Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf

Publicatienummer: P.B. 2022, no. 94
Categorie: Geconsolideerde Tekst
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 28-07-2022
Datum inwerktreding: Nog niet bekend
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK X Economische aangelegenheden)


LANDSBESLUIT van de 28ste juli 2022, no. 22/1404, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
n.v.t. n.v.t. n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2022, no. 94 (GT) n.v.t.

HOOFDSTUK I

Inleidende bepalingen.

Artikel 1

  1. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt – voor zover niet anders blijkt verstaan onder:
    a. overeenkomsten van levensverzekering: overeenkomsten van verzekering tot het doen van geldelijke uitkeringen in verband met het leven of de dood van de mens, met dien verstande dat overeenkomsten van ongevallenverzekering niet als overeenkomsten van levensverzekering worden beschouwd;
    b. overeenkomsten van schadeverzekering: overeenkomsten van verzekering die niet zijn overeenkomsten in verband met het leven of de dood van de mens, met dien verstande dat overeenkomsten van ongevallenverzekering als overeenkomsten van schadeverzekering worden beschouwd;
    c. premie: de in geld uitgedrukte prestatie, door de verzekeringnemer verschuldigd uit hoofde van een overeenkomst van verzekering;
    d. levensverzekeringsbedrijf: het als bedrijf sluiten van overeenkomsten van levensverzekering voor eigen rekening, met inbegrip van het afwikkelen van de in dat bedrijf gesloten overeenkomsten van levensverzekering, ook al wordt daarmee niet beoogd het maken van winst;
    e. schadeverzekeringsbedrijf: het als bedrijf sluiten van overeenkomsten van schadeverzekering voor eigen rekening, met inbegrip van het afwikkelen van de in dat bedrijf gesloten overeenkomsten van schadeverzekering, ook al wordt daarmee niet beoogd het maken van winst;
    f. verzekeringsbedrijf: het levensverzekeringsbedrijf of het schadeverzekeringsbedrijf;
    g. verzekeraar: ieder die het verzekeringsbedrijf uitoefent;
    h. vertegenwoordiger: degene die door een verzekeraar met zetel in het buitenland is aangesteld om hem in Curaçao te vertegenwoordigen in de uitoefening van zijn bevoegdheden en in de naleving van de voorschriften die ingevolge deze landsverordening voor hem gelden;
    i. zetel: de plaats waar een rechtspersoon blijkens haar statuten is gevestigd;
    j. vestiging: zetel, agentschap of bijkantoor alsmede elke andere duurzame aanwezigheid van een verzekeraar op het grondgebied van een staat in de vorm van een inrichting, beheerd door eigen personeel van de verzekeraar of door een zelfstandig persoon die gemachtigd is om voor rekening van verzekeraar het verzekeringsbedrijf uit te oefenen.
    k. jaarrekening: de balans en de winst en verliesrekening van een verzekeraar met als bijlage de toelichting op deze stukken, zowel in de vorm waarin zij door het bestuur zijn opgemaakt, als in de vorm waarin zij door het daartoe bevoegde orgaan zijn vastgesteld of goedgekeurd;
    l. de Minister: de Minister van Financiën;
    m. de Bank: de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten;
    n. het Hof: het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
    o. het Gerecht: het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao;
    p. natura-uitvaartverzekeraar: ieder die zijn bedrijf maakt van het voor eigen rekening sluiten van overeenkomsten van verzekering tot het doen van uitkeringen in natura in verband met het overlijden van de mens, met inbegrip van het afwikkelen van de betrokken overeenkomsten, ook al wordt met de bedrijfsvoering het maken van winst niet beoogd;
    q. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van meer dan 10% van het nominaal kapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van meer dan 10% van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling;
    r. externe deskundige: een externe deskundige als bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
    s. dwangbevel: een schriftelijk bevel van de Bank dat ertoe strekt de betaling van een geldschuld af te dwingen;
    t. toezichthoudende instantie: een overheidsinstantie respectievelijk een van overheidswege aangewezen instantie die belast is met het toezicht op financiële markten of op rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen die op die markten werkzaam zijn, alsmede een overheidsinstantie, respectievelijk een van overheidswege aangewezen instantie die belast is met het toezicht op de naleving van wettelijke regelingen ter zake van de bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme.
  2. Het levensverzekeringsbedrijf verliest zijn karakter als zodanig niet, indien bij overeenkomsten van levensverzekering naast de verplichting tot het doen van geldelijke uitkeringen verplichtingen van andere aard worden aanvaard, of daarbij verplichtingen worden aanvaard in verband met voorvallen waarvan het ontstaan onzeker is en die de persoon van de mens treffen.

Artikel 2

  1. Het toezicht op de verzekeraars, zoals dit uit deze landsverordening voortvloeit, berust bij de Bank.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt een instructie vastgesteld voor de directie van de Bank ter zake van de uitoefening van haar taak bij de uitvoering van deze landsverordening.
  3. De commissarissen, de president en de directeuren van de Bank noch het personeel van de Bank mogen op generlei wijze verbonden zijn aan of, anders dan uit hoofde van een overeenkomst van verzekering, belang hebben bij enige verzekeraar.

Artikel 3

Het schadeverzekeringsbedrijf wordt onderscheiden naar de volgende schadegroepen:
a. Ongevallen en ziekteverzekering;
b. Motorrijtuigverzekering;
c. Zee , transport en luchtvaartverzekering;
d. Verzekering van brandschade en andere schade aan goederen;
e. Overige schadeverzekeringen.

Artikel 4

  1. De Bank beslist of een handeling of een samenstel van handelingen al dan niet de uitoefening van het levensverzekeringsbedrijf, het schadeverzekeringsbedrijf of een andersoortig bedrijf vormt, respectievelijk of een handeling of samenstel van handelingen al dan niet de uitoefening van het verzekeringsbedrijf vanuit een vestiging in Curaçao vormt. Zij beslist ambtshalve dan wel op schriftelijk verzoek van degene die de handeling of het samenstel van handelingen verricht of voornemens is te verrichten.
  2. De Bank beslist tot welke van de in artikel 3 genoemde schadegroepen een overeenkomst van schadeverzekering behoort. Zij beslist ambtshalve dan wel op schriftelijk verzoek van de verzekeraar die de overeenkomst van schadeverzekering sluit of voornemens is te sluiten.
  3. De Bank deelt haar ingevolge het eerste of tweede lid genomen beslissing bij aangetekende brief aan de betrokkene mee.
  4. Indien blijkt dat het bedrijf van een verzekeringsbedrijf wordt uitgeoefend zonder een vergunning, wordt op aanwijzing van de Bank, onverminderd het bepaalde in artikel 122, de uitoefening van dat bedrijf onmiddellijk gestaakt en worden onder toezicht van de Bank de verrichte handeling of handelingen, voor zover de Bank zulks mogelijk acht, binnen een door de Bank te stellen termijn, ongedaan gemaakt. De Bank kan, indien daartoe wordt verzocht, alsnog vergunning verlenen om het bedrijf van een kredietinstelling uit te oefenen.
  5. Indien het bedrijf van een een verzekeringsbedrijf zonder een vergunning wordt uitgeoefend door een vennootschap opgericht naar het Curaçaose recht, kan de Bank, onverminderd het bepaalde in artikel 122, aan de rechter in eerste aanleg ontbinding van de vennootschap vorderen wanneer deze na een aanwijzing van de Bank als bedoeld in het vierde lid, het verzekeringsbedrijf blijft uitoefenen. Op een ontbondenverklaring zijn de bepalingen in titel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die betrekking hebben op de ontbinding van een rechtspersoon van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5

Deze landsverordening is, tenzij daaruit anders voortvloeit, van toepassing op:
a. verzekeraars met zetel in Curaçao;
b. verzekeraars met zetel in het buitenland voor wat betreft het verzekeringsbedrijf dat zij vanuit een vestiging in Curaçao uitoefenen.

Artikel 6

  1. Als verzekeraars worden niet beschouwd:
    a. de Sociale Verzekeringsbank;
    b. fondsen, ingesteld door of vanwege het daartoe bevoegde gezag van het land die uitsluitend strekken ten bate van hen die in dienst van het gezag staan of gestaan hebben en hun betrekkingen.
  2. Als uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf wordt niet beschouwd het sluiten of afwikkelen van overeenkomsten als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
  3. Als uitoefening van het verzekeringsbedrijf wordt, met inachtneming van het vierde lid, niet beschouwd het sluiten of afwikkelen van overeenkomsten van verzekering voor eigen rekening door ondernemingspensioenfondsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Landsverordening Ondernemingspensioenfondsen , die krachtens die landsverordening aan het toezicht van de Bank zijn onderworpen.
  4. Het bepaalde in het derde lid is slechts van toepassing voor zover een ondernemingspensioenfonds handelt ter uitvoering van:
    a. een toezegging omtrent pensioen als bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening Ondernemingspensioenfondsen;
    b. een vrijwillige pensioenvoorziening ten behoeve van een deelnemer in het ondernemingspensioenfonds, mits die voorziening past binnen het raam van de regeling die voor de categorie waartoe de deelnemer behoort, in het ondernemingspensioenfonds geldt ter uitvoering van een toezegging als in onder a bedoeld;
    c. een regeling krachtens welke de voor een deelnemer bestaande pensioenvoorziening bij beëindiging van diens deelnemerschap vrijwillig wordt voortgezet.

Artikel 7

  1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen categorieën van verzekeraars worden aangewezen, waarop deze landsverordening geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is. Deze aanwijzing kan onder voorwaarden geschieden en zij kan worden ingetrokken.
  2. De verzekeraars, bedoeld in het eerste lid, zijn verplicht zich te houden, alsmede zich te blijven houden aan de voorwaarden die krachtens het landsbesluit, bedoeld in het eerste lid, zijn vastgesteld.

Artikel 8

(vervallen)

HOOFDSTUK II

De toegang tot het verzekeringsbedrijf.

Afdeling 1: Algemene bepalingen.

Artikel 9

  1. Het is verboden:
    a. zonder vergunning van de Bank het verzekeringsbedrijf uit te oefenen;
    b. het schadeverzekeringsbedrijf uit te oefenen in een schadegroep waarvoor de Bank geen vergunning heeft verleend;
    c. een ander bedrijf dan hetzij het levensverzekeringsbedrijf hetzij het schadeverzekeringsbedrijf uit te oefenen;
    d. zonder vergunning van de Bank als natura-uitvaartverzekering op te treden.
  2. Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, is niet van toepassing met betrekking tot het herverzekeren door een directe verzekeraar van risico’s die door een andere verzekeraar zijn gedekt.

Artikel 10

  1. Een vergunning voor de uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf wordt per schadegroep verleend.
  2. In afwijking van artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel b, mogen in de uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf naast de risico’s die behoren tot de schadegroep waarvoor een vergunning is verleend, tevens risico’s worden verzekerd die behoren tot schadegroepen waarvoor geen vergunning is verleend, mits deze risico’s naar het oordeel van de Bank als bijkomende risico’s kunnen worden beschouwd omdat zij:
    a. samenhangen met het hoofdrisico dat behoort tot de schadegroep waarvoor een vergunning is verleend;
    b. betrekking hebben op het belang of het gevaarsobject dat is verzekerd tegen het hoofdrisico; en
    c. worden verzekerd bij dezelfde overeenkomst als het hoofdrisico.
  3. Kredietverzekering, borgtochtverzekering en rechtsbijstandverzekering mogen elk slechts worden gesloten bij een overeenkomst waarbij uitsluitend de onder de betrokken verzekering gedekte risico’s zijn verzekerd.

Artikel 11

  1. De Bank verleent een vergunning aan ieder die te haren genoegen heeft aangetoond dat hij voldoet aan de bij of krachtens deze landsverordening gestelde eisen voor het verkrijgen van de vergunning. Aan de vergunning kunnen te allen tijde voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld in het belang van de ontwikkeling en instandhouding van een gezond verzekeringswezen, alsmede ter bescherming van de belangen van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering, gesloten of te sluiten door een verzekeraar.
  2. Een vergunning wordt aangevraagd door indiening van een door de Bank vast te stellen aanvraagformulier bij de Bank.
  3. Indien voor de eerste maal een vergunning wordt aangevraagd, legt de aanvrager aan de Bank over:
    a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting en van zijn statuten, alsmede een exemplaar van zijn reglement;
    b. een opgave van de namen, het aantal, de adressen, de opleiding en de werkervaring van de bestuurders en de commissarissen of, indien van toepassing, van een orgaan dat een aan die raad van commissarissen gelijksoortige taak heeft;
    c. een opgave van de namen, het aantal, de adressen, de opleiding en de werkervaring van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de aanvrager behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de aanvrager bepalen of mede bepalen;
    d. gegevens over de identiteit, de financiële positie en de antecedenten van degenen die een gekwalificeerde deelneming houden in de onderneming van de aanvrager, alsmede gegevens over de omvang van die deelneming;
    e. gegevens over de formele en de feitelijke zeggenschapsstructuur van de groep waartoe de aanvrager behoort; en
    f. de voorziene bedrijfsvoering, waaronder de maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering.
  4. De Bank kan besluiten dat de verzekeraar niet hoeft te voldoen aan één of meer van de bij of krachtens deze landsverordening gestelde eisen voor het verkrijgen van een vergunning, indien deze aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze landsverordening beoogt te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt. De Bank kan het hiervoor bedoelde besluit wijzigen of intrekken, indien naar haar oordeel de omstandigheden waaronder het besluit is genomen zodanig zijn gewijzigd dat de doeleinden die deze landsverordening beoogt te bereiken niet langer worden bereikt.

Artikel 11a

De Bank kan de vergunning weigeren, indien:
a. zij gronden heeft om aan te nemen dat de verzekeraar de vergunning heeft aangevraagd om zich te ontrekken aan de regelgeving inzake het toezicht op het verzekeringswezen in een andere Staat;
b. de structuur van de groep waarvan de verzekeraar deel uitmaakt zodanig is dat de Bank onvoldoende adequaat en effectief toezicht kan uitoefenen op de verzekeraar;
c. zij van oordeel is dat het verlenen van de vergunning in strijd is of zou kunnen zijn met de ontwikkeling of instandhouding van een gezond verzekeringswezen, onderscheidenlijk ten detrimente van de verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zou kunnen zijn;
d. zij van oordeel is dat de Bank of de instantie van het land van herkomst van de betrokken verzekeraar die met het toezicht op verzekeraars is belast, onvoldoende adequaat en effectief toezicht op geconsolideerde basis kan uitoefenen; of
e. zij van oordeel is dat de aanvrager niet heeft aangetoond dat hij aan de bij of krachtens deze landsverordening gestelde eisen voor het verkrijgen van de vergunning voldoet of zal voldoen.

Artikel 11b

Een verzekeraar waaraan krachtens artikel 11, eerste lid, een vergunning is verleend, is gehouden aan de bij of krachtens deze landsverordening gestelde eisen voor het verkrijgen van een vergunning, alsmede aan de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de vergunning te blijven voldoen.

Artikel 12

  1. Bij het aanvragen van een vergunning legt de aanvrager aan de Bank een programma van werkzaamheden ter beoordeling voor.
  2. Met betrekking tot het programma van werkzaamheden worden bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere regelen gesteld, die kunnen verschillen naar gelang:
    a. de zetel van de aanvrager zich in Curaçao dan wel in het buitenland bevindt;
    b. een vergunning wordt aangevraagd voor de uitoefening van het levensverzekeringsbedrijf dan wel voor de uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf.

Artikel 13

Een aanvrager die voornemens is overeenkomsten te sluiten tot dekking van de wettelijke aansprakelijkheid, voortvloeiende uit het gebruik van motorrijtuigen, voegt bij zijn aanvraag eveneens een door hem ondertekende verklaring dat zijn voorwaarden van verzekering in de zin van de Landsverordening aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen voldoen aan de in die landsverordening gestelde eisen. De Bank stelt het model van de verklaring vast.

Artikel 14

Indien de stukken die bij het aanvragen van een vergunning zijn overgelegd, de Bank aanleiding geven tot het maken van opmerkingen, stelt zij de aanvrager in de gelegenheid op deze opmerkingen binnen een door haar te stellen redelijke termijn te antwoorden.

Artikel 15

  1. Op een aanvraag om een vergunning beslist de Bank uiterlijk 60 dagen na ontvangst van een volledige aanvraag en deelt de aanvrager haar beslissing bij aangetekende brief mee.
  2. De Bank kan de aanvrager verzoeken, indien de verstrekte gegevens, bewijsstukken en inlichtingen onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, de aanvraag binnen 30 dagen aan te vullen. De voor het geven van een vergunning bepaalde termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
  3. De Bank kan voorts besluiten de aanvraag niet in behandeling nemen, indien zij van oordeel is dat de verstrekte gegevens, bewijsstukken en inlichtingen onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Het besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
  4. De Bank maakt haar beslissing tot het verlenen van een vergunning binnen twee weken na de dagtekening van de vergunning digitaal bekend op de website van de Bank.

Artikel 15a

  1. De Bank houdt een register voor verzekeraars aan wie een vergunning is verleend, waarvan de inrichting in twee hoofdafdelingen als volgt is vastgesteld:
    Afdeling I – Schade
    Afdeling II – Leven
    De Bank kan de hoofdafdelingen onderverdelen in onderafdelingen voor de door de Bank te onderscheiden categorieën ‘Schade’ en ‘Leven’. Bij de verzekeraar met zetel in het buitenland wordt tevens de naam en de plaats van kantoorvestiging van de vertegenwoordiger vermeld.
  2. Een verzekeraar waaraan een vergunning is verleend wordt per gelijke datum van de vergunningverlening door de Bank ingeschreven in het register.
  3. De inschrijving van een verzekeraar in het register waarvan de vergunning is ingetrokken, wordt door de Bank doorgehaald.
  4. De inschrijving van een verzekeraar in het register wordt binnen twee weken na de dag waarop zij heeft plaatsgehad, digitaal bekend gemaakt op de website van de Bank.
  5. In de maand januari van elke jaar publiceert de Bank een afschrift van het register naar de stand per 31 december van het voorafgaande jaar op haar website.
  6. De Bank houdt een afschrift van het register voor een ieder kosteloos ter inzage.

Artikel 15b

  1. De Bank kan bij overtreding van artikel 9, eerste lid, dan wel in het geval dat in strijd met een weigering, bedoeld in artikel 11a, wordt gehandeld een openbare waarschuwing uitvaardigen, indien nodig onder vermelding van de overwegingen die tot die waarschuwing hebben geleid.
  2. De bevoegdheid om een openbare waarschuwing als bedoeld in het eerste lid uit te vaardigen laat onverlet de bevoegdheid van de Bank om openbare waarschuwingen van internationale of intergouvernementele organisaties, hier te lande te publiceren.
  3. Indien de Bank besluit een openbare waarschuwing als bedoeld in het eerste lid uit te vaardigen, stelt zij de betrokken persoon of instelling in kennis van het besluit.
  4. Het besluit vermeldt in ieder geval de geconstateerde overtreding, de inhoud van de openbaarmaking, de gronden waarop het besluit berust alsmede de wijze waarop en de termijn waarna de openbare waarschuwing zal worden uitgevaardigd.
  5. Het uitvaardigen van een openbare waarschuwing geschiedt niet eerder dan nadat vijf werkdagen zijn verstreken na de dag waarop de betrokken persoon of instelling overeenkomstig het derde en vierde lid in kennis is gesteld van het besluit.
  6. Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak wordt de werking van het besluit opgeschort totdat er een uitspraak is van het Gerecht.
  7. Indien bescherming van de belangen die deze landsverordening beoogt te beschermen geen uitstel toelaat, kan de Bank, in afwijking van de voorgaande leden, onverwijld een openbare waarschuwing uitvaardigen.
  8. De uitvaardiging van een openbare waarschuwing als bedoeld in dit artikel, geschiedt digitaal op de website van de Bank dan wel op een andere door de Bank te bepalen wijze.

Afdeling 2: Bepalingen omtrent verzekeraars met zetel in Curaçao

Artikel 16

  1. Een onderneming tot uitoefening van het verzekeringsbedrijf, met zetel in Curaçao, dient de rechtsvorm van naamloze vennootschap, besloten vennootschap of onderlinge waarborgmaatschappij te bezitten.
  2. Het dagelijks beleid van een verzekeraar wordt bepaald door tenminste twee natuurlijke personen.
  3. Een verzekeraar die de rechtsvorm van naamloze vennootschap of besloten vennootschap bezit, heeft een raad van commissarissen, die uit drie of meer natuurlijke personen bestaat.
  4. De in het derde lid bedoelde raad van commissarissen heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur van de verzekeraar en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Hij staat het bestuur met raad terzijde. Bij de vervulling van hun taak richten de commissarissen zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
  5. Omtrent de taak en de bevoegdheid van de raad van commissarissen en zijn leden kunnen de statuten van de verzekeraar aanvullende bepalingen bevatten.
  6. De Bank kan aan een verzekeraar van het bepaalde in het tweede of derde lid geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen en aan deze ontheffing voorwaarden verbinden. Een ontheffing kan worden ingetrokken.

Artikel 17

  1. De personen die het beleid van een verzekeraar bepalen of mede bepalen, dienen naar het oordeel van de Bank, over voldoende deskundigheid te beschikken voor de uitoefening van het verzekeringsbedrijf.
  2. De handelingen en de antecedenten van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen, mogen de Bank geen aanleiding geven tot het oordeel dat de belangen van verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen in gevaar zouden kunnen komen.
  3. Indien de Bank zulks noodzakelijk acht, is het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing op de personen die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de verzekeraar behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de verzekeraar bepalen of mede bepalen.

Artikel 17a

Met het oog op een gezonde, prudente en integere bedrijfsvoering van de verzekeraar mogen de handelingen en antecedenten van de houders van een gekwalificeerde deelneming in de onderneming van de aanvrager, de Bank geen aanleiding geven tot het oordeel dat de belangen van verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen in gevaar komen of zouden kunnen komen.

Artikel 18

Ingeval het waarborgkapitaal van een onderlinge waarborgmaatschappij in aandelen is verdeeld, mogen aandeelbewijzen niet worden uitgegeven tenzij, indien het een aandeel op naam betreft, tenminste een tiende gedeelte van het volle bedrag, en indien het aandeel toonder betreft, tenminste het volle bedrag, is gestort.

Artikel 18a

  1. De Bank stelt ten behoeve van de ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht staande verzekeraars algemeen verbindende voorschriften vast met betrekking tot:
    a. deskundigheid en integriteit;
    b. financiële waarborgen;
    c. bedrijfsvoering, waaronder de maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering; en
    d. informatieverschaffing aan de Bank en aan het publiek.
  2. Onder algemeen verbindende voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden in ieder geval verstaan regels ter zake van:
    a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
    b. het voorkomen van betrokkenheid van het verzekeringsbedrijf en van haar werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in het verzekeringsbedrijf of in de financiële markten in het algemeen schaden;
    c. het voorkomen van betrokkenheid van het verzekeringsbedrijf en van haar werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in het verzekeringsbedrijf of in de financiële markten in het algemeen schaden;
    d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van de cliënten van het verzekeringsbedrijf;
    e. ordelijke en transparante financiële marktprocessen;
    f. zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten of consumenten, zoals het waarborgen van de informatieverstrekking aan cliënten of consumenten.
  3. De Bank kan ter uitvoering van aanbevelingen en regelingen van internationale of intergouvernementele organisaties, algemeen verbindende voorschriften van technische en organisatorische aard uitvaardigen ten behoeve van de ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht staande instellingen.
  4. Een verzekeraar waaraan een vergunning is verleend, is verplicht zich te houden, alsmede zich te blijven houden aan de voorschriften, bedoeld in het eerste en derde lid.
  5. De voorschriften, bedoeld in het eerste en derde lid, treden in werking op een in die voorschriften te bepalen tijdstip doch niet eerder dan de bekendmaking, bedoeld in artikel 111, derde lid, van de Staatsregeling. De Bank plaatst de voorschriften digitaal op de website van de Bank.

Artikel 18b

  1. De Bank legt de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in deze landsverordening, ter goedkeuring voor aan de Minister.
  2. De voordracht tot publicatie van deze algemeen verbindende voorschriften wordt niet eerder gedaan dan nadat deze zijn goedgekeurd door de Minister.
  3. De Minister kan in geval de algemeen verbindende voorschriften in strijd zijn met de wet, een verdrag of een bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en de Bank de geconstateerde onvolkomenheid na overleg niet heeft weggenomen, weigeren de goedkeuring te verlenen.
  4. De goedkeuring wordt geacht te zijn gegeven indien de Minister binnen vier weken na het overleggen van de algemeen verbindende voorschriften, niet heeft gereageerd.
  5. Algemeen verbindende voorschriften van de Bank die in strijd zijn met het recht of het algemeen belang, kunnen door de Gouverneur als hoofd van de Regering bij gemotiveerd besluit worden geschorst en vernietigd. De voordracht tot vernietiging geschiedt, gehoord de Raad van Advies, in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers. Een schorsing bedraagt maximaal vier weken, tenzij binnen die vier weken de Raad van Advies wordt gehoord. Indien de Raad van Advies wordt gehoord, bedraagt een schorsing maximaal vier weken na de dag waarop het advies van die raad is uitgebracht.

Artikel 18c

De verzekeraar met zetel in Curaçao is verplicht alle zakelijke bescheiden betreffende het verzekeringsbedrijf dat hij uitoefent te zijnen kantore hier te lande te bewaren.

Artikel 19

Een onderneming tot uitoefening van het verzekeringsbedrijf met zetel in Curaçao, die een vergunning aanvraagt, dient te beschikken over:
a. het minimum bedrag van de solvabiliteitsmarge, bedoeld in artikel 36, derde lid, dan wel ingeval de onderneming reeds een of meer vergunningen voor de uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf bezit over de ingevolge artikel 36, tweede lid, vereiste solvabiliteitsmarge indien deze hoger is dan bedoeld minimum bedrag;
b. voldoende financiële middelen tot dekking van de te verwachten kosten, verbonden aan de inrichting van de administratie en van het productienet voor de bedrijfsuitoefening waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.

Afdeling 3: Bepalingen omtrent verzekeraars met zetel in het buitenland.

Artikel 19A

Een verzekeraar met zetel in het buitenland, die reeds op 1 januari 1990 vanuit zijn vestigingen in Curaçao zowel het levensverzekeringsbedrijf als het schadeverzekeringsbedrijf in de schadegroep Ongevallen en ziekteverzekering uitoefende, mag dit, in afwijking van artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel c, na de inwerkingtreding van deze landsverordening blijven doen mits het beheer van de werkzaamheden in de uitoefening van het levensverzekeringsbe¬drijf ten genoegen van de Bank is gescheiden van het beheer van de werkzaamheden in de uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf.

Artikel 20

  1. Het is een verzekeraar met zetel in het buitenland, die buiten Curaçao zowel het levensverzekeringsbedrijf als het schadeverzekeringsbedrijf uitoefent, verboden vanuit een vestiging in Curaçao het levensverzekeringsbedrijf uit te oefenen, tenzij op de verzekeraar artikel 19a van toepassing is.
  2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor een verzekeraar die reeds op het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening vanuit zijn vestigingen in Curaçao uitsluitend het levensverzekeringsbedrijf uitoefent.

Artikel 21

Een verzekeraar met zetel in het buitenland, die een vergunning aanvraagt, dient:
a. naar het recht van de Staat van zijn zetel rechtspersoon te zijn;
b. in de Staat van zijn zetel bevoegd te zijn tot uitoefening van het verzekeringsbedrijf waarop zijn aanvraag van een vergunning betrekking heeft en dit bedrijf aldaar daadwerkelijk uit te oefenen sedert tenminste vijf jaren, direct voorafgaande aan het tijdstip waarop de aanvraag wordt ingediend;
c. met betrekking tot zijn gehele verzekeringsbedrijf, waar dit ook wordt uitgeoefend, over een solvabiliteitsmarge te beschikken, die tenminste overeenkomt met de krachtens artikel 36, eerste tot en met derde lid, vereiste solvabiliteitsmarge.

Artikel 22

  1. Een verzekeraar met zetel in het buitenland, die een vergunning aanvraagt, dient voorts:
    a. bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te bepalen waarden volgens de daarbij te tellen regelen als solvabiliteitsfonds aan te houden in Curaçao, zulks ten belope van een bij dat landsbesluit voor het levensverzekeringsbedrijf, het schadeverzekeringsbedrijf en de verzekeraars, bedoeld in artikel 19a, afzonderlijk vast te stellen bedrag;
    b. te beschikken over voldoende financiële middelen tot dekking van de te verwachten kosten, verbonden aan de inrichting van de administratie en van het productienet in Curaçao.
  2. In het landsbesluit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan worden voorgeschreven dat de verzekeraar voor bepaalde handelingen, betreffende het solvabiliteitsfonds, bedoeld in het eerste lid onder a, toestemming van de Bank behoeft.
  3. Het is een verzekeraar met zetel in het buitenland waarop het tweede lid van toepassing is, verboden zonder toestemming van de Bank de handelingen, bedoeld in dat lid, te verrichten.

Artikel 23

  1. De verzekeraar met zetel in het buitenland stelt als zijn vertegenwoordiger een natuurlijk persoon of een rechtspersoon aan, die zijn woonplaats onderscheidenlijk zijn zetel in Curaçao heeft.
  2. De vertegenwoordiger heeft ten aanzien van de uitoefening van het verzekeringsbedrijf vanuit de vestigingen in Curaçao van rechtswege alle bevoegdheden die de verzekeraar bezit. Hij is verplicht daarvan gebruik te maken voor zover de Bank dat van hem eist.
  3. De vertegenwoordiger is gehouden namens de verzekeraar tot voldoen aan de bij krachtens deze landsverordening gegeven voorschriften. Het ontbreken van de vertegenwoordiger of zijn in gebreke zijn ontslaat de verzekeraar niet van de verplichting te voldoen aan deze voorschriften.
  4. Is de vertegenwoordiger rechtspersoon, dan wijst hij op zijn beurt een natuurlijk persoon aan, die in Curaçao zijn woonplaats heeft en die hem bij uitsluiting van ieder ander vertegenwoordigt in de uitoefening van zijn bevoegdheden en in de nakoming van zijn uit deze landsverordening voortvloeiende verplichtingen.
  5. Als plaats van vestiging van de verzekeraar in Curaçao geldt het kantoor van zijn vertegenwoordiger.
  6. Artikel 17 is van overeenkomstige toepassing op de natuurlijke persoon die als vertegenwoordiger is aangesteld en op de natuurlijke persoon, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 24

  1. Bij het aanvragen van de eerste vergunning legt de verzekeraar aan de Bank over, de akte van aanstelling van zijn vertegenwoordiger alsook, indien de vertegenwoordiger rechtspersoon is, een authentiek afschrift van de akte van oprichting en van de statuten van deze rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving in het handelsregister en de akte van aanstelling van de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 23, vierde lid.
  2. De modellen van de akten van aanstelling, bedoeld in het eerste lid, worden door de Bank vastgesteld.

Artikel 24a

Artikel 18a is van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK III

De uitoefening van het verzekeringsbedrijf.

Afdeling 1: Algemene bepalingen.

Artikel 25

  1. Een verzekeraar doet het boekjaar gelijk lopen met het kalenderjaar.
  2. De Bank is bevoegd van het bepaalde in het eerste lid ontheffing te verlenen. Aan een ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden en zij kan worden ingetrokken.

Artikel 25a

  1. De verzekeraar is verplicht zorg te dragen voor een goede administratieve organisatie en adequate interne controleprocedures.
  2. De Bank kan aan verzekeraars regels stellen voor hun bedrijfsvoering met betrekking tot de administratieve organisatie, met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle. De verzekeraar is verplicht zich te houden aan deze regels.

Artikel 26

  1. Iedere verzekeraar is verplicht bij de Bank periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen rapportagestaten nopens haar bedrijf in te dienen. De verzekeraar doet de hiervoor bedoelde staten vergezeld gaan van een verklaring van een externe deskundige. De indiening geschiedt in tweevoud en voor wat betreft de staten, die ingevolge het zesde lid, laatste volzin, openbaar worden gemaakt, in drievoud, tenzij de Bank andere aantallen vaststelt.
  2. Indien de Bank zulks voor de vervulling van de haar bij of krachtens deze landsverordening opgelegde taak nodig acht, kan zij een verzekeraar opdragen staten in te dienen die betrekking hebben op tijdstippen met een kortere tussenpoos of op kortere termijnen dan de in het eerste lid bedoelde termijn.
  3. Met betrekking tot het levensverzekeringsbedrijf behelst een der staten het actuariële verslag, terwijl in een andere staat de sterftevergelijking is opgenomen. Deze staten worden voorzien van een verklaring van de actuaris, waarmee deze bevestigt dat hij zich ervan heeft overtuigd dat de in het actuariële verslag genoemde voorzieningen juist zijn vastgelegd en de sterftevergelijking juist is weergegeven. Ten bewijze van een en ander waarmerkt de actuaris de betrokken staten. Hij is bevoegd zijn verklaring nader toe te lichten of op enig punt een voorbehoud te maken.
  4. Tot het afgeven van een verklaring als bedoeld in het derde lid is slechts bevoegd een actuaris tegen wie de Bank bij de verzekeraar geen bezwaar heeft gemaakt. Een verzekeraar is verplicht gebruik te maken van de diensten van een actuaris, waartegen de Bank geen bezwaar heeft gemaakt.
  5. De Bank kan tegen de aanstelling of handhaving van een actuaris bezwaar maken, indien de actuaris naar haar oordeel niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de hem toevertrouwde taak met betrekking tot het verzekeringsbedrijf naar behoren zal vervullen. Het bezwaar wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de betrokken verzekeraar en van de betrokken actuaris.
  6. De modellen van de staten, de toelichting daarop en de termijnen binnen welke zij moeten worden ingediend, worden voor het levensverzekeringsbedrijf en voor het schadeverzekeringsbedrijf door de Bank vastgesteld na overleg met de representatieve organisaties. De Bank bepaalt welke staten openbaar worden gemaakt en de wijze waarop deze staten openbaar worden gemaakt.
  7. De verzekeraar is verplicht de staten, bedoeld in het zesde lid, op de door de Bank te bepalen wijze openbaar te maken.
  8. De Bank kan een verzekeraar geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en zevende lid. Aan de ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. De verzekeraar is verplicht aan de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de ontheffing, bedoeld in de eerste volzin, te blijven voldoen.

Artikel 27

  1. Een verzekeraar met zetel in Curaçao is verplicht jaarlijks binnen een door de Bank vast te stellen termijn een jaarrekening, ten minste bevattend een balans en een winst- en verliesrekening met bijbehorende toelichting, over het afgelopen boekjaar, in een door de Bank vast te stellen vorm, en een jaarverslag bij de Bank in te dienen. Hierbij worden ook een verklaring van een externe deskundige, de directiebrieven en het verslag van de directie gevoegd. Het jaarverslag geeft een getrouw beeld van de toestand op de balansdatum en de gang van zaken gedurende het boekjaar. Het bevat mede inlichtingen omtrent gebeurtenissen van bijzondere betekenis die na het einde van het boekjaar hebben plaatsgevonden en worden mededelingen gedaan over de verwachte gang van zaken. Het jaarverslag mag niet in strijd zijn met de jaarrekening.
  2. Een verzekeraar met zetel in het buitenland is verplicht jaarlijks binnen een door de Bank vast te stellen termijn zijn jaarrekening, ten minste bevattende een balans en een winst- en verliesrekening met bijbehorende toelichting, over het afgelopen boekjaar en een jaarverslag, betreffende zijn gehele bedrijf, waar dit ook wordt uitgeoefend, bij de Bank in te dienen. Hierbij worden ook een verklaring van een externe deskundige, de directiebrieven en het verslag van de directie gevoegd.
  3. De Bank kan een verzekeraar met zetel in Curaçao, onderscheidenlijk een verzekeraar met zetel in het buitenland geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het tweede lid. Aan de ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. De verzekeraar is verplicht aan de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de ontheffing, bedoeld in de eerste volzin, te blijven voldoen.
  4. De Bank kan bepalen dat de jaarrekening van een verzekeraar met zetel in Curaçao, onderscheidenlijk de verzekeraar met zetel in het buitenland, die niet voldoet aan de definitie van grote vennootschap, bedoeld in afdeling 4 van titel 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt beoordeeld, onderscheidenlijk gecontroleerd door een andere deskundige dan de externe deskundige.

Artikel 27a

  1. De externe deskundige die op grond van artikel 27, eerste en tweede lid, de jaarrekening van een verzekeraar van een verklaring moet voorzien en die op grond van artikel 26, eerste lid, de staten van een verklaring moet voorzien, meldt de Bank zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden kennis heeft gekregen en die:
    a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van de vergunning zijn gesteld;
    b. in strijd is met de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen;
    c. het voortbestaan van de verzekeraar bedreigt; of
    d. de afgifte van een goedkeurende verklaring omtrent de getrouwheid in gevaar zou kunnen brengen.
  2. Bij een melding als bedoeld in het eerste lid zendt de externe deskundige onverwijld aan de Bank een afschrift van zijn rapport, de directiebrieven en de correspondentie die rechtstreeks betrekking heeft op de verklaring bij de jaarrekening, respectievelijk van enig van de periodiek bij de Bank in te dienen staten, indien en voor zover de Bank bij die staten een verklaring van een externe deskundige nodig heeft geacht. Indien de Bank zulks noodzakelijk acht, geeft de externe deskundige de Bank een mondelinge toelichting op de jaarrekening en de voornoemde stukken.
  3. Op de externe deskundige die naast zijn werkzaamheden voor de verzekeraar ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing indien de verzekeraar dochtermaatschappij is van die andere onderneming of instelling dan wel indien die andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de verzekeraar
  4. De externe deskundige die op grond van het eerste of derde lid tot een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor de schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.

Artikel 27b

  1. Iedere verzekeraar is verplicht binnen een door te Bank vast te stellen termijn zijn jaarrekening over het afgelopen boekjaar, in een door de Bank vast te stellen vorm, te publiceren.
  2. De Bank kan nadere algemeen verbindende voorschriften vaststellen met betrekking tot het publiceren van de in de eerste volzin bedoelde jaarrekening en de wijze waarop de publicatie dient te geschieden.
  3. Op de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in dit artikel, is artikel 18a, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 27c

  1. Tot het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 27, eerste lid, is slechts bevoegd een externe deskundige tegen wie de Bank geen bezwaar heeft gemaakt.
  2. De Bank kan tegen de aanstelling of handhaving van een externe deskundige bezwaar maken, indien de externe deskundige naar haar oordeel niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de hem toevertrouwde taak met betrekking tot het verzekeringsbedrijf naar behoren zal vervullen.
  3. Het bezwaar, bedoeld in het tweede lid, wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de betrokken verzekeraar en van de betrokken externe deskundige.
  4. Een verzekeraar is verplicht gebruik te maken van de diensten van een externe deskundige, waartegen de Bank geen bezwaar heeft gemaakt.

Artikel 28

(vervallen)

Artikel 29

  1. De Bank is bevoegd getuigen en deskundigen alsmede bestuurders en commissarissen van een verzekeraar en van een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 28, tweede lid, en de vertegenwoordiger op te roepen. Indien de vertegenwoordiger rechtspersoon is, geldt deze bevoegdheid ten aanzien van zijn bestuurders en commissarissen en ten aanzien van de door hem overeenkomstig artikel 23, vierde lid, aangewezen natuurlijke persoon.
  2. Deze personen zijn verplicht op die oproeping te verschijnen.
  3. De oproeping geschiedt op de wijze door de Bank te bepalen.
  4. Bij oproeping door middel van dagvaarding wordt de tussenkomst van het openbaar ministerie ingeroepen en vinden de bepalingen aangaande het dagvaarden van getuigen en deskundigen in strafzaken overeenkomstige toepassing.
  5. Indien de opgeroepene niet op de dagvaarding verschijnt, kan de Bank daarvan proces-verbaal opmaken. Zij kan hem andermaal doen dagvaarden en daarbij een bevel tot medebrenging voegen of zodanig bevel laten uitvaardigen. Tot het ten uitvoer leggen van zodanig bevel verleent het openbaar ministerie zijn tussenkomst; de Bank richt het verzoek daartoe tot de officier van justitie, hoofd van het parket bij het Gerecht.
  6. De getuigen en de deskundigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, onderscheidenlijk hun taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten, een en ander behoudens geldige redenen van verschoning overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering. De overige in het eerste lid bedoelde personen zijn verplicht alle ge-vraagde inlichtingen te verschaffen.
  7. De Bank is bevoegd de getuigen en de deskundigen de eed of de belofte af te nemen.
  8. Het afnemen van verhoren van getuigen en deskundigen alsook van de overige in het eerste lid bedoelde personen geschiedt op een plaats, door de Bank te bepalen. De Bank kan een of meer van haar directieleden of functionarissen die belast zijn met de uitvoering van deze landsverordening, machtigen een verhoor als in de eerste volzin bedoeld, af te nemen. Het afnemen van de eed of de belofte geschiedt echter steeds door een directielid.
  9. Aan getuigen en deskundigen wordt op hun verlangen een door de Bank te bepalen vergoeding toegekend.

Artikel 30

(vervallen)

Artikel 31

  1. Indien de Bank zulks noodzakelijk acht in het belang van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn of zullen worden bij overeenkomsten van verzekering, gesloten of te sluiten door een verzekeraar, kan zij deze verzekeraar bij aangetekende brief een met redenen omklede aanwijzing geven.
  2. De verzekeraar is verplicht de aanwijzing binnen de door de Bank gestelde termijn op te volgen.
  3. Indien naar het oordeel van de Bank onvoldoende, niet of niet binnen de door haar vastgestelde termijn aan haar aanwijzing als bedoeld in het eerste lid gevolg is gegeven, kan de Bank:
    a. de verzekeraar bij aangetekende brief aanzeggen dat vanaf een door haar te bepalen tijdstip alle of bepaalde organen van de verzekeraar, daaronder voor de toepassing van dit artikel de vertegenwoordiger begrepen, hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door één of meer door de Bank aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, welke aanzegging terstond van kracht wordt;
    b. de verzekeraar bij aangetekende brief aanzeggen dat zij zal overgaan tot publicatie van de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid. Deze publicatie geschiedt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst, alsmede in één of meer dagbladen ter keuze van de Bank. Bij de publicatie wordt, indien de verzekeraar zulks verlangt, tevens de correspondentie bekendgemaakt die naar aanleiding van de aanwijzing tussen de Bank en de verzekeraar is gevoerd;
    c. wanneer zij zulks in het belang acht van verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen, met de representatieve organisatie van de groep waartoe de verzekeraar behoort, dienaangaande in overleg treden. De Bank doet de verzekeraar mededeling van het overleg.
  4. Indien het in het eerste lid bedoelde belang onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, kan de Bank zonder toepassing van het eerste lid onmiddellijk uitvoering geven aan onderdelen a en c van het derde lid, nadat zij de verzekeraar in de gelegenheid heeft gesteld zijn mening over de onmiddellijke uitvoering te geven. In dat geval is een aanzegging als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en c, met redenen omkleed.
  5. De organen van de verzekeraar zijn verplicht de door de Bank aangewezen personen alle medewerking te verlenen. De Bank kan de betrokken organen van de verzekeraar toestaan bepaalde handelingen zonder haar machtiging te verrichten.
  6. De door de Bank aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaar na verzending van de aanzegging, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, dan wel het vierde lid. De Bank is bevoegd deze termijn telkens voor ten hoogste één jaar te verlengen. Van zodanige verlenging doet de Bank de verzekeraar mededeling per aangetekende brief. De verlenging wordt terstond van kracht en daaraan behoort gevolg te worden gegeven niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening. De Bank kan te allen tijde de door hen aangewezen personen door anderen vervangen.
  7. Voor schade ten gevolge van handelingen die zijn verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, dan wel het vierde lid zijn degenen die deze handelingen als orgaan van de verzekeraar verrichten, persoonlijk aansprakelijk tegenover de verzekeraar. De verzekeraar of de Bank namens de verzekeraar kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn.
  8. De Bank trekt in elk geval de maatregel, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, dan wel het vierde lid in zodra zij van oordeel is, dat het in het eerste lid bedoelde belang deze maatregel niet langer noodzakelijk maakt. Zij stelt de verzekeraar van de intrekking bij aangetekende brief in kennis.
  9. De Bank kan slechts wanneer haar beslissing tot publicatie van de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onherroepelijk is geworden, tot publicatie overgaan. Indien de verzekeraar na de publicatie alsnog voldoet aan de aanwijzing dan wel indien de Bank de aanwijzing intrekt, geeft de Bank hiervan op dezelfde wijze als bij de voorafgaande publicatie kennis.
  10. De kosten en beloning van de door de Bank aangewezen personen, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, en de kosten van de bekendmakingen bedoeld in het derde lid, onderdeel b, en het negende lid, laatste volzin, komen ten laste van de betrokken verzekeraar.

Artikel 32

  1. Het is een verzekeraar verboden zonder voorafgaande toestemming van de Bank:
    a. haar statuten en reglementen te wijzigen;
    b. een gekwalificeerde deelneming in een andere onderneming of instelling te houden, te verwerven dan wel te vergroten;
    c. verzekeringsactiviteiten buiten Curaçao uit te oefenen;
    d. haar eigen vermogen door terugbetaling van kapitaal, uitkering van reserves of van de winst van het lopend boekjaar te verminderen.
  2. Het is een ieder verboden zonder voorafgaande toestemming van de Bank:
    a. personen die het dagelijks beleid van een verzekeringsbedrijf bepalen of mede bepalen, te benoemen;
    b. de leden van de raad van commissarissen van een verzekeringsbedrijf, te benoemen; en
    c. aandelen direct of indirect van een verzekeringsbedrijf over te dragen of te vervreemden.
  3. Een verzekeraar legt een authentiek afschrift van elke wijziging van zijn statuten en een door zijn bestuur gewaarmerkt afschrift van elke wijziging van zijn reglementen aan de Bank over en brengt elke wijziging in de samenstelling van zijn bestuur en raad van commissarissen ter kennis van de Bank, een en ander binnen veertien dagen na de totstandkoming van de wijziging.
  4. Een verzekeraar die het levensverzekeringsbedrijf uitoefent, doet van elke wijziging van zijn algemene en bijzondere polisvoorwaarden, van zijn tarieven en van de technische grondslagen voor de berekening van zijn tarieven binnen veertien dagen na de totstandkoming daarvan opgave aan de Bank.

Artikel 33

  1. De Bank brengt jaarlijks, vóór 1 september, verslag uit aan de Minister over haar werkzaamheden en bevindingen in de uitoefening van de haar bij deze landsverordening opgedragen taak. In het verslag worden niet opgenomen de door haar uitgebrachte adviezen die niet bekend zijn gemaakt, noch wordt ten aanzien van afzonderlijke verzekeraars melding gemaakt van inlichtingen die niet in de openbaar te maken staten, bedoeld in artikel 26, zesde lid, laatste volzin, zijn opgenomen. Een oordeel over enige verzekeraar wordt in dit verslag niet kenbaar gemaakt.
  2. Het verslag wordt door de zorg van de Bank openbaar gemaakt.

Afdeling 2: Bepalingen omtrent de technische voorzieningen.

Artikel 34

  1. Een verzekeraar is verplicht toereikende technische voorzieningen aan te houden. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen ter zake voor het levensverzekeringsbedrijf en voor het schadeverzekeringsbedrijf nadere regelen worden gesteld.
  2. De technische voorzieningen dienen volledig door waarden te zijn gedekt. De Bank kan tegen de aard en de waardering van deze waarden bezwaar maken, aan welk bezwaar de verzekeraar dient tegemoet te komen.
  3. De waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen moeten in dezelfde muntsoort kunnen worden te gelde gemaakt of geïnd als die waarin de verplichtingen luiden. Zij moeten in Curaçao aanwezig zijn, met dien verstande dat zulks ten aanzien van verzekeraars met zetel in Curaçao slechts geldt voor de waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen voor de vanuit de vestigingen in Curaçao aangegane verplichtingen. Waarden die bestaan uit schuldvorderingen, zijn in Curaçao aanwezig indien zij aldaar kunnen worden geïnd.
  4. De Bank verleent een verzekeraar op diens verzoek ontheffing van het bepaalde in de eerste of tweede volzin van het derde lid mits de belangen van de verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zich naar haar oordeel daarentegen niet verzetten. Aan een ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden en zij kan worden ingetrokken.
  5. Een vordering op een herverzekeraar uit hoofde van een door een verzekeraar als verzekeringnemer gesloten overeenkomst van herverzekering komt als waarde, bedoeld in het derde lid, in aanmerking voor zover het naar het oordeel van de Bank aannemelijk is dat de vordering in Curaçao zal worden voldaan of anders de desbetreffende schade door de verzekeraar in het buitenland moet worden vergoed. Het bepaalde in de vorige volzin is eveneens van toepassing op een toekomstige vordering op de herverzekeraar mits de vordering betrekking heeft op een reeds bekende maar nog niet afgewikkelde schade.
    Bij de berekening van de hoogte van de vorderingen op de herverzekeraar worden de bedragen die de verzekeraar aan de herverzekeraar verschuldigd is, in mindering gebracht op het totale bedrag van de vorderingen.
  6. Ten aanzien van vorderingen op herverzekeraar als bedoeld in het vijfde lid, is het bepaalde in het derde lid, tweede volzin, niet van toepassing.

Artikel 35

  1. De waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen voor de vanuit de vestigingen in Curaçao aangegane verplichtingen, worden door de verzekeraar als zodanig geadministreerd.
    Een verzekeraar als in artikel 19a, onderscheidt in deze administratie de waarden, behorende tot het door hem uitgeoefende levensverzekeringsbedrijf, van de waarden, behorende tot het door hem uitgeoefende schadeverzekeringsbedrijf.
  2. In een der staten, bedoeld in artikel 26, vermeldt de verzekeraar de bedragen die de in het eerste lid bedoelde waarden per categorie, als aangegeven in de staat, in totaal belopen.

Afdeling 3: Bepalingen omtrent de solvabiliteitsmarge van verzekeraars met zetel in Curaçao.

Artikel 36

  1. Een verzekeraar met zetel in Curaçao die het levensverzekeringsbedrijf uitoefent, dient te beschikken over een solvabiliteitsmarge die tenminste vier procent van de voorziening voor verzekeringsverplichtingen aan het einde van het voorgaande boekjaar beloopt, zonder dat rekening wordt gehouden met de herverzekering van deze verplichtingen.
  2. Een verzekeraar met zetel in Curaçao die het schadeverzekeringsbedrijf uitoefent, dient te beschikken over een solvabiliteitsmarge die tenminste vijftien procent van de in het voorgaande boekjaar geboekte bruto premie beloopt.
  3. De solvabiliteitsmarge beloopt evenwel tenminste een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, voor levensverzekeraars onderscheidenlijk schadeverzekeraars vast te stellen bedrag.
  4. In een krachtens artikel 26, zesde lid, vast te stellen model van een staat wordt bepaald welke vermogensbestanddelen de solvabiliteitsmarge kunnen vormen, welke vermogensbestanddelen daarbij een aftrek dienen te vormen, alsmede de mate waarin en de voorwaarden waaronder een en ander geschiedt. De Bank kan tegen de waardering van de vermogensbestanddelen bezwaar maken.
  5. Indien een verzekeraar met zetel in Curaçao weet of redelijkerwijze kan voorzien dat zijn solvabiliteitsmarge niet voldoet of zal voldoen aan de eisen die daaraan krachtens het eerste tot en met derde lid zijn gesteld, doet hij hiervan terstond aan de Bank mededeling.

Afdeling 4: Aanvullende bepalingen omtrent verzekeraars met zetel in het buitenland.

Artikel 37

De verzekeraar met zetel in het buitenland is verplicht alle zakelijke bescheiden betreffende het verzekeringsbedrijf dat hij in Curaçao uitoefent ten kantore van zijn vertegenwoordiger in Curaçao te bewaren.

Artikel 38

  1. Ontslag van de vertegenwoordiger is niet geldig tenzij het gepaard gaat met de aanstelling van een opvolger. Het ontslag gaat niet in voordat de akten van ontslag en van aanstelling van de opvolger aan de Bank zijn overgelegd en deze aan het bestuur van de verzekeraar schriftelijk heeft meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar heeft.
  2. De vertegenwoordiger die heeft bedankt, behoudt zijn hoedanigheid totdat hij van zijn bedanken kennis heeft gegeven aan de Bank en deze aan het bestuur van de verzekeraar schriftelijk heeft aangedeeld dat zij daartegen geen bezwaar heeft.

Artikel 39

  1. Een vertegenwoordiger houdt vanaf de dag van zijn faillietverklaring of ondercuratelestelling van rechtswege op vertegenwoordiger te zijn.
  2. De aanwijzing, bedoeld in artikel 23, vierde lid, vervalt van rechtswege vanaf de dag van faillietverklaring of ondercuratelestelling van de aangewezen natuurlijke persoon alsmede vanaf de dag van faillietverklaring van de vertegenwoordiger.

Artikel 40

  1. Van het overlijden, de faillietverklaring of de ondercuratelestelling van de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 23, vierde lid, alsmede van het ontslag van deze natuurlijke persoon, geeft de verzekeraar onderscheidenlijk de vertegenwoordiger binnen acht dagen aan de Bank kennis. Dezelfde verplichting rust op de verzekeraar ingeval hij een rechtspersoon als zijn vertegenwoordiger heeft aangewezen en deze rechtspersoon is ontbonden.
  2. In de gevallen, genoemd in het eerste lid, alsook in het geval dat de vertegenwoordiger heeft bedankt, stelt de verzekeraar of wijst de vertegenwoordiger binnen een door de Bank te bepalen termijn een nieuwe vertegenwoordiger onderscheidenlijk een andere natuurlijke persoon aan. Het bepaalde in artikel 24, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
  3. Zolang de vertegenwoordiger ontbreekt, wordt de verzekeraar geacht te zijn gevestigd ten parkette van de officier van justitie bij het Gerecht.

Artikel 41

Een vertegenwoordiger die rechtspersoon is, legt een authentiek afschrift van elke wijziging van zijn statuten aan de Bank over binnen veertien dagen na de totstandkoming van de wijziging.

Artikel 42

Indien een verzekeraar de beschikkingsbevoegdheid van zijn vertegenwoordiger ten aanzien van de waarden, behorende tot het in Curaçao uitgeoefende verzekeringsbedrijf, heeft beperkt, brengt de verzekeraar elke wijziging daarin binnen veertien dagen van de totstandkoming van de wijziging ter kennis van de Bank. Eenzelfde verplichting tot kennisgeving rust op de verzekeraar die de beschikkingsbevoegdheid van zijn vertegenwoordiger na diens aanstelling beperkt.

Artikel 43

  1. De Bank kan ieder die in Curaçao bemiddelt bij of op soortgelijke wijze meewerkt aan de totstandkoming van overeenkomsten van verzekering die verzekeraars met zetel in het buitenland in hun in het buitenland uitgeoefende bedrijf sluiten met in Curaçao woonachtige of gevestigde verzekeringnemers, verplichten aan de Bank periodiek schriftelijk opgave te doen van de aldus met zijn medewerking tot stand gekomen overeenkomsten. In deze opgave worden met betrekking tot elke overeenkomst vermeld de datum van sluiting, de naam en het adres van de betrokken verzekeraar en de bij de overeenkomst gedekte risico’s en verschuldigde premies.
  2. De Bank stelt het model van de in het eerste lid bedoelde opgave vast.

Artikel 44

  1. De Minister kan, de Bank gehoord, aan een verzekeraar met zetel in het buitenland voorschriften of een verbod opleggen ter zake van acquisitie in Curaçao van in de bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging buiten Curaçao te sluiten overeenkomsten van verzekering.
  2. Onder acquisitie worden verstaan alle handelingen, strekkende tot het voorbereiden of tot stand brengen van overeenkomsten van verzekering.
  3. De Minister vaardigt voorschriften of een verbod ter zake van acquisitie niet uit dan nadat de betrokken verzekeraar in de gelegenheid is gesteld zijn gevoelens daaromtrent schriftelijk aan de Minister kenbaar te maken.
  4. Besluiten van de Minister, houdende voorschriften of een verbod ter zake van acquisitie, en de intrekking daarvan, worden aan de verzekeraar bij aangetekende brief meegedeeld en bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële besluiten worden bekendgemaakt.
  5. Indien de verzekeraar beroep instelt tegen een besluit van de Minister, houdende voorschriften of een verbod ter zake van acquisitie, wordt de bekendmaking van het besluit opgeschort.
  6. Het is verboden in Curaçao te bemiddelen bij of op enige andere wijze mee te werken aan de voorbereiding of de totstandkoming van overeenkomsten van verzekering met een verzekeraar aan wie een verbod van acquisitie is opgelegd, dan wel te handelen in strijd met de op grond van het eerste lid gegeven voorschriften omtrent acquisitie.

HOOFDSTUK IV

Overdracht van rechten en verplichtingen uit
overeenkomsten van levensverzekering.

Artikel 45

  1. Een verzekeraar kan zijn rechten en verplichtingen uit alle of een deel van de overeenkomsten van levensverzekering slechts bij schriftelijke overeenkomst en met schriftelijke toestemming van de Bank aan een andere verzekeraar overgedragen.
  2. In afwijking van het eerste lid is een verzekeraar bevoegd zijn rechten en verplichtingen uit een individuele overeenkomst van levensverzekering op schriftelijk verzoek van de verzekeringnemer over te dragen.

Artikel 46

  1. Een aanvraag ter verklaring van toestemming van de Bank tot overdracht van rechten en verplichtingen gaat vergezeld van een ontwerp-overeenkomst met alle ter toelichting dienende stukken. De verzekeraar verstrekt tevens de door de Bank verlangde aanvullende gegevens.
  2. Indien de Bank aanvankelijk geen bezwaren heeft tegen het ontwerp van tot de overdracht strekkende overeenkomst, geeft zij daarvan zo spoedig mogelijk na de ontvangst aan de verzekeraar kennis. Heeft zij aanvankelijk wel bezwaren, dan brengt zij deze bezwaren, met redenen omkleed, eveneens zo spoedig mogelijk schriftelijk ter kennis van de verzekeraar.

Artikel 47

  1. Indien de Bank tegen het ontwerp aanvankelijk geen bezwaren heeft of nadat aan deze bezwaren is tegemoet gekomen, maakt de verzekeraar zijn voornemen tot overdracht van rechten en verplichtingen bekend in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst en op andere door de Bank in het belang van de polishouders te bepalen wijze. Daarbij wordt mededeling gedaan van een door de Bank vast te stellen termijn, binnen welke de betrokken polishouders zich bij de Bank schriftelijk tegen de overdracht kunnen verzetten.
  2. Indien polishouders, vertegenwoordigende een vierde of meer van het betrokken verzekerde bedrag, zich binnen de gestelde termijn tegen de overdracht hebben verzet, kan een overdracht niet volgen, ook niet ten aanzien van hen die zich tegen de overdracht niet hebben verzet. De Bank doet daarvan mededeling aan de verzekeraar.
  3. Heeft de Bank alsnog bezwaren tegen de overdracht dan brengt zij deze bezwaren, met redenen omkleed, zo spoedig mogelijk na afloop van de gestelde termijn schriftelijk ter kennis van de verzekeraar.
  4. Indien zich niet binnen de gestelde termijn polishouders, vertegenwoordigende een vierde of meer van het betrokken verzekerde bedrag, tegen de overdracht verzet en tegen de overdracht ook bij de Bank geen bezwaren bestaan of aan deze bezwaren is tegemoetgekomen, verleent de Bank de verzekeraar schriftelijk toestemming tot de overdracht. De overdracht kan dan volgen en is van kracht ten aanzien van alle belanghebbenden.
  5. De verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen heeft overgedragen, maakt de overdracht bekend in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst, met vermelding van de datum waarop zij is geschied.
  6. In het tweede en vierde lid wordt onder het verzekerde bedrag verstaan het verzekerd kapitaal, vermeerderd met tienmaal de verzekerde jaarlijkse renten.
  7. Voor de toepassing van het eerste, tweede en vierde lid wordt onder polishouder verstaan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger, doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot uitkering gerechtigde.

HOOFDSTUK V

Overdracht van rechten en verplichtingen uit
overeenkomsten van schadeverzekering.

Artikel 48

  1. Bij schriftelijke overeenkomst en met schriftelijke toestemming van de Bank kan een verzekeraar zonder toestemming van degenen die aan die overeenkomsten rechten kunnen ontlenen, zijn rechten en verplichtingen uit of krachtens overeenkomsten van schadeverzekering aan een andere verzekeraar overdragen. De overdracht kan betrekking hebben op alle of een deel van de overeenkomsten van schadeverzekering.
  2. Het is de verzekeraar verboden zijn rechten en plichten als bedoeld in het eerste lid over te dragen zonder schriftelijke toestemming van de Bank.

Artikel 49

  1. Op de aanvraag ter verkrijging van toestemming van de Bank tot de overdracht is artikel 46, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
  2. De Bank deelt zo spoedig mogelijk haar beslissing schriftelijk aan de verzekeraar mee. Een afwijzende beslissing wordt met redenen omkleed.

Artikel 50

  1. Indien met toestemming van de Bank overdracht van rechten en verplichtingen heeft plaatsgevonden, maakt de verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen heeft overgedragen, de overdracht bekend in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst en op andere wijze, door de Bank te bepalen in het belang van diegenen die aan de betrokken overeenkomsten van schadeverzekering rechten kunnen ontlenen. De inhoud van deze bekendmakingen behoeft de voorafgaande goedkeuring van de Bank.
  2. De overdracht wordt ten aanzien van alle andere belanghebbenden dan de betrokken verzekeraars van kracht met ingang van de dag, volgende op die van de dagtekening van de in het eerste lid bedoelde bekendmaking.
  3. De bij een overdracht betrokken verzekeringnemers zijn gedurende zestig dagen na dagtekening van de in het eerste lid bedoelde bekendmaking bevoegd, de overeenkomst van schadeverzekering schriftelijk te beëindigen met ingang van de eenenzestigste dag na die dagtekening. De verzekeraar geeft alsdan de vooruitbetaalde premie terug voor het gedeelte dat evenredig is aan het op genoemde dag nog niet verstreken gedeelte van de termijn waarvoor de premie werd betaald.

HOOFDSTUK VI

Bijzondere maatregelen.

Artikel 51

  1. Indien een verzekeraar met zetel in het buitenland niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 34 gestelde eisen met betrekking tot de technische voorzieningen, is de Bank bevoegd hem te verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van de Bank te beschikken over de in Curaçao aanwezige waarden.
  2. Het is de verzekeraar, bedoeld in het eerste lid, waarop de Bank een verbod als bedoeld in dat lid heeft uitgevaardigd, verboden zonder schriftelijke machtiging van de Bank te beschikken over diens in Curaçao aanwezige waarden.
  3. De beslissing waarbij het verbod wordt opgelegd, is met redenen omkleed en wordt door de Bank door middel van een deurwaardersexploot ter kennis van de verzekeraar gebracht.
  4. De verzekeraar dan wel de Bank, namens de verzekeraar, kan de ongeldigheid van een rechtshandeling, door de verzekeraar verricht in strijd met het verbod, inroepen indien de wederpartij het verbod kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
  5. De Bank heft het verbod op zodra de verzekeraar weer voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen. De Bank brengt de opheffing van het verbod bij aangetekende brief ter kennis van de verzekeraar.

Artikel 52

  1. Indien een verzekeraar met zetel in Curaçao niet meer beschikt over de ingevolge artikel 36, eerste of tweede lid, vereiste solvabiliteitsmarge, dient hij tenzij het tweede lid van toepassing is binnen een door de Bank te bepalen termijn bij de Bank een saneringsplan ter goedkeuring in, dat aangeeft op welke wijze en binnen welke termijn de solvabiliteitsmarge weer op vereiste omvang zal worden gebracht.
  2. Indien de solvabiliteitsmarge is gedaald of naar het oordeel van de Bank zal dalen beneden het krachtens artikel 36, derde lid, vereiste minimum bedrag, dient de verzekeraar bij de Bank binnen een door deze te bepalen termijn een financieringsplan ter goedkeuring in, dat aangeeft hoe op korte termijn de solvabiliteitsmarge weer op vereiste omvang zal worden gebracht.
  3. Ingeval het eerste lid reeds toepassing vond, geeft het financieringsplan tevens aan hoe het saneringsplan daarin is verwerkt.
  4. De Bank kan op verzoek van de verzekeraar wijzigingen in een goedgekeurd plan toestaan dan wel, bij gewijzigde omstandigheden, wijziging van het plan eisen of de goedkeuring intrekken.

Artikel 52a

  1. Indien de door de verzekeraar met zetel in het buitenland ingevolge het landsbesluit, houdende algemene maatregelen, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel a, in Curaçao als solvabiliteitsfonds aan te houden waarden niet meer als reservefonds kunnen dienen, dient hij binnen een door de Bank te bepalen termijn bij de Bank een financieringsplan ter goedkeuring in, dat aangeeft hoe op korte termijn de als solvabiliteitsfonds aan te houden waarden weer als reservefonds kunnen dienen.
  2. De Bank kan op verzoek van de verzekeraar wijzigingen in een goedgekeurd plan toestaan dan wel bij gewijzigde omstandigheden wijzigingen van het plan eisen of de goedkeuring intrekken.

Artikel 53

  1. De Bank is bevoegd in het geval, bedoeld in artikel 52, tweede lid, de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, waar deze zich ook bevinden, te beperken of de verzekeraar te verbieden om anders dan met schriftelijke machtiging van de Bank te beschikken over deze waarden.
  2. Met betrekking tot de beperking en het verbod, bedoeld in het eerste lid, is artikel 51, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 54

Een verzekeraar wiens solvabiliteitsmarge niet voldoet aan de in artikel 36, eerste tot en met derde lid, gestelde eisen, doet aan de Bank binnen de door deze te bepalen termijn en op de door deze te bepalen wijze opgave van de in artikel 35 bedoelde waarden. Van elke wijziging die vervolgens in deze waarden wordt aangebracht, doet hij terstond schriftelijk mededeling aan de Bank.

HOOFDSTUK VII

Intrekking van de vergunning.

Artikel 55

  1. De Bank trekt de vergunning in, indien:
    a. de verzekeraar de intrekking daarvan verzoekt. Binnen 60 dagen na ontvangst van een zodanig verzoek wordt daarop door de Bank beslist;
    a. de verzekeraar in staat van faillissement is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend;
    b. de verzekeraar de uitoefening van het levensverzekeringsbedrijf dan wel de bedrijfsuitoefening in de betrokken schadegroep heeft gestaakt;
    c. de verzekeraar kennelijk niet meer voldoet aan de in artikel 1, onderdeel g, gegeven definitie;
    d. de verzekeraar van de vergunning misbruik of oneigenlijk gebruik maakt;
    e. de structuur van de groep waarvan de verzekeraar deel uitmaakt zodanig wordt gewijzigd dat de Bank of de instantie van het land van herkomst die met het toezicht op verzekeraars is belast, onvoldoende adequaat en effectief toezicht, onderscheidenlijk geconsolideerd toezicht kan uitoefenen op de verzekeraar; of
    f. de verzekeraar of een van de beleidsbepalende of medebeleidsbepalende personen van de betreffende verzekeraar niet of niet meer voldoen aan de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen.
  2. De Bank kan de vergunning intrekken, indien:
    a. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
    b. zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd;
    c. één der bestuurders of degene die het dagelijks beleid van de verzekeraar bepaalt of mede bepaalt in staat van faillissement is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend;
    d. de verzekeraar niet binnen een door de Bank vast te stellen termijn met haar bedrijf daadwerkelijk een aanvang heeft gemaakt.

Artikel 56

  1. Een besluit tot intrekking van de vergunning of de weigering tot intrekking van de vergunning, is met redenen omkleed en wordt door de Bank bij deurwaardersexploot aan de betrokken verzekeraar betekend.
  2. De intrekking wordt eerst van kracht wanneer het daartoe strekkende besluit onherroepelijk is geworden.
  3. Het besluit tot intrekking van de vergunning en indien de Bank zulks noodzakelijk acht in het belang van de ontwikkeling en instandhouding van een gezond verzekeringswezen, ook de redenen voor de intrekking, worden zo spoedig mogelijk nadat dit besluit onherroepelijk is geworden, digitaal bekend gemaakt op de website van de Bank. De Bank kan, indien zij dit in het belang van de verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen acht, het besluit, alsmede de redenen voor de intrekking, bedoeld in het eerste volzin, eveneens op andere door haar te bepalen wijze bekendmaken. De kosten van de laatstbedoelde bekendmaking komen ten laste van de betrokken verzekeraar.
  4. De Bank kan de in het derde lid bedoelde publicatie tot een nader door haar te bepalen tijdstip aanhouden, indien de bekendmaking ernstige schade aan de belangen van verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zou kunnen toebrengen.
  5. De verzekeraar die bezwaar of beroep heeft aangetekend tegen de weigering van de Bank om de vergunning in te trekken, is verplicht hangende de behandeling van het bezwaar of beroep haar bedrijf voort te zetten met inachtneming van de bij of krachtens deze landsverordening vastgestelde algemeen verbindende voorschriften, alsmede de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de vergunning.

Artikel 57

De intrekking van een vergunning verplicht de verzekeraar het betrokken gedeelte van zijn bedrijf af te wikkelen. Hij blijft daarbij onderworpen aan de bepalingen van deze lands-verordening.

Artikel 58

  1. Indien de Bank een vergunning intrekt op grond van artikel 55, onderdeel g, beperkt zij de uitoefening van de bevoegdheid van de verzekeraar om over zijn waarden te beschikken of verbiedt zij hem om anders dan met haar schriftelijke machtiging over deze waarden te beschikken, voor zover zulks niet reeds ingevolge artikel 51, eerste lid, of artikel 53, eerste lid, is geschied.
  2. De Bank brengt de beperking of het verbod, opgelegd ingevolge het eerste lid, bij het besluit tot intrekking van de vergunning ter kennis van de verzekeraar.
  3. De Bank maakt de beperking of het verbod, opgelegd ingevolge het eerste lid, artikel 51, eerste lid of artikel 53, eerste lid, openbaar bij de bekendmaking, bedoeld in artikel 56, derde lid.
  4. De Bank kan namens de verzekeraar de ongeldigheid inroepen van een rechtshandeling, door de verzekeraar in strijd met de beperking of het verbod verricht. Is de rechtshandeling verricht voor de openbaarmaking van de beperking of het verbod, dan kan de verzekeraar dan wel de Bank namens hem de ongeldigheid van de rechtshandeling inroepen indien de wederpartij de beperking onderscheidenlijk het verbod kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
  5. De Bank heft de beperking of het verbod, opgelegd ingevolge het eerste lid, op zodra het besluit tot intrekking van de vergunning is vernietigd.

HOOFDSTUK VIII

Noodregeling en faillissement.

Artikel 59

  1. Een vordering of verzoek tot faillietverklaring van een verzekeraar eigen aangifte daaronder begrepen wordt niet in behandeling genomen zolang de verzekeraar in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 9, onder a.
  2. Indien alle vergunningen van een verzekeraar zijn ingetrokken, wordt op het verzoek of de vordering tot faillietverklaring niet beslist dan nadat de rechter de Bank in de gelegenheid heeft gesteld haar gevoelen daaromtrent kenbaar te maken.
  3. De wettelijke bepalingen inzake surséance van betaling zijn op verzekeraars niet van toepassing.

Artikel 60

  1. Wanneer het belang der gezamenlijke schuldeisers van de verzekeraar, wiens vergunning is ingetrokken een bijzondere voorziening vordert, kan het Gerecht, op verzoek van de Bank de noodregeling uitspreken.
  2. Bij het uitspreken van de noodregeling machtigt het Gerecht de Bank tot:
    a. vereffening van het geheel of van een gedeelte van de portefeuille van de verzekeraar;
    b. overdracht van alle of van een deel van zijn rechten en verplichtingen uit of krachtens overeenkomsten van verzekering: of
    c. herstructurering van het bedrijf van de verzekeraar.
    Zolang de Bank nog niet is gebleken dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft, strekt de machtiging mede tot vereffening van het vermogen van de onderneming van de verzekeraar.
  3. Ten aanzien van een verzekeraar met zetel in het buitenland heeft de machtiging betrekking op het vanuit de vestigingen in Curaçao uitgeoefende verzekeringsbedrijf.
  4. Het Gerecht behandelt het verzoek van de Bank tot het uitspreken van de noodregeling met de meeste spoed op een openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze landsverordening niet is afgeweken.
  5. Het Gerecht is bevoegd inzage te nemen of te doen nemen van de boeken en zakelijke bescheiden van de verzekeraar. Artikel 30 is daarbij van overeenkomstige toepassing.
  6. Het Gerecht geeft geen beschikking dan nadat de verzekeraar en de Bank zijn gehoord althans behoorlijk zijn opgeroepen.
  7. Een door de verzekeraar tegen de intrekking van een vergunning ingesteld bezwaar of beroep schorst de behandeling van het verzoek van de Bank tot het uitspreken van de noodregeling niet.
  8. De beschikking van het Gerecht wordt met redenen omkleed en wordt, zo het verzoek van de Bank wordt toegewezen, op een openbare terechtzitting uitgesproken. De griffier maakt de zakelijke inhoud van de beschikking bekend in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  9. Tegen de beschikking staat generlei voorziening open behoudens cassatie in het belang der wet.

Artikel 61

  1. Wanneer een verzoek van de Bank tot het uitspreken van de noodregeling aanhangig is tegelijk met een verzoek of vordering tot faillietverklaring, wordt de behandeling van het verzoek of de vordering tot faillietverklaring geschorst totdat op het verzoek van de Bank is beschikt. Indien het Gerecht de noodregeling uitspreekt, vervalt het verzoek of de vordering tot faillietverklaring van rechtswege.
  2. Het uitspreken van de noodregeling heeft mede tot gevolg dat de verzekeraar slechts in staat van faillissement kan worden verklaard overeenkomstig artikel 71.
  3. Het Gerecht kan op verzoek van de Bank de noodregeling intrekken. De griffier maakt de intrekking bekend in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.

Artikel 62

Vanaf de dag van het uitspreken van de noodregeling mogen aan de in artikel 35 bedoelde waarden geen andere waarden worden toegevoegd dan de sindsdien ontvangen premies of de met die premies verkregen waarden, voor zover deze dienen tot dekking van de technische voorzieningen. Indien faillissement wordt uitgesproken zonder voorafgaande noodregeling of later dan een maand na de beëindiging van de noodregeling, geldt hetzelfde verbod vanaf de dag van de faillietverklaring.

Artikel 63

  1. Indien het Gerecht de noodregeling uitspreekt, oefent de Bank bij uitsluiting alle bevoegdheden van de bestuurders, de commissarissen of de vertegenwoordiger van de verzekeraar uit.
  2. De Bank waakt voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.
  3. De bestuurders, de commissarissen of de vertegenwoordiger van de verzekeraar zijn verplicht bij de uitoefening door de Bank van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden alle door de Bank gevraagde medewerking te verlenen.
  4. De Bank is bevoegd de bestuurders of de vertegenwoordiger van de verzekeraar te machtigen bepaalde handelingen te verrichten.
  5. De Bank is bevoegd bestuurders, commissarissen of de vertegenwoordiger namens de verzekeraar te ontslaan. Bij dit ontslag worden de overeengekomen of wettelijke termijnen in acht genomen, met dien verstande dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende is.
  6. Indien de verzekeraar zijn zetel in Curaçao heeft, behoeft een besluit van zijn aandeelhouders of leden om van kracht te zijn de goedkeuring van de Bank.
  7. Wordt een besluit van aandeelhouders of leden, dat ingevolge de statuten van de in het zesde lid bedoelde verzekeraar voor een handeling is vereist, niet genomen of verkrijgt dit besluit niet de volgens de statuten vereiste goedkeuring, dan kan de Bank dit besluit nemen.
  8. De Bank kan personen machtigen alle of een deel van de bevoegdheden uit te oefenen, die zij ingevolge het eerste lid heeft. De Bank kan het Gerecht verzoeken een beloning voor de gemachtigden vast te stellen. De Bank maakt naam en woonplaats van een door haar gemachtigde alsook de intrekking van een machtiging bekend in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst. De Bank draagt zorg voor bekendmaking van de naam en woonplaats van een door haar gemachtigde, alsook de intrekking van de machtiging aan de Kamer van Koophandel opdat deze gegevens in de betreffende registers van de Kamer van Koophandel kunnen worden opgenomen.

Artikel 64

Ingevolge de haar verleende machtiging is de Bank, ongeacht hetgeen daaromtrent bij de statuten van de verzekeraar is bepaald, bevoegd:
a. alle nog niet gedane stortingen op de aandelen in het geplaatste kapitaal onderscheidenlijk het waarborgkapitaal van de verzekeraar uit te schrijven en te innen;
b. naheffingen op te leggen en te innen tot het in de statuten bepaalde maximum indien de verzekeraar de rechtsvorm van onderlinge waarborgmaatschappij bezit.

Artikel 65

  1. Het uitspreken van de noodregeling heeft tot gevolg dat de verzekeraar niet kan worden genoodzaakt tot nakoming van zijn schulden die voor de uitspraak zijn ontstaan, zomin als tot nakoming van zijn schulden, na de uitspraak ontstaan ter zake van uitkeringen krachtens lopende overeenkomsten van verzekering. Aangevangen executies worden geschorst en gelegde beslagen vervallen.
  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor:
    a. vorderingen die door pand of hypotheek op goederen van de verzekeraar zijn gedekt;
    b. termijnen van huurkoop.
  3. Voor zover vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt, niet op de verbonden zaak kunnen worden verhaald, werkt de uitspraak wel ten aanzien van deze vorderingen.
  4. Het uitspreken van de noodregeling werkt niet ten voordele van de medeschuldenaren en borgen van de verzekeraar.

Artikel 66

  1. Met betrekking tot schuldvergelijking en schuldoverneming vinden de artikelen 224 en 225 van het Faillissementsbesluit 1931 overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de schuldenaar van de verzekeraar die zijn schuld wil vergelijken met een schuldvordering aan order of toonder, gehouden is te bewijzen dat hij reeds op het ogenblik der uitspraak waarbij het verzoek tot machtiging werd toegewezen, te goeder trouw eigenaar was van het order of toonderpapier.
  2. Met betrekking tot wederkerige overeenkomsten in het algemeen en tot termijnzaken, overeenkomsten van huurkoop, huurovereenkomsten en arbeidsovereenkomsten in het bijzonder, waarbij de verzekeraar ten aanzien waarvan de machtiging is verleend, partij is, vinden de artikelen 226, 227, 227a, 228 en 229 van het Faillissementsbesluit 1931 overeenkomstige toepassing.
  3. Met betrekking tot de voldoening van een schuld aan de verzekeraar nadat de noodregeling is uitgesproken, vindt artikel 230 van het Faillissementsbesluit 1931 overeenkomstige toepassing.

Artikel 67

  1. Het Gerecht kan tegelijk met de in artikel 60, tweede lid, bedoelde machtiging of daarna de Bank op haar verzoek een bijzondere machtiging verlenen die strekt tot een of meer van de volgende handelingen:
    a. wijziging, bij de overdracht van rechten en verplichtingen uit of krachtens overeenkomsten van verzekering, van die overeenkomsten;
    b. verkorting van de duur van overeenkomsten van verzekering.
  2. Wijzigingen, als bedoeld in het eerste lid, deel a, die op overeenkomsten van levensverzekering betrekking hebben, kunnen niet tot gevolg hebben dat aan verzekeringnemers meer verplichtingen worden opgelegd.
  3. Ten aanzien van de bijzondere machtiging is artikel 60, derde tot en met zevende lid, achtste lid, eerste volzin, en negende lid, van overeenkomstige toepassing.
  4. Zodra overdracht van rechten en verplichtingen krachtens de in artikel 60, tweede lid, bedoelde machtiging heeft plaatsgevonden, maakt de Bank deze overdracht en, zo handelingen door haar zijn verricht krachtens de in het eerste lid bedoelde bijzondere machtiging, die handelingen bekend in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst en in tenminste twee door het Gerecht aan te wijzen dagbladen. De Bank kan, indien zij dit in het belang van verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen acht, de bedoelde overdracht en handelingen tevens op andere wijze bekendmaken.
  5. De overdracht alsmede de wijziging, bedoeld in het eerste lid, deel a, worden ten aanzien van alle andere belanghebbenden dan de betrokken verzekeraars van kracht met ingang van de dag, volgende op die waarop de bekendmaking in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst, is geschied.

Artikel 68

Een overdracht van rechten en verplichtingen ingevolge dit hoofdstuk mag geen nadeel toebrengen aan de rechten van de overblijvende schuldeisers.

Artikel 69

  1. Het Gerecht stelt het bedrag vast van de kosten van de noodregeling. Deze kosten komen ten laste van de verzekeraar.
  2. De kosten van de noodregeling omvatten de door of namens de Bank ter zake gedane uitgaven en de vergoeding van de door of namens haar ter zake verrichte werkzaamheden.

Artikel 70

Voor de toepassing van de artikelen 200, 355, 356 en 360 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen wordt met faillissement gelijkgesteld de rechtstoestand waarin een verzekeraar verkeert zolang te zijnen aanzien de noodregeling van kracht is.

Artikel 70a

  1. Na afloop van de noodregeling, wanneer liquidatie heeft plaatsgevonden, worden de overgebleven gelden van de vorderingen van de niet verschenen verzekeringnemers dan wel niet gevonden verzekeringnemers, verzekerden of andere gerechtigden, alsmede de gelden van de verzekeringnemers, verzekerden of andere gerechtigden die de hen toegekende gelden niet in ontvangst hebben willen nemen, gestort in de consignatiekas. Twintig jaar na datum van storting in de consignatiekas vervallen de gestorte gelden aan de openbare rechtspersoon Curaçao of de openbare rechtspersoon Sint Maarten, afhankelijk van de plaats van vestiging van het verzekeringsbedrijf. De overgebleven gelden van een bedrijf dat op Curaçao is gevestigd vervallen aan Curaçao en de overgebleven gelden van een bedrijf dat op Sint Maarten is gevestigd vervallen aan Sint Maarten.
  2. Bekendmaking van de stortingen, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden gepubliceerd, alsmede in één of meer dagbladen ter keuze van de Bank. De bekendmaking kan ook plaatsvinden op een andere door de Bank te bepalen wijze.

Artikel 71

  1. De Bank dient een verzoek tot faillietverklaring van de verzekeraar in, indien haar blijkt dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft en hetzij het met de noodregeling te bereiken doel is of niet meer kan worden verwezenlijkt, hetzij indien niet tevoren de noodregeling werd uitgesproken geen redelijk vooruitzicht meer bestaat dat het met de noodregeling te bereiken doel alsnog kan worden verwezenlijkt.
  2. Bij de beoordeling van de omvang van het eigen vermogen van een verzekeraar met zetel in het buitenland worden uitsluitend de activa en passiva in aanmerking genomen die naar het oordeel van de Bank behoren tot het vanuit de vestigingen in Curaçao uitgeoefende verzekeringsbedrijf.
  3. De faillietverklaring wordt uitgesproken ongeacht of de verzekeraar verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. Het bepaalde in de eerste titel van het Faillissementsbesluit 1931 is overigens van toepassing.
  4. De noodregeling houdt van rechtswege op van kracht te zijn ingeval de verzekeraar in staat van faillissement wordt verklaard. Alsdan, zomede indien de faillietverklaring wordt uitgesproken binnen een maand na het intrekken van de noodregeling, gelden de volgende bepalingen:
    a. het tijdstip waarop de termijnen, in de artikelen 39 en 41 van het Faillissementsbesluit 1931 vermeld, aanvangen, wordt berekend vanaf het tijdstip waarop de beschikking, houdende het uitspreken van de noodregeling, uitvoerbaar is geworden;
    b. een beroep op schuldvergelijking kan in afwijking van artikel 49 van het Faillissementsbesluit 1931 slechts worden gedaan indien de schuldvordering en de schuldplichtigheid beide zijn ontstaan voor het tijdstip waarop de beschikking, houdende het uitspreken van de noodregeling uitvoerbaar is geworden dan wel voortvloeien uit een handeling voor dat tijdstip met de gefailleerde verricht;
    c. handelingen, ingevolge artikel 63 door of namens de Bank verricht gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, worden beschouwd als handelingen van de curator, terwijl boedelschulden, gedurende die tijd ontstaan, ook in het faillissement als boedelschulden zullen gelden;
    d. de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen van de verzekeraar die in strijd met artikel 63, eerste en vierde lid, zijn aangegaan gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, dan voor zover deze daardoor is gebaat;
    e. vorderingen uit overeenkomsten van levensverzekering kunnen in afwijking van artikel 105, eerste lid, van het Faillissementsbesluit 1931 worden ingediend door overlegging van de polis of een afschrift daarvan, zonder dat het bedrag van de vordering behoeft te worden vermeld. Voor zover de curator de vordering erkent, stelt hij de omvang daarvan vast.

Artikel 72

De Bank brengt na beëindiging van en desgevraagd tijdens de noodregeling daaromtrent zo spoedig mogelijk verslag uit aan de Minister van Financiën.

Artikel 73

  1. In geval van noodregeling overeenkomstig dit hoofdstuk of van faillissement van een verzekeraar worden de boedelschulden, overeenkomstig de bepalingen van de Faillisse-mentsbesluit 1931, al naar gelang de aard van de betrokken boedelschuld hetzij mede over de in artikel 35 bedoelde waarden omgeslagen, hetzij uitsluitend van een bepaalde bate van de boedel afgetrokken.
  2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid dienen in geval van noodregeling of van faillissement van een verzekeraar de in het eerste lid bedoelde waarden uitsluitend tot voldoening van de vorderingen ten laste van de verzekeraar ter zake van uitkeringen krachtens de vanuit de vestigingen in Curaçao gesloten overeenkomsten van verzekering, niet zijnde uitkeringen, krachtens overeenkomst van herverzekering aan een andere verzekeraar verschuldigd.
  3. Op de in het eerste lid bedoelde waarden zijn behoudens vorderingen die door pand of hypotheek op deze waarden zijn gedekt, geen andere vorderingen verhaalbaar, tenzij vaststaat dat alle vorderingen, genoemd in het tweede lid, zullen kunnen worden voldaan en dat in de toekomst zodanige vorderingen niet meer zullen ontstaan.
  4. Ingeval de in het tweede lid bedoelde vorderingen niet volledig uit de in het eerste lid bedoelde waarden zijn voldaan, nemen de betrokken schuldeisers voor het overblijvende deel van hun vorderingen rang na de overige schuldeisers bij de verdeling van de opbrengst van de overige goederen van de verzekeraar.

HOOFDSTUK IX

Bijzondere bepalingen.

Artikel 74

Het is verboden in Curaçao te bemiddelen bij of op andere soortgelijke wijze mee te werken aan de voorbereiding of de totstandkoming van overeenkomsten van verzekering met een verzekeraar die vanuit zijn vestigingen in Curaçao het verzekeringsbedrijf uitoefent zonder in het bezit te zijn van de daarvoor vereiste vergunningen.

Artikel 75

  1. Het is een verzekeraar verboden overeenkomsten van verzekering, gesloten vanuit een vestiging in Curaçao, over te boeken naar een vestiging die hij buiten Curaçao bezit.
  2. De Bank kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gegeven verbod indien de verzekeraar aannemelijk maakt dat de belangen van degenen die aan de betrokken overeenkomsten rechten kunnen ontlenen, zich daartegen niet verzetten. Aan de ontheffing kan de Bank voorwaarden verbinden.

Artikel 76

  1. Degene die als gemachtigde van een verzekeraar voor diens rekening een overeenkomst van verzekering in Curaçao heeft gesloten draagt er zorg voor dat in de polis dan wel in een daaraan toegevoegd aanhangsel de naam van de verzekeraar en, in geval van co assurantie, het aandeel dat hij namens de verzekeraar heeft geaccepteerd, wordt vermeld. Hij draagt er tevens zorg voor dat elke wijziging in het door hem namens de verzekeraar geaccepteerde aandeel in een aanhangsel wordt vermeld.
  2. Wordt, nadat de gemachtigde de overeenkomst van verzekering heeft gesloten of, in geval van een overeenkomst van schadeverzekering, het door de gemachtigde geaccepteerde aandeel in de overeenkomst is gewijzigd, niet of niet terstond aan de verzekeringnemer een polis of een aanhangsel afgegeven, dat stelt de gemachtigde de verzekeringnemer binnen een maand na het sluiten van de overeenkomst of na het aanbrengen van de wijziging, schriftelijk in kennis van de in het eerste lid bedoelde gegevens. Behoort de overeenkomst evenwel tot de portefeuille van een assurantiebemiddelaar, dan doet de gemachtigde de in het eerste lid bedoelde kennisgevingen aan deze bemiddelaar binnen twee weken na de totstandkoming van de overeenkomst van verzekering onderscheidenlijk wijziging in het namens de verzekeraar geaccepteerde aandeel.
  3. Wordt, nadat een overeenkomst van verzekering is gesloten of het door de verzekeraar geaccepteerde aandeel in de overeenkomst is gewijzigd, niet of niet terstond aan de verzekeringnemer een polis of een aanhangsel afgegeven, waarin de naam van de verzekeraar en, in geval van co assurantie, diens aandeel onderscheidenlijk de daarin aangebrachte wijziging is vermeld, dan stelt de assurantiebemiddelaar tot wiens portefeuille de overeenkomst behoort de verzekeringnemer binnen een maand na het totstandkoming van de overeenkomst onderscheidenlijk het aanbrengen van de wijziging schriftelijk van deze gegevens in kennis.
  4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien binnen de betrokken termijn de overeenkomst van verzeke¬ring is tenietgegaan en daaraan door de verzekeringnemer of andere belanghebbenden geen rechten meer kunnen worden ontleend.
  5. Met betrekking tot overeenkomsten van schadeverzekering die een gemachtigde namens een of meer verzekeraars heeft gesloten, kan de Bank goedkeuren dat in afwijking van het eerste, tweede en derde lid in de polis of een aanhangsel, dan wel in een schriftelijke kennisgeving als bedoeld in het tweede en derde lid, wordt volstaan met de vermelding van het aandeel dat de gemachtigde namens de gezamenlijke door hem vertegenwoordigde verzekeraars in de overeenkomst heeft geaccepteerd of van de wijziging die in dat aandeel is aangebracht, mits:
    a. de gemachtigde onder door de Bank te stellen voorwaarden en op een door deze goed te keuren plaats de in het eerste lid bedoelde gegevens deponeert; en
    b. in de polis of het aanhangsel en in de schriftelijke kennisgeving wordt verwezen naar de in onder a bedoelde deponering.

Artikel 77

  1. De verzekeraar is ter zake van het verzoek om een vergunning aan de Bank een bedrag verschuldigd. De Bank brengt het bedrag, voor zover mogelijk direct na ontvangst van de aanvraag van vergunning, bij beschikking in rekening.
  2. Een verzekeraar is jaarlijks aan de Bank een bedrag verschuldigd.
  3. De hoogte van de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen wordt zodanig vastgesteld dat de totale jaarlijkse opbrengst van het in rekening te brengen bedrag ten hoogste gelijk is aan de directe kosten die de Bank in dat jaar maakt ter zake van de behandeling van de aanvragen onderscheidenlijk het toezicht dat de Bank uitoefent ingevolge deze landsverordening.
  4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden, gehoord de Bank en de representatieve organisaties, bedoeld in artikel 79, tweede lid, tweede volzin, nadere regels gesteld omtrent de kostendoorberekening en de grondslagen waarop die is gebaseerd en wordt de hoogte van de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen vastgesteld. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt naar directe en indirecte kosten.
  5. Het in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrag wordt betaald binnen zes weken na dagtekening van de beschikking waarbij de betalingsverplichting is opgelegd.
  6. Voor zover het bedrag, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, niet binnen de in het vijfde lid bedoelde termijn wordt betaald, stuurt de Bank aan betrokkene een schriftelijke aanmaning om binnen twee weken na dagtekening van de aanmaning het verschuldigde bedrag, verhoogd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop de in het vijfde lid bedoelde termijn is verstreken, en verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat het bedrag, voor zover dat niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het zevende lid wordt ingevorderd.
  7. Bij gebreke van betaling binnen de in de aanmaning gestelde termijn vordert de Bank het bedrag van de aanmaning, verhoogd met de kosten van de invordering, bij dwangbevel in.
  8. Het dwangbevel wordt op kosten van de betrokkene bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 48gg is van overeenkomstige toepassing. Artikel 79gg is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 78

  1. Gegevens of inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde omtrent afzonderlijke verzekeraars zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens of inlichtingen die van een instantie als bedoeld in artikel 78a zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.
  2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze landsverordening of krachtens deze landsverordening genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze landsverordening verstrekt of van een instantie als bedoeld in artikel 78a ontvangen, of van gegevens of inlichtingen bij het onderzoek van boeken en bescheiden of ander informatiedragers verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze landsverordening wordt geëist.
  3. De Bank kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, ter handhaving van een gezond verzekeringswezen aangifte doen van een vermoeden van een strafbaar feit. In de gevallen waarin door de Bank aangifte is gedaan dan wel in de gevallen waarin de Bank wordt geroepen om als getuige of deskundige op te treden, kan de Bank in het kader van de opsporing, het gerechtelijk vooronderzoek of de behandeling ter terechtzitting, inlichtingen verschaffen.
  4. De Bank kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, mededelingen doen, mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke verzekeraars. Met schriftelijke toestemming van de verzekeraar die het aangaat, worden de gegevens of inlichtingen met betrekking tot afzonderlijke verzekeraars wel gepubliceerd.
  5. De Bank kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, de financiële inlichtingen eenheid, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties inlichten, indien zij bij de uitoefening van de haar bij ingevolge deze landsverordening opgedragen taak feiten ontdekt die duiden op een vermoeden van witwassen of financiering van terrorisme.

Artikel 78a

  1. De Bank kan, in afwijking van artikel 78, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, verstrekken aan buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instanties, tenzij:
    a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende is bepaald;
    b. het beoogde gebruik van gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen die op die markten werkzaam zijn;
    c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de geldende wettelijke regelingen of de openbare orde;
    d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
    e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze landsverordening beoogt te beschermen; of
    f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
  2. Voor zover de Bank gegevens of inlichtingen van een buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie heeft ontvangen, verstrekt de Bank deze gegevens niet aan een ander buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie tenzij de buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
  3. Indien een buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie aan de Bank die de gegevens of inlichtingen op grond van het eerste of tweede lid heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de Bank dat verzoek slechts in:
    a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste of tweede lid of voor zover die toezichthoudende instantie op een andere wijze dan in deze landsverordening voorzien vanuit Curaçao met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
    b. na overleg met de procureur-generaal indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.
  4. De Bank kan tevens, in afwijking van artikel 78, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verstrekken aan het openbaar ministerie, de financiële inlichtingen eenheid, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties of andere autoriteiten belast met opsporing en vervolging, die zij heeft verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, voor zover deze gegevens of inlichtingen naar het oordeel van de Bank van belang zijn of zouden kunnen zijn voor onderzoeken dan wel de nog in te stellen onderzoeken van het openbaar ministerie, de financiële inlichtingen eenheid, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties of andere autoriteiten belast met opsporing en vervolging.
  5. De Bank verstrekt tevens, in afwijking van artikel 78, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, aan de Algemene Rekenkamer, voor zover de gegevens of inlichtingen naar het oordeel van de Algemene Rekenkamer noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar wettelijke taak op grond van de artikelen 25 en 41 van de Landsverordening Algemene Rekenkamer Curaçao. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
  6. De Algemene Rekenkamer is verplicht tot geheimhouding van de op grond van het vijfde lid ontvangen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen en kan die slechts openbaar maken indien deze niet herleid kunnen worden tot afzonderlijke personen.

Artikel 78b

  1. De Bank kan ten behoeve van de uitoefening van haar taak op grond van dit hoofdstuk van een verzekeraar gegevens of inlichtingen vorderen, indien dat voor de vervulling van de taak van een buitenlandse toezichthoudende instantie. De artikelen 78a, eerste lid, en 120a, tweede tot en met vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
  2. Op verzoek van een buitenlandse toezichthoudende instantie kan de Bank gegevens of inlichtingen vragen aan of onderzoek instellen of doen instellen bij een ieder die ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht valt of behoort te vallen en waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de verzoekende instantie.
  3. Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het tweede lid wordt gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen binnen een door de Bank te stellen termijn.
  4. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld, verleent alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze landsverordening onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.

Artikel 78c

  1. De Bank kan toestaan dat een functionaris van een buitenlandse toezichthoudende instantie deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in artikel 78b, tweede lid.
  2. De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het onderzoek is belast en staat onder leiding van deze persoon.

Artikel 78d

De bij of krachtens deze landsverordening gegeven voorschriften die het verstrekken van gegevens of inlichtingen verbieden of anderszins tot geheimhouding verplichten, gelden niet bij de toepassing van de bij of krachtens hoofdstuk III van de Landsverordening internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen gegeven voorschriften op een administratieplichtige als bedoeld in artikel 22 van de laatstgenoemde landsverordening, of op de Bank voor zover het die administratieplichtige betreft.

Artikel 79

  1. Voor de uitvoering van deze landsverordening kunnen bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere regelen worden gesteld.
  2. Landsbesluiten ter uitvoering van deze landsverordening worden niet vastgesteld, gewijzigd of ingetrokken dan nadat daarover het advies van de Bank is ingewonnen. Indien een landsbesluit algemeen verbindende voorschriften behelst, wordt daarover tevens het advies ingewonnen van de representatieve organisaties van verzekeraars, die met betrekking tot de uitvoering van deze landsverordening door de Minister, de Bank gehoord, als zodanig zijn aangewezen. De organisatie brengt zijn advies uit binnen twee maanden, na de dagtekening van het daartoe strekkende verzoek van de Bank.

Artikel 79a

  1. De Minister kan, gehoord de Bank, een organisatie van verzekeraars aanwijzen als representatieve organisatie.
  2. De Bank pleegt zo vaak als zij dit nodig acht, doch tenminste éénmaal per jaar, overleg met de krachtens artikel 79, tweede lid, tweede volzin, aangewezen representatieve organisatie omtrent het beleid inzake het toezicht op de verzekeraars.
  3. Indien de Bank algemeen verbindende voorschriften als bedoeld in deze landsverordening, vaststelt of wijzigt, is artikel 79, tweede lid, tweede en derde volzin, van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK IXA

Last onder dwangsom, bestuurlijke boete, geldschulden en verjaring.

Afdeling 1: Last onder dwangsom.

Artikel 79b

Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 79c

  1. De Bank kan bij overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 4, vierde lid, 7, tweede lid, 9, eerste lid, 10, derde lid, 11b, 18a, vierde lid, 18c, 20, eerste lid, 22, derde lid, 24a, 25a, eerste lid en tweede lid, laatste volzin, 26, eerste lid, vierde lid, laatste volzin, zevende lid en achtste lid, laatste volzin, 27, eerste tot en met derde lid, 27a, eerste tot en met derde lid, 27b, 27c, vierde lid, 31, tweede en vijfde lid, 32, eerste en tweede lid, 34, eerste en tweede lid, 35, eerste lid, 36, vijfde lid, 37, 40, eerste en tweede lid, 41, 42, 43, eerste lid, 44, zesde lid, 45, eerste lid, 48, 51, tweede lid, 52, eerste tot en met derde lid, 53, eerste lid, 58, eerste lid, 63, derde lid, 74, 75, eerste lid, 76, eerste tot en met derde lid, 78b, derde lid, 78c, tweede lid, 120a, derde lid, en 120b, tweede en derde lid, een last onder dwangsom opleggen. Artikel 1:127 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
  2. De last onder dwangsom kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.
  3. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
  4. Bij de last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
  5. Een beslissing tot oplegging van een last onder dwangsom wordt op schrift gesteld en is een beschikking.
  6. De Bank stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd dan wel per overtreding van de last. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
  7. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt het bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, bepaald.

Artikel 79d

Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

Artikel 79e

  1. Indien een last onder dwangsom is opgelegd kan de Bank op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn, of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor die overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.
  2. Indien een last onder dwangsom is opgelegd kan de Bank op verzoek van de overtreder de last opheffen, indien de beschikking één jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.

Artikel 79f

In afwijking van artikel 79hh, eerste lid, verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van één jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

Artikel 79g

Geen last onder dwangsom kan worden opgelegd voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond.

Artikel 79h

  1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom beslist de Bank bij beschikking omtrent de invordering van de dwangsom.
  2. De Bank geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt.
  3. De Bank beslist binnen zes weken op het verzoek.

Artikel 79i

  1. Indien uit een beschikking tot intrekking of wijziging van de last onder dwangsom voorvloeit dat een reeds gegeven beschikking tot invordering van die dwangsom niet in stand kan blijven, vervalt die beschikking.
  2. De Bank kan een nieuwe beschikking tot invordering geven die in overeenstemming is met de gewijzigde last onder dwangsom.

Artikel 79j

  1. Een bezwaar, beroep, hoger beroep of een verzoek om schorsing dan wel voorlopige voorziening gericht tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
  2. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan de beslissing op het hoger beroep tegen de beschikking tot invordering van de dwangsom verwijzen naar de Bank, overeenkomstig artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak , indien behandeling door de Bank gewenst is.
  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om schorsing dan wel voorlopige voorziening.

Afdeling 2: Bestuurlijke boete.

Artikel 79k

Onder bestuurlijke boete wordt verstaan: de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom.

Artikel 79l

  1. De Bank kan bij overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 4, vierde lid, 7, tweede lid, 9, eerste lid, 10, derde lid, 11b, 18a, vierde lid, 18c, 20, eerste lid, 22, derde lid, 24a, 25a, eerste lid en tweede lid, laatste volzin, 26, eerste lid, vierde lid, laatste volzin, zevende lid en achtste lid, laatste volzin, 27, eerste tot en met derde lid, 27a, eerste tot en met derde lid, 27b, 27c, vierde lid, 31, tweede en vijfde lid, 32, eerste en tweede lid, 34, eerste en tweede lid, 35, eerste lid, 36, vijfde lid, 37, 40, eerste en tweede lid, 41, 42, 43, eerste lid, 44, zesde lid, 45, eerste lid, 48, 51, tweede lid, 52, eerste tot en met derde lid, 53, eerste lid, 58, eerste lid, 63, derde lid, 74, 75, eerste lid, 76, eerste tot en met derde lid, 78, tweede lid, 78b, derde lid, 78c, tweede lid, 120a, derde lid, en 120b, tweede en derde lid, een bestuurlijke boete opleggen. Artikel 1:127 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt de hoogte en de wijze van bepaling van de bestuurlijke boete voor de verschillende overtredingen, bepaald. Een op grond van het eerste lid op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 1:54, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de kredietinstelling in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd.
  3. Alvorens over te gaan tot oplegging van een boete, stelt de Bank de betrokkene schriftelijk op de hoogte van het voornemen een boete op te leggen onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

Artikel 79m

Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien:
a. de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten;
b. de overtreder is overleden;
c. aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 79s, derde lid, onderdeel a, is bekendgemaakt; of
d. een rechtvaardigingsgrond voor de overtreding bestaat.

Artikel 79n

  1. Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, of het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 1:149 van het Wetboek van Strafrecht.
  2. Indien de gedraging tevens een strafbaar feit is, wordt zij aan de officier van justitie voorgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift is bepaald, dan wel met het openbaar ministerie is overeengekomen, dat daarvan kan worden afgezien.
  3. Voor een gedraging die aan de officier van justitie moet worden voorgelegd, legt de Bank slechts een bestuurlijke boete op indien:
    a. de officier van justitie aan de Bank heeft medegedeeld ten aanzien van de overtreder van strafvervolging af te zien, of
    b. de Bank niet binnen dertien weken een reactie van de officier van justitie heeft ontvangen.

Artikel 79o

  1. Een bestuurlijke boete vervalt, indien zij op het tijdstip van het overlijden van de overtreder niet onherroepelijk is. Een onherroepelijke bestuurlijke boete vervalt voor zover zij op dat tijdstip nog niet is betaald.
  2. Een reeds opgelegde bestuurlijke boete vervalt, indien het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba met toepassing van artikel 25 van het Wetboek van Strafvordering de vervolging van de overtreder voor dat feit beveelt.
  3. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt vijf jaren na de dag waarop de overtreding heeft plaatsgevonden.
  4. Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn, bedoeld in het derde lid, opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist.

Artikel 79p

  1. Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestuurlijke boete, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
  2. Indien beroep is ingesteld tegen een bestuurlijke boete is de partij aan wie de boete is opgelegd niet verplicht omtrent de overtreding verklaringen af te leggen. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 79q

  1. De Bank of de personen, bedoeld in artikel 120a, eerste lid, kunnen van de overtreding een rapport opmaken.
  2. Het rapport is gedagtekend en vermeldt in ieder geval:
    a. de naam van de overtreder;
    b. de overtreding, alsmede het overtreden voorschrift;
    c. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip of periode waarop de overtreding is geconstateerd.
  3. Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de bekendmaking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete aan de overtreder toegezonden of uitgereikt.
  4. Indien van de overtreding een proces-verbaal als bedoeld in artikel 186 van het Wetboek van Strafvordering is opgemaakt, treedt dit voor de toepassing van deze paragraaf in de plaats van het rapport.

Artikel 79r

  1. De Bank stelt de overtreder desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete, dan wel het voornemen daartoe, berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen. De Bank kan beslissen om bepaalde stukken van kennisneming uit te zonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.
  2. Voor zover blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt, draagt de Bank er zoveel mogelijk zorg voor dat deze gegevens aan de overtreder worden medegedeeld in een voor deze begrijpelijke taal.

Artikel 79s

  1. De Bank kan de overtreder in de gelegenheid stellen over het voornemen tot opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen.
  2. Op het moment dat de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen:
    a. wordt het rapport reeds bij de uitnodiging daartoe aan de overtreder toegezonden of uitgereikt;
    b. zorgt de Bank voor bijstand door een tolk, indien blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt.
  3. Indien de Bank nadat de overtreder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, beslist dat:
    a. voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd, of
    b. de overtreding alsnog aan de officier van justitie zal worden voorgelegd, wordt dit schriftelijk aan de overtreder medegedeeld.

Artikel 79t

  1. Een beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete vermeldt in ieder geval:
    a. de naam van de overtreder;
    b. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;
    c. het bedrag van de boete alsmede een toelichting op de hoogte daarvan; en
    d. de termijn, bedoeld in artikel 79w, waarbinnen de boete moet worden betaald.
  2. Op verzoek van de overtreder die de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de officiële talen in de zin van de Landsverordening officiële talen onvoldoende begrijpt, draagt de Bank er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van de beschikking aan de betrokkene wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

Artikel 79u

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Afdeling 3: Geldschulden.

Artikel 79v

Deze paragraaf is van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete.

Artikel 79w

Behoudens in het geval dat artikel 79d toepassing vindt, geschiedt de betaling van een geldschuld binnen zes weken nadat de beschikking tot invordering van een dwangsom, bedoeld in artikel 79h, eerste lid, onderscheidenlijk de beschikking tot het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 79l, eerste lid, op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

Artikel 79x

  1. De Bank kan uitstel van betaling van een geldschuld verlenen.
  2. Gedurende het uitstel kan de Bank niet aanmanen of invorderen.
  3. De beschikking tot uitstel van betaling vermeldt de termijn waarvoor het uitstel geldt.
  4. De Bank kan aan de beschikking tot uitstel van betaling voorschriften verbinden.

Artikel 79y

  1. Betaling geschiedt aan een door de Bank te bepalen kantoor dan wel door bijschrijving op een daartoe door de Bank bestemde bankrekening.
  2. Betaling geschiedt in Nederlands-Antilliaanse guldens, tenzij door de Bank anders is bepaald.
  3. De betaling heeft plaats op het tijdstip waarop de betaling aan het kantoor wordt verricht dan wel, in geval van bijschrijving, de rekening van de Bank wordt gecrediteerd.
  4. De kosten van betaling komen ten laste van de overtreder.

Artikel 79z

  1. De overtreder is in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn van zes weken heeft betaald.
  2. Het verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
  3. De Bank stelt het bedrag van de verschuldigde wettelijke rente bij beschikking vast.

Artikel 79aa

 

  1. De Bank maant de overtreder die in verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden.
  2. De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de overtreder uit te voeren invorderingsmaatregelen.
  3. De Bank kan voor de aanmaning een vergoeding in rekening brengen. De vergoeding wordt in de aanmaning vermeld.

Artikel 79bb

  1. De Bank kan een dwangbevel uitvaardigen.
  2. Een dwangbevel levert een executoriale titel op die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd.
  3. Een dwangbevel wordt slechts uitgevaardigd wanneer binnen de overeenkomstig artikel 79aa, eerste lid, gestelde aanmaningstermijn niet volledig is betaald.

Artikel 79cc

  1. Bij het dwangbevel kunnen tevens de aanmaningsvergoeding, de wettelijke rente en de kosten van het dwangbevel worden ingevorderd.
  2. Het dwangbevel kan betrekking hebben op verschillende verplichtingen tot betaling van een geldsom door de overtreder aan de Bank.
  3. De betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden op kosten van degene tegen wie het is uitgevaardigd.
  4. De kosten zijn ook verschuldigd indien het dwangbevel door betaling van verschuldigde bedragen niet of niet volledig ten uitvoer is gelegd.

Artikel 79dd

  1. Het dwangbevel vermeldt in ieder geval:
    a. aan het hoofd het woord: dwangbevel;
    b. het bedrag van de invorderbare hoofdsom;
    c. de beschikking of het wettelijk voorschrift waaruit de geldschuld voortvloeit;
    d. de kosten van het dwangbevel; en
    e. dat het op kosten van degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd ten uitvoer kan worden gelegd.
  2. Het dwangbevel vermeldt, indien van toepassing:
    a. het bedrag van de aanmaningsvergoeding; en
    b. de ingangsdatum van de wettelijke rente.

Artikel 79ee

  1. De bekendmaking van een dwangbevel geschiedt door middel van de betekening van een exploot als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
  2. Het exploot vermeldt in ieder geval de gerechtelijke instantie waarbij tegen het dwangbevel en de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de artikelen 438 en 438a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden opgekomen.

Artikel 79ff

De Bank beschikt ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft.

Artikel 79gg

  1. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van Bank.
  2. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de Bank kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Afdeling 4: Verjaring

Artikel 79hh

  1. De rechtsvordering tot betaling van een geldschuld als bedoeld in artikel 79v, behoudens indien deze voortvloeit uit een last onder dwangsom, verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken.
  2. Na voltooiing van de verjaring kan de Bank zijn bevoegdheden tot aanmaning en tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet meer uitoefenen.

Artikel 79ii

  1. De verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
  2. Erkenning van het recht op betaling stuit de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent.
  3. De Bank kan de verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in artikel 79aa, eerste lid, een dwangbevel, of door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.

Artikel 79jj

  1. Door stuiting van de verjaring begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag.
  2. De nieuwe termijn is gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren.
  3. Wordt de verjaring echter gestuit door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, dan is artikel 324 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

Artikel 79kk

  1. De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling aan de Bank wordt verlengd met de tijd gedurende welke de overtreder na de aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien:
    a. de overtreder in surseance van betaling verkeert;
    b. de overtreder in staat van faillissement verkeert; of
    c. de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is geschorst ingevolge een lopend rechtsgeding, met dien verstande dat de termijn waarmee de verjaringstermijn wordt verlengd een aanvang neemt op de dag waarop het rechtsgeding door middel van dagvaarding aanhangig wordt gemaakt.

HOOFDSTUK IXB

Openbaarmaking van overtredingen.

Artikel 79ll

  1. De Bank kan, in afwijking van artikel 78, eerste en tweede lid, teneinde de naleving van deze landsverordening te bevorderen ter openbare kennis brengen het feit ter zake waarvan een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete is opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift. Indien het doel van het door de Bank uit te oefenen toezicht op de naleving van deze landsverordening zulks bepaaldelijk vordert en zich daartegen geen zwaarwegende belangen verzetten, waaronder die van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, kan de Bank de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd ter openbare kennis brengen.
  2. De openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt digitaal op de website van de Bank dan wel op een andere door de Bank te bepalen wijze.

Artikel 79mm

Degene jegens wie door de Bank een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat de Bank zijn handelen of nalaten op grond van artikel 79ll ter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

Artikel 79nn

  1. De Bank geeft, indien zij voornemens is op grond van artikel 79ll een handelen of nalaten ter openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan schriftelijk kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
  2. De Bank stelt de betrokkene in de gelegenheid om over het voornemen tot openbaarmaking van overtredingen als bedoeld in artikel 79ll zijn zienswijze naar voren te brengen.
  3. De Bank is niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 79oo

De beschikking om op grond van artikel 79ll een feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
b. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
c. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht; en
d. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 79pp

Tenzij de bevordering van de naleving van deze landsverordening geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 79ll een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken of, indien bezwaar of beroep is ingesteld, op het bezwaar of beroep is beslist.

Artikel 79qq

De beschikking om op grond van artikel 79ll een feit ter openbare kennis te brengen treedt in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking op grond van artikel 79pp wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 79rr

  1. De bevoegdheid om op grond van artikel 79ll een feit ter openbare kennis te brengen vervalt, indien ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 1:149 van het Wetboek van Strafrecht.
  2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als bedoeld in artikel 79ll vervalt, indien de Bank het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.

Artikel 79ss

  1. De bevoegdheid om op grond van artikel 79ll een feit ter openbare kennis te brengen vervalt één jaar na de dag waarop het feit heeft plaatsgehad.
  2. De in het eerste lid genoemde termijn wordt gestuit door bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 79tt

De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 79ll ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Artikel 79uu

Door de Minister en de Minister van Justitie gezamenlijk kunnen bij ministeriële regeling met algemene werking regels worden gesteld ter zake van de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de afdelingen 1 en 2 van Hoofdstuk IXA en Hoofdstuk IXB.

HOOFDSTUK X

Overgangsbepalingen.

Artikel 80

(vervallen)

Artikel 81

(vervallen)

Artikel 82

(vervallen)

Artikel 83

(vervallen)

Artikel 84

(vervallen)

HOOFDSTUK XI

Het beroep

Afdeling 1: Inleidende bepalingen.

Artikel 85

(vervallen)

Artikel 86

(vervallen)

Afdeling 2: De rechtsmacht van de Raad.

Artikel 87

(vervallen)

Afdeling 3: De organisatie van de Raad.

Artikel 88

(vervallen)

Artikel 89

(vervallen)

Afdeling 4: De wijze van procederen voor de Raad.

Artikel 90

(vervallen)

Artikel 91

(vervallen)

Artikel 92

(vervallen)

Artikel 93

(vervallen)

Artikel 94

(vervallen)

Artikel 95

(vervallen)

Artikel 96

(vervallen)

Artikel 97

(vervallen)

Artikel 98

(vervallen)

Artikel 99

(vervallen)

Artikel 100

(vervallen)

Artikel 101

(vervallen)

Artikel 102

(vervallen)

Artikel 103

(vervallen)

Artikel 104

(vervallen)

Artikel 105

(vervallen)

Artikel 106

(vervallen)

Artikel 107

(vervallen)

Artikel 108

(vervallen)

Artikel 109

(vervallen)

Artikel 110

(vervallen)

Artikel 111

(vervallen)

Artikel 112

(vervallen)

Artikel 113

(vervallen)

Artikel 114

(vervallen)

Artikel 115

(vervallen)

Artikel 116

(vervallen)

Afdeling 5: Voorlopige voorzieningen.

Artikel 117

(vervallen)

Afdeling 6: Herziening.

Artikel 118

(vervallen)

Artikel 119

(vervallen)

Artikel 120

(vervallen)

Artikel 120a

  1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde zijn belast de daartoe door de President van de Bank aan te wijzen functionarissen van de Bank, belast met toezicht. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. De krachtens het eerste lid aangewezen functionarissen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
    a. alle inlichtingen te vragen
    b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan kopieën te maken of deze daartoe voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs;
    c. zaken aan opneming en onderzoek te onderwerpen, deze daartoe tijdelijk mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs, en daarvan monsters te nemen;
    d. alle plaatsen te betreden, eventueel vergezeld van door hen aangewezen personen, met uitzondering van woningen of tot bewoning bestemde gedeelten van vaartuigen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner.
  3. Een ieder is verplicht aan de krachtens het eerste lid aangewezen functionarissen alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.
  4. Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm.

Artikel 120b

  1. De Bank kan zich bij het uitoefenen van het toezicht, bedoeld in artikel 120a, eerste lid, doen bijstaan dan wel een zodanig toezicht geheel doen uitvoeren door een door de Bank aan te wijzen externe deskundige of andere deskundigen. De Bank kan de kosten die hiermee verband houden geheel of gedeeltelijk doorberekenen aan de betrokken verzekeraar. Artikel 120a is van overeenkomstige toepassing.
  2. Indien het uitoefenen van het toezicht, bedoeld in artikel 120a, eerste lid, dan wel bepaalde werkzaamheden in het kader van een zodanig toezicht door de Bank aan een externe deskundige of aan een andere deskundige worden opgedragen, is deze verplicht zijn bevindingen rechtstreeks en schriftelijk aan de Bank te rapporteren en na verkregen toestemming van de Bank een afschrift daarvan aan de betrokken verzekeraar te zenden.
  3. Een verzekeraar is op verzoek van de Bank verplicht een erkende deskundige aan te wijzen die rechtstreeks aan de Bank rapporteert over de interne organisatie van de verzekeraar.

Artikel 120c

De Bank is tevens bevoegd, in het kader van toezichtuitoefening onderzoeken van buitenlandse instanties die met het toezicht op verzekeraars zijn belast, toe te laten bij hier te lande gevestigde verzekeraars die onder geconsolideerd toezicht staan van genoemde toezichthouders. De Bank zal in voorkomend geval tevoren voorwaarden stellen aan onderscheidenlijk aanwijzingen geven voor de uitvoering van deze toezichtwerkzaamheden. De functionarissen van de buitenlandse instanties die met het toezicht op verzekeraars zijn belast, zijn gehouden de aanwijzingen van de Bank stipt te volgen.

Artikel 120d

  1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren, belast de daartoe bij landsbesluit aangewezen functionarissen van de Bank. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld omtrent de vereisten waaraan de krachtens het eerste lid aangewezen functionarissen dienen te voldoen.

HOOFDSTUK XII

Toezicht, opsporing en strafbepaling.

Artikel 121

(vervallen)

Artikel 122

  1. Handelen in strijd met enig voorschrift gegeven bij of krachtens de artikelen 4, vierde lid, 7, tweede lid, 9, eerste lid, 10, derde lid, 11b, 18a, vierde lid, 18c, 20, eerste lid, 22, derde lid, 24a, 25a, eerste lid en tweede lid, laatste volzin, 26, eerste lid, vierde lid, laatste volzin, zevende lid en achtste lid, laatste volzin, 27, eerste tot en met derde lid, 27a, eerste tot en met derde lid, 27b, 27c, vierde lid, 31, tweede en vijfde lid, 32, eerste en tweede lid, 34, eerste en tweede lid, 35, eerste lid, 36, vijfde lid, 37, 40, eerste en tweede lid, 41, 42, 43, eerste lid, 44, zesde lid, 45, eerste lid, 48, 51, tweede lid, 52, eerste tot en met derde lid, 53, eerste lid, 58, eerste lid, 63, derde lid, 74, 75, eerste lid, 76, eerste tot en met derde lid, 78, tweede lid, 78b, derde lid, 78c, tweede lid, 120a, derde lid, en 120b, tweede en derde lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar en geldboete van de vijfde categorie dan wel met één van beide straffen.
  2. Opzettelijk handelen in strijd met de voorschriften, genoemd in het eerste lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar en geldboete van de zesde categorie dan wel met één van beide straffen.
  3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen en de in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

Artikel 123

(vervallen)

HOOFDSTUK XIIA

De natura-uitvaartverzekeraar.

Artikel 123a

Uitgezonderd de artikelen 16, eerste lid, 43, 44, 48, 49, 50, 54, 74, 75, 76, is deze landsverordening – voor zover de aard of strekking van de regels zich daartegen niet verzet – van overeenkomstige toepassing op de natura-uitvaartverzekeraar, met dien verstande dat:

1o      indien de natura-uitvaartverzekeraar voor de eerste maal een vergunning aanvraagt, legt hij, onverminderd het bepaalde in artikel 11, derde lid, aan de Bank over:

a. zijn polisvoorwaarden, tarieven en technische grondslagen voor de berekening van zijn tarieven; en

b. zijn balans winst- en verliesrekening over elk der laatste twee boekjaren of, indien sedert de oprichting nog geen twee boekjaren zijn verstreken, zijn balans winst- en verliesrekening over het afgelopen boekjaar;

2o   het register, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, voor natura-uitvaartverzekeraars slechts één hoofdafdeling kent;

3o   een natura-uitvaartverzekeraar die de rechtsvorm van een rechtspersoon bezit, een raad van commissarissen of een orgaan dat een aan die raad van commissarissen gelijksoortige taak, heeft die uit ten minste drie leden bestaat;

4o   het bedrag van de waarde die de natura-uitvaartverzekeraar als solvabileitsfonds aanhoudt, gelijk is aan het bedrag van een verzekeraar met zetel in het buitenland die het levensverzekeringsbedrijf uitoefent;

5o      de Bank aan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in het buitenland op aanvraag ontheffing kan verlenen van de plicht om het bedrag, bedoeld in het krachtens artikel 22, eerste lid, vastgestelde landsbesluit, aan te houden. Een verzoek om ontheffing is met redenen omkleed en bij de ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden;

6o   daar waar in artikel 32, tweede lid, onderdeel b, staat “raad van commissarissen”, ook gelezen moet worden het orgaan dat een aan die raad van commissarissen gelijksoortige taak heeft;

7o   een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Curaçao beschikt over een solvabiliteitsmarge die ten minste vier procent van de voorziening voor verzekeringsverplichtingen aan het einde van het voorafgaande boekjaar, voor aftrek van het aandeel van herverzekeraars in deze voorziening, doch minimaal NAf 400.000,- beloopt. De Bank kan een natura-uitvaartverzekeraar op aanvraag ontheffing verlenen van de plicht om het in de vorige volzin genoemde maximumbedrag als solvabiliteitsmarge aan te houden. Een verzoek om ontheffing is met redenen omkleed en bij de ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

 

HOOFDSTUK XIII

Slotbepalingen.

Artikel 124

Een bij of krachtens deze landsverordening gestelde termijn die op zaterdag, zondag of de krachtens de Arbeidsregeling met de zondag gelijkgestelde feestdagen eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet valt op een zaterdag, zondag of daarmee gelijkgestelde feestdagen.

Artikel 125

(vervallen)

Artikel 126

(vervallen)

Artikel 127

(vervallen)

Artikel 128

(vervallen)

Artikel 129

(vervallen)

Artikel 130

(vervallen)

Artikel 131

Deze landsverordening kan worden aangehaald als: Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf.

***

Naar boven