| Publicatienummer: | P.B. 2026, no. 171 (Geconsolideerde Tekst) |
| Categorie: | Geconsolideerde Tekst Landsbesluit, houdende algemene maatregelen |
| Ministerie: | Onderwijs, Wetenschap, Cultuur & Sport |
| Datum ondertekening: | 06-07-2026 |
| Datum inwerktreding: | 28-10-1980 |
| Geregistreerd in: |
Klapper
Publicatieblad ( HOOFDSTUK XIII Volksontwikkeling en opvoeding. erediensten)
|
LANDSBESLUIT van de 6de juli 2026, no. 26/1836, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van het Promotiereglement University of Curaçao Dr. Moises da Costa Gomez
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht tot en met | Datum ingetrokken | Betreft | Vindplaats | Zittingsjaar |
| 28-10-1980 | n.v.t. | n.v.t. | Geconsolideerde tekst | P.B. 2026, no. 171 (GT) | n.v.t. |
Hoofdstuk I
Algemene bepalingen
In dit landsbesluit wordt verstaan onder:
| a. | Universiteit | : | University of Curaçao Dr. Moises da Costa Gomez; |
| b. | Promovendus | : | Degene die op grond van artikel 34 van de Landsverordening University of Curaçao Dr. Moises da Costa Gomez de bevoegdheid heeft om te promoveren en zich metterdaad daartoe voorbereidt; |
| c. | Proefschrift | : | Een (ontwerp) studie in boekvorm, of een (ontwerp) studie bestaande uit een bundeling van een reeks in essentie samenhangende artikelen, alsmede tenminste zes onderscheidenlijk niet op het onderwerp van deze studie betrekking hebbende stellingen, die aan deze studie zijn toegevoegd; |
| d. | Promotor | : | Degene die op grond van artikel 11 van de Landsverordening University of Curaçao Dr. Moises da Costa Gomez tot hoogleraar of lector is benoemd of een niet-Curaçaose hoogleraar of lector, die daarmede gelijk te stellen is en die aan een promovendus metterdaad bijstand verleent. |
Hoofdstuk II
De toegang tot de promotie
Tot de promotie kunnen met toestemming van de Universiteitsraad, de rector magnificus gehoord, eveneens worden toegelaten degenen die in vereniging een proefschrift hebben geschreven, mits daarbij voldaan is aan de volgende voorwaarden:
a. dat ieder van de mede-auteurs een essentiële en duidelijke afgrensbare wetenschappelijke bijdrage tot het proefschrift heeft geleverd en ieder een belangrijk gedeelte van het proefschrift zelf heeft geschreven een en ander duidelijk aantoonbaar voor de promotor;
b. dat ieder van de mede-auteurs zelf het in artikel 2, eerste lid, vereiste aantal stellingen aan het proefschrift heeft toegevoegd;
c. dat in een voorwoord of toelichting nauwkeurig wordt aangegeven, welk aandeel ieder van de mede-auteurs heeft gehad in de totstandkoming van het proefschrift;
d. dat de promotor en ieder van de mede-auteurs instemt met de mogelijke instelling van een begeleidende commissie ter nadere controle op de onder a gestelde voorwaarde;
e. dat de promotor zich bereid verklaart om, na deswege te zijn aangezocht, ten behoeve van de Universiteitsraad een evaluatierapport samen te stellen.
De Universiteitsraad, de rector magnificus gehoord, kan beslissen, dat de bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in een andere faculteit dan die, waarin de promotie zal plaatsvinden, tot de promotie wordt toegelaten, daarbij inachtnemend de aard van het doctoraal examen en het onderwerp van het proefschrift.
Hoofdstuk III
De promovendus
De promovendus is auteur of mede-auteur van het proefschrift. Hij behoort het in het proefschrift beschreven onderzoek zelfstandig verricht te hebben of, indien het een mede-auteurschap betreft, aan het proefschrift een essentiële en duidelijk afgrensbare wetenschappelijke bijdrage te hebben geleverd en een gedeelte ervan zelf te hebben geschreven.
De promovendus is medeverantwoordelijk voor het proefschrift als wetenschappelijke bijdrage.
De promovendus legt het gereed gekomen concept of gedeelten daarvan aan zijn promotor voor, brengt de in de discussie overeengekomen veranderingen aan en dient het aldus tot stand gekomen proefschrift ter uiteindelijke goedkeuring bij hem in.
De krachtens artikel 2, eerste lid, aan het proefschrift toe te voegen stellingen behoort de promovendus eerst aan zijn promotor voor te leggen, waarna deze hem kan verwijzen naar andere hoogleraren, lectoren of gepromoveerde deskundigen aan wie hij de afzonderlijke stellingen dient voor te leggen.
De promovendus gaat pas tot vermenigvuldigen van zijn proefschrift over, nadat hij van zijn promotor schriftelijk toestemming daartoe heeft verkregen.
Behoudens het bepaalde in artikel 17 draagt de promovendus er zorg voor, dat het proefschrift niet vóór de datum van de promotie als afzonderlijke publicatie is verschenen.
Hoofdstuk IV
Uitwendige en inwendige vormvereisten van het proefschrift
Het proefschrift en de stellingen worden geschreven in de Papiamentse, Nederlandse, Engelse of Spaanse taal, of, met goedkeuring van de Universiteitsraad, in een andere taal.
Indien het proefschrift in de Nederlandse taal is geschreven, wordt daaraan een overzicht van de inhoud in het Papiaments, Spaans of Engels toegevoegd. Is het geheel of gedeeltelijk in een andere taal geschreven, dan dient daaraan een overzicht van de inhoud in de Nederlandse taal te worden toegevoegd.
De omvang van een proefschrift, dat niet in vereniging wordt geschreven, dient bij voorkeur de 65.000 à 80.000 woorden (125 à 150 bladzijden tekst) niet te boven te gaan.
Indien in een proefschrift, bestaande uit artikelen, wordt verwezen naar nog niet gepubliceerde artikelen van de promovendus, worden deze artikelen als vermenigvuldigd manuscript bijgevoegd.
Het proefschrift dient nieuw inzicht te verschaffen in de bestaande stand van de gepubliceerde en ter algemene kennisneming openstaande resultaten van de betrokken tak van wetenschap.
De promotor toetst de hem voorgelegde tekst o.a. aan de volgende kwalitatieve richtlijnen:
a. het belang van het onderwerp;
b. het belang en een scherpe profilering van de probleemstelling;
c. de originaliteit van de behandeling;
d. het wetenschappelijk niveau van de ordening, de analyse en de verwerking van het materiaal;
e. de afleiding van nieuwe inzichten en nieuwe opvattingen uit deze analyse;
f. de zuiverheid van de gevolgde methodiek bij deze analyse;
g. de aanwezigheid van de nodige zelfbeperking in de opgestelde tekst;
h. de aanwezigheid van een kritische confrontatie van eigen conclusies met bestaande theorieën of opvattingen;
i. de aanwezigheid van creatieve voorstellen op het in het proefschrift behandelde wetenschapsgebied;
j. de aanwezigheid van evenwicht in de opbouw van het proefschrift en helderheid in de taalkundige stijl.
Hoofdstuk V
De promotor
De promotor begeleidt de promovendus naar vermogen bij de bewerking van zijn proefschrift, o.a. door de hem voorgelegde concepten binnen zodanig tijdsbestek als vereist is met het oog op de mogelijkheid tot voortzetting en voltooiing van het proefschrift door te lezen en voorstellen te doen tot wijziging en aanvulling, door hem behulpzaam te zijn bij de systematiek van het onderzoek, door de tot stand gekomen tekst te toetsen aan de eisen als geformuleerd onder de artikelen 20 en 21, alsmede door toe te zien op een correct taalgebruik.
Twee of meer promotoren kunnen worden aangewezen, indien:
a. het proefschrift betrekking heeft op een interdisciplinair veld van onderzoek;
b. het proefschrift betrekking heeft op samenhangende, gelijkwaardige onderzoeksvelden van disciplinair verschillend karakter (multidisciplinair onderzoek);
c. het proefschrift betrekking heeft op delen van een onderzoeksthema, die, hoewel gelijk geaard en in elkaars verlengde liggend, een gespecialiseerde kennis vragen;
d. deskundig inzicht wordt gevraagd van twee of meer promotoren ten aanzien van theorievorming, opzet en uitvoering van het onderzoek.
Een tweede promotor vanuit de faculteit, waarin de promotie zal plaatsvinden, zal worden aangewezen, indien het verzoek als bedoeld in artikel 25 afkomstig is van een hoogleraar of lector van een andere instelling van wetenschappelijk onderwijs buiten het Koninkrijk der Nederlanden.
Omtrent de aanwijzing tot promotor beslist de Universiteitsraad, de rector magnificus gehoord.
Hoofdstuk VI
De coreferent
Als coreferent kunnen worden aangewezen hoogleraren, lectoren of gepromoveerde deskundigen, die niet hoogleraar of lector zijn.
Tot de taak van de coreferent behoort:
a. het geven van adviezen aan de promotor en, indien laatstgenoemde daarmee instemt, desgewenst ook aan de promovendus, in het bijzonder omtrent die gedeelten van het proefschrift, die specifiek betrekking hebben op zijn gebied van wetenschapsbeoefening.
b. het kennis nemen van vorm en inhoud van het gehele proefschrift, teneinde zich een oordeel te kunnen vormen over de hoedanigheden van het werk. Hij beperkt zich in zijn oordeelvorming tot het kwalitatief beoordelen van de hoofdlijnen van de voorgelegde studie, vanuit de probleemstelling zoals overeengekomen tussen promotor(en) en promovendus.
c. het fungeren als gesprekspartner van de promotor als deze zich een oordeel moet vormen over de hoedanigheden van het proefschrift.
d. het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de promotor met afschrift aan de rector magnificus, inzake de vraag of en in hoeverre het proefschrift naar zijn mening als al dan niet toereikend kan worden beschouwd.
De coreferent(en) brengt(brengen) binnen zes weken na ontvangst van het manuscript schriftelijk advies uit aan de promotor. Indien deze zich met het uitgebracht advies niet kan verenigen, deelt hij dit binnen twee weken aan de coreferent(en) mede.
Indien de promotor en de coreferent(en) niet tot een overeenstemming komen, leggen zij hun geschil ter nader overleg voor aan de rector magnificus. Is de rector magnificus promotor of coreferent, dan wordt het geschil ter nader overleg voorgelegd aan de waarnemend rector magnificus. De (waarnemend) rector magnificus zal er naar streven, dat tijdens dit overleg overeenstemming tot stand komt tussen de geschilhebbende partijen.
De promotor keurt het manuscript niet goed dan nadat in onderling overleg overeenstemming is bereikt met de coreferent of conform artikel 35 overeenstemming is bereikt.
Hoofdstuk VII
De promotie
De rector magnificus kan, ingeval dringende redenen daartoe aanleiding geven, de samenstelling van de promotiecommissie wijzigen, na overleg met de decaan van de faculteit, waarin de promotie plaatsvindt.
De verdediging en oppositie geschieden in de Nederlandse, of, met toestemming van de rector magnificus, in een andere taal.
Hoofdstuk VIII
Voorstel tot het verlenen van het iudicium “cum laude”
Indien een promotor van oordeel is, dat de promovendus in zijn werk bewijs van meer dan gewone bekwaamheid heeft gegeven en dat, het doctoraat “met lof” kan worden toegekend, doet hij tenminste vier weken vóór de promotie daartoe een met redenen omkleed voorstel aan de rector magnificus.
Indien de promotor het voorstel niet wenst te doen, kunnen de coreferenten — of één van de coreferenten — het op dezelfde wijze indienen.
Een dergelijk voorstel zal niet worden gedaan, als de tekst van het proefschrift niet aan artikel 20 en tenminste acht van de in artikel 21 aangegeven richtlijnen voldoet.
De rector magnificus wijst een beoordelingscommissie aan van tenminste drie (oud)-hoogleraren, lectoren, of gepromoveerde deskundigen om een dergelijk voorstel te onderzoeken.
De promotor noch de coreferent die volgens artikel 46 gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het voorstel te doen, maken deel uit van deze commissie.
De beoordelingscommissie kan bij meerderheid van stemmen besluiten om een deskundige buiten de faculteit, gekwalificeerd op het wetenschapsgebied, dat in het proefschrift wordt omschreven, te raadplegen.
De beoordelingscommissie stelt, indien zij zich in meerderheid voor het voorstel tot het verlenen van cum laude heeft uitgesproken, uiterlijk één week van tevoren de rector magnificus op de hoogte.
In de vergadering van de promotiecommissie na de verdediging van het proefschrift wordt door de promotor(en) c.q. de voorzitter van de beoordelingscommissie verslag gedaan van de bevindingen van promotor(en), coreferenten, respectievelijk de beoordelingscommissie, waarbij ook aan minderheidsstandpunten aandacht wordt geschonken.
Indien twee of meer leden van de promotiecommissie het meerderheidsstandpunt van de beoordelingscommissie niet willen volgen, wordt het voorstel tot verlening van het predicaat “cum laude” slechts aangenomen met een gekwalificeerde meerderheid van twee-derde van het aantal uitgebrachte stemmen.
Voor de berekening van deze gekwalificeerde meerderheid tellen uitgebrachte blanco stemmen niet mee. Oud-hoogleraren kunnen aan de beraadslaging deelnemen en hebben stemrecht.
Hoofdstuk IX
Geschillenregeling
Indien tijdens de voorbereiding of naar aanleiding van de uiteindelijke goedkeuring van het proefschrift een geschil ontstaat tussen de promotor(en) onderling c.q. van hem (hen) en een coreferent c.q. leden van de commissies, onderscheidenlijk bedoeld in artikel 3, sub d, respectievelijk 39 van dit Reglement, dan wel tussen promotor(en) en of coreferent enerzijds en de promovendus anderzijds, dat niet in onderling overleg tot een oplossing kan worden gebracht, verleent de rector magnificus op verzoek van de meest gerede partij zijn bemiddeling.
Indien deze bemiddeling niet binnen twee maanden tot overeenstemming leidt, kan de meest gerede partij zich tot de Universiteitsraad wenden. De Raad stelt de zaak in handen van een Commissie van Beroep, bestaande uit vijf bij voorkeur gepromoveerde personen, te weten drie (oud) leden van het wetenschappelijk personeel van de faculteit, waarin de promotie werd voorbereid aan te wijzen door de decaan van de faculteit, één persoon aan te wijzen door de appellant(en) en als vijfde de rector magnificus, dan wel, indien deze zelf bij de zaak betrokken is, de waarnemend rector magnificus.
De (waarnemend) rector magnificus zit de vergadering van de commissie voor.
De commissie van beroep behandelt de zaak met inachtneming van algemene beginselen van behoorlijke geschillenbeslechting. Zij hoort alle betrokkenen en kan ook deskundigen raadplegen. Binnen twee maanden brengt zij aan de Universiteitsraad een met redenen omkleed advies uit.
Bij dit advies wordt rekening gehouden met de specifieke verantwoordelijkheid van de promotor, de medeverantwoordelijkheid van de coreferent en de redelijke belangen van de promovendus.
De Universiteitsraad wijkt van het advies niet af dan om zeer dringende redenen. De beslissing van de Raad wordt terstond aan alle betrokkenen medegedeeld. Het besluit, waarbij van het advies wordt afgeweken wordt, onder vermelding van de gronden waarop dit is geschied, tezamen met het advies van de commissie van beroep aan de betrokkenen ter hand gesteld.
Bij de berekening van de termijnen, genoemd in de artikelen 54 en 55, worden de academische vakanties buiten beschouwing gelaten.
Hoofdstuk X
Slotbepalingen
In gevallen, waarin dit landsbesluit niet voorziet of ingeval enig artikel voor verschillende uitleg vatbaar is, besluit de Universiteitsraad, de rector magnificus gehoord.
Dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt aangehaald als: Promotiereglement University of Curaçao Dr. Moises da Costa Gomez.