en effectief toezicht, onderscheidenlijk geconsolideerd toezicht kan uitoefenen op het trustkantoor; of
    h. de vergunninghouder, de natuurlijke personen of de rechtspersonen die staan vermeld op een bijlage als bedoeld in artikelen 6 en 7, alsmede één van de beleidsbepalende of de medebeleidsbepalende personen van het betreffende trustkantoor niet of niet meer voldoen aan de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen.
  2. De Bank kan de vergunning intrekken, indien:
    a. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
    b. zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan, zo zij vóór het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd;
  3. Het besluit tot intrekking van de vergunning of de weigering tot intrekking van de vergunning is met redenen omkleed en wordt door de Bank bij deurwaardersexploot aan het betrokken trustkantoor betekend.
  4. Het besluit tot intrekking van de vergunning en, indien de Bank zulks noodzakelijk acht in het belang van de ontwikkeling en instandhouding van een gezonde financiële sector, het monetair beleid of het deviezenverkeer, de redenen voor de intrekking, worden zo spoedig mogelijk nadat dit besluit onherroepelijk is geworden, digitaal gepubliceerd op de website van de Bank. De Bank kan, indien zij dit in het belang van de klanten van het trustkantoor acht, het besluit, alsmede de redenen voor de intrekking, bedoeld in de eerste volzin, eveneens op andere door haar te bepalen wijze bekendmaken. De kosten van de laatstbedoelde bekendmaking komen ten laste van het betrokken trustkantoor.
  5. De Bank kan de publicatie, bedoeld in het vierde lid, tot een nader door haar te bepalen tijdstip aanhouden, indien openbaarmaking ernstige schade aan de belangen van de buitengaatse ondernemingen zou kunnen toebrengen.
  6. De vergunninghouder is verplicht het verlenen van beheersdiensten onmiddellijk te staken, ongeacht een ingesteld bezwaar of beroep tegen het besluit van de Bank tot intrekking van de vergunning.
  7. De vergunninghouder waarvan de vergunning is ingetrokken en het besluit tot intrekking onherroepelijk is geworden, is verplicht haar werkzaamheden als trustkantoor volgens de door de Bank te stellen voorwaarden, procedure en termijn af te wikkelen. De Bank kan daarbij de uitoefening van de bevoegdheid van het trustkantoor om over haar waarden te beschikken beperken of haar verbieden om – anders dan met schriftelijke machtiging van de Bank – over deze waarden te beschikken.
  8. De vergunninghouder die bezwaar of beroep heeft aangetekend tegen de weigering van de Bank om de vergunning in te trekken, is verplicht hangende de behandeling van het bezwaar of beroep haar bedrijf voort te zetten met inachtneming van de bij of krachtens deze landsverordening vastgestelde algemeen verbindende voorschriften, alsmede de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de vergunning.

Artikel 6

  1. De Bank voegt aan de vergunning toe een bijlage “A” waarop staan geplaatst de rechtspersonen die voor de toepassing van deze landsverordening onder de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder beheersdiensten verlenen.
  2. Bij het verzoek tot plaatsing van een naam op deze bijlage, verklaart de vergunninghouder de wijze waarop het bedrijf van de rechtspersoon in dat van de vergunninghouder is geconsolideerd of op welke andere wijze de werkzaamheden van de rechtspersoon in het toezicht op de vergunninghouder zullen worden betrokken.
  3. Bij het verzoek tot plaatsing worden voorts overgelegd een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister ter plaatse waar de rechtspersoon is gevestigd, alsmede de door een notaris gewaarmerkte tekst van de geldende statuten, de namen en de adressen van de aandeelhouders en de namen en de adressen van de personen die anders dan als bestuurder of onmiddellijke aandeelhouder het beleid van de rechtspersoon bepalen of mede bepalen

Artikel 7

  1. De Bank voegt aan de vergunning toe een bijlage “B” waarop staan geplaatst de natuurlijke personen die voor de toepassing van deze landsverordening onder verantwoordelijkheid van de vergunninghouder beheersdiensten verlenen.
  2. Bij het verzoek tot plaatsing van een naam op deze bijlage, geeft de vergunninghouder op welke functie de persoon vervult binnen de organisatie van de vergunninghouder.
  3. Bij het verzoek tot plaatsing worden voorts overgelegd het curriculum vitae van de persoon en een naar genoegen van de Bank gewaarmerkte kopie van een geldig paspoort, onder vermelding van zijn woonplaats en adres.

Artikel 8

  1. Indien de Bank na ontvangst van een verzoek tot plaatsing op een der bijlagen nadere informatie nodig acht, stelt zij de verzoeker in de gelegenheid om deze nadere informatie binnen een door haar te stellen redelijke termijn te verschaffen.
  2. Plaatsing op de bijlage wordt geweigerd indien de Bank van oordeel is dat de werkzaamheden van de natuurlijke of rechtspersoon niet of onvoldoende betrokken zullen worden in het toezicht op de vergunninghouder of indien niet wordt voldaan aan de door de bank te stellen voorschriften met betrekking tot deskundigheid en integriteit.
  3. Op het verzoek wordt door de Bank binnen 60 dagen na ontvangst daarvan, respectievelijk binnen 60 dagen na ontvangst van de nadere informatie, beschikt.

Artikel 9

  1. De plaatsing op een bijlage als bedoeld in de artikelen 6 of 7 kan door de Bank worden doorgehaald, indien:
    a. de vergunninghouder of de geplaatste zelf zulks verzoekt. Binnen 60 dagen na ontvangst van een zodanig verzoek wordt daarop door de Bank beslist;
    b. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter plaatsing op de bijlage zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
    c. zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan zo zij vóór het tijdstip waarop plaatsing op de bijlage is geschied zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, de plaatsing zou zijn geweigerd;
    d. blijkt dat de werkzaamheden van de geplaatste niet of niet meer voldoende betrokken zijn in het toezicht op de vergunninghouder;
    e. zij niet meer voldoen aan de in artikel 8, tweede lid, bedoelde eisen;
    f.  van de plaatsing misbruik of oneigenlijk gebruik wordt gemaakt;
    g. de geplaatste, alsmede één van de beleidsbepalende of de medebeleidsbepalende personen van het betreffende trustkantoor niet of niet meer voldoen aan de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen.
  2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, staakt de betrokkene onmiddellijk zijn werkzaamheden, ongeacht een ingesteld bezwaar of beroep.

Artikel 10

  1. De Bank houdt een register voor trustkantoren.
  2. Een trustkantoor waaraan krachtens artikel 3 een vergunning is verleend, wordt door de Bank per gelijke datum als waarop de vergunning is verleend, door de Bank ingeschreven in het register. Eveneens worden de bijlagen, bedoeld in de artikelen 6 en 7, en de wijzigingen daarin door de Bank in het register ingeschreven bij het desbetreffende trustkantoor.
  3. De inschrijving van een trustkantoor waarvan de vergunning is ingetrokken wordt doorgehaald. De bijlagen worden alsmede doorgehaald.
  4. De inschrijving van een trustkantoor wordt binnen twee weken na de dag waarop zij heeft plaatsgehad, bekendgemaakt op de website van de Bank.
  5. In de maand januari van elk jaar publiceert de Bank een afschrift van het register naar de stand per 31 december van het voorafgaande jaar op haar website.
  6. De Bank houdt een afschrift van het register voor een ieder kosteloos ter inzage.

 

Artikel 11

  1. De Bank stelt ten behoeve van de ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht staande trustkantoren en natuurlijke personen met een ontheffing algemeen verbindende voorschriften vast met betrekking tot:
    a. deskundigheid en integriteit;
    b. financiële waarborgen; en
    c. bedrijfsvoering, waaronder de maatregelen gericht op het bevorderen van een integere bedrijfsvoering;
    d. informatieverschaffing aan de Bank en aan het publiek.
  1. Onder algemeen verbindende voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden in ieder geval verstaan regels ter zake van:
    a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
    b. het voorkomen van betrokkenheid van het trustkantoor en van haar werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in het trustkantoor of in de financiële markten in het algemeen schaden;
    c. het voorkomen van betrokkenheid van het trustkantoor en van haar werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in het trustkantoor of in de financiële markten in het algemeen schaden;
    d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van de cliënten van het trustkantoor;
    e. ordelijke en transparante financiële marktprocessen;
    f. zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten of consumenten, zoals het waarborgen van de informatieverstrekking aan cliënten of consumenten.
  2. De Bank kan ter uitvoering van aanbevelingen en regelingen van internationale of intergouvernementele organisaties, algemeen verbindende voorschriften van technische en organisatorische aard uitvaardigen ten behoeve van de ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht staande trustkantoren en natuurlijke personen met een ontheffing.
  3. Een trustkantoor waaraan een vergunning is verleend of een natuurlijke persoon met een ontheffing, is verplicht zich te houden, alsmede zich te blijven houden aan de voorschriften, bedoeld in het eerste en derde lid.
  4. De voorschriften, bedoeld in het eerste en derde lid, treden in werking op een in die voorschriften te bepalen tijdstip doch niet eerder dan de bekendmaking, bedoeld in artikel 111, derde lid, van de Staatsregeling. De Bank plaatst de voorschriften digitaal op de website van de Bank.

Artikel 11a

  1. De Bank legt de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in deze landsverordening, ter goedkeuring voor aan de Minister.
  2. De voordracht tot publicatie van deze algemeen verbindende voorschriften wordt niet eerder gedaan dan nadat deze zijn goedgekeurd door de Minister.
  3. De Minister kan in geval de algemeen verbindende voorschriften in strijd zijn met de wet, een verdrag of een bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en de Bank de geconstateerde onvolkomenheid na overleg niet heeft weggenomen, weigeren de goedkeuring te verlenen.
  4. De goedkeuring wordt geacht te zijn gegeven indien de Minister binnen vier weken na het overleggen van de algemeen verbindende voorschriften, niet heeft gereageerd.
  5. Algemeen verbindende voorschriften van de Bank, die in strijd zijn met het recht of het algemeen belang, kunnen door de Gouverneur als hoofd van de Regering bij gemotiveerd besluit worden geschorst en vernietigd. De voordracht tot vernietiging geschiedt, gehoord de Raad van Advies, in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers. Een schorsing bedraagt maximaal vier weken, tenzij binnen die vier weken de Raad van Advies wordt gehoord. Indien de Raad van Advies wordt gehoord, bedraagt een schorsing maximaal vier weken na de dag waarop het advies van die raad is uitgebracht.

Artikel 11b

  1. De Bank kan bij overtreding van artikel 2, eerste en tweede lid, een openbare waarschuwing uitvaardigen.
  2. De bevoegdheid om een openbare waarschuwing als bedoeld in het eerste lid uit te vaardigen laat onverlet de bevoegdheid van de Bank om openbare waarschuwingen van internationale of intergouvernementele organisaties, hier te lande te publiceren.
  3. Indien de Bank besluit een openbare waarschuwing als bedoeld in het eerste lid uit te vaardigen, stelt zij de betrokken persoon of instelling in kennis van het besluit.
  4. Het besluit vermeldt in ieder geval de geconstateerde overtreding, de inhoud van de openbaarmaking, de gronden waarop het besluit berust alsmede de wijze waarop en de termijn waarna de openbare waarschuwing zal worden uitgevaardigd.
  5. Het uitvaardigen van een openbare waarschuwing geschiedt niet eerder dan nadat vijf werkdagen zijn verstreken na de dag waarop de betrokken persoon of instelling overeenkomstig het derde en vierde lid in kennis is gesteld van het besluit.
  6. Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak wordt de werking van het besluit opgeschort totdat er een uitspraak is van het gerecht.
  7. Indien bescherming van de belangen die deze landsverordening beoogt te beschermen geen uitstel toelaat, kan de Bank, in afwijking van de voorgaande leden, onverwijld een openbare waarschuwing uitvaardigen.
  8. De uitvaardiging van een openbare waarschuwing als bedoeld in dit artikel, geschiedt digitaal op de website van de Bank dan wel op een andere door de Bank te bepalen wijze.

Artikel 11c

  1. Het is een trustkantoor of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, verboden zonder voorafgaande toestemming van de Bank:
    a. haar statuten te wijzigen;
    b. een gekwalificeerde deelneming in een andere onderneming of instelling te houden, te verwerven dan wel te vergroten.
  1. Het is een ieder verboden zonder voorafgaande toestemming van de Bank:
    a. personen die het dagelijks beleid van het trustkantoor bepalen of mede bepalen te benoemen;
    b. de leden van de raad van commissarissen van het trustkantoor of van het orgaan dat een aan die raad van commissarissen gelijksoortige taak heeft, te benoemen;
    c. de samenstelling van de aandeelhouders van het trustkantoor te wijzigen.

Artikel 11d

  1. Een trustkantoor is verplicht de Bank doorlopend te informeren omtrent wijzigingen in de feiten en omstandigheden betreffende de natuurlijke personen of de rechtspersonen die vermeld staan op een bijlage als bedoeld in de artikelen 6 en 7.
  2. De Bank toetst de krachtens het eerste lid verkregen informatie aan de in artikel 11, eerste lid, genoemde voorschriften.

Artikel 12

  1. Een verlener van beheersdiensten is verplicht met betrekking tot iedere buitengaatse onderneming aan wie hij beheersdiensten verleent over gegevens te beschikken die aanwijzen:
    a. de directe en indirecte bron of bronnen van het kapitaal dat bij de oprichting en daarna in de onderneming is ingebracht; en
    b. degene of degenen door wie middellijk of onmiddellijk aanspraken gemaakt kunnen worden op de uitkering, het kapitaal en het overschot na ontbinding.
  2. De Bank kan algemeen verbindende voorschriften vaststellen ten aanzien van de wijze waarop de verleners van beheersdiensten uitvoering geven aan verplichtingen, bedoeld in het eerste lid. De verleners van beheersdiensten zijn verplicht zich te houden, alsmede zich te blijven houden aan deze voorschriften. De Bank draagt zorg voor de openbaarmaking van deze voorschriften, daaronder begrepen de plaatsing ervan in het Publicatieblad, met vermelding van de datum van uitgifte.

Artikel 13

  1. Wanneer een verlener van beheersdiensten met betrekking tot een buitengaatse onderneming waaraan hij beheersdiensten verleent niet of niet meer kan beschikken over bijgewerkte gegevens als bedoeld in artikel 12, dient hij onverwijld de dienstverlening te staken. Hij kan daarop de Bank verzoeken toe te staan de dienstverlening voort te zetten.
  2. De Bank kan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, slechts toestaan onder het stellen van voorwaarden die erop gericht zijn de beschikbaarheid van gegevens te normaliseren of om te komen tot een ordelijke ontbinding van de buitengaatse onderneming waarom het gaat.
  3. Een verlener van beheersdiensten die de dienstverlening staakt op grond van hetgeen in een van de voorgaande leden van dit artikel is bepaald, kan door belanghebbenden of derden niet aansprakelijk worden gesteld voor daaruit voortvloeiende schade, tenzij er sprake is van opzet of grove schuld van de verlener van beheersdiensten.

Artikel 14

  1. De verlener van beheersdiensten is verplicht tot geheimhouding van de in artikel 12, eerste lid, genoemde gegevens.
  2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing, indien:
    a. de Bank om de gegevens vraagt;
    b. de geheimhouding in strijd is met de meldingsplicht, de identificatieplicht of andere verplichtingen ingevolge de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties en de Landsverordening identificatie bij dienstverlening;
    c. de verlener van beheersdiensten wordt geroepen om als getuige op te treden in het kader van de opsporing, het gerechtelijk vooronderzoek of de behandeling ter terechtzitting van een strafbaar feit;
    d. de verlener van beheersdiensten een administratieplichtige als bedoeld in artikel 22 van de Landsverordening internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, is en voor zover het betreft de toepassing van de bij of krachtens hoofdstuk III van die landsverordening gegeven voorschriften.
  3. Het eerste en tweede lid zijn eveneens van toepassing op de op de bijlagen van een vergunning geplaatste natuurlijk of rechtspersonen en dienst eventueel personeel evenals op het niet op die bijlagen geplaatste personeel van een trustkantoor.

 

 

 

 

Artikel 15

Een verlener van beheersdiensten is verplicht onverwijld aan de Bank te melden:
a. wanneer hij op grond van het in artikel 13 bepaalde de dienstverlening aan een buitengaatse onderneming staakt;
b. wanneer hij aanwijzingen heeft dat een of meer personen en entiteiten die zijn aangewezen in of bij een landsbesluit of ministeriële beschikking ter uitvoering van artikel 4 of van artikel 4a van de Landsverordening Deviezenverkeer, de bron of een van de bronnen zijn van kapitaal, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder a, of aanspraken kunnen maken, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder b.

Artikel 16

  1. Een verlener van beheersdiensten overlegt vóór 30 oktober van ieder jaar aan de Bank een gecertificeerde verklaring in een door de Bank te bepalen vorm inhoudende dat onderzoek is gedaan naar de beschikbaarheid van de in artikel 12 genoemde gegevens, alsmede naar andere gegevens die de Bank in het kader van toezichtuitoefening noodzakelijk acht.
  2. De verklaring van de verlener van beheersdiensten, bedoeld in het eerste lid stelt ook dat de verlener van beheersdiensten met betrekking tot iedere buitengaatse vennootschap waaraan hij beheersdiensten verleent, beschikt over de in artikel 12 bedoelde gegevens. Indien zulks niet zonder voorbehoud kan worden verklaard, wordt zulks in de verklaring nader toegelicht onder opgave van de buitengaatse ondernemingen waarop het voorbehoud betrekking heeft.

 

Artikel 17

  1. Ieder trustkantoor of rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, is verplicht jaarlijks binnen een door de Bank vast te stellen termijn een jaarrekening, ten minste bevattend een balans en een winst- en verliesrekening met bijbehorende toelichting, over het afgelopen boekjaar, in een door de Bank vast te stellen vorm, bij de Bank in te dienen. Hierbij worden ook een verklaring van een externe deskundige en de directiebrieven gevoegd.
  2. Ieder trustkantoor rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, is verplicht bij de Bank periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen rapportagestaten nopens zijn bedrijf in te dienen.
  3. De vorm waarin de rapportagestaten moeten worden opgemaakt, de achtereenvolgende tijdstippen waarop zij betrekking hebben en de termijnen binnen welke zij moeten worden ingediend, worden door de Bank bepaald na overleg met de representatieve organisaties, bedoeld in artikel 19a, eerste lid.
  4. Indien de Bank zulks in het belang van een doelmatig toezicht nodig acht, kan zij met betrekking tot de rapportagestaten, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat:
    a. de achtereenvolgende tijdstippen waarop zij betrekking hebben, alsmede de termijnen waarbinnen zij moeten worden ingediend, worden verkort;
    b. hieromtrent een verklaring van een externe deskundige wordt overgelegd.
  5. De Bank kan een trustkantoor of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het tweede lid. Aan de ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. Het trustkantoor of rechtspersoon is gehouden aan de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de ontheffing, bedoeld in de eerste volzin, te blijven voldoen.
  6. De Bank kan bepalen dat de jaarrekening van een trustkantoor of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, die niet voldoen aan de definitie van grote vennootschap, bedoeld in afdeling 4 van titel 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt beoordeeld, onderscheidenlijk gecontroleerd door een andere deskundige dan de externe deskundige.

Artikel 17a

  1. De externe deskundige die op grond van artikel 17, eerste lid, de jaarrekening van een trustkantoor of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van een verklaring moet voorzien en die op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b, de staten van een verklaring moet voorzien, meldt de Bank zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden kennis heeft gekregen en die:
    a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van de vergunning zijn gesteld;
    b. in strijd is met de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen;
    c. het voortbestaan van het trustkantoor bedreigt; of
    d. de afgifte van een goedkeurende verklaring omtrent de getrouwheid in gevaar zou kunnen brengen.
  2. Bij een melding als bedoeld in het eerste lid zendt de externe deskundige onverwijld aan de Bank een afschrift van zijn rapport, de directiebrieven en de correspondentie die rechtstreeks betrekking heeft op de verklaring bij de jaarrekening, respectievelijk van enig van de periodiek bij de Bank in te dienen staten, indien en voor zover de Bank bij die staten een verklaring van een externe deskundige nodig heeft geacht. Indien de Bank zulks noodzakelijk acht, geeft de externe deskundige de Bank een mondelinge toelichting op de jaarrekening en de voornoemde stukken.
  3. Op de externe deskundige die naast zijn werkzaamheden voor het trustkantoor ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing indien het trustkantoor dochtermaatschappij is van die andere onderneming of instelling dan wel indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van het trustkantoor.
  4. De externe deskundige die op grond van het eerste of derde lid tot een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor de schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.

Artikel 17b

  1. Tot het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 17, eerste en derde lid, onderdeel b, is slechts bevoegd een externe deskundige tegen wie de Bank geen bezwaar heeft gemaakt.
  2. De Bank kan tegen de aanstelling of handhaving van een externe deskundige bezwaar maken, indien de externe deskundige naar haar oordeel niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de hem toevertrouwde taak met betrekking tot het trustkantoor of de rechtspersoon met ontheffing, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, naar behoren zal vervullen.
  3. Het bezwaar, bedoeld in het tweede lid, wordt schriftelijk ter kennis gebracht van het betrokken trustkantoor of de rechtspersoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, en van de betrokken externe deskundige.
  4. Een trustkantoor of de rechtspersoon met een ontheffing, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, is verplicht gebruik te maken van de diensten van een externe deskundige, waartegen de Bank geen bezwaar heeft gemaakt.

Artikel 17c

De Bank kan aan een trustkantoor waaraan een vergunning is verleend, onderscheidenlijk een natuurlijke persoon of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, die niet voldoen aan de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen, een aanwijzing geven om binnen een door de Bank te stellen termijn alsnog aan die verplichtingen te voldoen. Handelen in strijd met deze aanwijzing is verboden.

 

Artikel 17d

 

  1. Indien bijzondere gebeurtenissen een adequate functionering van een trustkantoor of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, in gevaar brengen, kan de Bank:
    a. indien naar haar oordeel versterking van de organen van het trustkantoor of de rechtspersoon dit wenselijk maken, het trustkantoor of de rechtspersoon bij aangetekende brief aanzeggen, dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen van dat trustkantoor of die rechtspersoon hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door één of meer door de Bank aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen. Het trustkantoor of de rechtspersonen, bedoeld in de eerste lid, zijn verplicht de door de Bank aangewezen personen alle medewerking te verlenen, respectievelijk de opdrachten van deze personen uit te voeren;
    b. het trustkantoor of de rechtspersoon bij aangetekende brief aanzeggen, dat de Bank zal overgaan tot publicatie van de bijzondere gebeurtenissen die een adequate functionering van dat trustkantoor of die rechtspersoon, in gevaar brengen. Deze publicatie geschiedt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst, alsmede in één of meer dagbladen ter keuze van de Bank. Bij de publicatie wordt, indien het trustkantoor of de rechtspersoon zulks verlangt, tevens de correspondentie bekendgemaakt, die naar aanleiding van de bijzondere gebeurtenissen tussen de Bank, het trustkantoor of de rechtspersoon, is gevoerd;
    c. wanneer zij zulks in het belang acht van de buitengaatse of toekomstige buitengaatse ondernemingen met de representatieve organisatie, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, waartoe het trustkantoor of de rechtspersoon behoort, dienaangaande in overleg treden. De Bank doet het trustkantoor of de rechtspersoon mededeling van het overleg.
  2. Indien de Bank van oordeel is dat de bijzondere gebeurtenissen onverwijld ingrijpen noodzakelijk maken, kan zij het trustkantoor of de rechtspersoon bij aangetekende brief aanzeggen dat zij onmiddellijk uitvoering zal geven aan de onderdelen a en c van het eerste lid. Deze aanzegging wordt eerst van kracht nadat de Bank het trustkantoor of de rechtspersoon in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door de Bank te stellen termijn zijn of haar mening over de onmiddellijke uitvoering te geven.
  3. Met betrekking tot de aanzegging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, is het volgende van toepassing:
    a. de organen van het trustkantoor of de rechtspersoon zijn verplicht de door de Bank aangewezen personen alle medewerking te verlenen;
    b. de Bank kan de organen van het trustkantoor of de rechtspersoon toestaan bepaalde handelingen zonder goedkeuring te verrichten;
    c. de door de Bank aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaar na verzending van de aanzegging. De Bank is bevoegd deze termijn telkens voor ten hoogste één jaar te verlengen. Van zodanige verlenging doet de Bank het trustkantoor of de betrokken rechtspersoon met een ontheffing mededeling per aangetekende brief. De verlenging wordt terstond van kracht en daaraan dient gevolg te worden gegeven niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening;
    d. de Bank kan de door haar aangewezen personen te allen tijde door anderen vervangen;
    e. voor schade ten gevolge van handelingen welke verricht zijn in strijd met de aanzegging, zijn degenen die deze handelingen als orgaan van het trustkantoor of de rechtspersoon met een ontheffing verrichten, persoonlijk aansprakelijk tegenover dat trustkantoor of die rechtspersoon. Het betrokken trustkantoor of de betrokken rechtspersoon kunnen de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn;
    f. zodra de Bank van oordeel is de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, als gevolg van de bijzondere gebeurtenissen niet langer noodzakelijk zijn, trekt zij die maatregelen in. Zij stelt het betrokken trustkantoor of de betrokken rechtspersoon van de intrekking bij aangetekende brief in kennis.
  4. De Bank kan slechts wanneer haar beslissing tot publicatie van de bijzondere gebeurtenissen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onherroepelijk is geworden, tot publicatie overgaan. Indien na de publicatie de bijzondere gebeurtenissen zich niet meer voordoen, zal de Bank hiervan op dezelfde wijze als bij de voorafgaande publicatie kennis geven.
  5. De kosten en beloning van de door de Bank aangewezen personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de kosten van de bekendmakingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en vierde lid, laatste volzin, komen ten laste van het betrokken trustkantoor of de betrokken rechtspersoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b.

Artikel 17e

Het trustkantoor waarvan de vergunning is ingetrokken wordt op verzoek van de Bank door het gerecht ontbonden. Het gerecht wijst één of meer vereffenaars aan.

Artikel 18

De Bank ziet erop toe dat een ieder die beheersdiensten verleent, daartoe bevoegd is op grond van artikel 2.

 

Artikel 19

De Bank ziet erop toe dat een ieder die bevoegd is tot het verlenen van beheersdiensten over de in artikel 12 bedoelde gegevens beschikt en dat bij het vergaren en bijhouden van die gegevens de in het tweede lid van dat artikel bedoelde regels zijn nagekomen.

 

Artikel 19a

  1. De Minister kan, gehoord de Bank, een organisatie van verleners van beheersdiensten aanwijzen als representatieve organisatie.
  2. De Bank pleegt zo vaak als zij dit nodig acht, doch ten minste éénmaal per jaar, overleg met de krachtens het eerste lid aangewezen representatieve organisatie omtrent het beleid inzake het toezicht op de verleners van beheersdiensten.
  3. Alvorens de Bank algemeen verbindende voorschriften als bedoeld deze landsverordening vaststelt of wijzigt, pleegt de Bank over die voorschriften overleg met de krachtens het eerste lid aangewezen representatieve organisaties.

Artikel 20

 

  1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde zijn belast de daartoe door de President van de Bank aangewezen functionarissen van de Bank, belast met toezicht. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. De krachtens het eerste lid aangewezen functionarissen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
    a. alle inlichtingen te vragen;
    b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
    c. zaken aan opneming en onderzoek te onderwerpen, deze daartoe tijdelijk mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs, en daarvan monsters te nemen;
    d. alle plaatsen te betreden, eventueel vergezeld van door hen aangewezen personen, met uitzondering van woningen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner.
  3. Een ieder is verplicht aan de krachtens het eerste lid aangewezen functionarissen alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.
  4. Zo nodig wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm.

Artikel 20a

  1. De Bank kan zich bij het uitoefenen van het toezicht, bedoeld in artikel 20, eerste lid, doen bijstaan dan wel een zodanig toezicht geheel doen uitvoeren door een door de Bank aan te wijzen externe deskundige of andere deskundigen. De Bank kan de kosten die hiermee verband houden geheel of gedeeltelijk doorberekenen aan het betrokken trustkantoor of de betrokken rechtspersoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b. Artikel 20 is van overeenkomstige toepassing.
  2. Indien het uitoefenen van het toezicht, bedoeld in artikel 20, eerste lid, dan wel bepaalde werkzaamheden in het kader van een zodanig toezicht door de Bank aan een externe deskundige of aan een andere deskundige worden opgedragen, is deze verplicht zijn bevindingen rechtstreeks en schriftelijk aan de Bank te rapporteren en na verkregen toestemming van de Bank een afschrift daarvan aan het betrokken trustkantoor of de betrokken rechtspersoon te zenden.
  3. Het trustkantoor of de rechtspersoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, is op verzoek van de Bank verplicht een erkende deskundige aan te wijzen die rechtstreeks aan de Bank rapporteert over de interne organisatie van het trustkantoor, onderscheidenlijk de rechtspersoon.

Artikel 20b

De Bank is tevens bevoegd in het kader van toezichtuitoefening toestaan dat buitenlandse instanties die met het toezicht op verleners van beheersdiensten zijn belast, onderzoek doen bij hier te lande gevestigde verleners van beheersdiensten die onder geconsolideerd toezicht staan van genoemde toezichthouders. De Bank stelt in voorkomend geval tevoren voorwaarden aan en geeft aanwijzingen ten aanzien van de uitvoering van deze toezichtwerkzaamheden. De functionarissen van de buitenlandse instanties, die een onderzoek als bedoeld in de eerste volzin verrichten, zijn gehouden de aanwijzingen van de Bank stipt te volgen.

Artikel 20c

  1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren, belast de daartoe bij landsbesluit aangewezen functionarissen van de Bank. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld omtrent de vereisten waaraan de krachtens het eerste lid aangewezen

Artikel 21

  1. De aanvrager van een vergunning of een ontheffing als bedoeld in artikel 2, derde lid, zijn ter zake van de aanvraag voor een vergunning of een ontheffing aan de Bank een bedrag verschuldigd. De Bank brengt het bedrag, voor zover mogelijk, direct na ontvangst van de aanvraag, bij beschikking in rekening.
  2. Een trustkantoor en degene die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 2, derde lid, zijn jaarlijks aan de Bank een bedrag verschuldigd.
  3. De hoogte van de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen wordt zodanig vastgesteld dat de totale jaarlijkse opbrengst van het in rekening te brengen bedrag ten hoogste gelijk is aan de kosten die de Bank in dat jaar maakt ter zake van de behandeling van de aanvragen onderscheidenlijk het toezicht dat de Bank uitoefent ingevolge deze landsverordening.
  4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden, gehoord de Bank en de representatieve organisaties, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, nadere regels gesteld omtrent de kostendoorberekening en de grondslagen waarop die is gebaseerd en wordt de hoogte van de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen vastgesteld. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt naar directe en indirecte kosten.
  5. Het in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrag wordt betaald binnen zes weken na dagtekening van de beschikking waarbij de betalingsverplichting is opgelegd.
  6. Voor zover het bedrag, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, niet binnen de in het vijfde lid bedoelde termijn wordt betaald, stuurt de Bank aan betrokkene een schriftelijke aanmaning om binnen twee weken na dagtekening van de aanmaning het verschuldigde bedrag, verhoogd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop de in het vijfde lid bedoelde termijn is verstreken, en verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat het bedrag, voor zover dat niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het zevende lid wordt ingevorderd.
  7. Bij gebreke van betaling binnen de in de aanmaning gestelde termijn vordert de Bank het bedrag van de aanmaning, verhoogd met de kosten van de invordering, bij dwangbevel in.
  8. Het dwangbevel wordt op kosten van de betrokkene bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 22v is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 21a

Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 21b

  1. De Bank kan bij overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste lid, 4a, 5, zesde tot en met achtste lid, 11, vierde lid, 11c, 11d, eerste lid, 12, eerste en tweede lid, 13, eerste lid, eerste volzin, 15, 16, eerste lid, 17, eerste lid, tweede lid, en vijfde lid, laatste volzin, 17a, eerste tot en met derde lid, 17b, vierde lid, 17c, laatste volzin, 17d, derde lid, onderdeel a, 20, vijfde lid, 20a, derde lid, 24a, derde lid, en 24b, tweede lid, een last onder dwangsom opleggen. Artikel 1:127 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
  2. De last onder dwangsom kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.
  3. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
  4. Bij de last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
  5. Een beslissing tot oplegging van een last onder dwangsom wordt op schrift gesteld en is een beschikking.
  6. De Bank stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd dan wel per overtreding van de last. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
  7. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt het bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, bepaald.

 

Artikel 21c

Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

 

Artikel 21d

  1. Indien een last onder dwangsom is opgelegd kan de Bank op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn, of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor die overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.
  2. Indien een last onder dwangsom is opgelegd kan de Bank op verzoek van de overtreder de last opheffen, indien de beschikking één jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.

Artikel 21e

In afwijking van artikel 22w, eerste lid, verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van één jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

Artikel 21f

Geen last onder dwangsom kan worden opgelegd voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond.

Artikel 21g

  1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom beslist de Bank bij beschikking omtrent de invordering van de dwangsom.
  2. De Bank geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt.
  3. De Bank beslist binnen zes weken op het verzoek.

Artikel 21h

  1. Indien uit een beschikking tot intrekking of wijziging van de last onder dwangsom voortvloeit dat een reeds gegeven beschikking tot invordering van die dwangsom niet in stand kan blijven, vervalt die beschikking.
  2. De Bank kan een nieuwe beschikking tot invordering geven die in overeenstemming is met de gewijzigde last onder dwangsom.

Artikel 21i

  1. Een bezwaar, beroep, hoger beroep of een verzoek om schorsing of voorlopige voorziening gericht tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
  2. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan de beslissing op het hoger beroep tegen de beschikking tot invordering van de dwangsom verwijzen naar de Bank, overeenkomstig artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak[1], indien behandeling door de Bank gewenst is.
  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om schorsing dan wel voorlopige voorziening.

 

 

Artikel 22

Onder bestuurlijke boete wordt verstaan: de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom.

Artikel 22a

  1. De Bank kan bij overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste lid, 4a, 5, zesde tot en met achtste lid, 11, vierde lid, 11c, 11d, eerste lid, 12, eerste en tweede lid, 13, eerste lid, eerste volzin, 14, eerste lid, 15, 16, eerste lid, 17, eerste en tweede lid, en vijfde lid, laatste volzin, 17a, eerste tot en met derde lid, 17b, vierde lid, 17c, laatste volzin, 17d, derde lid, onderdeel a, 20, vijfde lid, 20a, derde lid, 23, tweede lid, 24a, derde lid, en 24b, tweede lid, een bestuurlijke boete opleggen. Artikel 1:127 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt de hoogte en de wijze van bepaling van de bestuurlijke boete voor de verschillende overtredingen, bepaald. Een op grond van het eerste lid op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 1:54, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de kredietinstelling in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd.
  3. Alvorens over te gaan tot oplegging van een boete, stelt de Bank de betrokkene schriftelijk op de hoogte van het voornemen een boete op te leggen onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

 

Artikel 22b

Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien:
a. de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten;
b. de overtreder is overleden;
c. aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 22h, derde lid, onderdeel a, is bekendgemaakt; of
d. een rechtvaardigingsgrond voor de overtreding bestaat.

Artikel 22c

  1. Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, of het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 1:149 van het Wetboek van Strafrecht.
  2. Indien de gedraging tevens een strafbaar feit is, wordt zij aan de officier van justitie voorgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift is bepaald, dan wel met het openbaar ministerie is overeengekomen, dat daarvan kan worden afgezien.
  3. Voor een gedraging die aan de officier van justitie moet worden voorgelegd, legt de Bank slechts een bestuurlijke boete op indien:
    a. de officier van justitie aan de Bank heeft medegedeeld ten aanzien van de overtreder van strafvervolging af te zien, of
    b. de Bank niet binnen dertien weken een reactie van de officier van justitie heeft ontvangen.

Artikel 22d

  1. Een bestuurlijke boete vervalt, indien zij op het tijdstip van het overlijden van de overtreder niet onherroepelijk is. Een onherroepelijke bestuurlijke boete vervalt voor zover zij op dat tijdstip nog niet is betaald.
  2. Een reeds opgelegde bestuurlijke boete vervalt, indien het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba met toepassing van artikel 25 van het Wetboek van Strafvordering de vervolging van de overtreder voor dat feit beveelt.
  3. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt vijf jaren na de dag waarop de overtreding heeft plaatsgevonden.
  4. Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn, bedoeld in het derde lid, opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist.

 

 

 

Artikel 22e

  1. Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestuurlijke boete, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
  2. Indien beroep is ingesteld tegen een bestuurlijke boete is de partij aan wie de boete is opgelegd niet verplicht omtrent de overtreding verklaringen af te leggen. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 22f

  1. De Bank of de personen, bedoeld in artikel 20, eerste lid, kunnen van de overtreding een rapport opmaken.
  2. Het rapport is gedagtekend en vermeldt in ieder geval:
    a. de naam van de overtreder;
    b. de overtreding alsmede het overtreden voorschrift;
    c. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip of periode waarop de overtreding is geconstateerd.
  3. Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de bekendmaking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete aan de overtreder toegezonden of uitgereikt.
  4. Indien van de overtreding een proces-verbaal als bedoeld in artikel 186 van het Wetboek van Strafvordering is opgemaakt, treedt dit voor de toepassing van deze paragraaf in de plaats van het rapport.

Artikel 22g

  1. De Bank stelt de overtreder desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete, dan wel het voornemen daartoe, berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen. De Bank kan beslissen om bepaalde stukken van kennisneming uit te zonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.
  2. Voor zover blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt, draagt de Bank er zoveel mogelijk zorg voor dat deze gegevens aan de overtreder worden medegedeeld in een voor deze begrijpelijke taal.

Artikel 22h

  1. De Bank kan de overtreder in de gelegenheid stellen over het voornemen tot opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen.
  2. Op het moment dat de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen:
    a. wordt het rapport reeds bij de uitnodiging daartoe aan de overtreder toegezonden of uitgereikt;
    b. zorgt de Bank voor bijstand door een tolk, indien blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt.
  3. Indien de Bank nadat de overtreder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, beslist dat:
    a. voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd, of
    b. de overtreding alsnog aan de officier van justitie zal worden voorgelegd, wordt dit schriftelijk aan de overtreder medegedeeld.

Artikel 22i

  1. Een beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete vermeldt in ieder geval:
    a. de naam van de overtreder;
    b. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;
    c. het bedrag van de boete, alsmede een toelichting op de hoogte daarvan;
    d. de termijn, bedoeld in artikel 22l, waarbinnen de boete moet worden betaald.
  2. Op verzoek van de overtreder die de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de officiële talen in de zin van de Landsverordening officiële talen onvoldoende begrijpt, draagt de Bank er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van de beschikking aan de betrokkene wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

 

Artikel 22j

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

 

Artikel 22k

Deze paragraaf is van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete.

Artikel 22l

Behoudens in het geval dat artikel 21c toepassing vindt, geschiedt de betaling van een geldschuld binnen zes weken nadat de beschikking tot invordering van een dwangsom, bedoeld in artikel 21g, eerste lid, onderscheidenlijk de beschikking tot het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

Artikel 22m

  1. De Bank kan uitstel van betaling verlenen.
  2. Gedurende het uitstel kan de Bank niet aanmanen of invorderen.
  3. De beschikking tot uitstel van betaling vermeldt de termijn waarvoor het uitstel geldt.
  4. De Bank kan aan de beschikking tot uitstel van betaling voorschriften verbinden.

 

Artikel 22n

  1. Betaling geschiedt aan een door de Bank te bepalen kantoor dan wel door bijschrijving op een daartoe door de Bank bestemde bankrekening.
  2. Betaling geschiedt in Nederlands-Antilliaanse guldens, tenzij door de Bank anders is bepaald.
  3. De betaling heeft plaats op het tijdstip waarop de betaling aan het kantoor wordt verricht dan wel, in geval van bijschrijving, de rekening van de Bank wordt gecrediteerd.
  4. De kosten van betaling komen ten laste van de overtreder

Artikel 22o

  1. De overtreder is in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn van zes weken heeft betaald.
  2. Het verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeen­komstig de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
  3. De Bank stelt het bedrag van de verschuldigde wettelijke rente bij beschikking vast.

Artikel 22p

  1. De Bank maant de overtreder die in verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden.
  2. De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze kan worden gedwongen door op kosten van de overtreder uit te voeren invorderingsmaatregelen.
  3. De Bank kan voor de aanmaning een vergoeding in rekening brengen. De vergoeding wordt in de aanmaning vermeld.

Artikel 22q

  1. De Bank kan een dwangbevel uitvaardigen.
  2. Een dwangbevel levert een executoriale titel op die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd.
  3. Een dwangbevel wordt slechts uitgevaardigd wanneer binnen de overeenkomstig artikel 22o, eerste lid, gestelde aanmaningstermijn niet volledig is betaald.

Artikel 22r

  1. Bij het dwangbevel kunnen tevens de aanmaningsvergoeding, de wettelijke rente en de kosten van het dwangbevel worden ingevorderd.
  2. Het dwangbevel kan betrekking hebben op verschillende verplichtingen tot betaling van een geldsom door de overtreder aan de Bank.
  3. De betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden op kosten van degene tegen wie het is uitgevaardigd.
  4. De kosten zijn ook verschuldigd indien het dwangbevel door betaling van verschuldigde bedragen niet of niet volledig ten uitvoer is gelegd.

 

 

Artikel 22s

  1. Het dwangbevel vermeldt in ieder geval:
    a. aan het hoofd het woord: dwangbevel;
    b. het bedrag van de invorderbare hoofdsom;
    c. de beschikking of het wettelijk voorschrift waaruit de geldschuld voortvloeit;
    d. de kosten van het dwangbevel; en
    e. dat het op kosten van degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd ten uitvoer kan worden gelegd.
  2. Het dwangbevel vermeldt, indien van toepassing:
    a. het bedrag van de aanmaningsvergoeding; en
    b. de ingangsdatum van de wettelijke rente.

Artikel 22t

  1. De bekendmaking van een dwangbevel geschiedt door middel van de betekening van een exploot als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
  2. Het exploot vermeldt in ieder geval de gerechtelijke instantie waarbij tegen het dwangbevel en de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de artikelen 438 en 438a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden opgekomen.

Artikel 22u

De Bank beschikt ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft.

 

Artikel 22v

  1. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de Bank.
  2. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de Bank kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Artikel 22w

  1. De rechtsvordering tot betaling van een geldschuld als bedoeld in artikel 22k, behoudens indien deze voortvloeit uit een last onder dwangsom, verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken.
  2. Na voltooiing van de verjaring kan de Bank zijn bevoegdheden tot aanmaning en tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet meer uitoefenen.

Artikel 22x

  1. De verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
  2. Erkenning van het recht op betaling stuit de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent.
  3. De Bank kan de verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in artikel 22p, eerste lid, een dwangbevel of door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.

Artikel 22y

  1. Door stuiting van de verjaring begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag.
  2. De nieuwe termijn is gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren.
  3. Wordt de verjaring echter gestuit door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, dan is artikel 324 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22z

  1. De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling aan de Bank wordt verlengd met de tijd gedurende welke de overtreder na de aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien:
    a. de overtreder in surseance van betaling verkeert;
    b. de overtreder in staat van faillissement verkeert; of
    c. de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is geschorst ingevolge een lopend rechtsgeding, met dien verstande dat de termijn waarmee de verjaringstermijn wordt verlengd een aanvang neemt op de dag waarop het rechtsgeding door middel van dagvaarding aanhangig wordt gemaakt.

Artikel 23

  1. Gegevens of inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde omtrent afzonderlijke verleners van beheersdiensten zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens of inlichtingen die van een instantie als bedoeld in artikel 24 zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.
  2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze landsverordening of van krachtens deze landsverordening genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze landsverordening verstrekt of van een instantie als bedoeld in artikel 24 ontvangen, of van gegevens of inlichtingen bij het onderzoek van boeken, bescheiden of andere informatiedragers verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze landsverordening wordt geëist.
  3. De Bank kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, ter handhaving van een gezond trustwezen aangifte doen van een vermoeden van een strafbaar feit. In de gevallen waarin door de Bank aangifte is gedaan dan wel in de gevallen waarin de Bank wordt opgeroepen om als getuige of deskundige op te treden, kan de Bank in het kader van de opsporing, het gerechtelijk vooronderzoek of de behandeling ter terechtzitting, inlichtingen verschaffen.
  4. De Bank kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, met gebruikmaking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, mededelingen doen, mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke verleners van beheersdiensten. Met schriftelijke toestemming van de verlener van beheersdiensten die het aangaat, worden de gegevens of inlichtingen met betrekking tot afzonderlijke verleners van beheersdiensten wel gepubliceerd.
  5. De Bank kan, in afwijking van het eerste lid de financiële inlichtingen eenheid, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties inlichten, indien zij bij de uitoefening van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak feiten ontdekt die duiden op een vermoeden van witwassen of financiering van terrorisme.

 

Artikel 24

  1. De Bank kan, in afwijking van artikel 23, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, verstrekken aan buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instanties, tenzij:
    a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende is bepaald;
    b. het beoogde gebruik van gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen die op die markten werkzaam zijn;
    c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de geldende wettelijke regelingen of openbare orde;
    d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
    e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze landsverordening beoogt te beschermen; of
    f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
  2. Voor zover de Bank gegevens of inlichtingen van een buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie heeft ontvangen, verstrekt de Bank deze gegevens niet aan een ander buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie tenzij de buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
  3. Indien een buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie aan de Bank die de gegevens of inlichtingen op grond van het eerste of tweede lid heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de Bank dat verzoek slechts in:
    a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste tweede of lid, of voor zover die toezichthoudende instantie op een andere wijze dan in deze landsverordening voorzien vanuit Curaçao met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
    b. na overleg met de procureur-generaal indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.
  4. De Bank kan tevens, in afwijking van artikel 23, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verstrekken aan het openbaar ministerie, de financiële inlichtingen eenheid, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties of andere autoriteiten belast met opsporing en vervolging, die zij heeft verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, voor zover deze gegevens of inlichtingen naar het oordeel van de Bank van belang zijn of zouden kunnen zijn voor onderzoeken dan wel de nog in te stellen onderzoeken van het openbaar ministerie, de financiële inlichtingen eenheid, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties of andere autoriteiten belast met opsporing en vervolging.
  5. De Bank verstrekt tevens, in afwijking van artikel 23, eerste en tweede lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, aan de Algemene Rekenkamer, voor zover de gegevens of inlichtingen naar het oordeel van de Algemene Rekenkamer noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar wettelijke taak op grond van de artikelen 25 en 41 van de Landsverordening Algemene Rekenkamer Curaçao. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
  6. De Algemene Rekenkamer is verplicht tot geheimhouding van de op grond van het vijfde lid ontvangen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen en kan die slechts openbaar maken indien deze niet herleid kunnen worden tot afzonderlijke personen.

Artikel 24a

  1. De Bank kan ten behoeve van de uitoefening van haar taak op grond van dit hoofdstuk van een verleners van beheersdiensten gegevens of inlichtingen vorderen, indien dat voor de vervulling van de taak van een buitenlandse toezichthoudende instantie nodig is. De artikelen 20, tweede lid, tot en met vijfde lid, en 24, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
  2. Op verzoek van een buitenlandse toezichthoudende instantie kan de Bank gegevens of inlichtingen vragen aan of onderzoek instellen of doen instellen bij een ieder die ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht valt of behoort te vallen en waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de verzoekende instantie.
  3. Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid worden gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen binnen een door de Bank te stellen termijn.
  4. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 24a, eerste lid, wordt ingesteld, verleent aan de in het eerste lid bedoelde functionaris alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze landsverordening onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden

Artikel 24b

  1. De Bank kan toestaan dat een functionaris van een buitenlandse instantie deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in artikel 24a, tweede lid.
  2. De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het onderzoek is belast en staat onder leiding van deze persoon.

 

Artikel 24c

De bij of krachtens deze landsverordening gegeven voorschriften die de Bank het verstrekken van gegevens of inlichtingen verbieden of de Bank anderszins tot geheimhouding verplichten, gelden niet voor de gegevens of inlichtingen die bij de in artikel 14, tweede lid, onderdeel d, bedoelde toepassing aan de orde komen.

Artikel 25

  1. Het bedrijfsmatig verlenen van beheersdiensten zonder de daartoe vereiste vergunning, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar en een geldboete van de zesde categorie, dan wel met één van deze straffen.
  2. Het anders dan bedrijfsmatig verlenen van beheersdiensten zonder daartoe ingevolge artikel 2 bevoegd te zijn, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste een jaar en een geldboete van de zesde categorie, dan wel met één van deze straffen.
  3. Opzettelijk handelen in strijd met enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 2, eerste lid, 4a, 5, zesde tot en met achtste lid, 11, vierde lid, 11c, 11d, eerste lid, 12, eerste lid, tweede lid, en 13, eerste lid, eerste volzin, 14, eerste lid, 15, 16, eerste lid, 17, eerste en tweede lid, vijfde lid, laatste volzin, 17a, eerste tot en met derde lid, 17b, vierde lid, 17c, laatste volzin, 17d, derde lid, onderdeel a, 20, vijfde lid, 20a, derde lid, 23, tweede lid, 24a, derde lid, en 24b, tweede lid, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar en een geldboete van de zesde categorie dan wel met één van deze straffen.
  4. Handelen in strijd met de voorschriften, genoemd in het derde lid, voor zover niet opzettelijk begaan, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste één jaar en een geldboete van de vijfde categorie dan wel met één van deze straffen.
  5. De in het eerste en derde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. De in het tweede en vierde lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Artikel 25a

  1. De Bank kan, in afwijking van artikel 78, eerste en tweede lid, teneinde de naleving van deze landsverordening te bevorderen ter openbare kennis brengen het feit ter zake waarvan een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete is opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift. Indien het doel van het door de Bank uit te oefenen toezicht op de naleving van deze landsverordening zulks bepaaldelijk vordert en zich daartegen geen zwaarwegende belangen verzetten, waaronder die van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, kan de Bank de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd ter openbare kennis brengen.
  2. De openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt digitaal op de website van de Bank dan wel op een andere door de Bank te bepalen wijze.

 

Artikel 25b

Degene jegens wie door de Bank een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat de Bank zijn handelen of nalaten op grond van artikel 25a ter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

 

Artikel 25c

  1. De Bank geeft, indien zij voornemens is op grond van artikel 25a een feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan schriftelijk kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
  2. De Bank stelt de betrokkene in de gelegenheid over het voornemen tot openbaarmaking van overtredingen als bedoeld in artikel 25a zijn zienswijze naar voren te brengen.
  3. De Bank is niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 25d

De beschikking om op grond van artikel 25a een feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht; en
c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 25e

Tenzij de bevordering van de naleving van deze landsverordening geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 25a een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort, totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken of, indien bezwaar of beroep is ingesteld, op het bezwaar of beroep is beslist.

Artikel 25f

De beschikking om op grond van artikel 25a een feit ter openbare kennis te brengen treedt in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking op grond van artikel 25e wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 25g

  1. De bevoegdheid om op grond van artikel 25a een feit ter openbare kennis te brengen vervalt, indien ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 1:149 van het Wetboek van Strafrecht.
  2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als bedoeld in artikel 25a vervalt, indien de Bank het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.

Artikel 25h

  1. De bevoegdheid om op grond van artikel 25a een feit ter openbare kennis te brengen vervalt één jaar na de dag waarop het feit heeft plaatsgehad.
  2. De in het eerste lid genoemde termijn wordt gestuit door bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 25i

De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 25a ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Artikel 25j

Door de Minister en de Minister van Justitie gezamenlijk kunnen bij ministeriële regeling met algemene werking regels worden gesteld ter zake van de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in Hoofdstuk 5, paragrafen 2a en 3, en Hoofdstuk 6a.

 

Artikel 26 t/m 28

(vervallen)

Artikel 29

Deze landsverordening kan worden aangehaald als: Landsverordening toezicht trustwezen

Naar boven