Landsverordening tot inschrijving van arbeidskrachten 1945 - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsverordening tot inschrijving van arbeidskrachten 1945

Publicatienummer: P.B. 2026, no. 65 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsverordening
Ministerie: Sociale Ontwikkeling, Arbeid & Welzijn
Datum ondertekening: 13-11-2025
Datum inwerktreding: 15-04-1946
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK XI Arbeid)


LANDSBESLUIT van de 13de november 2025, no. 25/2787, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Landsverordening tot inschrijving van arbeidskrachten 1945

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
15 april 1946 n.v.t. n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2026, no. 65 (GT) n.v.t

Artikel 1

In deze landsverordening wordt verstaan:
– onder werkgever, ieder natuurlijk of rechtspersoon, die anderen in dienst heeft.
Voor de toepassing van deze verordening wordt het Land Curaçao, zomede de Nederlandse Regering en de burgerlijke en/of militaire autoriteiten van geallieerde mogendheden als werkgever in de zin van dit artikel aangemerkt en wordt voor zoveel betreft de werkgever, die in Curaçao arbeiders in dienst heeft, doch elders woont of gevestigd is, diens vertegenwoordiger of agent in Curaçao als werkgever beschouwd;
– onder arbeider, ieder die in dienst van de werkgever tegen loon werkzaam is.
Voor de toepassing van deze verordening worden, hoewel zij geen loon ontvangen, als arbeider beschouwd: volontairs, leerlingen en dergelijke personen, die in verband met hun opleiding nog geen loon ontvangen.

Niet als arbeider worden beschouwd:
a. thuiswerkers,
b. personen, die in aangenomen werk voor de werkgever arbeid verrichten en daarbij aangemerkt worden zelf werkgever te zijn,
c. hoofden of bestuurders van een bedrijf of onderneming, echtgenoten, ouders en inwonende kinderen van de werkgever, die uitsluitend voor zijn rekening arbeid verrichten,
d. schepelingen,
e. militairen,
f. geestelijken, ordebroeders en religieuzen,
g. personen, wier jaarlijks in geld vastgesteld arbeidsinkomen tienduizend gulden of meer bedraagt;
– onder arbeid, alle werkzaamheden, verricht in dienst van de werkgever;
– onder loon, elke uitkering, welke de arbeider als vergoeding voor zijn arbeid van de werkgever ontvangt, uitgezonderd overwerk- en premiegelden; indien het loon geheel of gedeeltelijk bestaat in huisvesting, verstrekkingen in natura of wel in beide, wordt de geldswaarde geschat; als loon volgens deze verordening gelden tevens alle ontvangsten in geld van derden, welke verband houden met ten behoeve van de werkgever verrichte arbeid.

Artikel 2

1. De bepalingen van deze verordening zijn ook van toepassing:
a. op de werkgever, die in Curaçao gevestigd is, ten aanzien van de arbeider, die hij buiten het land bezigt, zo deze Nederlander of Nederlands onderdaan is en zijn woonplaats in Curaçao heeft;
b. op de onder a. bedoelde arbeider.
2. De bepalingen van deze verordening zijn niet van toepassing:
a. op de werkgever, die buiten Curaçao gevestigd is, ten aanzien van de arbeider, die hij in Curaçao bezigt, zo deze geen Nederlander of Nederlands onderdaan is en zijn woonplaats buiten Curaçao heeft;
b. op de onder a. bedoelde arbeider.
3. Voor arbeiders, zijnde Nederlander of Nederlands onderdaan, die zich in het buitenland bevinden, kan de Gouverneur bij Besluit afwijkende voorschriften geven.

Artikel 3

  1. De arbeider is behoudens vrijstelling zoals bedoeld in het zesde lid van dit artikel, verplicht een werkboekje te hebben, hetwelk hem wordt uitgereikt vanwege de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt alles geregeld wat de vorm en de uitgifte van het werkboekje betreft, alsmede de prijs ervan.
  3. Het werkboekje vermeldt de namen, de voornamen, de geboortedatum, de plaats van geboorte, het geslacht, de woonplaats, de nationaliteit, de burgerlijke staat, het aantal kinderen tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, welke te zijnen laste zijn en het beroep of ambacht van de arbeider. Indien de geboortedatum of de nationaliteit niet vaststaat, wordt zulks in het werkboekje aangetekend.
  4. Het werkboekje, hetwelk binnen tweemaal vierentwintig uren, nadat de dienstbetrekking een aanvang heeft genomen, aan de werkgever overhandigd moet worden, blijft tot op het tijdstip, in artikel 8, eerste lid, bepaald, onder berusting van de werkgever.
  5. Bij verlies of in ongerede raken van het werkboekje kan een nieuw boekje worden uitgereikt. Indien aan de arbeider een of meer werkboekjes reeds werden uitgereikt, moet het nieuwe daarvan melding maken.
  6. Op verzoek van de betrokken werkgever is de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn bevoegd aan arbeiders van vreemde nationaliteit, voor de duur van een jaar voorwaardelijk of onvoorwaardelijk vrijstelling te verlenen van de verplichting tot het hebben van een werkboekje, indien deze arbeiders zich reeds in het buitenland verbonden hebben tot het verrichten van arbeid, uitsluitend in dienst van die werkgever. Deze vrijstelling kan telkens voor de duur van een jaar verlengd worden.

Artikel 4

  1. Na beëindiging van zijn dienstbetrekking is de arbeider, die in het bezit is van een werkboekje, verplicht uiterlijk een week nadien, zijn werkboekje in bewaring te geven:aan de door de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn aangewezen ambtenaar.
  2. Voor de inbewaringgeving van het werkboekje wordt door of vanwege de betrokken autoriteit een ontvangstbewijs afgegeven.
  3. De verplichting in het eerste lid bedoeld, bestaat slechts indien de arbeider binnen een week na de beëindiging van zijn dienstbetrekking geen nieuwe dienstbetrekking heeft aangegaan.

Artikel 5

Van iedere wijziging in de persoonlijke gegevens, zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, wordt door of namens de arbeider binnen tien dagen, nadat die wijziging heeft plaatsgevonden, aangifte gedaan bij de autoriteit, die hem het werkboekje heeft uitgereikt.

Artikel 6

  1. Het is de werkgever verboden een arbeider in zijn dienst te hebben, die niet voldoet aan het gestelde in artikel 3, eerste lid, van deze verordening.
  2. De werkgever is verplicht binnen achtmaal vierentwintig uren, nadat hij een arbeider in zijn dienst heeft genomen, hiervan melding te maken in het werkboekje van de arbeider. Deze verplichting bestaat niet, indien de dienstverhouding minder dan zes achtereenvolgende dagen (Zon- en feestdagen niet meegerekend) heeft geduurd. Indien de werkgever de dag van indiensttreding heeft ingeschreven, moet hij ook de dag van uitdiensttreding inschrijven.Onder feestdagen wordt ten deze verstaan de Nieuwjaarsdag, Goede vrijdag, Christelijke tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Christelijke tweede Pinksterdag, verjaardag van de Koning en de beide Kerstdagen. Ingeval van overlijden van de werkgever en in alle gevallen, waar deze in de onmogelijkheid zou zijn om in het werkboekje de datum van uitdiensttreding te schrijven, geschiedt zulks door de autoriteit, die de arbeider het werkboekje uitreikte.

Artikel 7

Het is de werkgever verboden anders dan de dagtekening van de indienst- en van de uitdiensttreding, voorts het beroep, de functie of het ambacht van de arbeider in diens werkboekje aan te tekenen, alsmede de naam, de woonplaats, het bedrijf, het beroep of de onderneming van de werkgever met wie de arbeider de betreffende dienstverhouding heeft aangegaan en diens ondertekening.

Artikel 8

1. Het werkboekje blijft na elke inschrijving van de datum van indiensttreding onder berusting van de werkgever en wordt de arbeider teruggegeven,
a. indien de dienstbetrekking eindigt door opzegging op de dag van opzegging;
b. indien de dienstbetrekking kan eindigen zonder dat opzegging daartoe nodig is, op de dag, waarop de arbeider zulks vordert, doch niet eerder dan op de dag, welke niet meer van de dag waarop de dienstbetrekking eindigen zal verwijderd is, dan de tijd, die gewoonlijk tussen twee opeenvolgende uitbetalingen van het in geld vastgesteld loon verstrijkt, doch nimmer eerder dan zes weken voordat de dienstbetrekking eindigen zal. Laatstbedoelde termijn wordt, indien de dienstbetrekking betreft arbeiders, die huiselijke diensten verrichten, ongeacht de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een bepaalde tijd, voor onbepaalde tijd of tot weder opzegging, gesteld op een week.
2. Voor het in bewaring geven van het werkboekje wordt de arbeider door de werkgever een bewijs afgegeven.

Artikel 9

1. De werkgever is voorts verplicht:
a. een arbeidsregister aan te houden, dat voldoet aan de bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te geven voorschriften;
b. op verzoek van of vanwege de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn binnen een door laatstgenoemde te stellen termijn, een uittreksel van het register in een door deze gewenste vorm te verstrekken;
c. De Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn of de door deze minister aangewezen ambtenaar binnen tweemaal 24 uren in kennis te stellen van het aangaan of verbreken van een dienstbetrekking met een arbeider.
De aangifte geschiedt op een wijze, nader bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te regelen;
d. De Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn of de door deze minister aangewezen ambtenaar maandelijks vóór de vijftiende van de wijzigingen, in het loon van de arbeiders over de voorafgaande maand in kennis te stellen op een wijze, nader bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te regelen.
2. Het in sub 1a bedoelde register vermeldt de namen, de voornamen, de geboortedatum, de plaats van geboorte, de woonplaats, de nationaliteit, het geslacht, de burgerlijke staat, het aantal kinderen tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, welke te zijnen laste zijn, het beroep, ambacht of de functie van alle in zijn dienst zijnde arbeiders, de met hen overeengekomen loonsbedragen, alsmede de datum van indiensttreding en na beëindiging van de dienstbetrekking de datum van uitdiensttreding van deze arbeiders, echter met uitzondering van arbeiders, die huiselijke diensten verrichten.
3. Voor werkgevers, die uitsluitend arbeiders in dienst hebben voor het verrichten van huiselijke diensten, geldt de verplichting, omschreven in het eerste lid van dit artikel niet.

Toezicht

Artikel 9a

1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde zijn belast de daartoe bij landsbesluit aangewezen personen. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
2. De krachtens het eerste lid aangewezen personen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
a. alle inlichtingen te vragen;
b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
c. alle plaatsen, met uitzondering van woningen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van door hen aangewezen personen.
3. Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, verschaft met behulp van de sterke arm.
4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de krachtens het eerste lid aangewezen personen.
5. Eenieder is verplicht aan de krachtens het eerste lid aangewezen personen alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.

Strafbepalingen

Artikel 10

Niet naleving van een van de voorschriften van deze landsverordening of van de voorschriften door de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn uit te vaardigen krachtens de artikelen 2, derde lid en 9, leden 1a, d en e, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van ten hoogste tweehonderd gulden.

Artikel 11

(vervallen)

Artikel 12

(vervallen)

Artikel 13

De bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten worden als overtredingen beschouwd

Slotbepalingen

Artikel 14

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Landsverordening tot inschrijving van arbeidskrachten 1945.

Artikel 15

(vervallen)

Naar boven