Rechtspositieregeling Vrijwilligers Brandweer Curaçao - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Rechtspositieregeling Vrijwilligers Brandweer Curaçao

Publicatienummer: P.B. 2024, no. 19 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsbesluit
Ministerie: Justitie
Datum ondertekening: 16-01-2024
Datum inwerktreding: 23-12-1998
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK VIII Openbare veiligheid)


LANDSBESLUIT van de 16de januari 2024, no. 24/109, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Rechtspositieregeling Vrijwilligers Brandweer Curaçao

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
23-12-1998 n.v.t n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2024, no. 19 n.v.t.

 

 

 

Artikel 1

Dit landsbesluit is uitsluitend van toepassing op degenen die anders dan bij wijze van beroep bij de Uitvoeringsorganisatie Brandweer Curaçao werkzaamheden verrichten.

Artikel 2

Voor de toepassing van dit landsbesluit wordt verstaan onder:
a. brandweer: de Uitvoeringsorganisatie Brandweer Curaçao;
b. Commandant: de Commandant van de brandweer;
c. vrijwilliger: degene die zich beschikbaar heeft gesteld voor de brandweer en als zodanig overeenkomstig de bepalingen van dit landsbesluit op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst is van het Land Curaçao;
d. werkgever: het Land Curaçao;
e. werknemer: de vrijwilliger;
f. ongeval ongeval in de zin van de door het Land Curaçao ter zake gesloten ongevallenverzekering;
g. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van de door het Land Curaçao ter zake gesloten ongevallenverzekering.

Artikel 3

1. De Minister van Justitie is bevoegd met inachtneming van het bepaalde in dit landsbesluit instructies vast te stellen ten aanzien van de vrijwilligers.
2. De Commandant kan ten aanzien van een vrijwilliger die voor een speciale taak is aangewezen, schriftelijk dienstaanwijzingen vaststellen.

Artikel 4

Het overleg aangaande de aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de vrijwilligers met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, geschiedt door de Commandant en de directeur van de Beleidsorganisatie Human Resources & Organisatie van het Land of hun vertegenwoordigers met een vertegenwoordiging van de vrijwilligers.

Artikel 5

1. De vrijwilliger ontvangt op verzoek kosteloos een exemplaar van dit besluit, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke voor de vrijwilligers zijn of worden getroffen en alle wijzigingen daarvan.
2. De vrijwilliger ontvangt op verzoek kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regelingen welke zijn vastgesteld ter uitwerking of aanvulling van de bepalingen in dit besluit of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regelingen op, een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.
3. Wanneer de vrijwilliger verplicht is niet-schriftelijk vastgestelde regelingen na te leven, worden deze naar behoren te zijner kennis gebracht.
4. De vrijwilliger wordt bij indiensttreding in kennis gesteld van de bepalingen van de door de werkgever te zijnen behoeve gesloten ongevallenverzekering, alsmede – tijdig voor de inwerkingtreding daarvan – van de wijzigingen van die bepalingen.

Artikel 6

1. De indienstneming geschiedt door de Minister van Justitie op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aangegaan.
2. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd duurt ten hoogste twee jaar.

Artikel 7

1. De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan.
Deze wordt in tweevoud opgemaakt en door partijen ondertekend, waarna een exemplaar aan de vrijwilliger ter hand wordt gesteld.
2. De arbeidsovereenkomst vermeldt in ieder geval:
a. de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de vrijwilliger;
b. of de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde dan wel voor bepaalde tijd is aangegaan;
c. de rang en de vergoeding welke de vrijwilliger worden toegekend;
d. de dag met ingang waarvan de vrijwilliger in dienst is getreden dan wel een omschrijving of aanduiding van die dag;
e. indien het een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd betreft, een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van die tijd.
3. Wijzigingen en aanvullingen van de arbeidsovereenkomst worden schriftelijk aangegaan. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8

Voor indienstneming kan slecht in aanmerking komen hij die:
a. van onbesproken levensgedrag is en geacht kan worden de voor de brandweerdienst vereiste karaktereigenschappen te bezitten;
b. voldoet aan de voor de indienstneming van vrijwillig brandweerpersoneel door de Minister van Justitie gestelde geneeskundige keuringseisen blijkende uit een verklaring van een door of vanwege de Minister van Justitie ingestelde commissie van drie geneeskundigen;
c. door de aard en de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden en de ligging van zijn woning geacht kan worden in staat te zijn zijn taak bij de brandweer te kunnen vervullen in het door de Commandant aangewezen verzorgingsgebied.

Artikel 9

1. Voor de vrijwilliger gelden de volgende rangen:
adspirant brandwacht
brandwacht
brandwacht eerste klasse
hoofdbrandwacht
onderbrandmeester
onderbrandmeester eerste klasse
brandmeester
adjunct hoofdbrandmeester
2. De volgorde van de opsomming van de in het eerste lid genoemde rangen is zodanig dat een eerdergenoemde rang lager is dan een latergenoemde.

Artikel 10

Voor aanstelling in de rang van adspirant-brandwacht kan in aanmerking komen degene die:
a. voldoet aan de in artikel 8 gestelde eisen;
b. een leeftijd van ten minste 18 jaar en ten hoogste 40 jaar heeft;
c. in bezit is van minimaal een L.B.O.-diploma;
d. in bezit is van een geldige rijbewijs categorie B.

Artikel 11

1. De Minister van Justitie kan een persoon slechts aanstellen in of bevorderen tot een van de rangen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, indien deze in ieder geval:
a. voldoet aan artikel 8;
b. in het bezit is van het getuigschrift van de aan de desbetreffende rang gekoppelde opleiding en met goed gevolg afgelegd examen, afgegeven door de door de Minister van Justitie ingestelde examencommissie;
c. een diensttijd in de huidige rang heeft van tenminste drie jaar;
d. naar het oordeel van de Minister van Justitie voor de desbetreffende rang geschikt is.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt voor bevordering tot brandwacht en hoofdbrandwacht onderscheidenlijk een diensttijd in de rang van adspirant-brandwacht
en brandwacht eerste klasse van ten minste twee en vijf jaar.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is voor bevordering tot onderbrandmeester, brandmeester, en adjunct hoofdbrandmeester een vacature binnen de formatie vereist.
4. De vrijwilliger is verplicht de opleidingen te volgen tot en met de aan de rang van hoofdbrandwacht gekoppelde opleiding.
5. In bijzondere gevallen kan de Minister van Justitie afwijken van de eisen ten aanzien van volbrachte diensttijd.

Artikel 12

  1. De vrijwilliger wordt per kalenderjaar een vaste vergoeding toegekend, welke maandelijks in gedeelten wordt uitbetaald.
  2. De vaste vergoeding wordt vastgesteld op 5% van de jaarbezoldiging van het beroepsbrandweerpersoneel in de overeenkomstige rang.

Artikel 13

  1. De vrijwilliger die ingevolge wettelijke verplichtingen in werkelijke militaire dienst is, wordt geacht niet beschikbaar te zijn.
  2. Indien en voor zover de periode van werkelijke militaire dienst van de vrijwilliger meer dan twee maanden is, heeft hij gedurende deze periode geen recht op de aan zijn rang verbonden vaste vergoeding.

Artikel 14

  1. De vrijwillige die na door of vanwege de Commandant aan hem verstrekte oproep deelneemt aan een oefening, of die de lessen van een voor zijn betrekking voorgeschreven cursus volgt, heeft recht op een vergoeding. Onder de voorgeschreven cursus wordt geen rangopleiding verstaan.
  2. De vrijwilliger die na daartoe te zijn opgeroepen actieve dienst verricht in verband met brandbestrijding of andere hulpverleningen, heeft recht op een vergoeding.
  3. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor ieder werkuur het per uur uitgedrukte bedrag dat vastgesteld wordt door de jaarbezoldiging van het beroepsbrandweerpersoneel te delen door vijftig maal het aantal werkuren per week van het personeel in dienst van het Land Curaçao in dagdienst conform artikel 26 lid 4 van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht.
  4. De vergoeding, bedoeld in het tweede lid, bedraagt per uur tweemaal het overeenkomstig het derde lid vastgestelde per uur uitgedrukte bedrag.

Artikel 15

1. De vrijwilliger, op wie de verplichting rust zich ten behoeve van de brandweerdienst ter beschikking te houden volgens het ingedeelde rooster, heeft aanspraak op een vergoeding.
De uren gedurende welke die verplichting op de vrijwilliger rust, worden aangeduid als consignatie-uren.
2. Consignatie-uren worden als volgt onderscheiden:
a. uren gedurende welke de vrijwilliger gekazerneerd wordt;
b. uren gedurende welke de vrijwilliger thuis wacht moet houden;
c. uren gedurende welke de vrijwilliger niet op kazerne of thuis doch in het door de Commandant aangewezen verzorgingsgebied wacht moet houden.
3. De vergoeding van de consignatie-uren, bedoeld in het tweede lid, onder a, geschiedt overeenkomstig de werktijdenregeling van het wachtdienstpersoneel van de brandweer.
4. De vergoeding van de consignatie-uren, bedoeld in het tweede lid onder b, bedraagt 16% van het bedrag per uur overeenkomstig artikel 14, derde lid, voor uren op dagen vallende op zondag, Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, de Christelijke tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, de dag na de gehouden carnavalsoptocht, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de Koning officieel wordt gevierd, de dag waarop de dag van de Arbeid (1 mei) officieel wordt gevierd, Dia di Himno i Bandera, alsmede iedere dag, die daarenboven bij landsbesluit als feestdag wordt aangewezen, en 10% voor uren vallende op andere dagen.
5. De vergoeding van de consignatie-uren bedoeld in het tweede lid, onder c, bedraagt 8% van het bedrag per uur overeenkomstig artikel 14, derde lid, voor uren op dagen vallende op zondag, Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, de Christelijke tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, de dag na de gehouden carnavalsoptocht, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de Koning officieel word gevierd, de dag waarop de dag van de Arbeid (1 mei) officieel wordt gevierd, Dia di Himno i Bandera, alsmede iedere dag, die daarenboven bij landsbesluit als feestdag wordt aangewezen en 5% voor uren vallende op andere dagen.
6. De tijdens de consignatie-uren gemaakte effectieve uren komen in aanmerking voor vergoeding overeenkomstig artikel 14, vierde lid, in plaats van de consignatievergoeding.
7. Voor het verrichten van wachtdiensten ingedeeld bij de uitrukdienst op een van de brandweerposten van de beroepsbrandweer ontvangt de vrijwilliger een vergoeding per uur zoals vastgesteld in artikel 14, derde lid.
8. Voor het opkomen bij een proefalarm wordt aan de vrijwilliger tot de helft van de vergoeding per uur, overeenkomstig de vergoeding in artikel 14, derde lid, uitgekeerd.

Artikel 16

De Minister van Justitie kan in bijzondere gevallen aan de vrijwilliger een vergoeding voor derving van loon of inkomsten toekennen wegens het verrichten van de in artikel 15, eerste lid, bedoelde brandweerdienst.

Artikel 17

  1. De vrijwilliger die ten gevolge van tijdelijke ongeschiktheid tot het verrichten van zijn gewone werk, welke blijkens een geneeskundig onderzoek het gevolg is van een ongeval ontstaan in verband met de vervulling van zijn betrekking, loon of inkomsten uit beroep of bedrijf derft, geniet gedurende deze ongeschiktheid, doch niet langer dan 18 maanden, een uitkering te dier zake.
  2. De uitkering is gelijk aan het bedrag van de door de vrijwilliger werkelijk gederfde inkomsten, met dien verstande dat zij per dag niet meer dan het maximum-dagloon bedraagt en dat per week niet meer dan vijf maal dit dagloon wordt uitgekeerd.
  3. De uitkering zal tezamen met een eventueel ter zake ontvangen uitkering krachtens een wettelijke verzekering per dag nimmer meer bedragen dan het in het tweede lid genoemde maximumdagloon.
  4. De uitkering wordt per maand uitbetaald.

Artikel 18

De Minister van Justitie kan weigeren de vrijwilliger de uitkering waarop hij ingevolge artikel 17 aanspraak heeft, geheel of gedeeltelijk toe te kennen:
a. indien hij niet binnen redelijke termijn geneeskundige hulp inroept, zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder behandeling blijft stellen of de voorschriften van de behandelende geneeskundige niet opvolgt;
b. indien hij gedurende ongeschiktheid tot werken zich schuldig maakt aan gedragingen, waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
c. indien het geneeskundig onderzoek door de Uitvoeringsorganisatie Geneeskunde en Gezondheidszaken door toedoen van de vrijwilliger niet kan plaats hebben;
d. indien hij niet zo spoedig mogelijk, in elk geval binnen 24 uur, na het intreden van de ongeschiktheid tot werken daarvan mededeling heeft gedaan aan de Minister van Justitie, of indien hij zich niet houdt aan de controlevoorschriften welke door de Minister van Justitie zijn vastgesteld; in het eerstgenoemde geval wordt de uitkering ingehouden over de dagen, voorafgaande aan de tweede dag na die van ontvangst van de ziektemelding;
e. indien hij, na tijdig opgeroepen te zijn, niet verschenen is of heeft geweigerd hetzij door of namens de Minister van Justitie of de door dezen aangewezen geneeskundige gestelde vragen te beantwoorden of zich te laten onderzoeken, hetzij te voldoen aan het voorschrift door of namens de Minister van Justitie gegeven, om zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen inrichting;
f. indien de vrijwilliger door of namens de Minister van Justitie gegeven voorschriften in het belang van een behandeling of genezing of tot behoud, herstel of ter bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid, zonder deugdelijke gronden niet opvolgt;
g. indien hij zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt.

Artikel 19

  1. De vrijwilliger die wegens ongeval, dat blijkens een geneeskundig onderzoek is ontstaan in verband met de vervulling van zijn betrekking, arbeidsongeschikt wordt, heeft, zodra hij onafgebroken 18 maanden arbeidsongeschikt is geweest, aanspraak op een uitkering, welke afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid door de Minister van Justitie wordt vastgesteld volgens de bepalingen van de door het Land Curaçao ter zake afgesloten ongevallenverzekering.
  2. De uitkering wordt zo spoedig mogelijk uitbetaald.

Artikel 20

  1. Indien een vrijwilliger ten gevolge van een ongeval, ontstaan in verband met de vervulling van zijn betrekking, komt te overlijden, hebben diens nagelaten betrekkingen aanspraak op een uitkering volgens de bepalingen van de door het Land Curaçao ter zake gesloten ongevallenverzekering.
  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder nagelaten betrekkingen verstaan: de nagelaten betrekkingen als vermeld in de polis van de ongevallenverzekering.

Artikel 21

  1. In geval van een ongeval, ontstaan in verband met de vervulling van zijn betrekking, wordt de vrijwilliger de te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van de Minister van Justitie noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging, vergoed tot ten hoogste het bedrag waarvoor het Land zich ter zake heeft verzekerd.
  2. De Minister van Justitie kan in de gevallen waarin de in het eerste lid bedoelde kosten het bedrag waarvoor het Land zich ter zake heeft verzekerd te boven gaan, een tegemoetkoming in de hogere kosten verlenen.

Artikel 22

Indien geen sprake is van een ongeval doch wel van ziekte welke is ontstaan of verergerd in verband met de vervulling van de betrekking, kan de Minister van Justitie in bijzondere gevallen een ter zake door hem vast te stellen uitkering verlenen voor zover de verzekering daarin niet voorziet.

Artikel 23

Onder vrijwilliger, bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 22, wordt mede begrepen de gewezen vrijwilliger, voor zover deze de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt.

Artikel 24

De vrijwilliger is gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed vrijwilliger betaamt.

Artikel 25

De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij verordening, bij instructie of bij besluit van de Minister van Justitie is voorgeschreven.

Artikel 26

1. De vrijwilliger is verplicht:
a. deel te nemen aan oefeningen, bijeenkomsten en cursussen;
b. wacht-, consignatie-, en bewakingsdiensten te verrichten, waarvoor hij door de Commandant ter uitvoering van de door de Minister van Justitie gegeven richtlijnen wordt opgeroepen;
c. de aan hem in bruikleen verstrekte oproepapparatuur tijdens zijn consignatie gebruikgereed en in goede staat bij zich te dragen.
2. De kosten verbonden aan het volgen van cursussen en het deelnemen aan examens met betrekking tot het vervullen van de brandweertaak, komen ten laste van het Land Curaçao.

Artikel 27

1. De vrijwilliger dient blijkens een geneeskundig onderzoek in staat te worden geacht de op te dragen werkzaamheden naar behoren te verrichten.
Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regelen vastgesteld betreffende het geneeskundig onderzoek.
2. De vrijwilliger wordt periodiek onderworpen aan een geneeskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 28

Het is de vrijwilliger verboden, behoudens toestemming verleend door of namens de Minister van Justitie in bijzondere gevallen, te eigen bate aan het Land toebehorende eigendommen te gebruiken.

Artikel 29

Het is de vrijwilliger verboden:

  1. in verband met zijn betrekking vergoedingen, beloningen, giften en beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen anders dan met toestemming van de Minister van Justitie;
  2. steekpenningen aan te nemen.

Artikel 30

Indien de vrijwilliger niet beschikbaar kan zijn, is hij verplicht daarvan, onder opgave van redenen, zo tijdig mogelijk mededeling te doen aan de Commandant.

Artikel 31

  1. De vrijwilliger is verplicht tijdens de vervulling van zijn betrekking de door de Minister van Justitie voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen.
  2. De dienstkleding en uitrustingstukken worden door het Land Curaçao kosteloos in bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij ontslag verplicht is deze bij de Commandant in te leveren.
  3. De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in bruikleen verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij is verplicht deze te doen onderwerpen aan de inspectie en controle door of namens de Commandant.
  4. Reparatie aan de dienstkleding en uitrustingsstukken geschiedt vanwege het land.

Artikel 32

Het is de vrijwilliger verboden:
a. de dienstkleding en uitrustingsstukken tijdens het niet vervullen van zijn betrekking te dragen, behalve in de gevallen waarin de Minister van Justitie daarvoor toestemming heeft verleend.
b. de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden ten gebruike te geven;
c. dienstkleding te dragen voorzien van andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan de rang welke betrokkene bekleedt, dan wel van insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij tot het dragen daarvan door de Minister van Justitie toestemming is verleend.

Artikel 33

Het is de vrijwilliger slecht toegestaan een motorrijtuig, in de zin van de Landsverordening aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, bij de vervulling van zijn betrekking te gebruiken, indien en voor zover hem daartoe door of namens de Minister van Justitie toestemming is verleend. Aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden.

Artikel 34

  1. De vrijwilliger kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van door het Land geleden schade, voor zover deze aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.
  2. Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan op zijn vergoeding worden niet vastgesteld dan nadat de vrijwilliger in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en over de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te maken. Hij kan zich bij deze verantwoording door een raadsman doen bijstaan.

Artikel 35

Aan de vrijwilliger wordt de schade van aan hem toebehorende kleding en uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Landsverordening aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed, welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn betrekking, voor zover de schade niet bestaat uit normale slijtage van de goederen.

Artikel 36

De Minister van Justitie kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.

Artikel 37

  1. De vrijwilliger die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan deswege disciplinair worden gestraft.
  2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of laten van iets, hetwelk een goed vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort te doen of na te laten.

Artikel 38

1. De disciplinaire straffen welke kunnen worden toegepast, zijn:
a. schriftelijke berisping;
b. inhouding van een deel van de vaste vergoeding als bedoeld in artikel 12, eerste lid;
c. schorsing al dan niet met inhouding van de vaste vergoeding als bedoeld in artikel 12, eerste lid;
d. ongevraagd ontslag.
2. De straffen bedoeld in het eerste lid onder a, b en c worden door de Commandant opgelegd; de in het eerste lid onder d bedoelde straf wordt door de Minister van Justitie opgelegd.

Artikel 39

1. De verantwoording door de vrijwilliger geschiedt, indien deze niet schriftelijk plaats vindt ten overstaan van de Minister van Justitie of ten overstaan van een door de Minister van Justitie aangewezen vertegenwoordiger. De vrijwilliger kan zich bij deze verantwoording door een raadsman doen bijstaan. De verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats.
Op verzoek van de vrijwilliger kan van deze termijnen worden afgeweken.
2. Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de vrijwilliger. Weigert de vrijwilliger de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt de vrijwilliger uitgereikt.
3. Indien de vrijwilliger zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.

Artikel 40

Van het besluit tot strafoplegging, dat met redenen moet zijn omkleed, wordt onverwijld aan de vrijwilliger tegen ontvangstbewijs een afschrift verstrekt. Daarbij wordt tevens medegedeeld binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep openstaat.

Artikel 41

De in artikel 38, eerste lid, onder b, c en d, bedoelde straffen worden niet ten uitvoer gelegd zo lang zij niet onherroepelijk zijn geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.

Artikel 42

  1. Indien de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan eindigt zij van rechtswege wanneer deze tijd is verstreken.
  2. Voorafgaande opzegging is in dat geval niet vereist.

Artikel 43

  1. Indien de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan zij worden beëindigd door opzegging.
  2. Bij de opzegging wordt een termijn in acht genomen van vier weken.
  3. Ten aanzien van hen die tenminste twee jaren ononderbroken in dienst zijn geweest, wordt de termijn bedoeld in het vorige lid gesteld op het dubbele daarvan.

Artikel 44

1. In afwijking van het gestelde in de artikelen 42 en 43 eindigt de arbeidsovereenkomst van rechtswege met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de vrijwilliger de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt.
2. De Minister van Justitie kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond van:
a. het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarstelling of wegens verandering in de organisatie van de brandweer;
b. onder curatele stelling;
c. toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
d. onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;
e. de omstandigheid dat hij wegens de aard of de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van zijn woning geacht moet worden niet langer in staat te zijn zijn taak bij de brandweer te vervullen;
f. onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken;
g. onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken.
3. In de in het tweede lid genoemde gevallen wordt, met uitzondering van het geval, bedoeld in het tweede lid onder d, het ontslag steeds eervol verleend.

Artikel 45

Ten aanzien van de beëindiging van de betrekking zijn voorts van toepassing de artikelen 1639l, 1639o, eerste lid, 1639p, 1639q, 1639s, 1639t, en 1639u van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat in geval van schadeplichtigheid ingevolge artikel 1639o, eerste lid, artikel 1639r, eerste en tweede lid, van dat wetboek van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 46

1. De bevelvoerders staan de Commandant bij in de uitvoering van de hem in zijn instructie opgedragen taken.
2. Zij moeten de bevelen en dienstvoorschriften van de Commandant stipt nakomen.
3. Zij zien erop toe dat het personeel dat onder hun bevelen staat, de voor hun geldende regels en voorschriften op de juiste wijze naleven.
4. De bevelvoerders voeren het bevel over de eenheid (eenheden) welke door de Commandant onder hun leiding is (zijn) gesteld.
5. Zij handhaven de discipline onder het onder hun bevelen staande personeel.

Artikel 47

  1. Indien de bevelvoerders niet bereikbaar dan wel verhinderd zullen zijn om hun dienst te verrichten, dragen zij zorg dat de Commandant en degene die optreedt als plaatsvervangend bevelvoerder daarvan tijdig in kennis worden gesteld.
  2. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 54 is mede op de bevelvoerders van toepassing, met dien verstande dat zij de daarin bedoelde inlichtingen aan de Commandant moeten verstrekken.

Artikel 48

De bevelvoerders dragen zorg voor de paraatheid van het materieel, behorende tot de onder hun leiding gestelde eenheid (eenheden). Zij stellen de Commandant ten spoedigste op de hoogte van eventuele gebreken welke deze paraatheid mochten aantasten.

Artikel 49

  1. De bevelvoerders zijn gehouden na ontvangst van een alarmeringsoproep alles te doen om de onder hun leiding staande eenheid zo snel mogelijk te doen uitrukken.
  2. Onmiddellijk na aankomst op de plaats van de brand melden de bevelvoerders zich bij de Commandant of de namens deze aangewezen officier van dienst. Indien deze niet aanwezig is, stellen zij zich in verbinding met de reeds ter plaatse aanwezige, met de leiding belaste bevelvoerder.
  3. Degene die op de plaats van de brand de leiding uitoefent, brengt onmiddellijk na de eerste verkenning de resultaten daarvan ter kennis van de centrale meldingspost.
  4. Bij afwezigheid van de Commandant of plaatsvervangende officier van dienst op de plaats van de brand houdt de in het vorige lid bedoelde persoon de centrale meldingspost zoveel mogelijk op de hoogte van het verloop van de brandbestrijdingswerkzaamheden en geeft bericht van de beëindiging daarvan.

Artikel 50

  1. De bevelvoerders dragen zorg, dat bij het inpakken de gereedschappen en eventueel tot het rollend materieel, van de onder hun leiding staande eenheid (eenheden), behorende uitrustingsstukken aanwezig zijn.
  2. Onmiddellijk na terugkomst van een brand, oefening of demonstratie dragen zij zorg dat het materieel van de onder hun leiding staande eenheid (eenheden) weer geheel tot uitrukken in gereedheid wordt gebracht.
  3. Na terugkomst van een uitruk dient de bevelvoerder een rapport (brand- of hulpverleningsrapport) op te stellen waarin hij de reden van de uitruk verwoord en dit rapport dient hij daarna te overhandigen aan de Commandant.

Artikel 51

  1. De bevelvoerders verstrekken aan de Commandant de gegevens, benodigd voor de uitkering van de vergoedingen waarop het onder hun bevelen staande personeel recht heeft.
  2. Zij stellen voorts de Commandant tijdig ervan in kennis, indien een lid van het hiervoor bedoelde personeel langdurig verhinderd zal zijn om aan brandbestrijdingswerkzaamheden of oefeningen deel te nemen en delen de commandant alle mutaties in woon- of verblijfplaats van dat personeel mede.

Artikel 52

  1. De plaatsvervangende bevelvoerders vervangen de bevelvoerders bij hun ontstentenis of afwezigheid en zijn alsdan onderworpen aan de bepalingen van de in dit hoofdstuk opgenomen instructie voor de bevelvoerder.
  2. De bepalingen in de artikelen 53 tot en met 56 zijn tevens op de plaatsvervangende bevelvoerders van toepassing.

Artikel 53

  1. De overige leden van het personeel, hierna genoemd de “brandweerlieden”, staan, voor zover de Commandant niet zelf als bevelvoerder optreedt, rechtstreeks onder een bevelvoerder.
  2. Zij zijn verplicht de dienstvoorschriften en de bevelen van hun meerderen stipt na te komen.

Artikel 54

  1. Indien de brandweerlieden niet bereikbaar dan wel verhinderd zullen zijn om hun dienst te verrichten, dragen zij zorg dat de bevelvoerder onder wiens leiding zij staan daarvan tijdig in kennis wordt gesteld.
  2. Zij delen de in het vorige lid bedoelde bevelvoerder alle mutaties in hun woon- of verblijfplaats mede en verstrekken ook overigens aan deze alle inlichtingen – mededelingen omtrent hun overkomen ongevallen hieronder begrepen – waarvan de kennisneming voor hem van belang is.

Artikel 55

De brandweerlieden zijn gehouden de hun opgedragen werkzaamheden te verrichten voor het in goede staat onderhouden van het materieel met welks bediening zij zijn belast.
Van geconstateerde gebreken geven zij terstond kennis aan de bevelvoerder onder wiens leiding zij staan.

Artikel 56

1. De brandweerlieden stellen zich, na ontvangst van een oproep in geval van brand, onmiddellijk onder de bevelen van hun bevelvoerder.
2. Zij zijn gehouden in geval van actief optreden:
a. het materieel met welks bediening zij belast zijn zo zorgvuldig mogelijk te behandelen;
b. zo goed mogelijk zorg te dragen voor eigen veiligheid en voor het vermijden van gevaar voor anderen;
c. het toebrengen van onnodige schade te voorkomen;
d. niet onnodig ruimten of erven te betreden;
e. op of in de nabijheid van de plaats van de brand zoveel mogelijk ontvreemdingen te voorkomen en betreding van eigendommen door onbevoegden tegen te gaan, waartoe zij zo nodig de hulp van de politie dienen in te roepen;
f. het terrein of het materieel niet te verlaten dan na daartoe van of namens de Commandant toestemming te hebben verkregen.
3. Na beëindiging van het actief optreden dragen de brandweerlieden zorg voor het verzamelen van het door hen gebruikt materieel, voor het terugvoeren van dit en het overige materieel naar de bewaarplaats(en) en voor het opnieuw voor gebruik gereed maken van dit materieel. Van geconstateerde vermissingen geven zij onmiddellijk kennis aan de bevelvoerder onder wiens leiding zij staan.

Artikel 57

(Vervallen)

Artikel 58

Dit landsbesluit kan worden aangehaald als “Rechtspositieregeling Vrijwilligers Brandweer Curaçao”.

Naar boven