Lei Estado di Emergensia - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou Uw mening

Wet- en Regelgeving

Lei Estado di Emergensia

Publicatienummer: P.B. 2020, no. 136
Categorie: Landsverordening
Ministerie: Algemene Zaken en Minister President
Datum ondertekening: 04-12-2020
Datum inwerktreding: 05-12-2020


LANDSVERORDENING van de 4de december 2020 houdende regels met betrekking tot uitzonderingstoestanden (Landsverordening uitzonderingstoestand)

Hoofdstuk 1
Begripsbepaling

Artikel 1

In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
– de daartoe aangewezen ambtenaren: opsporingsambtenaren, buitengewoon opsporingsambtenaren en de bij landsbesluit aangewezen toezichthouders;
– minister: de Minister van Algemene Zaken;
– ministeriële beschikking: een beschikking als bedoeld in artikel 3 van de Landsverordening administratieve rechtspraak , gegeven door de Minister van Algemene Zaken, tenzij anders bepaald;
– ministeriële regeling met algemene werking: een regeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, van de Staatsregeling van Curaçao, vastgesteld door de Minister van Algemene Zaken, tenzij anders bepaald.

Hoofdstuk 2
Afkondiging en opheffing van een uitzonderingstoestand

Artikel 2

  1. Ingeval buitengewone omstandigheden dit vereisen kan ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid, op voordracht van de minister bij landsbesluit de uitzonderingstoestand worden afgekondigd. Onder buitengewone omstandigheden wordt verstaan, crisissituaties die het bestaan van het Land of de samenleving bedreigen, waaronder in ieder geval oorlog, of andere noodtoestanden als gevolg van natuurgeweld, terrorisme, een militaire inval of een pandemie.
  2. Het begin van een uitzonderingstoestand wordt niet op een vroeger tijdstip gesteld dan dat waarop het landsbesluit, bedoeld in het eerste lid, op de daarin te bepalen wijze, is bekendgemaakt.
  3. De uitzonderingstoestand kan voor een periode van maximaal 90 dagen worden afgekondigd.
  4. In geval de buitengewone omstandigheden bij verloop van de in het derde lid bedoelde periode nog steeds voortduren, en dit naar het oordeel van de minister een verlenging van de uitzonderingstoestand noodzakelijk maakt, dan zal daartoe een nieuw landsbesluit tot afkondiging van de uitzonderingstoestand moeten worden afgekondigd. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
  5. Bij het landsbesluit, bedoeld in het eerste of vierde lid, kunnen de in Hoofdstuk 3 opgenomen bepalingen gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.
  6. Het landsbesluit, bedoeld in het eerste of vierde lid, wordt in elk geval in het Publicatieblad geplaatst.

Artikel 3

  1. Een afschrift van het landsbesluit tot afkondiging van een uitzonderingstoestand of buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 28, eerste lid, wordt terstond aan de Staten, de regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de regering van Nederland, de regering van Aruba en de regering van Sint Maarten gezonden.
  2. De voorzitter van de Staten belegt een openbare vergadering waarin wordt besloten over het voortduren van de uitzonderingstoestand of buitengewone omstandigheid, bedoeld in artikel 28, eerste lid, binnen tweemaal 24 uur na ontvangst van het afschrift van het landsbesluit, bedoeld in het eerste lid.
  3. Indien een verzoek om een openbare vergadering inzake het voortduren van de uitzonderingstoestand of buitengewone omstandigheid, bedoeld in artikel 28, eerste lid, overeenkomstig artikel 64, eerste lid, van het Reglement van Orde voor de Staten van Curaçao wordt ingediend, belegt de voorzitter van de Staten de verzochte openbare vergadering binnen tweemaal 24 uur na ontvangst van dat verzoek.

Artikel 4

  1. Een uitzonderingstoestand wordt opgeheven:
    a. bij besluit van de Staten, indien zij van oordeel zijn dat de uitzonderingstoestand niet, of niet langer dan een bepaalde termijn, mag voortduren. Zolang de uitzonderingstoestand niet bij landsbesluit is opgeheven, kan de Staten telkens wanneer zij zulks nodig oordelen, een besluit als bedoeld in de eerste volzin nemen omtrent het voortduren van de uitzonderingstoestand;
    b. bij landsbesluit, op voordracht van de minister, zodra de omstandigheden dit, naar het oordeel van de regering, toelaten.
  2. Een uitzonderingstoestand eindigt, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, van rechtswege na verloop van de in artikel 2, derde lid, bedoelde periode, tenzij besloten wordt tot verlenging van de uitzonderingstoestand als bedoeld in artikel 2, vierde lid.
  3. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na het moment waarop de uitzonderingstoestand is opgeheven ofwel geëindigd, wordt door de minister aan de Staten mededeling gedaan van hetgeen is verricht tijdens de uitzonderingstoestand.

Artikel 5

  1. Het besluit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, wordt op last van de voorzitter van de Staten door de minister in het Publicatieblad bekendgemaakt en treedt terstond daarna in werking.
  2. Het landsbesluit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, wordt in het Publicatieblad bekendgemaakt en treedt terstond daarna in werking.

Artikel 6

Door opheffing of einde van de uitzonderingstoestand eindigt de werking van de bepalingen uit Hoofdstuk 3 die in werking zijn gesteld.

Hoofdstuk 3
Bevoegdheden burgerlijk gezag gedurende een uitzonderingstoestand

Artikel 7

In deze landsverordening wordt onder handhaving van de uit- of inwendige veiligheid tevens verstaan het nemen van maatregelen om de situatie te beëindigen die aanleiding heeft gegeven tot het afkondigen van de uitzonderingstoestand.

Artikel 8

  1. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, is de minister, met inachtneming van de geldende regels gegeven bij of krachtens rijkswet, bevoegd de Gouverneur van Aruba en de Gouverneur van Sint Maarten te verzoeken eenheden van de aldaar gestationeerde krijgsmacht ter beschikking te stellen ter handhaving van de uitzonderingstoestand.
  2. De ter beschikking gestelde eenheden van de krijgsmacht staan gedurende de periode van hun inzet onder verantwoordelijkheid van de Gouverneur van Curaçao.

Artikel 9

  1. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, kan bij ministeriële regeling met algemene werking worden bepaald, dat de daarin aangewezen ambtenaren, bevoegd zijn van eenieder inlichtingen te verlangen en inzage te vorderen van bescheiden alsmede van informatiedragers waarop gegevens zijn vastgelegd, indien kennis daarvan voor de handhaving van de uitzonderingstoestand noodzakelijk is.
  2. Indien inzage als bedoeld in het eerste lid is gevorderd, kan teneinde afschriften te maken voor korte tijd afgifte dan wel schriftelijke vastlegging en afgifte worden gevorderd.
  3. Eenieder is verplicht de verlangde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken en de gevorderde inzage alsmede de gevorderde afgifte dan wel schriftelijke vastlegging en afgifte te verlenen. Zo nodig kan een termijn worden gesteld voor naleving van deze verplichtingen.
  4. Zij die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn kunnen zich verschonen van het verschaffen van inlichtingen, doch uitsluitend voor zover het betreft hetgeen hun in hun hoedanigheid is toevertrouwd. Zij kunnen voorts het verlenen van inzage van bescheiden en gegevens, alsmede het verlenen van medewerking weigeren, voor zover hun geheimhoudingsplicht zich daartoe uitstrekt.
  5. Bij ministeriële regeling met algemene werking, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 10

  1. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, kan bij landsbesluit tot afkondiging van de uitzonderingstoestand als gevolg van oorlog, terrorisme of militaire inval worden bepaald, dat het aan eenieder is verboden gedachten of gevoelens te openbaren, inlichtingen door te geven, te vergaren of te ontvangen, of vertoningen, die van films daaronder begrepen, te verzorgen.
  2. Onder het openbaren van gevoelens en gedachten als bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval verstaan het op welke wijze dan ook vervaardigen, uitgeven, voorhanden hebben, verspreiden, aanbrengen of in de handel brengen van geschriften, opschriften, tekeningen of afbeeldingen.
  3. Bij de ministeriële regeling met algemene werking kunnen nadere regels worden gegeven ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 11

  1. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, kan bij ministeriële regeling met algemene werking worden bepaald, dat:
    a. het aan eenieder verboden is in het openbaar te betogen of deel te nemen aan een vergadering of betoging;
    b. het aan eenieder verboden is zich op de openbare weg, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder g, van de Landsverordening openbare orde , te begeven, zich aan de openbare weg op te houden, zich te begeven op of in daartoe aangewezen gebouwen, verblijfplaatsen of terreinen, of in de open lucht te vertoeven.
  2. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, kunnen bij ministeriële regeling met algemene werking ter afkondiging hiervan, plaatsen in gebruik bij het Land of bij een onderneming of instelling van het Land, een vennootschap of stichting, bedoeld in de Code Corporate Governance Curaçao , daaronder begrepen, als verboden plaats worden aangewezen ter bescherming van gegevens, waarvan de geheimhouding noodzakelijk is in het belang van de uit- of inwendige veiligheid van het Land.
  3. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, kunnen bij ministeriële regeling, met algemene werking, gebieden worden aangewezen die geheel of gedeeltelijk worden ontruimd. De regeling voorziet voorts in de aanwijzing van plaatsen ter onderbrenging van personen die als gevolg van de ontruiming niet beschikken over een adequate tijdelijke verblijfplaats.
  4. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de toegang tot, het verkeer binnen en het verlaten van daartoe aangewezen gebieden en plaatsen.
  5. De uitzonderingstoestand laat onverlet het recht van de Gouverneur van Curaçao, de ministers, de Statenleden, de griffier van de Staten, de Raad van Advies Curaçao, de Algemene Rekenkamer Curaçao, de Ombudsman, de vaste colleges van advies, het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het openbaar ministerie om in de uitoefening van hun functie en vergezeld van medewerkers ongehinderd in fysieke vergadering of zitting bijeen te komen.
  6. Rechters kunnen ongehinderd mondelinge behandelingen ter fysieke zitting houden, met griffiers, leden van het openbaar ministerie, procesgemachtigden, journalisten met perskaart en voor de zitting bij name uitgenodigde personen. De president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan regels stellen met het oog op de toegang tot de rechter.

Artikel 12

  1. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, kan bij landsbesluit tot afkondiging van de uitzonderingstoestand als gevolg van oorlog, terrorisme of militaire inval worden bepaald dat, indien dit noodzakelijk is ter handhaving van de uitzonderingstoestand, de daartoe aangewezen ambtenaren:
    a. toegang hebben tot elke plaats en zijn zij bevoegd aldaar onderzoek of huiszoeking te verrichten;
    b. bevoegd zijn zonder machtiging woningen binnen te treden;
    c. zich bij het binnentreden niet te behoeven te legitimeren;
    d. het doel van het binnentreden niet behoeven mede te delen aan de gebruiker van de plaats of woning.
  2. De bevoegdheid tot het binnentreden in woningen zonder machtiging en zonder legitimatie als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden uitgeoefend ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen.
  3. Zodra de noodzaak is vervallen worden belanghebbenden van het gebruik van deze bevoegdheid schriftelijk op de hoogte gesteld, tenzij het belang van het Land zich hiertegen verzet.

Artikel 13

  1. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, kan in het landsbesluit tot afkondiging van de uitzonderingstoestand als gevolg van oorlog, terrorisme of militaire inval worden bepaald, dat daartoe aangewezen ambtenaren bevoegd zijn zonder toestemming van de verzender noch de geadresseerde kennis te nemen van de inhoud van communicatie, waaronder elektronische communicatie, of gesprekken gevoerd met behulp van voorzieningen voor telecommunicatie, zonder voorafgaande machtiging van de rechter, indien dit noodzakelijk is ter handhaving van de uitzonderingstoestand.
  2. Zodra de noodzaak is vervallen, worden belanghebbenden van het gebruik van deze bevoegdheid schriftelijk op de hoogte gesteld, tenzij het belang van het Land zich hier tegen verzet.

Artikel 14

  1. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, kan bij ministeriële regeling met algemene werking worden bepaald, dat de minister bevoegd is bindende aanwijzingen en opdrachten te geven aan houders van vergunningen ingevolge de Landsverordening op de telecommunicatievoorzieningen met betrekking tot het in stand houden, exploiteren, verzorgen, gebruiken en beveiligen van openbare telecommunicatienetwerken, voorzieningen, installaties, zendapparatuur of frequenties, en de daarmee verzonden, ontvangen of te verzenden of te ontvangen gegevens of informatie.
  2. Indien de houders van vergunningen als gevolg van aanwijzingen of opdrachten gegeven op grond van het eerste lid onevenredig financieel nadeel ondervinden, kan aan hen op verzoek een naar billijkheid te bepalen vergoeding worden toegekend.
  3. Indien geen gevolg wordt gegeven aan een aanwijzing of opdracht dan is de minister bevoegd zaken te gebruiken of het gebruik te vorderen en overige maatregelen te nemen opdat de aanwijzingen of opdrachten worden uitgevoerd.
  4. De minister kan bij de ministeriële regeling met algemene werking, bedoeld in het eerste lid, nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 15

  1. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, kan bij ministeriële regeling met algemene werking worden bepaald, dat de minister bevoegd is, onroerende en roerende zaken te gebruiken, dan wel het gebruik te vorderen, onder zo spoedig mogelijke, doch uiterlijk binnen drie weken, verstrekking van een schriftelijk bewijsstuk. Het schriftelijk bewijsstuk wordt bij ministeriële beschikking vastgesteld.
  2. Zodra zulks naar het oordeel van de minister mogelijk is, wordt de tot gebruik gevorderde zaak door of vanwege deze wederom ter beschikking van de rechthebbende gesteld. Hiervan wordt mededeling gedaan aan de rechthebbende of wordt dit ter algemene kennis gebracht indien er van meerdere personen zaken zijn gebruikt of gevorderd.
  3. Het burgerlijk gezag is bevoegd veranderingen aan te brengen in, aan of op zaken, die krachtens het eerste lid zijn gebruikt of tot gebruik zijn gevorderd. Indien de rechthebbende onevenredig financieel nadeel ondervinden, kan aan hem op verzoek een naar billijkheid te bepalen vergoeding worden toegekend.

Artikel 16

  1. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, kan bij ministeriële regeling met algemene werking worden bepaald, dat de daartoe aangewezen ambtenaren, bevoegd zijn alle goederen, waarvan redelijk vermoeden bestaat dat zij zullen dienen tot het in gevaar brengen van de uit- of inwendige veiligheid, dan wel van belang zijn voor de waarheidsvinding omtrent een mogelijk in gevaar brengen van die veiligheid, te onderzoeken of in beslag te nemen. De artikelen 438, 445 en 446 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
  2. Van elke inbeslagneming wordt een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal dat mede de redenen van de inbeslagneming vermeldt, wordt binnen tweemaal vierentwintig uren aan belanghebbende in afschrift medegedeeld, voor zover mededeling aan belanghebbende niet strijdig wordt geoordeeld met het belang van het Land.

Artikel 17

  1. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand als gevolg van oorlog, natuurgeweld, terrorisme of militaire inval geldt, is de minister bevoegd, indien het landsbelang dit noodzakelijk maakt, ten behoeve van het Land, andere lichamen of personen, het eigendomsrecht op roerende zaken of een recht tot gebruik van roerende of onroerende zaken te vorderen.
  2. De eigendom gaat onmiddellijk over door de enkele beschikking tot vordering.
  3. Zodra als gevolg van een vordering het eigendomsrecht is overgegaan of een recht tot gebruik is ontstaan, wordt daarvan door de minister zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie weken een bewijsstuk opgemaakt. Het bewijsstuk verwijst naar de vorderingsbeschikking en bevat zo nodig de gegevens vereist met betrekking tot de inschrijving van stukken in de betrokken openbare registers, voor zover deze niet in de beschikking staan. Een exemplaar van het bewijsstuk, mede ondertekend door degene, te wiens behoeve de vordering is geschied, wordt, zo mogelijk, verstrekt aan ieder, aan wie een exemplaar van het vorderingsbesluit is verstrekt.
  4. Ingeval een onroerende zaak is gevorderd, doet de minister de vorderingsbeschikking en het krachtens het derde lid opgemaakte bewijsstuk zo spoedig mogelijk in de betrokken openbare registers inschrijven. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
  5. Degene aan wie de eigendom is ontnomen heeft recht op schadevergoeding. Aan degene aan wie het gebruik is ontnomen kan op verzoek een naar billijkheid te bepalen vergoeding worden toegekend. Het bedrag van de aan iedere rechthebbende te betalen schadeloosstelling wordt, zo mogelijk, door de minister, degene, te wiens behoeve de vordering is geschied, en de rechthebbende in onderling overleg bij ministeriële beschikking vastgesteld.
  6. De minister zomede de door hem aan te wijzen ambtenaren zijn te allen tijde bevoegd de uitlevering te vorderen van de in bezit te nemen waren als bedoeld in de Warenlandsverordening. Zij, alsmede de hen op hun last vergezellende personen hebben te allen tijde vrije toegang tot alle plaatsen, waar redelijkerwijs vermoed kan worden, dat zich de waren bevinden. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich die desnoods met inroeping van de sterke arm.
  7. Is de plaats tevens een woning of alleen door een woning toegankelijk, dan treden zij deze tegen de wil van de bewoners niet binnen dan met bijzondere of algemene schriftelijke machtiging van de minister. Zij legitimeren zich, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken.
  8. De machtiging is ondertekend en vermeldt:
    a. voor zover de buitengewone omstandigheden hiertoe de ruimte bieden, de naam of het nummer en de hoedanigheid van degene aan wie de machtiging is gegeven,
    b. het doel waartoe wordt binnengetreden;
    c. de dagtekening.
    De machtiging blijft ten hoogste van kracht gedurende de periode waarop de uitzonderingstoestand geldt, doch niet langer dan nodig om het doel te realiseren waartoe wordt binnengetreden.
  9. Van dit binnentreden wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal dat mede de redenen van het binnentreden vermeldt, wordt binnen tweemaal vierentwintig uren aan belanghebbende in afschrift medegedeeld, voor zover mededeling aan belanghebbende niet strijdig wordt geoordeeld met het belang van het Land.
  10. Hetgeen bepaald is voor zaken is van overeenkomstige toepassing op vermogensrechten. Onder gebruik is mede de uitoefening van een onderneming begrepen.

Artikel 18

  1. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, worden onverwijld de op grond van artikel 17 in bezit genomen waren, op door de minister te bepalen wijze, ter beschikking gesteld ten behoeve van de bevolking, bedrijven of instellingen, tegen prijzen, die de daarvoor door de minister bepaalde bedragen niet te boven gaan.
  2. De schadeloosstelling, voor de in bezit genomen waren, door de minister te bepalen, wordt door twee schatters, elk afzonderlijk, geschat, en een bon voor het gemiddelde van die twee schattingen wordt aan de vroegere houder van de waren gegeven.
  3. Het bedrag van deze bonnen wordt als verplichte uitgave van het Land aangemerkt en zo spoedig mogelijk uitbetaald.
  4. De schatters worden door de minister benoemd na overleg met de Minister van Economische Ontwikkeling.

Artikel 19

  1. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, kan voor zover geen gebruik is gemaakt van artikel 20, de minister met betrekking tot het gebruik van de havens, de luchthaven, de raffinaderij en andere belangrijke infrastructurele complexen, die aanwijzingen geven, welke hij in het belang van het Land nodig oordeelt.
  2. Zodanige aanwijzingen kunnen worden gegeven aan de autoriteiten, lichamen of personen, welke zijn belast met het bestuur of het beheer daarvan, dan wel tot het gebruik daarvan gerechtigd zijn, alsmede aan kapiteins van schepen, gezagvoerders van luchtvaartuigen en bestuurders van vervoermiddelen te land; deze zijn verplicht aan de aanwijzingen gevolg te geven.
  3. Aanwijzingen kunnen zo nodig worden gegeven door openbare bekendmaking ter plaatse op de wijze door de minister te bepalen.
  4. Artikel 14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20

Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, is de minister bevoegd de toegang tot, het verkeer binnen, en het verlaten van de havens, de luchthaven, de raffinaderij en andere belangrijke infrastructurele complexen bij ministeriële regeling met algemene werking te beperken of verbieden.

Artikel 21

Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, kan de minister bij ministeriële regeling met algemene werking maatregelen treffen met betrekking tot de import of export van goederen.

Artikel 22

  1. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, in geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is de Minister van Justitie bevoegd alle bevelen te geven die hij ter bescherming van de uit- of inwendige veiligheid noodzakelijk acht. Daarbij kan van andere dan bij de Staatsregeling van Curaçao gestelde voorschriften worden afgeweken.
  2. De Minister van Justitie laat tot maatregelen van geweld niet overgaan dan na het doen van de nodige waarschuwing.

Artikel 23

  1. Gedurende de periode waarin een uitzonderingstoestand geldt, kan de minister bij ministeriële regeling met algemene werking algemeen verbindende voorschriften vaststellen die nodig zijn. Daarbij kan van andere dan bij de Staatsregeling van Curaçao gestelde voorschriften worden afgeweken. Hij maakt deze voorschriften bekend op een door hem te bepalen wijze.
  2. De minister brengt de voorschriften zo spoedig mogelijk ter kennis van de Staten, van de Gouverneur van Curaçao en van de Procureur-Generaal.
  3. De voorschriften vervallen, indien zij niet door de Staten in hun eerstvolgende vergadering worden bekrachtigd. Het uitblijven van bekrachtiging wordt op last van de voorzitter van de Staten door de minister in het Publicatieblad bekendgemaakt.
  4. De minister stelt de algemeen verbindende voorschriften buiten werking zodra de omstandigheden dit toelaten. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24

  1. De Minister van Justitie is bevoegd door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangegeven plaats tijdelijk te doen ophouden. De ophouding kan mede omvatten, indien nodig, het overbrengen naar die plaats.
  2. De Minister van Justitie oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, slechts uit:
    a. jegens personen die een specifiek voorschrift gegeven door het bevoegd gezag ter uitvoering van deze landsverordening groepsgewijs niet naleven, en
    b. indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden verzekerd.
  3. Van de beslissing tot ophouding wordt zo spoedig mogelijk een proces-verbaal opgemaakt, met vermelding welk voorschrift niet wordt nageleefd en de omstandigheden waaronder dit is geschied.
  4. De Minister van Justitie laat tot ophouding als bedoeld in het eerste lid niet overgaan dan nadat de personen uit de in het eerste lid bedoelde groep in de gelegenheid zijn gesteld de tenuitvoerlegging van de beslissing tot ophouding te voorkomen, door alsnog het voorschrift, bedoeld in het derde lid, na te leven.
  5. De ophouding mag niet langer duren dan de tijd die nodig is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving, met een maximum van twaalf uren.
  6. De plaats van ophouding dient geschikt te zijn voor de opvang van de op te houden personen.
  7. De Minister van Justitie draagt er voor zover mogelijk zorg voor dat de opgehouden personen in de gelegenheid worden gesteld door een daartoe door hem aangewezen ambtenaar hun gegevens te laten vastleggen ten bewijze dat zij zijn opgehouden.

Artikel 25

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze landsverordening en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of rederlijkwijs moet vermoeden en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze landsverordening de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Artikel 26

  1. De bevoegdheden die in dit hoofdstuk aan organen van burgerlijk gezag worden toegekend, worden slechts toegepast voor zover dit ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid naar het oordeel van die organen geboden is.
  2. De bevoegdheden worden slechts toegepast voor zover die toepassing, gelet op het doel ervan, de uitoefening van de grondrechten zo min mogelijk beperkt en aan het doel evenredig is.
  3. Onverminderd de toepassing van artikel 2, vijfde lid, kunnen bij ministeriële regeling met algemene werking deze bevoegdheden gedurende de uitzonderingstoestand geleidelijk in werking worden gesteld en toegepast en de inwerkingstelling en toepassing, afhankelijk van de omstandigheden, worden bijgesteld en teruggenomen. Dit artikellid is niet van toepassing op de artikelen 10, 12 en 13.
  4. Een ieder die stelt dat zijn grondrechten door de toepassing van de in dit hoofdstuk toegekende bevoegdheden gedurende een uitzonderingstoestand onrechtmatig worden aangetast heeft, indien fysieke toegang bezwaarlijk is, recht op virtuele toegang tot het Gerecht in eerste aanleg en, indien nodig, op een uitspraak in kort geding binnen 24 uren na de behandeling.
  5. De rechter verleent vrijstelling of uitstel van betaling van griffierecht aan een eiser die uitdrukkelijk en schriftelijk verklaart recht te hebben op toelating om kosteloos te procederen.

Artikel 27

Bij ministeriële beschikking kan de betrokken minister aan een daarin aangewezen groep personen of persoon, indien het landsbelang dit noodzakelijk maakt, gemotiveerd vrijstelling of ontheffing verlenen van de in dit hoofdstuk gegeven beperkingen, bevelen en verboden, met inbegrip van de plicht tot het naleven van een ingevolge artikel 23 gegeven en bekendgemaakt algemeen verbindend voorschrift. De vrijstelling of ontheffing kan van bepaalde duur zijn. Aan de vrijstelling of ontheffing kunnen algemene en bijzondere voorschriften worden verbonden. De vrijstelling of ontheffing kan te allen tijde worden ingetrokken.

Hoofdstuk 4
Separate toepassing

Artikel 28

  1. Ook indien de uitzonderingstoestand niet is afgekondigd kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij landsbesluit, op voordracht van de minister, de in Hoofdstuk 3 genoemde bevoegdheden gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld. Daarbij kan niet worden afgeweken van de bepalingen van de Staatsregeling van Curaçao betreffende de grondrechten. In geen geval kunnen de bevoegdheden, gegeven in de artikelen 10, 11, eerste lid, aanhef en onder a, 12 en 13 in werking worden gesteld.
  2. Wanneer een landsbesluit als bedoeld in het eerste lid, is genomen, wordt onverwijld een voorstel van landsverordening aan de Staten gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bepalingen, gegeven bij dat landsbesluit.
  3. Wordt het voorstel van landsverordening door de Staten verworpen, dan worden bij landsbesluit, op voordracht van de minister, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
  4. Bij landsbesluit, op voordracht van de minister, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit toelaten.
  5. Een landsbesluit als bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in het Publicatieblad bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.

Hoofdstuk 5
Bestuursdwang

Artikel 29

De betrokken minister is bevoegd tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding van een beperking, bevel of verbod gegeven bij de hoofdstukken 3 en 4, met inbegrip van een overtreding van een ingevolge artikel 23 gegeven en bekendgemaakt algemeen verbindend voorschrift. De betrokken minister is eveneens bevoegd tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding.

Artikel 30

  1. Een beslissing tot toepassing van bestuursdwang wordt op schrift gesteld. De beschikking vermeldt welk voorschrift is overtreden.
  2. De bekendmaking ervan geschiedt aan de overtreder en andere rechthebbenden.
  3. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de overtreder en eventuele andere rechthebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf de in het besluit vermelde maatregelen te treffen. Geen termijn behoeft te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.
  4. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de betrokken minister de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt de minister alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en de bekendmaking.

Artikel 31

  1. De overtreder is de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
  2. De beschikking, bedoeld in artikel 30, eerste lid, vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder plaatsvindt.
  3. Indien de kosten geheel of gedeeltelijk niet ten laste van de overtreder zullen worden gebracht, wordt zulks in de beschikking vermeld.
  4. Onder kosten, worden tevens begrepen de kosten verbonden aan de voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze kosten zijn gemaakt na het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in artikel 30, derde lid, is verstreken.
  5. De kosten zijn ook verschuldigd, indien de bestuursdwang door opheffing van de onrechtmatige situatie niet of niet volledig is uitgevoerd.

Artikel 32

  1. De betrokken minister kan van de overtreder bij dwangbevel de verschuldigde kosten, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, invorderen.
  2. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
  3. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open.
  4. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de minister, kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Artikel 33

De kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang zijn bevoorrecht op de zaak ten aanzien waarvan zij zijn besteed en worden, na de kosten, bedoeld in artikel 284, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, uit de opbrengst van de zaak betaald.

Hoofdstuk 6
Strafbepaling

Artikel 34

  1. Degene die opzettelijk handelt in strijd met een beperking, bevel of verbod gegeven bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4, met inbegrip van overtreding van een ingevolge artikel 23 gegeven en bekendgemaakt algemeen verbindend voorschrift, begaat een misdrijf en wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
  2. Handelen als bedoeld in het eerste lid, voor zover niet opzettelijk begaan, is een overtreding en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Hoofdstuk 7
Slotbepalingen

Artikel 35

Geen aansprakelijkheid bestaat voor schade als gevolg van de afkondiging of opheffing van de uitzonderingstoestand, de inwerkingstelling, uitoefening en buitenwerkingstelling van de in Hoofdstuk 3 genoemde bevoegdheden, het vervallen van de ingevolge artikel 23 vastgestelde algemeen verbindende voorschriften, de separate toepassing, bedoeld in Hoofdstuk 4, en buitenwerkingstelling van de daarmee in werking gestelde bevoegdheden, alsmede de toepassing van bestuursdwang, bedoeld in Hoofdstuk 5.

Artikel 36

Wijziging van de Landsverordening openbare orde

A.
Artikel 81 van de Landsverordening openbare orde wordt als volgt gewijzigd:
In het eerste lid wordt “Overtreding van enige bepaling van deze landsverordening” vervangen door: Overtreding van enig voorschrift bij of krachtens deze landsverordening.

B.
Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5

1. In geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is de Minister van Justitie bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de Staatsregeling gestelde voorschriften worden afgeweken.
2. De Minister van Justitie laat tot maatregelen van geweld niet overgaan dan na het doen van de nodige waarschuwing.

C.
Na artikel 5 wordt twee artikelen ingevoegd, luidende

Artikel 5a

1. Wanneer een omstandigheid als bedoeld in artikel 5, eerste lid, zich voordoet, kan de Minister van Justitie bij ministeriële regeling met algemene werking voorschriften geven die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig zijn. Daarbij kan van andere dan bij de Staatsregeling gestelde voorschriften worden afgeweken. Hij maakt deze voorschriften bekend op een door hem te bepalen wijze.
2. De Minister van Justitie brengt de voorschriften zo spoedig mogelijk ter kennis van de Staten, van de Gouverneur en van het openbaar ministerie.
3. De voorschriften vervallen, indien zij niet door de Staten in hun eerstvolgende vergadering worden bekrachtigd. Het uitblijven van bekrachtiging wordt op last van de voorzitter van de Staten door de minister in het Publicatieblad bekendgemaakt.
4. De Minister van Justitie stelt de algemeen verbindende voorschriften buiten werking zodra de omstandigheden dit toelaten. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5b

Het is verboden een plaats te betreden die in het kader van het onderzoek naar een mogelijk strafbaar feit door het bevoegd gezag is afgezet.

Artikel 37

Deze landsverordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking.

Artikel 38

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Lei Estado di Emergensia.

Naar boven