Reclasseringsbesluit 1953 - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Reclasseringsbesluit 1953

Publicatienummer: P.B. 2025, no. 180 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsbesluit, houdende algemene maatregelen
Ministerie: Justitie
Datum ondertekening: 15-10-2025
Datum inwerktreding: 14-09-1960
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK XV Justitie)


LANDSBESLUIT van de 15de oktober 2025, no. 25/2432, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van het Reclasseringsbesluit 1953

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
14-09-1960 n.v.t. n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2025, no. 180 (GT) n.v.t.

Hoofdstuk I
Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt verstaan onder:

instelling: de in Curaçao gevestigde, rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging of stichting, wier statuten, stichtingsbrieven of reglementen het aanwenden van reclasseringspogingen voorschrijven of gedogen voor zover zij een bereidverklaring overeenkomstig artikel 4 heeft afgelegd en deze door de Minister is aanvaard;
Minister: de Minister van Justitie;
College: het Centraal College voor de Reclassering;
gestichtshoofd: hoofd van de betreffende strafgevangenis of het betreffende huis van bewaring;
voorwaardelijke veroordeling: de veroordeling waarbij de straf, tenzij de rechter later anders beveelt, geheel of gedeeltelijk niet zal worden ten uitvoer gelegd;
voorwaardelijk veroordeelde: de veroordeelde bij zodanige veroordeling.

 

Artikel 2

Reclassering wordt van landswege bevorderd door:
1o. steun aan particuliere bemoeiingen;
2o. rechtstreekse overheidsbemoeiingen.

Hoofdstuk II
De Particuliere bemoeiingen

Artikel 3

1. De steun aan particuliere bemoeiingen bestaat in:
a. het treffen van maatregelen ter bevordering van de reclassering;
b. het verlenen van subsidies ter tegemoetkoming in de kosten van de reclassering.
2. Voor deze steun komen uitsluitend instellingen in aanmerking.

 

Artikel 4

  1. In de bereidverklaring, bedoeld in artikel 1, wordt opgenomen, dat de instelling zich onderwerpt aan de bepalingen van dit landsbesluit, alsmede aan de bepalingen, die ter uitvoering van dit landsbesluit zijn of zullen worden gegeven. De bereidverklaring is vrij van zegel.
  2. Verplegingsinrichtingen, waarover de instelling voor reclasseringsdoeleinden de beschikking heeft, worden in de bereidverklaring vermeld.
  3. In de bereidverklaring kan worden opgenomen, dat de instelling haar arbeid beperkt tot een of meer bepaalde groepen van personen.

 

Artikel 5

  1. De bereidverklaring wordt voor onbepaalde tijd afgelegd en aanvaard. De aanvaarding kan voorwaardelijk geschieden.
  2. De bereidverklaring en haar aanvaarding zijn opzegbaar met inachtneming van een termijn van drie maanden.
  3. De aanvaarding kan worden ingetrokken, indien de instelling zich niet houdt aan de bepalingen van de bereidverklaring.
  4. De aanvaarding, haar opzegging en haar intrekking geschieden bij met redenen omklede ministeriële beschikking, gehoord het College.

 

Artikel 6

  1. Voor zover de instelling voor haar reclasseringswerk de beschikking heeft of verkrijgt over een verplegingsinrichting, wordt haar bereidverklaring eerst aanvaard of de aanvaarding gehandhaafd, nadat de inrichting door of vanwege de Minister is goedgekeurd.
  2. De goedkeuring kan voorwaardelijk geschieden. Goedkeuring en weigering van de goedkeuring geschieden gehoord het College. Weigering zal bij met redenen omklede ministeriële beschikking plaats vinden.

 

Artikel 7

  1. De instelling is verplicht aan de Minister of aan door deze aan te wijzen ambtenaren of aan het College alle gewenste inlichtingen omtrent haar werkzaamheid en de daarmee bereikte resultaten te geven.
  2. Zij houdt omtrent de door haar behandelde gevallen aantekening in daarvoor bestemde registers, die voldoen aan bij ministeriële regeling met algemene werking te stellen eisen.

 

Artikel 8

  1. De instelling houdt een nauwkeurige, gespecificeerde, financiële administratie.
  2. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen voorschriften omtrent de inrichting van de administratie worden gegeven.
  3. De Minister kan de administratie te allen tijde doen nazien.
  4. Op zijn verzoek worden hem afschriften of uittreksels verstrekt.

 

Hoofdstuk III
Het Centraal College voor de Reclassering

Artikel 9

  1. Het Centraal College voor de Reclassering is gevestigd te Curaçao.
  2. Het bestaat uit ten hoogste zeven en ten minste drie leden, die door de Minister worden benoemd en ontslagen en van wie door de Minister een als voorzitter en een als plaatsvervangend voorzitter wordt aangewezen.
  3. De leden van het College kunnen niet zijn bestuurslid van een instelling of algemene of bijzondere patroon als bedoeld in artikel 24.
  4. Aan het College wordt door de Minister een secretaris toegevoegd.

 

Artikel 10

  1. De benoeming van de leden geschiedt voor de tijd van zes jaren.
  2. De aftredende leden zijn terstond herbenoembaar.
  3. Van een periodieke aftreding geeft de voorzitter twee maanden voor het tijdstip van aftreding kennis aan de Minister.

 

Artikel 11

  1. De voorzitter en de secretaris vertegenwoordigen het College.
  2. In spoedeisende gevallen handelt de voorzitter namens het College. Van hetgeen in zodanig geval is verricht wordt mededeling gedaan in de eerstvolgende vergadering.

 

Artikel 12

De leden en de secretaris genieten vergoeding voor reis- en teerkosten volgens nader te stellen regels.

 

Artikel 13

  1. Het College houdt een algemeen toezicht op de arbeid van de reclasseringsinstellingen.
  2. Deze geven daartoe aan het College alle gewenste inlichtingen.

 

Artikel 14

  1. De besturen van de strafgestichten geven aan het College alle gewenste inlichtingen.
  2. De leden en de secretaris hebben vrije toegang tot de strafgestichten en de daarin opgenomen personen.
  3. Zij brengen geen bezoek dan met machtiging van de voorzitter.

 

Artikel 15

(vervallen)

 

Artikel 16

  1. Het College dient de Minister van bericht en raad in alle gevallen waarin dit is voorgeschreven en voorts in die gevallen waarin de Minister dit wenselijk oordeelt.
  2. Het College houdt de Minister voor zover nodig op de hoogte van de feiten en omstandigheden die te zijner kennis zijn gekomen en is bevoegd daaraan bepaalde voorstellen te verbinden.
  3. Het neemt voorstellen op het gebied van de reclassering in onderzoek, deelt de Minister de uitkomsten daarvan mede en vestigt diens aandacht op middelen ter bevordering van de reclassering.

 

Artikel 17

Het College brengt jaarlijks in de maand januari aan de Minister in drievoud verslag uit over zijn bevindingen en verrichtingen.

 

Artikel 18

Zonder schriftelijke, met opgave van redenen, verleende toestemming van de Minister wordt aan de door het College behandelde zaken geen openbaarheid gegeven.

 

Artikel 19

De Minister kan nadere regels stellen omtrent de functies van het College en de wijze van uitoefening daarvan.

 

Hoofdstuk IV
Uitvoeringsbepalingen voorwaardelijke veroordeling

Artikel 20

(vervallen)

 

Artikel 21

(vervallen)

 

Artikel 22

(vervallen)

 

Artikel 23

  1. Bij de uitoefening van het toezicht op de bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijk veroordeelde opgelegd, wordt buiten noodzaak alles vermeden, wat deze in zijn vrijheid zou kunnen beperken of maatschappelijk zou kunnen benadelen.
  2. Indien de rechter ingevolge artikel 17c van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen als bijzondere voorwaarde heeft gesteld, dat de veroordeelde zich ter verpleging zal laten opnemen in een bij zijn bevel aan te wijzen inrichting of, ingevolge artikel 17d van genoemd Wetboek, een opdracht heeft gegeven om aan de veroordeelde ter zake van de naleving van bijzondere voorwaarden bijstand te verlenen, wint het openbaar ministerie, alvorens in de gevallen bedoeld bij de artikelen 17g en 17h van genoemd Wetboek, de zaak aan te brengen, het advies in van het hoofd van de inrichting onderscheidenlijk van de instelling, inrichting of bijzondere ambtenaar, die met het verlenen van bijstand aan de voorwaardelijk veroordeelde is belast.

 

Artikel 24

  1. De instellingen met het verlenen van bijstand aan een voorwaardelijk veroordeelde belast, zijn bevoegd zulks onder haar verantwoordelijkheid te doen plaatsvinden door bepaalde aangewezen vertegenwoordigers: algemene of bijzondere patroons.
  2. Zij geven van zodanige aanwijzing vooraf kennis aan het openbaar ministerie.
  3. De Minister kan bepalen, gehoord het College, dat aan een aanwijzing geen gevolg zal worden gegeven.

 

Artikel 25

  1. De instelling, die met verlenen van de bijstand is belast, ontvangt, indien wenselijk, van de opdracht reeds kennis voordat de veroordeling onherroepelijk is geworden, door de zorg van het openbaar ministerie.
  2. Onmiddellijk nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden, ontvangt de instelling door de zorg van het openbaar ministerie een kennisgeving, houdende de straf aan de veroordeelde opgelegd en alle tot het in artikel 17a, Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, bedoelde bevel betrekkelijke beslissingen.
  3. De kennisgeving vermeldt de tijdstippen van begin en aanvankelijk einde van de proeftijd; indien die tijdstippen nog niet aanstonds worden opgegeven, dan volgt de mededeling daarvan zo spoedig mogelijk.
  4. Latere beslissingen, overeenkomstig de artikelen 17g of 17h, Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen genomen, worden op gelijke wijze medegedeeld.

 

Artikel 26

  1. De persoon die de bijstand verleent, tracht een op vertrouwen gegronde persoonlijke band met de veroordeelde te leggen en die in het belang van de nakoming van de aan deze opgelegde voorwaarden en van diens reclassering, te benutten.
  2. Bij het verlenen van de bijstand wordt zoveel mogelijk alles vermeden, wat de veroordeelde in zijn vrijheid zou kunnen beperken of maatschappelijk zou kunnen benadelen.

 

Hoofdstuk V
Uitvoeringsbepalingen voorwaardelijke invrijheidstelling

Artikel 27

  1. Tenminste twee maanden voor de dag waarop een tot gevangenisstraf veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld, zendt het gestichtshoofd te zijnen aanzien aan de Minister hetzij een gemotiveerd voorstel tot voorwaardelijke invrijheidsstelling, hetzij een gemotiveerd bericht, dat niet tot voorwaardelijke invrijheidstelling behoort te worden overgegaan, hetzij een gemotiveerd bericht, dat nog niet tot voorwaardelijke invrijheidstelling behoort te worden overgegaan.
  2. Onverminderd de bepaling van het eerste lid, dient het gestichtshoofd de Minister van bericht en raad inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling van een veroordeelde zo dikwijls de Minister zulks vraagt of het gestichtshoofd het gewenst acht.

 

Artikel 28

1. Alvorens een voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling te doen, wint het gestichtshoofd bericht en raad in van reclasseringsinstellingen omtrent de persoon en de vooruitzichten van de veroordeelde. Bij het verzoek om bericht en raad, dat schriftelijk wordt gedaan, wordt een staat van inlichtingen overgelegd.
2. Het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling gaat vergezeld van:
a. de beschrijving van persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten van de veroordeelde;
b. de vermelding van de rechterlijke uitspraak of uitspraken uit kracht waarvan op de veroordeelde straf wordt ten uitvoer gelegd of nog zal worden ten uitvoer gelegd, van de daarbij opgelegde straffen, van de dag waarop de werkelijke straftijd is ingegaan en van die, waarop deze zal eindigen;
c. advies omtrent het al dan niet uitkeren van gelden uit de uitgaanskas;
d. advies omtrent de bijzondere voorwaarden die aan de invrijheidsstelling zouden behoren te worden verbonden;
e. advies omtrent het al dan niet in het leven roepen van een bijzonder toezicht op de naleving van de voorwaarden.
3. Het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling, alsmede het gemotiveerd bericht, dat niet of nog niet tot voorwaardelijke invrijheidstelling behoort te worden overgegaan, zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, en het rapport van de reclasseringsinstellingen zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, zijn samen vervat in een bij dit landsbesluit vastgesteld model.

 

Artikel 29

  1. Indien het gestichtshoofd van mening is, dat ten aanzien van een veroordeelde niet of nog niet tot voorwaardelijke invrijheidstelling behoort te worden overgegaan, deelt hij zulks, met vermelding van redenen, schriftelijk mede aan de in het eerste lid van artikel 28 bedoelde reclasseringsinstellingen. In geval hij van mening is, dat nog niet tot voorwaardelijke invrijheidstelling behoort te worden overgegaan, deelt hij tevens mede, wanneer de mogelijkheid van een voorwaardelijke invrijheidstelling opnieuw zou dienen te worden overwogen.
  2. Indien de reclasseringsinstellingen van mening zijn, dat omtrent de veroordeelde in voor deze gunstiger zin dient te worden geadviseerd, voegen zij bij hun advies aan het gestichtshoofd een rapport omtrent de persoon en de vooruitzichten van de veroordeelde, alsmede, indien zij van mening zijn, dat tot voorwaardelijke invrijheidstelling dient te worden overgegaan, een conceptvoorstel, ingericht volgens het in het derde lid van artikel 28 bedoelde model.
  3. Het gestichtshoofd voorziet de stukken van zijn nader advies, en zendt deze aan de Minister.

 

Artikel 30

Bij het voorstel en, voor zover de Minister zulks mocht hebben verlangd, bij het bericht, worden overgelegd:
a. een staat van inlichtingen van het openbaar ministerie;
b. alle berichten en adviezen, krachtens artikel 31 ingewonnen;
c. de ondertekende verklaring van degene, die het gestichtshoofd met het bijzondere toezicht op de naleving van de voorwaarden zou wensen belast te zien, dat hij bereid is een opdracht tot bijzonder toezicht te aanvaarden; en voorts, tenzij zodanige hulp niet nodig wordt geoordeeld;
d. de ondertekende verklaring van degene die zich heeft bereid verklaard de veroordeelde na ontslag te steunen, te onderhouden of in dienst te nemen.

Artikel 31

Aan het gestichtshoofd worden op zijn verzoek door alle besturen of hoofden van andere strafgestichten, door alle ambtenaren van justitie en de reclasseringsinstellingen de inlichtingen verstrekt, die hij nodig heeft ter uitvoering van de voorschriften van de artikelen 27 en 28.

 

Artikel 32

  1. De Minister stelt het voorstel of bericht met de bijlagen in handen van het College voor de Reclassering tot het uitbrengen van zijn advies.
  2. Aan het College worden op zijn verzoek door de besturen en hoofden van andere strafgestichten, door alle ambtenaren van justitie en reclasseringsinstellingen de inlichtingen verstrekt die het tot het vormen van zijn oordeel behoeft.

 

Artikel 33

Van de ministeriële beschikking tot voorwaardelijke invrijheidstelling evenals van de herziene beschikking als bedoeld in artikel 34, tweede lid, wordt ten spoedigste afschrift gezonden aan:
a. het bestuur van de gevangenis, waarin de veroordeelde de straf ondergaat;
b. het openbaar ministerie;
c. (vervallen)
d. (vervallen)
e. indien een bijzonder toezicht op de naleving van de voorwaarden in het leven is geroepen, degene, die met het bijzonder toezicht is belast.

 

Artikel 34

  1. Een afschrift van de ministeriële beschikking tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt aan de voorwaardelijk in vrijheid gestelde als verlofpas uitgereikt.
  2. Indien tijdens de proeftijd de opgelegde straf of het einde van de proeftijd wordt gewijzigd, of artikel 18a, vijfde lid Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen wordt toegepast, wordt hem de herziene beschikking als nieuwe verlofpas uitgereikt.

 

Artikel 35

  1. De voorwaardelijk in vrijheid gestelde is verplicht binnen 2 maal 24 uren na de invrijheidstelling zijn verlofpas te tonen aan de korpschef, of een door deze aan te wijzen ambtenaar.
  2. (vervallen)
  3. De korpschef, hierboven bedoeld, tekent de pas voor gezien en geeft van verzuim van aanbieding onverwijld kennis aan het openbaar ministerie, dat daarvan onverwijld mededeling doet aan de Minister.
  4. Het openbaar ministerie neemt onmiddellijke maatregelen tot opsporing van de nalatige.

 

Artikel 36

  1. In geval van verlies of vermissing van de verlofpas doet de voorwaardelijk in vrijheid gestelde onmiddellijk aangifte bij de korpschef.
  2. De Minister kan aan de voorwaardelijk in vrijheid gestelde een duplicaat verlofpas doen uitreiken.

 

Artikel 37

Bij de kennisgeving van aanhouding, bedoeld in artikel 19, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, wordt een proces-verbaal gevoegd, houdende de redenen, die tot de aanhouding hebben geleid.

 

Artikel 38

De Minister ontvangt van het openbaar ministerie onverwijld kennis van:
a. elke vrijheidsbeneming van een voorwaardelijke in vrijheid gestelde gedurende de proeftijd en de daarop volgende drie maanden door het daartoe bevoegde gezag;
b. elke onherroepelijk geworden uitspraak, waarbij ten aanzien van een voorwaardelijk in vrijheid gestelde bewezen wordt verklaard, dat hij tijdens zijn proeftijd een strafbaar feit heeft begaan;
c. elke andere omstandigheid betreffende de voorwaardelijk in vrijheid gestelde, die van belang kan zijn voor het uit te oefenen toezicht en eventuele schorsing of herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

 

Artikel 39

  1. Indien een bijzonder toezicht op de naleving van de voorwaarden, als bedoeld in artikel 18a, vierde lid, Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, in het leven is geroepen, geschiedt de uitoefening van het toezicht door tussenkomst van degene, die met het bijzonder toezicht is belast.
  2. Worden aldus, naar het oordeel van het openbaar ministerie niet voldoende waarborgen verkregen voor een behoorlijk toezicht, dan geschiedt de uitoefening mede door tussenkomst van de politie.
  3. Bij de uitoefening van het toezicht evenals van het bijzonder toezicht wordt zoveel mogelijk alles vermeden dat de voorwaardelijk in vrijheid gestelde in zijn vrijheid zou kunnen beperken of maatschappelijk zou kunnen benadelen.

 

Artikel 40

  1. Degene, die met het bijzonder toezicht is belast, brengt omtrent het gedrag van de voorwaardelijk in vrijheid gestelde rapporten uit aan het openbaar ministerie, op de wijze en tijdstippen door de officier nader te bepalen.
  2. Van elke gewichtige overtreding van voorwaarden, die te zijner kennis komt, zomede van andere buitengewone voorvallen, wier kennis hij voor de Minister van belang acht, zal degene, die met het bijzonder toezicht is belast onverwijld mededeling doen aan het openbaar ministerie.
  3. Het openbaar ministerie zendt de rapporten en mededeling bedoeld in dit artikel ten spoedigste aan de Minister.

 

Artikel 41

  1. De instellingen, door de Minister met het bijzonder toezicht belast, zijn bevoegd dat onder haar verantwoordelijkheid te doen uitoefenen door bepaalde aangewezen vertegenwoordigers: algemene of bijzondere patroons.
  2. Zij geven van zodanige aanwijzing vooraf kennis aan de Minister en aan het openbaar ministerie.
  3. De Minister kan bepalen, gehoord het College, dat aan een aanwijzing geen gevolg zal worden gegeven.
  4. De aanwijzing wordt overigens zo spoedig mogelijk op de verlofpas aangetekend.

 

Artikel 42

Het College kan, nadat degene die met het bijzonder toezicht is belast, in de gelegenheid is gesteld zijn gevoelen ter zake kenbaar te maken, aan de Minister voorstellen:
a. in de gestelde bijzonder voorwaarden wijziging te brengen;
b. alsnog bijzondere voorwaarden te stellen;
c. alsnog een bijzonder toezicht in het leven te roepen;
d. het bijzonder toezicht aan een ander dan degene die daarmede te voren was belast, op te dragen; of
e. de voorwaardelijke invrijheidstelling te schorsen of te herroepen.

 

Artikel 43

  1. Zo spoedig mogelijk na een beschikking tot schorsing, beslist de Minister of de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden herroepen.
  2. Blijkt niet voldoende grond tot herroeping aanwezig, dan beveelt de Minister opheffing van de schorsing.
  3. Het College wordt vóór de beslissing gehoord.

 

Artikel 44

De beslissing tot schorsing of herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling deelt de Minister mede aan:
1o. het openbaar ministerie;
2o. de korpschef van de werkelijke woonplaats van de voorwaardelijk in vrijheid gestelde;
3o. degene die met het bijzonder toezicht is belast;
4o. indien een aanhouding ingevolge artikel 19, tweede lid, Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, is voorafgegaan, het gezag dat de aanhouding gelastte, voor zover dit niet reeds krachtens de vorige nummers mededeling krijgt;
5o. het College.

 

Artikel 45

  1. De Minister zendt de rapporten en mededelingen, bedoeld in de artikelen 35, 40 en 41 ter kennisneming aan het College.
  2. Het College zal aan de Minister ook overigens de voorstellen betreffende de voorwaardelijk in vrijheid gestelde doen, die haar geraden voorkomen.

 

Artikel 46

Dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt aangehaald als: Reclasseringsbesluit 1953.

Bijlage 1

(vervallen)

Naar boven