Lei Konseho Supremo Elektoral - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou Uw mening

Wet- en Regelgeving

Lei Konseho Supremo Elektoral

Publicatienummer: P.B. 2020, no. 111
Categorie: Landsverordening
Ministerie: Bestuur, Planning & Dienstverlening
Datum ondertekening: 06-10-2020
Datum inwerktreding: 10-10-2020
Geregistreerd in:
Klapper Afkondigingsblad ( HOOFDSTUK XVIII Organisme van het land)


LANDSVERORDENING van de 6de oktober 2020 houdende instelling van een Electorale Raad (Lei Konseho Supremo Elektoral)

Hoofdstuk 1

Algemene bepaling

Artikel 1

In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.      de minister: de Minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening;

b.      de benoemingscommissie: de commissie, genoemd in artikel 5, eerste lid;

c.    de adviseur: de adviseur, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Landsverordening corporate governance[1];

d.      de Raad: de Electorale Raad.

 

[1] A.B. 2014, no. 3 (G.T.).

Hoofdstuk 2

De Electorale Raad

 

§1. Instelling, samenstelling en benoeming

Artikel 2

  1. Er is een Electorale Raad.
  2. De Raad is een zelfstandig bestuursorgaan, als bedoeld in artikel 111, eerste lid, van de Staatsregeling Curaçao.

Artikel 3

  1. De Raad is een openbare rechtspersoon.
  2. De Raad heeft een zelfstandig beheerde begroting en heeft taken zoals bij of krachtens landsverordening opgedragen.
  3. De Raad beschikt voor het vervullen van zijn taak over een kantoor.

Artikel 4

  1. De Raad bestaat uit zeven leden, onder wie de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter.
  2. De voorzitter vertegenwoordigt de Raad in en buiten rechte.
  3. De leden van de Raad worden bij landsbesluit op voordracht van de benoemingscommissie, de adviseur gehoord, benoemd, ontslagen en geschorst.
  4. De artikelen 4, vierde lid, 9 en 10 van de Landsverordening corporate governance zijn van overeenkomstige toepassing op het horen van de adviseur, bedoeld in het derde lid.
  5. De voordracht bedoeld in het derde lid is bindend, maar vindt niet plaats dan nadat het resultaat van het veiligheidsonderzoek genoemd in artikel 6, vijfde lid, is ontvangen.
  6. De minister kan besluiten om een voorgedragen lid niet te benoemen, indien de voordracht in strijd is met de wet, de eisen van zorgvuldigheid of andere zwaarwegende belangen. De minister verzoekt de benoemingscommissie, onder toezending van zijn gemotiveerd besluit tot afwijzing van een lid, een nieuwe voordracht te doen. Een kopie van deze brief wordt eveneens binnen twee weken door de minister aan de Staten aangeboden, met dien verstande dat de persoonlijke levenssfeer van het lid in dier voege wordt gewaarborgd dat de persoonsinformatie niet te herleiden is naar een individuele persoon.
  7. De leden van de Raad worden voorgedragen mede op basis van hun deskundigheid over kennis van, dan wel affiniteit met het kiesrecht of de electorale procedure.
  8. De leden van de Raad worden benoemd voor een zittingsperiode van zes jaar. Een lid kan eenmaal herbenoemd worden voor een periode van zes jaar.
  9. Op het tijdstip waarop nieuwe leden van de Raad worden benoemd, treden de desbetreffende zittende leden af.
  10. Degene die ter vervulling van een opengevallen plaats is benoemd tot lid van de Raad, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, moest aftreden.

Artikel 5

  1. Er is een benoemingscommissie die bestaat uit:
    a. een door de president van het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van
    Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
    aangewezen voormalig lid van de rechterlijke macht;
    b. de rector magnificus van de University of Curaçao Dr. Moises Da Costa
    Gomez, bedoeld in de Landsverordening University of Curaçao Dr.
    Moises Da Costa Gomez[1], dan wel zijn plaatsvervanger, indien in
    functie; en
    c. een voormalig lid of plaatsvervangend lid van het hoofdstembureau
    danwel van de Raad.
  2. Artikel 7, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de benoemingscommissie.
  3. De benoemingscommissie kiest uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. Van deze keuze wordt, na de eerste bijeenkomst van de benoemingscommissie, schriftelijke mededeling gedaan aan de minister en de Raad. Bij elke wijziging van het voorzitterschap en plaatsvervangend voorzitterschap wordt schriftelijke mededeling gedaan aan de minister en de Raad.
  4. De kosten gemaakt door de benoemingscommissie ter uitvoering van haar werkzaamheden komen ten laste van de begroting van de Raad.
  5. De benoemingscommissie stelt een reglement vast betreffende haar werkwijze.
  6. De benoemingscommissie maakt haar reglement bekend aan de minister en de Raad,
    alsmede in de Landscourant.

 

[1] P.B. 1985, no. 43, zoals laatstelijk gewijzigd bij PB. 2013, no. 96.

Artikel 6

  1. Het profiel van de leden van de Raad wordt, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, na de adviseur gehoord te hebben, vastgesteld.
  2. De artikelen 4, vierde lid, en 8 van de Landsverordening corporate governance zijn op het horen van de adviseur, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
  3. De benoemingscommissie plaatst de sollicitatieoproep betreffende een opengevallen vacature meerdere keren in ten minste twee dagbladen en in de Landscourant.
  4. De door de benoemingscommissie uitgevoerde selectie van nieuwe leden van de Raad vindt plaats op grond van het profiel en de ontvangen sollicitatiebrieven.
  5. Een veiligheidsonderzoek als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de Landsverordening Veiligheidsdienst Curaçao[1]
    is voor nieuwe leden van de Raad verplicht.
  6. De benoeming, bedoeld in artikel 4, derde lid, vindt niet plaats indien op grond van de uitslag van het veiligheidsonderzoek naar het oordeel van de van het hoofd van de Veiligheidsdienst Curaçao, genoemd in artikel 2, derde lid, van de Landsverordening Veiligheidsdienst Curaçao daartoe bezwaren bestaan.
  7. Indien als gevolg van het veiligheidsonderzoek een verklaring van geen bezwaar wordt geweigerd, doet de benoemingscommissie een nieuwe voordracht als bedoeld in artikel 4, derde lid.
  8. Voor toepassing van dit artikel geldt als werkgever in de zin van het Landsbesluit aanwijzing vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken[2], de Raad, uitgezonderd het lid van de Raad dat zelf onderworpen is aan het veiligheidsonderzoek.

 

[1] A.B. 2010, no.87, bijlage j.

[2] P.B. 2014, no. 21.

Artikel 7

  1. Om als lid van de Raad te worden benoemd moet men de Nederlandse nationaliteit bezitten, ingezetene zijn van Curaçao en niet uitgesloten zijn van het kiesrecht.
  2. De leden van de Raad kunnen niet tegelijk zijn:
    a. Gouverneur of waarnemend Gouverneur;
    b. lid van of werkzaam bij de Raad van Advies;
    c. lid van of werkzaam bij de Algemene Rekenkamer;
    d. Ombudsman of werkzaam bij het kantoor van de Ombudsman;
    e. minister of gewezen minister;
    f. gevolmachtigde minister;
    g. actief dienend ambtenaar;
    h. persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de openbare rechtspersoon Curaçao;
    i. lid van de rechterlijke macht;
    j. het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
    k. lid van de Staten;
    l. lid van een stembureau;
    m. persoon die thans of in de laatste acht jaren op een kandidatenlijst van een politieke groepering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Landsverordening financiën politieke groepering staat of heeft gestaan;
    n. een persoon die thans of in de laatste acht jaren bestuurslid is of is geweest van een politieke groepering.
  3. Tussen de leden van de Raad mag niet bestaan de verhouding van echtgenoot, partner of bloed- of aanverwantschap tot en met de tweede graad.

Artikel 8

  1. Het voor te dragen lid legt een schriftelijke verklaring af aan de benoemingscommissie betreffende zijn zakelijke belangen en overige bestanddelen, nevenfuncties en nevenwerkzaamheden.
  2. Is een lid reeds benoemd, dan dient hij voordat hij nieuwe zakelijke belangen en overige bestanddelen heeft verworven dan wel nevenfuncties en nevenwerkzaamheden heeft aanvaard, bij de benoemingscommissie een schriftelijke verklaring hieromtrent in.
  3. De Raad maakt de nevenfuncties van een lid openbaar in de Landscourant. Openbaarmaking geschiedt bij zijn benoeming en voorts door jaarlijkse publicatie van een opgave van deze nevenfuncties in het jaarverslag, bedoeld in artikel 23, eerste lid.

Artikel 9

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 7, eerste en tweede lid, beslist de benoemingscommissie, het lid gehoord, inzake de verklaring, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, welke zakelijke belangen en overige bestanddelen, alsmede nevenfuncties dan wel nevenwerkzaamheden, ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van de functie als lid van de Raad of de handhaving van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de Raad of van het vertrouwen daarin.
  2. De benoemingscommissie wint over de te nemen beslissing, bedoeld in het eerste lid, advies in bij de adviseur. De artikelen 4, vierde lid, en 9 van de Landsverordening corporate governance zijn op het horen van de adviseur van overeenkomstige toepassing.
  3. Het lid is gehouden, indien zich naar het oordeel van de benoemingscommissie ongewenste vereniging van zakelijke belangen en overige bestanddelen, nevenfuncties of nevenwerkzaamheden als bedoeld in het eerste lid voordoet, de desbetreffende zakelijke belangen en overige bestanddelen, nevenfunctie of nevenwerkzaamheden niet te aanvaarden.
  4. Het lid dient binnen dertig dagen na kennis te hebben genomen van het oordeel van de benoemingscommissie een nieuwe schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, in bij de benoemingscommissie.

Artikel 10

  1. De leden van de Raad worden bij een met redenen omkleed landsbesluit op bindende voordracht van de benoemingscommissie geschorst, indien en voor zolang:
    a. zij zich in voorlopige hechtenis bevinden;
    b. er een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf tegen hen is ingesteld;
    c. zij, bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak, wegens een misdrijf zijn veroordeeld dan wel bij een dergelijk uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
    d. zij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele zijn gesteld, in staat van faillissement zijn verklaard, surseance van betaling hebben verkregen, dan wel wegens schulden zijn gegijzeld;
    e. zij een ambt, functie of nevenfunctie als bedoeld in artikel 7, tweede lid, vervullen;
    f. zij, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken, ongeschikt zijn geworden om de functie te vervullen.
  2. Voor het lid dat geschorst is, staat beroep open bij de rechter in eerste aanleg ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak[1].
  3. De benoemingscommissie wint over een te nemen beslissing als bedoeld in het eerste lid, advies in bij de adviseur. De artikelen 4, vierde lid, en 10 van de Landsverordening corporate governance zijn op het horen van de adviseur van overeenkomstige toepassing.

 

[1] P.B. 2001, no. 79, zoals laatstelijk gewijzigd.

Artikel 11

  1. De leden van de Raad worden bij een met redenen omkleed landsbesluit op bindende voordracht van de benoemingscommissie ontslagen:
    a. op eigen verzoek;
    b. bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar;
    c. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld, dan wel hun bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
    d. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele zijn gesteld, in staat van faillissement zijn verklaard, surseance van betaling hebben verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld;
    e. indien zij uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt zijn geworden hun functie te vervullen;
    f. bij de aanvaarding van een ambt of betrekking, dat of die op grond van artikel 7 onverenigbaar is met het lidmaatschap van de Raad;
    g. indien zij het ingezetenschap of het Nederlanderschap hebben verloren of van het kiesrecht zijn ontzet;
    h. zij, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken, ongeschikt zijn geworden om de functie te vervullen.
  2. Indien het voornemen bestaat één van de leden van de Raad te ontslaan, anders dan in die gevallen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld hierover zijn mening kenbaar te maken.
  3. Voor het lid dat ontslagen is staat beroep open bij de rechter in eerste aanleg ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak.
  4. De benoemingscommissie wint over een te nemen beslissing als bedoeld in het eerste lid, advies in bij de adviseur. De artikelen 4, vierde lid, en 10 van de Landsverordening corporate governance zijn op het horen van de adviseur van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11a

Voor de toepassing van de Landsverordening corporate governance in de artikelen 4, 6, 9, 10 en 11, geldt dat overal in die landsverordening waar een taak is toebedeeld aan de minister in de plaats daarvan de benoemingscommissie gelezen dient te worden.

Artikel 12

  1. In een vacature van een lid wordt zo spoedig mogelijk voorzien, doch uiterlijk binnen vijf maanden nadat deze is opengevallen.
  2. Zolang in een vacature niet is voorzien, wordt de Raad gevormd door de overblijvende leden van de Raad die tezamen de taken en bevoegdheden van de volledige Raad uitoefenen.
  3. Indien de Raad uit minder dan drie leden komt te bestaan, benoemt de benoemingscommissie, in afwijking van de procedureregels, bedoeld in artikel 6, binnen veertien dagen nadat deze omstandigheid zich voordoet en, in afwijking van artikel 4, zesde lid, op bindende voordracht, voor de duur van ten hoogste zes maanden bij landsbesluit zo veel tijdelijke leden als nodig is om de Raad uit tenminste drie leden te laten bestaan.

Artikel 13

  1. Aan het lidmaatschap van de Raad is een geldelijke vergoeding verbonden. De geldelijke vergoeding wordt bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vastgesteld.
  2. Buiten de geldelijke vergoeding genoemd in het eerste lid hebben de leden van de Raad recht op een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen vergoeding van bijzondere kosten in verband met hun functie.

Artikel 14

  1. Aan de Raad wordt, ter uitvoering van haar taken, een secretariaat toegevoegd. De secretaris is het hoofd van het secretariaat.
  2. Een veiligheidsonderzoek als bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening Veiligheidsdienst maakt onderdeel van de aanstelling van de secretaris.
  3. De secretaris wordt bij belet of ontstentenis vervangen door de plaatsvervangend secretaris. Een veiligheidsonderzoek als genoemd in het tweede lid is tevens van toepassing op de plaatsvervangend secretaris.
  4. De secretaris, de plaatsvervangend secretaris en het overig personeel van het secretariaat worden aangesteld, geschorst en ontslagen door de Raad.
  5. De secretaris, de plaatsvervangend secretaris en het overig personeel worden aangesteld op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
  6. In de arbeidsovereenkomst, bedoeld in het vijfde lid, wordt in ieder geval opgenomen dat geen nevenfuncties en nevenwerkzaamheden mogen worden vervuld die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de Raad of van het vertrouwen daarin.
  7. Elk personeelslid is verplicht zijn nevenfuncties en nevenwerkzaamheden te melden aan de voorzitter van de Raad. In geval de voorzitter van de Raad van mening is dat een nevenfunctie als bedoeld in het zesde lid, wordt vervuld, verzoekt hij het betreffende personeelslid de nevenfunctie neer te leggen.
  8. Het niet voldoen aan het verzoek van de voorzitter van de Raad, bedoeld in het zevende lid, vormt een ontslaggrond.
  9. Bij belet of ontstentenis van de voorzitter wordt de melding, bedoeld in het zevende lid, aan de plaatsvervanger voorzitter gedaan.
  10. De secretaris, de plaatsvervangend secretaris en het overige personeel van het secretariaat leggen, alvorens hun betrekking te aanvaarden, in een vergadering van de Raad in handen van de voorzitter, de eed (verklaring of belofte) af zoals weergegeven in artikel 16.
  11. Op de secretaris, de plaatsvervangend secretaris en het overige personeel van het secretariaat zijn de beperkingen voor de raadsleden vermeld in artikel 7, tweede lid, van toepassing.
  12. Voor toepassing van dit artikel geldt als werkgever in de zin van het Landsbesluit aanwijzing vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken, de Raad.

Artikel 15

  1. De arbeidsvoorwaarden van de secretaris, de plaatsvervangend secretaris en het overige personeel worden neergelegd in een personeelsreglement.
  2. Het personeelsreglement wordt door de Raad vastgesteld, indien de minister niet binnen de termijn van vier weken voor de vaststelling daarvan, van zijn afkeuring heeft laten blijken.
  3. Indien het personeelsreglement naar het oordeel van de minister in strijd is met het recht dan wel het algemeen belang, geeft hij dit gemotiveerd te kennen binnen vier weken nadat het reglement aan hem is voorgelegd.
  4. Indien de minister een kennisgeving als bedoeld in het derde lid doet, wijzigt de Raad het reglement met inachtneming van het oordeel van de minister. Het tweede lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing op het herziende reglement.
  5. De secretaris, de plaatsvervangend secretaris en het overige personeel zijn voor de uitvoering van hun werkzaamheden uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de Raad.

Artikel 16

De leden van de Raad leggen, alvorens hun betrekking te aanvaarden, in handen van de Gouverneur, de volgende eed (verklaring of belofte) af:

“Ik zweer (verklaar/beloof), dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, in verband met het verkrijgen van mijn benoeming als lid (voorzitter/ plaatsvervangend voorzitter) van de Electorale Raad aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven.

Ik zweer (verklaar/beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in dit ambt te doen of te laten, van niemand hoegenaamd enige beloften of geschenken aannemen zal, middellijk of onmiddellijk.

Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en de Staatsregeling van Curaçao, gehoorzaamheid aan de wettelijke regelingen en dat ik al de plichten, aan mijn ambt verbonden, eerlijk, nauwgezet en onpartijdig zal vervullen.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig!”.

(“Dat verklaar en beloof ik”).

§2. Taken en bevoegdheden

Artikel 17

  1. De Raad is belast met de bij of krachtens landsverordening opgedragen taken en in de gevallen bij of krachtens landsverordening bepaald. In het bijzonder is de Raad belast met de uitvoering van:
    a. de verkiezing van de Staten in overeenstemming met het bij of krachtens het Kiesreglement Curaçao bepaalde, alsmede de publieke voorlichting hieromtrent;
    b. de Landsverordening financiën politieke groeperingen;
    c. het raadplegend referendum, indien het geval, zoals geregeld bij de desbetreffende landsverordening.
  2. De Raad adviseert, gevraagd en ongevraagd, de minister en de Staten bij uitvoeringstechnische aangelegenheden van wettelijke regelingen die betrekking hebben op:
    a. het kiesrecht en kiesstelsel;
    b. het raadplegend referendum;
    c. de verkiezing van de leden van de Staten.
  3. De Raad communiceert onafhankelijk van de regering en de Staten met de burger over de uitvoering van zijn taken.

Artikel 18

De Raad houdt zittingen en vergaderingen ter uitoefening van zijn taken en bevoegdheden. Behoudens de in het Kiesreglement Curaçao bepaalde openbare zittingen, zijn de vergaderingen van de Raad met gesloten deuren.

Artikel 19

  1. De Raad stelt een reglement van orde vast betreffende zijn werkzaamheden. In het reglement wordt in ieder geval opgenomen:
    a. dat de Raad vergaderingen houdt ter uitoefening van zijn taken en bevoegdheden;
    b. de wijze van het houden van de vergaderingen.
  2. De Raad draagt met betrekking tot de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden zorg voor:
    a. een tijdige voorbereiding en uitvoering van zijn taken;
    b. de kwaliteit van de gebruikte procedures;
    c. de zorgvuldige behandeling van vragen of verzoeken van personen en instellingen;
    d. de zorgvuldige afhandeling van klachten die worden ontvangen.
  3. De Raad treft voorzieningen, waardoor personen en instellingen, die met hem in aanraking komen, in de gelegenheid worden gesteld om voorstellen tot verbeteringen van werkwijzen en procedures te doen.
  4. Het reglement van orde genoemd in het eerste lid wordt in de Landscourant bekendgemaakt.

Artikel 20

  1. De ministers faciliteren de Raad bij de operationele aangelegenheden van het electoraal proces.
  2. Ter uitvoering van zijn taken als bedoeld in artikel 17, eerste lid, is de Raad bevoegd met de desbetreffende ministers of met publiekrechtelijke en privaatrechtelijke organisaties van het Land, samenwerkingsovereenkomsten aan te gaan.

Artikel 21

  1. De Raad kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot zijn taakuitoefening.
  2. De beleidsregels worden in de Landscourant bekendgemaakt.

 

§3. Financiën en toezicht 

Artikel 22

 

  1. De financiële middelen van de Raad bestaan uit een bijdrage uit de Landsbegroting.
  2. De begroting van de Raad behoeft de goedkeuring van de minister.
  3. De Raad zendt de minister jaarlijks vóór 1 februari de begroting met toelichting voor het daaropvolgende jaar, alsmede een meerjarenraming die een periode van ten minste drie jaren omvat en die jaarlijks wordt bijgesteld.
  4. Indien de minister zijn goedkeuring aan de begroting onthoudt, bericht hij aan de Raad zulks met redenen omkleed binnen 6 weken na ontvangst van de begroting.
  5. Indien het bepaalde in het vierde lid toepassing vindt, past de Raad na overleg met de minister de begroting aan en legt de aangepaste begroting vóór 15 april aan de minister voor. Indien de minister zijn goedkeuring aan de aangepaste begroting onthoudt, bericht hij aan de Raad zulks met redenen omkleed binnen 6 weken na ontvangst van deze aangepaste begroting.
  6. Indien de minister niet binnen 6 weken nadat de aangepaste begroting ter goedkeuring is voorgelegd beslist, wordt deze aangepaste begroting geacht te zijn goedgekeurd.
  7. Indien de begroting niet vóór 1 januari van het jaar waarop de begroting betrekking heeft is goedgekeurd door de Staten, is de Raad gemachtigd conform de laatst vastgestelde begroting uitgaven te doen tot een maximum van 90% van de daarin geraamde uitgaven.
  8. De Raad houdt zich aan de goedgekeurde begroting. Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrootte baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven, doet de Raad daarvan onverwijld mededeling aan de minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.
  9. De voorzitter of namens deze de secretaris voert het begrotingsbeheer met dien verstande dat de Raad het laatste woord heeft in begrotingsaangelegenheden. Zij beschikken namens de Raad over de, binnen de goedgekeurde begroting van de Raad, beschikbare bedragen.

Artikel 23

  1. De Raad stelt jaarlijks vóór 1 juli een jaarverslag over het afgelopen kalenderjaar op, bestaande uit een algemeen verslag en een financieel verslag. Het jaarverslag heeft betrekking op de uitvoering van deze landsverordening en op de uitvoering van andere landsverordeningen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, voor zover in die landsverordeningen niet is voorzien in een afzonderlijke verplichting tot het opstellen van een verslag.
  2. Het algemeen verslag, bedoeld in het eerste lid, geeft een overzicht van de in het afgelopen kalenderjaar verrichte werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en van de doelmatigheid en doeltreffendheid van die werkzaamheden en de gevolgde werkwijze.
  3. Het financieel verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een overzicht van de bezittingen, uitgaven en inkomsten van de Raad met de daarbij horende toelichting.
  4. Het jaarverslag wordt gezonden aan de minister en ter inzage gelegd bij de Raad. Het jaarverslag wordt bekendgemaakt in de Landscourant.
  5. De minister brengt het jaarverslag, vergezeld van zijn bevindingen daaromtrent vóór 1 september ter kennis van de Staten.

Artikel 24

  1. De Raad verstrekt desgevraagd aan de minister alle voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
  2. De Raad geeft bij het verstrekken van de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, waar nodig aan welke gegevens een vertrouwelijk karakter dragen. Dit vertrouwelijke karakter kan voortvloeien uit de aard van de gegevens, dan wel uit het feit dat natuurlijke of rechtspersonen deze aan de Raad hebben verstrekt onder beding dat zij vertrouwelijk zullen zijn.

Artikel 25

  1. Indien naar het oordeel van de minister de Raad zijn taak ernstig verwaarloost, kan de minister de noodzakelijke voorzieningen treffen. Het oordeel en de voorzieningen, bedoeld in de eerste volzin, worden getroffen, nadat de benoemingscommissie is gehoord. De minister kan in geen geval de taken, genoemd in artikel 17, eerste lid, zelf uitoefenen.
  2. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat de Raad in de gelegenheid is gesteld om binnen een door de minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.
  3. De minister stelt de Staten onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 26

  1. De minister zendt elk vijf jaar aan de Regering en de Staten een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de Raad.
  2. Het verslag wordt daarna ter inzage gelegd bij de Raad.

Hoofdstuk 4. De internationale waarneming

Artikel 27

  1. De Raad is bevoegd om electorale organisaties binnen het Koninkrijk der Nederlanden voor de waarneming van een verkiezing uit te nodigen. De uitnodiging vindt niet eerder plaats dan nadat de Minister van Algemene Zaken en de minister hiervan op de hoogte zijn gebracht.
  2. De Minister van Algemene Zaken kan ter uitvoering van een verdrag of een internationale afspraak, internationale electorale organisaties uitnodigen of toelaten ter waarneming van verkiezingen. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden nadere regels vastgesteld inzake de uitnodiging of toelating van internationale electorale organisaties.

Hoofdstuk 5. Het klachtrecht

Artikel 28

  1. Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop de Raad zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen, bij de Raad een klacht in te dienen.
  2. Een gedraging van een personeelslid van het secretariaat van de Raad wordt aangemerkt als een gedraging van de Raad, voor zover deze gedraging aan de Raad kan worden toegerekend.
  3. Klachten kunnen schriftelijk worden ingediend.
  4. De Raad draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van schriftelijke klachten over zijn gedragingen.
  5. De Raad stelt daartoe een klachtenregeling vast die wordt bekendgemaakt in de Landscourant.

Hoofdstuk 6. Overgangsbepalingen 

Artikel 29

In afwijking van artikel 3, derde lid, zal de Raad, na inwerkingtreding van deze landsverordening, ter vervulling van zijn taak, tijdelijk gehuisvest worden in een door de minister aan te wijzen kantoor.

Artikel 30

  1. In afwijking van de artikelen 4 en 6 treden voor de eerste maal als leden van de Raad op, zeven van de leden en plaatsvervangende leden van het hoofdstembureau. Het hoofdstembureau bepaalt welke leden voor de eerste maal als Raadsleden zullen optreden.
  2. Artikel 11, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op de leden danwel plaatsvervangende leden van het hoofdstembureau die voor de eerste maal als Raadsleden optreden.
  3. De in het eerste lid bedoelde leden oefenen de taken van de Raad zoals bedoeld in deze landsverordening uit voor een periode van maximaal twee jaar na inwerkingtreding van deze landsverordening, met dien verstande dat zij binnen deze periode tevens zorgdragen voor een adequate functioneren van de Raad met inachtneming van de in de artikelen 4 en 6 voorgeschreven benoemingscriteria en procedure.
  4. De leden, bedoeld in het eerste lid, moeten in deze periode in ieder geval zorgdragen dat het profiel van de leden van Raad, zoals bepaald in artikel 6, eerste lid, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt vastgesteld.

Artikel 31

In afwijking van artikel 5, tweede lid, treedt de rector magnificus voor het eerste maal als voorzitter van de benoemingscommissie.

Artikel 32

In afwijking van artikel 7, tweede lid, onderdeel g en artikel 14, eerste lid, wordt de Raad, na inwerkingtreding van deze landsverordening, voor de duur van ten hoogste twee jaar ondersteund door een ambtenaar te werk gesteld bij de minister, die belast wordt met de secretariaatswerkzaamheden van de Raad. De ambtenaar zal hiervoor door de minister aan de Raad ter beschikking worden gesteld.

Artikel 33

  1. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening reeds bij het hoofdstembureau aanhangig gemaakte aangelegenheden worden door de Raad afgehandeld.
  2. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening bij de minister aanhangig gemaakte aangelegenheden die krachtens deze landsverordening tot de taken en bevoegdheden van de Raad toebehoren, gaan over op de Raad.

Artikel 34

 Voor de ondersteuning van de kandidatenlijst, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van het Kiesreglement Curaçao bij de eerstvolgende verkiezingen, na de vaststelling van deze landsverordening, geldt het aantal kiezers, dat gelijk is aan ten minste een procent van de som der stemcijfers, welke bij de laatstgehouden verkiezing voor de leden van de Staten door het hoofdstembureau is vastgesteld, naar boven afgerond tot een geheel getal.

Hoofdstuk 7. Wijziging van andere landsverordeningen

§1. Het Kiesreglement Curaçao

Artikel 35

Het Kiesreglement Curaçao wordt als volgt gewijzigd:

A.
Artikel 1 onderdeel b, komt te luiden:
b. Electorale Raad: de Electorale Raad bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de landsverordening Electorale Raad.

B.
Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5

Door of namens de minister wordt een kiezersregister bijgehouden.

C.
Artikel 6 komt te luiden:

Artikel 6

  1. Het kiezersregister bestaat uit een langs elektronische weg toegankelijk bestand.
  2. De beheerder van de Basisadministratie, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Landsverordening Basisadministratie persoonsgegevens[1] zendt op verzoek van de Electorale Raad, een kopie van het actueel kiezersregister aan de Electorale Raad.

D.
In artikel 7, tweede lid, tweede volzin, wordt “het hoofd van het bevolkingsregister” vervangen door: de voorzitter van de Electorale Raad.

E.
Het opschrift van Hoofdstuk IV komt te luiden:

IV Electorale Raad

F.
Artikel 13 komt te luiden:

Artikel 13

  1. De Electorale Raad houdt zittingen in het kader van deze landsverordening. De zittingen zijn openbaar.
  2. De Electorale Raad is belast met:
    a. het onderzoek van ingeleverde kandidatenlijsten;
    b. de beslissing over de geldigheid van der lijsten;
    c. de nummering van de geldig verklaarde kandidatenlijsten van
    kandidaten;
    d. de toekenning van kleuropdruk; en
    e. de vaststelling van de uitslag der verkiezing.

G.
Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

  1. Het eerste lid komt te luiden:
    1. Op de dag der kandidaatstelling kunnen bij de voorzitter van de Electorale Raad of bij het door deze aan te wijzen lid van die Raad, van des voormiddags negen uur tot des namiddags vier uur lijsten van kandidaten worden ingeleverd. Voor deze lijsten wordt gebruik gemaakt van formulieren die bij de Electorale Raad kosteloos verkrijgbaar zijn.
    2. In het derde en vierde lid, wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.
    3. Het vijfde lid komt te luiden:
    5. De vorm en de inrichting van de lijst van kandidaten worden vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.

H.
In artikel 16, eerste lid wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.

I.
Artikel 17 komt te luiden:

Artikel 17

De Electorale Raad beslist en wijst, in overleg met de minister, de lokalen aan waarin de kandidatenlijsten kunnen worden ondersteund en maakt de aanwijzing van lokalen bekend in de Landscourant.

J.
In artikel 18, derde lid, wordt “de Minister” vervangen door: de Electorale Raad.

K.
In artikel 19, zesde lid, en artikel 22, derde lid, wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.

L.
Artikel 23, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

  1. De verlettering in het eerste lid wordt van hoofdletters gewijzigd in kleine letters.
  2. In onderdeel a wordt “ten burelen van het bevolkingsregister” vervangen door: de Electorale Raad en “telegrafisch” vervangen door: elektronisch.
  3. In onderdeel b wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.

M.
Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste en tweede lid wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.
2. In het derde lid wordt ”ten burelen van het hoofdstembureau” telkens vervangen door: op het kantoor van de Electorale Raad.

N.
Artikel 26 komt te luiden:

Artikel 26

De Electorale Raad legt onmiddellijk nadat de lijsten door de Electorale Raad zijn onderzocht, deze voor een ieder ter inzage ten kantore van de Electorale Raad.

O.
In artikel 27, eerste lid, wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.

P.
In artikel 28, onderdeel a, wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad en “dat bureau” vervangen door: die Raad.

Q.
In de artikelen 29, eerste en tweede lid, 30, eerste en tweede lid, 31, tweede lid, en artikel 32, tweede lid, wordt “het hoofdstembureau” telkens vervangen door: de Electorale Raad.

R.
In artikel 33, eerste en tweede lid, wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad, “burelen” vervangen door: kantoor en “de Minister” vervangen door: “de Electorale Raad.

S.
Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.
2. In het tweede lid wordt “ten burelen van het bevolkingsregister” vervangen door: op het kantoor van de Electorale Raad.

T.
Artikel 38, eerste lid, komt te luiden:
1. De Electorale Raad beslist over de verdeling van het land in stemdistricten en maakt dit bekend in de Landscourant.

U.
In artikel 40, eerste lid, wordt “de Minister” vervangen door: de Electorale Raad.

V.
Artikel 41 wordt als volgt gewijzigd:

  1. In het eerste lid wordt “de Minister” vervangen door: de Electorale Raad.
  2. Het tweede lid komt te luiden:
    2. De vorm en de inrichting van de oproepingskaart worden, gehoord de Electorale Raad, vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.
  3. In het vierde lid wordt “de minister” vervangen door: de Electorale Raad.
  4. In het vijfde lid wordt “de minister” vervangen door: de Electorale Raad en “artikel 134 van het wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen” vervangen door: artikel 2:43 van het Wetboek van Strafrecht Curaçao.

W.
In artikel 48, eerste en tweede lid, wordt “De minister” vervangen door: De Electorale Raad.

X.

Artikel 51

  1. Vóór of bij de tafel, binnen het bereik van het lid van het stembureau dat belast is met de in artikel 64, derde lid, bedoelde taak, staat één of meer stembussen, vervaardigd volgens bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te geven voorschriften.
  2. De stembus dient in ieder geval aan de volgende vereisten voldoen:
    a. de bus kan worden afgesloten;
    b.de deksel is in het midden voorzien van een sleuf waardoor de stembiljetten in de bus kunnen worden gedeponeerd;
    c. de stembus dient op een zodanige wijze verzegeld te kunnen worden dat de stembus daarna uitsluitend geopend kan worden door de verzegeling onherstelbaar te verbreken.

Y.
Artikel 53 wordt als volgt gewijzigd:

  1. In het eerste lid, wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.
  2. Het derde lid komt te luiden:
    3. De vorm en de inrichting van het stembiljet worden vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.

Z.
In artikel 54, eerste en tweede lid, 56, eerste lid, en 58, eerste lid, wordt “de minister” en “De minister” vervangen door: de Electorale Raad.

AA.
In artikel 63, vijfde lid, en 64, derde lid, wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.

BB.
Na artikel 68 wordt een nieuw artikel 68a ingevoegd, luidende:

Artikel 68a

  1. Het is ter waarborging van het kiesrecht de kiezer verboden volledige of gedeeltelijke kopieën in welke vorm op welk media dan ook van het stembiljet te maken.
  2. Onder kopieën als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan fotografische portretten.

CC.
In artikel 71, eerste lid, wordt “hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.

DD.

  1. Artikel 73 wordt als volgt gewijzigd:
    Het eerste lid vervalt.
  2. Het tweede lid wordt vernummerd tot het eerste lid en komt te luiden:
    1. Onmiddellijk na ondertekening van het proces-verbaal wordt dit met de stembus dan wel de stemmachine en de verzegelde pakken door de voorzitter in bewaring genomen.
  3. Het derde, vierde, vijfde, en zesde lid worden vernummerd tot tweede, derde, vierde en vijfde lid.

EE.
In artikel 85 wordt “het hoofd stembureau” vervangen door: de Electorale Raad.

FF.
In artikel 86, eerste en tweede lid, 87, tweede lid, 88, eerste en tweede lid, 89, eerste lid, 90, tweede lid, artikel 91, eerste lid en tweede lid , wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.

GG.
In 91, eerste lid , wordt “ten burelen van het bevolkingsregister” vervangen door: bij de Electorale Raad.

HH.
Artikel 93 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste tot en met het vijfde lid wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.
2. In het vijfde lid wordt “ten burelen van het bevolkingsregister” vervangen door: bij het kantoor van de Electorale Raad.

II.
In de artikelen 94, 95, eerste lid, 97, eerste lid, 103, eerste lid, en artikel 104 wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.

JJ.
In artikel 105 wordt “ten burelen van het bevolkings-register” vervangen door: op het kantoor van de Electorale Raad.

KK.
In de artikelen 106 en 107 wordt “het hoofdstembureau” telkens vervangen door: de Electorale Raad.

LL.
In artikel 108, tweede lid, wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad en “telegrafisch” vervangen door: elektronisch.

MM.
In de artikelen 109, tweede lid, 111, tweede lid, 115, 116, eerste lid, 117, 119, 120 onder e, 123, tweede lid, 124 en artikel 126, eerste lid, onderdeel b, en vierde lid, wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.

NN.
In artikel 131 wordt “artikel 32 onder 1 tot en met 4 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen” vervangen door: artikel 1:64, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht Curaçao.

OO.
Artikel 132 komt te luiden:

Artikel 132

Met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij, die een hem bij artikel 43 of 44 opgelegde verplichting niet nakomt of het verbod, bedoeld in artikel 68a, overtreedt.

 

 

[1] PB 2012, no 10

 

§ 2. De Landsverordening financiën politieke groeperingen

Artikel 36

De Landsverordening financiën politieke groeperingen wordt als volgt gewijzigd:

A.
Artikel 1, wordt als volgt gewijzigd:

  1. Onderdeel c komt te luiden:
    c. Electorale Raad: de Electorale Raad, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening Electorale Raad;
  2. Onderdeel f komt te luiden:
    f. Kiesreglement: het Kiesreglement Curaçao.

B.
In de artikelen 3, 5, 6, 12, eerste en tweede lid, 13, eerste lid, 17, eerste, tweede en derde lid, en artikel 18 wordt “het hoofdstembureau” vervangen door: de Electorale Raad.

§ 3. De Landsverordening openbaarheid van bestuur

Artikel 37

Artikel 1, onderdeel a, komt te luiden:
a. bestuursorgaan: de minister die het rechtstreeks aangaat of het zelfstandige bestuursorgaan belast met een overheidstaak;

§ 4. De Landsverordening administratieve rechtspraak

Artikel 38

Artikel 2, eerste lid, onder d, komt te luiden:
d. de Electorale Raad, bedoeld in landsverordening Electorale Raad en de
stembureaus, bedoeld in het Kiesreglement Curaçao.

§5. De ontwerplandsverordening tot wijziging van het Kiesreglement Curaçao[1]

Artikel 39

De ontwerplandsverordening tot wijziging van het Kiesreglement wordt ingetrokken.

 

 

[1] Statenstuk Zitting 2015-2016-104

 

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 40

De tekst van het Kiesreglement zoals deze luidt na de bij deze landsverordening aangebrachte wijzigingen wordt bij landsbesluit bekend gemaakt.

 

Artikel 41

Deze landsverordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking.

Artikel 42

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Lei Konseho Supremo Elektoral.

Naar boven