Landsverordening Veiligheidsdienst Curaçao (bijlage j)
Landsverordening Veiligheidsdienst Curaçao (bijlage j)
| Publicatienummer: |
A.B. 2010, no.
87
|
| Categorie: |
Landsverordening
|
| Onderwerp(en): |
Veiligheidsdienst Curaçao
|
| Ministerie: |
Algemene Zaken en Minister President
|
| Datum ondertekening: |
04-09-2010 |
| Datum inwerktreding: |
10-10-2010 |
| Geregistreerd in: |
|
LANDSVERORDENING houdende regels inzake de met de bescherming van democratische rechtsorde in Curaçao belaste overheidsdienst
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
de Dienst: de ambtelijke dienst, genoemd in artikel 2, eerste lid;
de Commissie: de commissie, bedoeld in artikel 22, eerste lid;
de overheid: de onder een ministerie vallende diensten, de publiekrechtelijke rechtspersonen en de naamloze vennootschappen of vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarin het Land Curaçao voor meer dan 50% participeert;
de Minister: de minister van Algemene Zaken;
de ministers: de Minister en de minister, belast met justitiële aangelegenheden;
het Hoofd: de ambtenaar, belast met de leiding van de Dienst;
het personeel: de bij de Dienst werkzame ambtenaren;
vertrouwensfunctie: een functie bij het Land of elders in Curaçao waarvan de wijze van vervulling een gevaar of een risico kan vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, de integriteit van het openbaar bestuur of de veiligheid en andere vitale belangen van Curaçao;
veiligheidsonderzoek: een onderzoek naar de persoon die een vertrouwensfunctie wenst te vervullen.
§ 2. Taken en bevoegdheden van de dienst
Artikel 2
- Er is een Veiligheidsdienst Curaçao, die als doelstelling heeft het bevorderen van de fundamentele belangen van Curaçao bij het voortbestaan van de democratische rechtsorde, bij de integriteit van het bestuur, bij de interne veiligheid en andere vitale belangen van Curaçao en, waar nodig, het Koninkrijk der Nederlanden.
- De Dienst ressorteert onder de Minister. De minister, belast met justitiële aangelegenheden, draagt medeverantwoordelijkheid ten aanzien van het optreden van de Dienst.
- Er is een hoofd van de Veiligheidsdienst.Hij is belast met de dagelijkse leiding en beheer van de dienst. Hij wordt op gemeenschappelijke voordracht van de ministers benoemd, geschorst en ontslagen, gehoord de Commissie, als bedoeld in artikel 22, eerste lid.
Artikel 3
- De Dienst heeft tot taak het in gebondenheid aan de wet de in artikel 2, eerste lid, neergelegde doelstelling na te streven door middel van het beschermen van in haar doelstelling genoemde belangen door de risico’s voor die belangen vast te stellen en door bij te dragen tot de beperking en controle van die risico’s.
- De werkzaamheden van de Dienst bestaan uit:
a. het verzamelen van gegevens over personen en organisaties, die door de doeleinden die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de in artikel 2, eerste lid, genoemde belangen;
b. het verrichten van veiligheidsonderzoeken ten aanzien van vertrouwensfuncties;
c. het bevorderen van het nemen van maatregelen ter bescherming van de in onderdeel a genoemde belangen, waaronder in ieder geval begrepen worden maatregelen ter beveiliging van in het belang van Curaçao en, waar nodig, het Koninkrijk der Nederlanden geheim te houden gegevens, en van voor de instandhouding van het maatschappelijke leven van vitaal belang zijnde delen van de overheid.
- Het Hoofd informeert de ministers bij voortduring over de uitkomsten van de werkzaamheden van de Dienst en stelt dezen in kennis van al hetgeen voor hen in de uitoefening van hun functie van belang kan zijn.
Artikel 4
- De Dienst verzamelt de in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, bedoelde gegevens uit openbare bronnen voor doelen die vallen binnen de aan de Dienst wettelijk opgedragen taken.
- Het Hoofd en het door hem daartoe gemachtigde personeel zijn bevoegd zich daarenboven voor het verzamelen van gegevens te wenden tot een ieder die geacht kan worden in staat te zijn voor de Dienst relevante gegevens te verstrekken.
- De ambtenaar, belast met de leiding van een overheidsdienst verschaft het Hoofd op diens verzoek de informatie waarom deze vraagt. Indien voor die dienst een bijzondere geheimhoudingsverplichting bestaat, geeft die ambtenaar slechts gevolg aan het verzoek, voorzover door de Minister is vastgesteld dat het door de Dienst behartigde belang gaat boven de door de desbetreffende overheidsdienst behartigde belangen; alsdan zijn eventuele op die verstrekking betrekking hebbende bijzondere wettelijke voorschriften niet van toepassing.
- Vastgelegde gegevens worden door het personeel voorzien van een verwijzing naar de documenten of andere bronnen, waaraan zij zijn ontleend.
Artikel 5
- Door de Dienst worden alleen persoonsgegevens verzameld over degenen:
a. wier activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de democratische rechtsorde, de integriteit van het openbaar bestuur of de veiligheid of andere vitale belangen van Curaçao of het Koninkrijk der Nederlanden;
b. die schriftelijk toestemming hebben gegeven voor het instellen van een veiligheidsonderzoek;
c. die ten behoeve van de Dienst werkzaam zijn of zijn geweest;
d. over wie door een andere inlichtingen- of veiligheidsdienst binnen of buiten het Koninkrijk der Nederlanden gegevens worden gevraagd;
e. wier gegevens noodzakelijk zijn ter ondersteuning van een goede taakuitvoering van de Dienst.
- De Dienst verzamelt geen gegevens die betrekking hebben op iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, gezondheid of seksuele leven, tenzij dit plaatsvindt in aanvulling op de verzameling van andere gegevens, en dit voor het doel van de laatstbedoelde verzameling onvermijdelijk is.
Artikel 6
- Het personeel is ambtenaar in de zin van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (P.B. PM). Het wordt aangesteld, bevorderd en ontslagen op voordracht van de Minister.
- Het personeel bezit geen opsporingsbevoegdheid. 3. Aan het personeel worden geen werkzaamheden opgedragen, die in strijd zijn met de taken van de Dienst, noch verricht dit personeel dergelijke handelingen.
Artikel 7
- Onverminderd de bevoegdheid tot gegevensvergaring, bedoeld in artikel 4, is de Dienst bevoegd de navolgende bijzondere inlichtingenmiddelen toe te passen:
a. het observeren van natuurlijke personen of van zaken en het daarbij vastleggen van gegevens, al dan niet met behulp van observatie- en registratiemiddelen;
b. het volgen van natuurlijke personen of van zaken en het daarbij vastleggen van gegevens, al dan niet met behulp van volgmiddelen, plaatsbepalingsapparatuur en registratiemiddelen;
c. de inzet van personen, niet-zijnde personeel, die, al dan niet met gebruikmaking van een aangenomen identiteit of hoedanigheid incidenteel of voor bepaalde tijd belast zijn met het verzamelen van gegevens omtrent organisaties of individuele personen;
d. het betreden en het doorzoeken van besloten plaatsen;
e. het openen en onderzoeken van gesloten voorwerpen;
f. het met een technisch hulpmiddel aftappen, opnemen en afluisteren van gesprekken, telecommunicatie of geautomatiseerde gegevensoverdracht.
- Onder het openen van een gesloten voorwerp als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt mede begrepen het openen van brieven en andere geadresseerde zendingen, alsmede het binnendringen in geautomatiseerde bestanden.
- De in het eerste lid omschreven bijzondere inlichtingenmiddelen worden alleen toegepast, indien door het Hoofd is vastgesteld dat de beoogde verzameling van gegevens niet kan plaatsvinden op de in artikel 4, eerste, tweede en derde lid beschreven wijze.
- Van de toepassing van bijzondere inlichtingenmiddelen wordt in elk concreet geval door het daarbij betrokken personeel een schriftelijk verslag opgemaakt, dat terstond aan het Hoofd wordt aangeboden.
Artikel 8
- De inzet van personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c, door het personeel geschiedt slechts met een bijzondere schriftelijke machtiging van het Hoofd. Indien een in te zetten persoon justitiële antecedenten heeft, is voor die inzet de voorafgaande schriftelijke toestemming van de ministers benodigd en wordt van het inzetten mededeling gedaan aan de commissie.
- De bijzondere inlichtingenmiddelen, omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdelen d, e en f, worden uitsluitend toegepast, mits de ministers en de minister, belast met telecommunicatie, daartoe op voorstel van het Hoofd voor elk concreet geval schriftelijk toestemming hebben verleend. Een afschrift van de toestemming wordt door het Hoofd binnen 2 x 24 uur aan de Commissie toegezonden.
- Opdat de Dienst de hem in verband met de waarborging van de democratische rechtsorde toegekende bevoegdheden, genoemd in artikel 7, eerste lid, onderdeel f, kan toepassen, treft iedere houder van een concessie als bedoeld in artikel 2 van de Telegraaf- en telefoonverordening (P.B.P.M.) of de landsverordening die deze vervangt, in zijn bedrijf onverwijld de technische voorzieningen die het Hoofd wenselijk acht.
Artikel 9
- Indien het Hoofd overweegt toepassing te geven aan een niet in artikel 7, eerste lid, omschreven bijzonder inlichtingenmiddel, en die toepassing kan leiden tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een burger, gaat hij daartoe pas over, nadat de ministers hem daarvoor schriftelijk toestemming hebben gegeven. Van de toepassing wordt mededeling gedaan aan de Commissie.
- Binnen zes maanden na het geven van toestemming tot het gebruik van een middel als bedoeld in het eerste lid, dient de regering bij de Staten een ontwerp-landsverordening tot regeling van dat middel in.
Artikel 10
- Ingeval het bij toepassing van artikel 7, eerste lid, onderdeel d, wenselijk is een woning te betreden, is voor het personeel, indien de bewoner afwezig is, voor het rechtmatig binnentreden in die woning het bezit van een schriftelijke machtiging als bedoeld in artikel 12 van de Staatsregeling, niet vereist en zijn de voorschriften van artikel 12 van de Staatsregeling niet van toepassing. Aan het voorschrift in de tweede volzin van dat artikel, in stede van binnen 2×24 uur, wordt binnen een termijn van ten hoogste acht dagen na de datum van het binnentreden voldaan, tenzij bij landsbesluit, de Commissie gehoord, anders is bepaald.
- Ingeval het bij toepassing van artikel 7, eerste lid, onderdeel e, wenselijk is brieven te openen, te lezen en daarvan afschrift te nemen, geldt het briefgeheim, bedoeld in artikel 12 van de Staatsregeling, niet voor personeel dat daartoe, ten aanzien van iedere afzender of geadresseerde afzonderlijk, door de rechter is gemachtigd.
§ 3. Informatieverstrekking
Artikel 11
- Het Hoofd is bevoegd, nadat de ministers hem daartoe een algemene of bijzondere schriftelijke toestemming hebben verleend, omtrent bepaalde gegevens of categorieën van gegevens informatie te verschaffen aan:
a. een andere minister;
b. een Curaçaose overheidsinstantie;
c. een andere inlichtingen- of veiligheidsdienst binnen of buiten het Koninkrijk der Nederlanden.
- Het doorgeven van gegevens door het Hoofd geschiedt onder de daarbij door hem in ieder afzonderlijk geval te stellen voorwaarden:
– dat de gegevens alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor zij verstrekt zijn, en
– dat zij door de ontvanger niet aan anderen worden verstrekt dan met voorafgaande toestemming van het Hoofd.
- Gegevens, verkregen van andere inlichtingen- en veiligheidsdiensten binnen of buiten het Koninkrijk der Nederlanden, worden alleen door de Dienst aan andere personen of instanties doorgegeven, nadat daarvoor door de verstrekkende organisatie schriftelijk toestemming is gegeven aan het Hoofd.
Artikel 12
- Het doorgeven van gegevens als bedoeld in artikel 11, geschiedt schriftelijk. Van iedere doorgifte wordt door het Hoofd aantekening gehouden.
- In spoedeisende gevallen kunnen gegevens mondeling worden doorgegeven, gevolgd door een schriftelijke bevestiging van mondelinge doorgifte binnen 48 uur met omschrijving van de verstrekte gegevens.
Artikel 13
- Personen over wie door de Dienst gegevens zijn of worden verzameld, worden daarvan niet in kennis gesteld.
- Met afwijking, zo nodig, van de Landsverordening openbaarheid van bestuur wordt een verzoek van een persoon om antwoord op de vraag, of ten aanzien van hem gegevens zijn verzameld, of om inzage van eventueel over hem verzamelde gegevens alleen ingewilligd, ingeval de ministers op voorstel van het Hoofd hebben vastgesteld dat door een gehele op gedeeltelijke inwilliging daarvan geen door de Dienst te behartigen belangen worden geschaad.
- Van de afwijzing van een verzoek als bedoeld in het tweede lid, wordt de betrokkene onder verwijzing naar het tweede lid schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 14
- Het Hoofd draagt zorg dat door de Dienst omtrent een persoon verzamelde gegevens die achteraf onjuist zijn gebleken, verbeterd worden. Van de verbetering wordt mededeling gedaan aan de instanties waaraan de gegevens zijn doorgegeven.
- Het Hoofd draagt zorg dat persoonsgegevens die niet meer nodig zijn voor het doel waarvoor zij zijn verzameld, worden verwijderd en vernietigd.
- Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld ten aanzien van de wijze van verwijdering en vernietiging van gegevens als bedoeld in het tweede lid.
§ 4. Veiligheidsonderzoeken
Artikel 15
Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden de vertrouwensfuncties aangewezen.
Artikel 16
- Het is verboden een persoon met een vertrouwensfunctie te belasten, tenzij de Minister tevoren op grond van een door de Dienst ingesteld veiligheidsonderzoek heeft verklaard dat tegen vervulling van die functie door betrokkene uit het oogpunt van het voortbestaan van de democratische rechtsorde, de integriteit van het openbaar bestuur of de veiligheid of andere vitale belangen van Curaçao geen bezwaar bestaat.
- Een veiligheidsonderzoek wordt slechts uitgevoerd na voorafgaande schriftelijke instemming van de betrokken persoon.
- Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop veiligheidsonderzoeken worden gehouden, en worden van de artikelen 11 tot en met 13 afwijkende voorschriften gegeven met betrekking tot de wijze waarop de in het kader van een veiligheidsonderzoek vergaarde gegevens worden vastgelegd en de wijze waarop door een betrokken persoon kennis kan worden genomen van de over hem vastgelegde gegevens.
Artikel 17
- De Minister doet ten aanzien van personen die een vertrouwensfunctie vervullen, iedere drie jaar en, indien gebleken feiten of omstandigheden hem daartoe aanleiding geven, incidenteel een hernieuwd veiligheidsonderzoek instellen.
- De Minister trekt ten aanzien van een persoon met betrekking waartoe aan hem is gebleken, dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouw zal volbrengen, de verklaring, bedoeld in artikel 16, eerste lid, in.
- Indien ten aanzien van een ambtenaar sprake is van een geval als bedoeld in het tweede lid, wordt de betrokkene door de minister onder wie hij valt, terstond van zijn plicht tot het verrichten van de aan de vertrouwensfunctie verbonden werkzaamheden en zo spoedig mogelijk uit de desbetreffende functie ontheven. Betreft het een niet-ambtenaar, dan bevordert de minister wie het aangaat, de spoedige ontheffing van de betrokkene uit de vertrouwensfunctie.
- Het is verboden een persoon te blijven belasten met een vertrouwensfunctie, nadat de Minister de op die persoon betrekking hebbende verklaring, bedoeld in artikel 16, eerste lid, heeft ingetrokken.
Artikel 18
- De Landsverordening ambtenarenrechtspraak is niet van toepassing op bezwaar en beroep tegen de niet-afgifte van verklaringen als bedoeld in de artikelen 16, eerste lid, en tegen een intrekking als bedoeld in 17, tweede lid.
- In afwijking van artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Landsverordening administratieve rechtspraak zijn de bepalingen daarvan van toepassing op beschikkingen als bedoeld in het eerste lid, en in 13, derde lid, met dien verstande dat:
a. bij de behandeling van een bezwaarschrift ter zake van die nietafgifte of intrekking de Commissie de taken vervult, die in voormelde landsverordening worden toebedeeld aan de bezwaaradviescommissie;
b. de hoorzitting met gesloten deuren plaatsvindt;
c. het verweerschrift niet ter inzage wordt gelegd en de Commissie bevoegd is delen van het verweerschrift aan de indiener te onthouden.
§ 5. Samenwerking met andere instanties
Artikel 19
- Het Hoofd en de procureur-generaal plegen regelmatig overleg ten behoeve van een goede en gecoördineerde taakvervulling door de Dienst en het openbaar ministerie.
- Het Hoofd en de procureur-generaal doen elkaar mededeling van te hunner kennis gekomen gegevens die voor de vervulling van de taken van de Dienst, respectievelijk van het openbaar ministerie, van belang kunnen zijn.
Artikel 20
- Het Hoofd pleegt regelmatig overleg met de korpschef van het Korps Politie Curaçao, de hoofdofficier van justitie, de Inspecteur der invoerrechten en accijnzen en het hoofd van de met de uitvoering van de Landsverordening toelating en uitzetting belaste dienst over aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn.
- De politie- en de douaneambtenaren, alsmede de ambtenaren van de met de uitvoering van de Landsverordening toelating en uitzettingbelaste dienst, doen aan de korpschef van het Korps Politie Curaçao,de inspecteur der invoerrechten en accijnzen,respectievelijk het Hoofd van de met de uitvoering van de Landsverordening toelating en uitzetting belaste dienst mededeling van te hunner kennis gekomen gegevens die voor de vervulling van de taken van de Dienst van belang kunnen zijn. De gegevens worden door het betrokken diensthoofd zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het Hoofd of ingebracht in het overleg, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 21
Het Hoofd draagt zorg voor het onderhouden van contacten met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van Nederland, Aruba en St. Maarten en van daarvoor naar het oordeel van de Minister in aanmerking komende staten en internationale organisaties.
§ 6. Het toezicht op de dienst
Artikel 22
- Er is een commissie van toezicht, die belast is met de volgende taken:
a. het uitoefenen van toezicht op de taakuitvoering van de Dienst
b. het onderzoeken en beoordelen van klachten over het optreden van de dienst.
- De Commissie bestaat uit:
a. een door de president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao, Aruba, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba aangewezen persoon, die deel uitmaakt van de rechterlijke macht, als voorzitter;
b. de voorzitter van de Bezwaaradviescommissie, bedoeld in de Landsverordening administratieve rechtspraak;
c. de Directeur van de Stichting Overheidsaccountantsbureau.
- De griffier van het Gerecht in eerste aanleg fungeert als secretaris van de Commissie.
Artikel 23
- De Commissie verricht, indien zij daartoe aanleiding ziet, onderzoek naar de wijze waarop de Dienst in een bepaalde aangelegenheid is opgetreden. Van een voorgenomen onderzoek doet zij mededeling aan de ministers, onder opgave van de redenen voor het instellen van een onderzoek.
- De Minister kan de Commissie verzoeken een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, in te stellen.
- De Commissie stelt naar aanleiding van een door haar verricht onderzoek een rapport op ten behoeve van de in het eerste lid genoemde ministers, waarin zij een oordeel geeft over de rechtmatigheid van het optreden van de Dienst. Het rapport kan aanbevelingen bevatten.
Artikel 24
- Indien het Hoofd een opdracht krijgt, die hij in strijd acht met de doelstelling van de Dienst, zendt hij de Commissie een nota waarin hij uiteen zet de gronden waarop zijn zienswijze ten aanzien van de opdracht berust, vergezeld van eventuele andere tot de desbetreffende opdracht betrekkelijke stukken; een afschrift van de nota zendt hij aan de Minister. Totdat de Commissie uitspraak heeft gedaan, is de plicht van het Hoofd tot uitvoering van de opdracht van rechtswege opgeschort.
- De Commissie legt haar beslissing schriftelijk vast en zendt deze terstond aan het Hoofd en de Minister.
- Luidt het oordeel van de Commissie dat de opdracht in strijd is met de doelstelling van de Dienst, dan geeft het Hoofd daaraan geen uitvoering. Acht de Commissie zodanige strijd niet aanwezig, dan voert het Hoofd de opdracht uit.
Artikel 25
- De ministers en het personeel verstrekken desverlangd, aan de Commissie alle inlichtingen die zij voor een goede uitoefening van haar taak noodzakelijk acht.
- Indien het verstrekken van aan het personeel gevraagde inlichtingen schade kan toebrengen aan de geheimhouding van bronnen waaruit de gevraagde gegevens afkomstig zijn, of aan de veiligheid van personen met wier medewerking de gevraagde gegevens werden verzameld, worden die inlichtingen alleen verstrekt door het Hoofd.
- Het Hoofd verleent de voorzitter van de Commissie op diens schriftelijk verzoek toegang tot de door de Dienst verzamelde gegevens.
Artikel 26
De Commissie kan anderen dan de in artikel 25, eerste lid, bedoelde personen verzoeken inlichtingen te verstrekken met betrekking tot het vervullen van de taken van de Dienst.
Artikel 27
- Een ieder die meent dat de Dienst ten aanzien van hem onrechtmatig is opgetreden, kan daarover bij de Commissie een klacht in dienen.
- Klachten over het optreden van de Dienst, die bij een bestuursorgaan worden ingediend, worden door dat orgaan aan de Commissie ter behandeling overgedragen.
- De Commissie onderzoekt een klacht als bedoeld in het eerste lid, en deelt haar oordeel schriftelijk mede aan de klager en de ministers.
- Indien de Commissie een klacht gegrond beoordeelt, adviseert zij de Minister omtrent de vraag, welke gevolgen haar oordeel behoort te hebben. De Minister wijkt slechts van het advies af, indien de veiligheid van de Staat dat gebiedt.
Artikel 28
- De Commissie stelt van haar werkzaamheden jaarlijks een schriftelijk verslag op en legt dit voor aan de ministers. De ministers geven na dertig dagen hun visie weer.
- Uiterlijk in de maand mei stelt de Commissie het verslag vast en zendt het vervolgens aan de Staten. Het bevat geen gegevens of formuleringen, die herleidbaar zijn tot individuele personen of instellingen.
§ 7. Geheimhouding
Artikel 29
- Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht. Deze verplichting duurt voort, nadat het betrokken zijn bij de uitvoering van deze landsverordening is g ëindigd.
- Artikel 285, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao is niet van toepassing in geval van handelen of nalaten in strijd met de in het eerste lid omschreven verplichting.
Artikel 30
Het Hoofd draagt zorg voor:
a. de bescherming van bij de Dienst verzamelde gegevens en van de identiteit van de bronnen waaruit deze gegevens afkomstig zijn;
b. de veiligheid van personen met wier medewerking door de Dienst gegevens worden verzameld.
Artikel 31
Het personeel dat krachtens een wettelijke bepaling verplicht wordt als getuige of deskundige op te treden, legt in de desbetreffende gerechtelijke procedure slechts een verklaring af omtrent datgene waarover zijn verplichting tot geheimhouding zich niet uitstrekt, tenzij de Minister hem schriftelijk geheel of gedeeltelijk van die verplichting heeft ontheven.
§ 9. Nadere regels met betrekking tot organisatie, werkwijze en beheer
Artikel 32
Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen kunnen ten aanzien van de organisatie, de werkwijze en het beheer van de dienst nadere regels worden vastgesteld.
§8 Handhaving
Artikel 33
- Aan degene ten aanzien van wie door of namens de Minister is geconstateerd dat hij niet heeft voldaan aan een aan hem bij de artikelen 8, derde lid, 16, eerste lid, of 17 vierde lid opgelegde verplichting, kan een last onder dwangsom worden opgelegd. De oplegging geschiedt schriftelijk onder opgave van redenen; zij bedraagt ten minste Afl. 1.000,- en ten hoogste Afl. 500.000,- voor iedere geconstateerde overtreding.
- De last onder dwangsom is gericht op het ongedaan maken van een overtreding en het voorkomen van een verdere overtreding of de herhaling daarvan. De opgelegde last onder dwangsom staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang.
- Tegen de oplegging van een last onder dwangsom staat beroep open ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak.
- De Minister kan op verzoek van de overtreder de looptijd van een last verlengen, ingeval te zijnen genoegen is aangetoond dat het voor de overtreder onmogelijk is tijdig aan de desbetreffende verplichting te voldoen.
Artikel 34
- Bij gebreke van voldoening aan de last binnen de termijn, bedoeld in artikel 33, eerste lid, kan de Minister het bedrag van de dwangsom, verhoogd met de op de invordering betrekking hebbende kosten, doen invorderen bij dwangbevel, tenzij ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak bezwaar is gemaakt tegen oplegging van de last.
- Een dwangbevel als bedoeld in het eerste lid, wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Curaçao.
- Gedurende zes weken na de dag van betekening staat tegen het dwangbevel verzet open door dagvaarding van de Minister. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. De rechter kan op verzoek van de Minister de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.
- De bevoegdheid tot invordering van een last onder dwangsom verjaart door verloop van zes maanden na de datum van oplegging van de boete of de datum waarop de last is verbeurd. De verjaring wordt geschorst door faillissement en door ieder ander wettelijk beletsel voor invordering.
§9. Slotbepalingen
Artikel 35
De ministers brengen jaarlijks, uiterlijk in de maand juni, aan de Staten een schriftelijk verslag uit van de werkzaamheden van de Dienst in het daaraanvoorafgaande kalenderjaar.
Artikel 36
Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van deze landsverordening.
Artikel 37
- Deze landsverordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.
- Zij kan worden aangehaald als Landsverordening Veiligheidsdienst Curaçao.