Regeling depositogarantiestelsel - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Regeling depositogarantiestelsel

Publicatienummer: P.B. 2025, no. 54
Categorie: Ministeriële regeling met algemene werking
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 03-04-2025
Datum inwerktreding: Nog niet bekend
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK X Economische aangelegenheden)


MINISTERIËLE REGELING MET ALGEMENE WERKING, van de 3de april 2025, ter uitvoering van artikel 39, tweede lid, van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen (Regeling depositogarantiestelsel)

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
Nog niet bekend n.v.t. n.v.t. t.u.v. art. 39, lid 2 Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen P.B. 2025, no. 54 n.v.t.

Doorlopende tekst

 

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze ministeriële regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Adviseur: de adviseur, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Landsverordening corporate governance ;
b. Bank: de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten;
c. basisbijdrage: de door een kredietinstelling op grond van artikel 2 jaarlijks verschuldigde bijdrage aan de Stichting ten behoeve van het depositogarantiefonds;
d. betalingsonmachtige kredietinstelling: een kredietinstelling als bedoeld in artikel 11, tweede lid;
e. buitengewone bijdrage: de door een kredietinstelling op grond van artikel 8 verschuldigde buitengewone bijdrage aan de Stichting ten behoeve van het depositogarantiefonds;
f. deposito: een tegoed dat wordt gevormd door op een rekening staande gelden of dat tijdelijk uit normale banktransacties voortvloeit, en dat een kredietinstelling onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden dient terug te betalen, met inbegrip van een termijndeposito en een spaardeposito, met uitzondering van een tegoed waarvan:
1°. het bestaan alleen kan worden aangetoond met behulp van een ander financieel product, tenzij het een betaal- of spaarrekening betreft die wordt belichaamd in een certificaat van deposito dat op naam luidt;
2°. de hoofdsom niet a pari terugbetaalbaar is;
3°. de hoofdsom alleen a pari terugbetaalbaar is uit hoofde van een door de kredietinstelling of door een derde verstrekte garantie of overeenkomst;
g. depositobasis: het totaal van de bij een kredietinstelling aangehouden gegarandeerde deposito’s;
h. depositogarantiestelsel: de regeling omtrent een garantie voor schuldvorderingen van rekeninghouders, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Landsverordening;
i. depositogarantiefonds: de door de Stichting aangehouden financiële middelen ten behoeve van de uitvoering van het depositogarantiestelsel;
j. depositohouder: de houder of, in geval van een gemeenschappelijke rekening, elk van de houders van een deposito;
k. gegarandeerd deposito: een deposito voor zover dat gegarandeerd wordt uit hoofde van het depositogarantiestelsel;
l. kredietinstelling: een onderneming of instelling waaraan door de Bank op grond van de Landsverordening een vergunning is verleend tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling in Curaçao, met uitzondering van kredietinstellingen die in het door de Bank gehouden register van kredietinstellingen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Landsverordening, zijn ingeschreven als internationale kredietinstelling;
m. kredietvereniging: een coöperatieve vereniging, ook wel aangeduid als een ‘credit union’, van natuurlijke personen, personenvennootschappen of rechtspersonen die gelden bijeenbrengen om op gemeenschappelijke basis te kunnen beschikken over kredieten en waaraan door de Bank op grond van de Landsverordening vergunning is verleend tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling in Curaçao;
n. Minister: de Minister van Financiën;
o. personenvennootschap: een contractuele samenwerking voor gemeenschappelijke rekening van twee of meer personen tot het uitoefenen van een beroep of bedrijf, dan wel tot het verrichten van beroeps- of bedrijfshandelingen, die op een voor derden duidelijk kenbare wijze naar buiten optreedt onder een door haar als zodanig gevoerde naam;
p. representatieve organisatie: een organisatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Landsverordening;
q. Stichting: de Stichting Depositogarantiefonds, bedoeld in artikel 19, eerste lid.

§ 2. Financiering van het depositogarantiestelsel

Artikel 2

  1. De kredietinstellingen waarop het depositogarantiestelsel van toepassing is, dragen de kosten van het depositogarantiestelsel.
  2. Een kredietinstelling waarop het depositogarantiestelsel van toepassing is, is aan de Stichting een jaarlijkse basisbijdrage ten behoeve van het depositogarantiefonds verschuldigd, gebaseerd op de depositobasis te vermeerderen met een door de Bank vast te stellen risicoweging overeenkomstig onderdeel 1 in de bijlage bij deze regeling.
  3. De doelomvang van het depositogarantiefonds is 7% van de gezamenlijke depositobasis van de kredietinstellingen waarop het depositogarantiestelsel van toepassing is.
  4. De Bank stelt jaarlijks, vóór 1 mei, de hoogte van de jaarlijkse basisbijdrage vast overeenkomstig onderdeel 1 in de bijlage bij deze regeling, zodanig dat het depositogarantiefonds de doelomvang, bedoeld in het derde lid, bereikt binnen tien jaar na inwerkingtreding van het depositogarantiestelsel.
  5. In afwijking van het vierde lid wordt, nadat een uitkering of andere betaling in het kader van het depositogarantiestelsel ten laste van de Stichting heeft plaatsgevonden, de hoogte van de verschuldigde jaarlijkse bijdragen overeenkomstig onderdeel 2 in de bijlage bij deze regeling zodanig vastgesteld dat het depositogarantiefonds de doelomvang, bedoeld in het derde lid, bereikt binnen tien jaar na toepassing van het depositogarantiestelsel.
  6. Indien het vermogen van het depositogarantiefonds het doelvermogen overschrijdt, kan de Bank, na overleg met de betrokken representatieve organisaties, de hoogte van de verschuldigde jaarlijkse basisbijdrage, bedoeld in het vierde lid, bijstellen overeenkomstig een door de Bank na overleg met de Stichting, vast te stellen model.

Artikel 3

  1. De vaststelling van de hoogte van de ingevolge artikel 2 verschuldigde basisbijdrage geschiedt op basis van de staten, bedoeld in artikel 14 van de Landsverordening.
  2. Indien een kredietinstelling de staten, bedoeld in artikel 14 van de Landsverordening, niet tijdig of niet volledig binnen de op grond van dat artikel vastgestelde termijn heeft ingediend, schat de Bank de omvang van de depositobasis van die kredietinstelling. De hoogte van de verschuldigde jaarlijkse basisbijdrage wordt op basis van die schatting vastgesteld.
  3. Een kredietinstelling voldoet het bedrag van de door haar verschuldigde basisbijdrage aan de Stichting, binnen 6 weken nadat het vastgestelde bedrag door de Bank aan haar schriftelijk is medegedeeld.
  4. De Bank kan, in overeenstemming met de Stichting, kredietinstellingen toestaan tijdelijk maximaal 30% van de ingevolge artikel 2 verschuldigde basisbijdragen te voldoen in de vorm van betalingsverplichtingen met toereikend onderpand.

Artikel 4

  1. De Bank doet de Stichting jaarlijks vóór 15 mei schriftelijk mededeling van de hoogte van de door individuele kredietinstellingen voor dat jaar verschuldigde bijdragen aan het depositogarantiefonds.
  2. De Stichting deelt de Bank jaarlijks vóór 1 juli schriftelijk mede welke bijdragen zij in dat jaar van individuele kredietinstellingen heeft ontvangen.

Artikel 5

  1. De vergoedingen uit hoofde van het depositogarantiestelsel die de Bank op grond van deze regeling toekent, worden ten laste van de Stichting uitgekeerd.
  2. De Stichting stelt, met inachtneming van artikel 12, eerste lid, de toegekende vergoedingen, onverwijld beschikbaar voor het doen van uitkeringen aan de depositohouders.

Artikel 6

De Bank brengt de kosten die door haar worden gemaakt in verband met de uitvoering van het depositogarantiestelsel in rekening bij de Stichting. De Stichting vergoedt deze kosten binnen een maand na facturering door de Bank.

Artikel 7

De Stichting stelt de Bank en de Minister terstond schriftelijk in kennis indien de in het depositogarantiefonds aanwezige middelen niet toereikend zijn om:
a. de op grond van het depositogarantiestelsel aan depositohouders uit te keren bedragen beschikbaar te stellen;
b. de kosten die de Stichting maakt te voldoen;
c. de kosten die door de Bank in verband met het depositogarantiestelsel zijn gemaakt en aan de Stichting in rekening gebracht te vergoeden;
d. een bedrag beschikbaar te stellen ten behoeve van een overdracht als bedoeld in artikel 18, eerste lid; of
e. financiering verkregen van derden terug te betalen.

Artikel 8

  1. Indien de Stichting een kennisgeving als bedoeld in artikel 7 heeft gedaan, kunnen ter verkrijging van de benodigde financiële middelen buitengewone bijdragen worden geheven.
  2. De Bank stelt jaarlijks vóór 1 mei de hoogte van de buitengewone bijdragen vast, die jaarlijks worden geheven zolang de in het depositogarantiefonds aanwezige middelen niet toereikend zijn. Deze buitengewone bijdrage is gebaseerd op de depositobasis en wordt jaarlijks geheven bij alle kredietinstellingen waarop het depositogarantiestelsel van toepassing is.
  3. De vaststelling van de hoogte van de door een kredietinstelling op grond van het tweede lid verschuldigde buitengewone bijdrage geschiedt overeenkomstig onderdeel 3 in de bijlage bij deze regeling.
  4. Het in enig kalenderjaar door een kredietinstelling op grond van het tweede lid te betalen bedrag is niet groter dan 0,5% van de gegarandeerde deposito’s van die kredietinstelling. Indien de solvabiliteits- of liquiditeitspositie van een kredietinstelling daartoe aanleiding geeft, kan de Bank, na overleg met de Stichting, een lager percentage vaststellen. Het verschil tussen de vastgestelde buitengewone bijdragen en het door een kredietinstelling op grond van de eerste volzin in enig kalenderjaar te betalen bedrag, wordt door de Stichting in de daaropvolgende kalenderjaren alsnog in rekening gebracht, mits de solvabiliteits- of liquiditeitspositie van een kredietinstelling dit toelaat.

Artikel 9

Indien van de kredietinstellingen een buitengewone bijdrage wordt geheven, kan de Bank, na overleg met de Stichting, bepalen dat de kredietinstellingen hierop een voorschot voldoen.
Het betaalde voorschot wordt verrekend met de ingevolge artikel 8 verschuldigde buitengewone bijdragen.

Artikel 10

  1. De Stichting kan ter financiering van haar verplichtingen, voor het geval dat de buitengewone bijdragen niet onmiddellijk beschikbaar of toereikend zijn, obligaties uitgeven gedekt door toereikend onderpand of andere overeenkomsten aangaan tot het verkrijgen van financiering van derden. Deze overeenkomsten behoeven de voorafgaande instemming van de Bank.
  2. De Stichting stelt een financieringsplan vast voor het verkrijgen van kortetermijnfinanciering voor het geval dat de buitengewone bijdragen niet onmiddellijk beschikbaar of toereikend zijn.

§ 3. Toepassing van het depositogarantiestelsel

Artikel 11

  1. De Bank besluit tot toepassing van het depositogarantiestelsel ten aanzien van een kredietinstelling indien de kredietinstelling betalingsonmachtig is.
  2. Een kredietinstelling is betalingsonmachtig, indien:
    a. de Bank constateert dat de kredietinstelling om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, niet in staat is deposito’s van depositohouders onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden terug te betalen en zij daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat kan worden geacht; of
    b. een rechterlijke beslissing die rechtstreeks verband houdt met de financiële positie van de betrokken kredietinstelling, tot onmogelijkheid leidt voor depositohouders om hun vorderingen op korte termijn op de kredietinstelling te verhalen.
  3. De beslissing tot toepassing van het depositogarantiestelsel wordt genomen:
    a. zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 14 dagen nadat de Bank voor het eerst heeft geconstateerd dat de kredietinstelling heeft nagelaten een verschuldigd en betaalbaar deposito onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden terug te betalen;
    b. zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 14 dagen nadat een rechter in Curaçao, om redenen die rechtstreeks verband houden met de financiële positie van de betrokken kredietinstelling, een beslissing heeft genomen die leidt tot onmogelijkheid voor depositohouders om hun vorderingen op korte termijn op de kredietinstelling te verhalen.

Artikel 12

  1. Uitkeringen uit hoofde van het depositogarantiestelsel vinden plaats op een door de Bank te bepalen wijze.
  2. Indien de Bank besluit tot toepassing van het depositogarantiestelsel ten aanzien van een kredietinstelling, doet de Bank daarvan onverwijld mededeling in de Landscourant, alsmede in door haar te bepalen nieuwsbladen op Curaçao.
  3. Depositohouders kunnen uiterlijk een jaar na de datum van inwerkingstelling van het depositogarantiestelsel met gebruikmaking van een daartoe door de Bank verkrijgbaar te stellen formulier een aanvraag indienen tot toekenning van een vergoeding van gegarandeerde deposito’s.
  4. Aanvragen, ingediend na het verstrijken van de termijn, genoemd in het derde lid, worden niet in behandeling genomen tenzij de termijnoverschrijding redelijkerwijs niet aan de aanvrager kan worden verweten.
  5. De Bank verzoekt de bestuurders of curatoren van de betalingsonmachtige kredietinstelling om in hun correspondentie met depositohouders te wijzen op de toepassing van het depositogarantiestelsel en op de in het derde lid bedoelde termijn voor indiening van een aanvraag tot vergoeding.

Artikel 13

  1. Indien de Bank het depositogarantiestelsel ten aanzien van een kredietinstelling toepast, stelt de Bank het bestaan en de waarde van de deposito’s vast waarvoor een aanvraag tot vergoeding overeenkomstig artikel 12 is ingediend en besluit tot toekenning van een vergoeding indien aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan.
  2. Het bestaan en de waarde van de deposito’s worden vastgesteld aan de hand van de op de vorderingen toepasselijke wettelijke bepalingen en contractuele voorwaarden, de boekhouding van de betalingsonmachtige kredietinstelling en eventuele andere relevante documenten.
  3. Indien de Bank aan de hand van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, niet kan vaststellen of een deposito ingevolge het depositogarantiestelsel is gegarandeerd, komt een deposito slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover de depositohouder het bestaan en de hoogte ervan genoegzaam bewijst.
  4. De Bank baseert zich bij de waardevaststelling van deposito’s die in vreemde valuta luiden op de referentiekoersen van de Bank, zoals deze golden op de dag waarop de Bank besloot tot toepassing van het depositogarantiestelsel.
  5. Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder vreemde valuta verstaan een andere valuta dan de officiële valuta van Curaçao.

Artikel 14

  1. Vergoedingen die overeenkomstig artikel 13 zijn toegekend, worden voldaan in de vorm van terugbetaling tot het maximum genoemd in artikel 3, eerste lid, van het Landsbesluit depositogarantiestelsel voor kredietinstellingen, dan wel het maximum genoemd in artikel 3, vijfde lid, van het Landsbesluit depositogarantiestelsel voor kredietverenigingen.
  2. De vergoeding wordt beschikbaar gesteld in Nederlands Antilliaanse gulden (NAf). Na de invoering van de Caribische gulden (CMg), wordt de vergoeding worden verstrekt in deze nieuwe munteenheid.
  3. De Bank besluit tot het toekennen van vergoedingen zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen 20 werkdagen na het tijdstip waarop de aanvraag tot vergoeding is ingediend.
  4. In afwijking van het derde lid, besluit de Bank tot het toekennen van vergoedingen ter zake van deposito’s als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van het Landsbesluit depositogarantiestelsel zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen 3 maanden na het tijdstip waarop de aanvraag tot vergoeding is ingediend.

Artikel 15

Betaling als bedoeld in artikel 14 vindt slechts plaats, indien:
a. de aanvrager heeft verklaard kennis te hebben genomen van de subrogatie door de Stichting, ingevolge artikel 150, onderdeel d, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek;
b. de Stichting onvoorwaardelijk en onherroepelijk tot de hoogte van het uitbetaalde bedrag de rechten van de aanvrager jegens de betrokken betalingsonmachtige kredietinstelling krijgt overgedragen;
c. de aanvrager tevens, tot de hoogte van het uitbetaalde bedrag, eventuele rechten tot terugbetaling jegens derden aan de Stichting overdraagt; en
d. de aanvrager heeft verklaard geen gebruik te hebben gemaakt en te zullen afzien van het gebruik van zijn bevoegdheid om zijn vorderingen, voor zover deze voor vergoeding uit hoofde van het depositogarantiestelsel in aanmerking komen, te verrekenen.

Artikel 16

  1. De Bank kan het besluit tot het toekennen van vergoedingen als bedoeld in artikel 14, derde en vierde lid, opschorten indien en zolang:
    a. een depositohouder, of een persoon die gerechtigd is tot of belang heeft bij een deposito, strafrechtelijk wordt vervolgd ter zake van een misdrijf dat voortvloeit uit of verband houdt met het witwassen van geld of het financieren van terrorisme;
    b. het onzeker is of een persoon gerechtigd is een terugbetaling te ontvangen, of het deposito onderwerp is van een rechtsgeschil;
    c. het deposito of de depositohouder onderwerp is van beperkende maatregelen die zijn opgelegd door de nationale regering of internationale organen.
  2. De opschorting eindigt:
    a. voor wat betreft het eerste lid, onderdeel a, zodra de vervolging is beëindigd of de veroordeling door de strafrechter onherroepelijk is geworden;
    b. voor wat betreft het eerste lid, onderdeel b, zodra de onzekerheid is opgeheven, dan wel het rechtsgeschil aanhangig is;
    c. voor wat betreft het eerste lid, onderdeel c, zodra de beperkende maatregelen zijn opgeheven.

Artikel 17

  1. Een kredietinstelling waarop het depositogarantiestelsel van toepassing is, draagt er zorg voor dat de gegevens van de depositohouders die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het depositogarantiestelsel voortdurend actueel en adequaat worden bijgehouden en vastgelegd. Deze gegevens omvatten:
    a. voor uiteindelijk gerechtigden zijnde natuurlijke personen:
    i. de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, het geboorteland, type identificatiebewijs, land van uitgifte identificatiebewijs, identiteitsnummer zoals geregistreerd in het identiteitsbewijs en vervaldatum identiteitsbewijs;
    ii. het woonadres, inclusief het land;
    iii. voor ingezetenen van Curaçao: het Crib-nummer en Sedula-nummer;
    iv. voor niet-ingezetenen van Curaçao: het fiscale identificatienummer van het land van inwonerschap, indien van toepassing, of het nummer van een geldig wettelijk identiteitsbewijs;
    v. overige contactgegevens; en
    vi. het depositobedrag inclusief geaccumuleerde rente.
    b. voor niet-natuurlijke personen:
    i. de geregistreerde handelsnaam;
    ii. de geregistreerde plaats, inclusief het land;
    iii. de adresgegevens, inclusief het land;
    iv. overige contactgegevens;
    c. voor niet-natuurlijke personen gevestigd te Curaçao: het Crib-nummer en het dossiernummer bij de Kamer van Koophandel en Nijverheid;
    d. voor niet-natuurlijke personen gevestigd buiten Curaçao:
    i. het fiscale identificatienummer van het land van vestiging; en
    ii. het depositobedrag inclusief geaccumuleerde rente.
  2. De kredietinstelling verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de Bank binnen een door de Bank te bepalen termijn en op een bij regeling van de Bank te bepalen wijze.

§ 4. Toepassing van het depositogarantiestelsel bij een overdracht

Artikel 18

  1. Indien de Bank door het Gerecht in eerste aanleg gemachtigd wordt tot een overdracht als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen, en depositohouders als gevolg van die overdracht toegang houden tot hun deposito’s, kan ten laste van de Stichting een bedrag beschikbaar worden gesteld ten behoeve van die overdracht.
  2. Het beschikbaar te stellen bedrag bedraagt ten hoogste het bedrag van de ingevolge het depositogarantiestelsel gegarandeerde deposito’s die worden aangehouden bij de kredietinstelling.
  3. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, verkrijgt de Stichting een vordering op de kredietinstelling in kwestie ter grootte van het beschikbaar gestelde bedrag.
  4. Ingeval deposito’s met toepassing van een machtiging als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen worden overgedragen, hebben de depositohouders geen aanspraak op vergoeding onder het depositogarantiestelsel met betrekking tot enigerlei deel van hun deposito’s bij de kredietinstelling in kwestie die niet zijn overgedragen, mits het bedrag van de overgedragen middelen gelijk is aan of groter is dan het totale dekkingsniveau waarin is voorzien in artikel 3 van het Landsbesluit depositogarantiestelsel.

§ 5. De Stichting Depositogarantiefonds

Artikel 19

  1. De Bank richt een stichting op naar Curaçaos recht, onder de naam Stichting Depositogarantiefonds.
  2. De statuten van de Stichting, bedoeld in het eerste lid, behoeven de goedkeuring van de Bank.
  3. Het bestuur van de Stichting is bevoegd de statuten te wijzigen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20

  1. De Stichting heeft tot taak het beheer van de financiële middelen ten behoeve van de uitvoering van het depositogarantiestelsel, alsmede:
    a. het beheer en de instandhouding van een depositogarantiefonds;
    b. het beschikbaar stellen van de toegekende vergoedingen voor het doen van uitkeringen aan de depositohouders;
    c. de vaststelling en uitvoering van het beleggingsbeleid;
    d. al datgene wat ingevolge deze regeling aan de Stichting is opgedragen.
  2. De Bank ondersteunt de Stichting bij de uitoefening van haar taken.

Artikel 21

  1. Het bestuur van de Stichting bestaat uit drie leden en is als volgt samengesteld:
    a. twee leden, benoemd door de Bank; en
    b. één lid, benoemd door de overige bestuursleden op bindende voordracht van de representatieve organisaties.
  2. De leden van het bestuur wijzen uit hun midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aan.
  3. De leden van het bestuur zijn deskundig in verband met de uitoefening van hun taken als bestuurslid van de Stichting. De benoeming van de leden van het bestuur geschiedt aan de hand van door de Bank opgestelde profielen waarbij specifieke kennis, expertise en relevante werkervaring op onder meer het gebied van bankwezen en beleggingen als competenties worden gesteld. De betrouwbaarheid van de leden staat buiten twijfel.
  4. De leden van het bestuur worden benoemd voor een zittingsperiode van vijf jaar. Een lid kan eenmaal herbenoemd worden voor een periode van vijf jaar.
  5. De leden van het bestuur worden om de vijf jaar geëvalueerd omtrent hun functioneren. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan en wijze waarop de evaluatie moet plaatsvinden worden in het bestuursreglement geregeld.
  6. De leden hebben zitting in het bestuur op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.

Artikel 22

  1. Om als lid van het bestuur te worden benoemd moet men de Nederlandse nationaliteit bezitten en ingezetene zijn van Curaçao.
  2. De leden van het bestuur kunnen niet tegelijk zijn:
    a. Gouverneur of waarnemend Gouverneur;
    b. lid van of werkzaam bij de Raad van Advies;
    c. lid van of werkzaam bij de Algemene Rekenkamer;
    d. Ombudsman of werkzaam bij het kantoor van de Ombudsman;
    e. minister;
    f. gevolmachtigde minister;
    g. persoon die thans of in de laatste acht jaren op een kandidatenlijst van een politieke groepering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Landsverordening financiën politieke groeperingen staat of heeft gestaan;
    h. persoon die thans of in de laatste acht jaren bestuurslid is of is geweest van een politieke groepering als bedoeld in onderdeel g;
    i. actief dienend ambtenaar, waaronder tevens begrepen zij die in dienst van het land op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn;
    j. lid van de rechterlijke macht;
    k. lid van de Staten;
  3. Tussen de leden van het bestuur mag niet bestaan de verhouding van echtgenoot, partner of bloed- of aanverwantschap tot en met de tweede graad.
  4. Een lid van het bestuur vervult ook overigens geen andere betrekking of nevenfunctie die ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn functie of de handhaving van zijn onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin, met dien verstande dat ook de mogelijke schijn van enige vorm van belangenverstrengeling dient te worden vermeden.

Artikel 23

  1. De leden van het bestuur worden door de Bank geschorst of ontslagen, onverminderd het bepaalde in artikel 29, eerste lid.
  2. De leden van het bestuur worden bij een met redenen omkleed besluit geschorst indien:
    a. zij zich in voorlopige hechtenis bevinden;
    b. er een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf tegen hen is ingesteld;
    c. zij, bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak, wegens een misdrijf zijn veroordeeld dan wel bij een dergelijk uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
    d. zij, bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak, onder curatele zijn gesteld, in staat van faillissement zijn verklaard, surseance van betaling hebben verkregen, dan wel wegens schulden zijn gegijzeld.
    e. zij, wegens aanhoudende ziekte of gebreken, hun functie niet behoorlijk kunnen vervullen.
  3. Indien een lid van het bestuur wordt geschorst, dient binnen twee maanden een besluit genomen te worden, hetzij tot ontslag, hetzij tot opheffing van de schorsing; bij gebreke daarvan vervalt de schorsing.
  4. De leden van het bestuur worden bij een met redenen omkleed besluit ontslagen:
    a. op eigen verzoek;
    b. uiterlijk met ingang van de eerste dag van de maand die direct volgt op de maand waarin de leeftijd van zeventig jaar wordt bereikt;
    c. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld, dan wel hun bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
    d. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele zijn gesteld, in staat van faillissement zijn verklaard, surseance van betaling hebben verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld;
    e. indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken op grond van een medische verklaring blijvend ongeschikt zijn verklaard om hun functie te vervullen;
    f. bij de aanvaarding van een ambt of betrekking, dat of die op grond van artikel 22 onverenigbaar is met het lidmaatschap van het bestuur;
    g. indien zij het ingezetenschap of het Nederlanderschap hebben verloren;
    h. zij, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken, ongeschikt dan wel onbekwaam zijn geworden om de functie te vervullen.
  5. Aan de leden van het bestuur kan bij een met redenen omkleed besluit ontslag worden verleend wanneer zij wegens aanhoudende ziekte of gebreken hun functie niet behoorlijk kunnen vervullen.
  6. Indien het voornemen bestaat één van de leden van het bestuur te schorsen of te ontslaan, anders dan in die gevallen als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld hierover zijn mening kenbaar te maken.
  7. Voor het lid dat geschorst of ontslagen is staat beroep open bij de rechter in eerste aanleg ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak.

Artikel 24

  1. De leden van het bestuur, met uitzondering van de bestuurders die tevens medewerkers zijn van de Bank, ontvangen een bezoldiging voor de uitoefening van hun functie.
  2. Het beleid met betrekking tot de bezoldiging en de overige contractvoorwaarden van de bestuurders wordt door de Bank vastgesteld, na goedkeuring van de Minister.
  3. De Bank stelt de bezoldiging en de overige contractvoorwaarden voor elk lid van het bestuur vast, met inachtneming van het beleid, bedoeld in het eerste lid.
  4. Behalve de bezoldiging en vergoedingen van bijzondere kosten gerelateerd aan hun functie, ontvangen de leden van het bestuur, geen andere inkomsten ten laste van de Stichting.
  5. De jaarrekening, bedoeld in artikel 25, tiende lid, bevat een verslag over de bezoldigingen, inclusief de pensioenlasten en andere uitkeringen aan alle huidige en voormalige bestuurders. Dit verslag bevat de bedragen die gedurende het boekjaar ten laste van de Stichting zijn gekomen. Specifieke bedragen die herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen worden niet vermeld.

Artikel 25

  1. Het boekjaar van de Stichting loopt gelijk met het kalenderjaar.
  2. Het bestuur van de Stichting stelt jaarlijks vóór 1 juli een begroting op. De begroting behelst een raming van de baten en lasten, een raming van de voorgenomen investeringsuitgaven en een raming van de inkomsten en uitgaven. De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting voorzien.
  3. Het besluit tot vaststelling van de begroting behoeft de goedkeuring van de Bank vóór 1 januari van het jaar waarop de begroting van toepassing is. De Bank toetst of de begroting aan de volgende vereisten voldoet:
    a. in de begroting zijn alle verwachte uitgaven en verwachte ontvangsten opgenomen;
    b. de in de begroting opgenomen ontvangsten en uitgaven worden toereikend toegelicht; en
    c. de begroting is zodanig ingericht dat zij voldoet aan de criteria van ordelijkheid en controleerbaarheid.
  4. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht, het algemeen belang of andere zwaarwegende redenen.
  5. Indien de Bank zijn goedkeuring aan de ontwerpbegroting onthoudt, bericht hij de Stichting hierover met redenen omkleed binnen twee maanden na ontvangst van de begroting.
  6. Indien het bepaalde in het vijfde lid toepassing vindt, past de Stichting, na overleg met de Bank, de begroting aan en legt de aangepaste begroting vóór 1 november van dat jaar opnieuw ter goedkeuring voor aan de Bank. Indien de Bank zijn goedkeuring aan de aangepaste begroting onthoudt, bericht hij het bestuur van de Stichting hierover met redenen omkleed binnen twee maanden na ontvangst van de aangepaste begroting.
  7. Indien de Bank niet binnen twee maanden nadat de begroting ter goedkeuring is voorgelegd beslist, wordt de begroting geacht te zijn goedgekeurd.
  8. Indien de Bank zijn goedkeuring onthoudt in overeenstemming met het vijfde lid en de begroting niet vóór 1 januari is goedgekeurd, kan de Stichting uitgaven doen conform de laatst vastgestelde begroting tot een maximum van 90% van de daarin geraamde uitgaven.
  9. Indien gedurende het boekjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven, doet het bestuur van de Stichting daarvan onverwijld mededeling aan de Bank en de Minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.
  10. Binnen acht maanden na afloop van het boekjaar wordt door het bestuur van de Stichting een jaarrekening over het afgelopen boekjaar opgemaakt en vastgesteld. De jaarrekening wordt gecontroleerd door een externe deskundige, als bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
  11. De jaarrekening gaat vergezeld van een getrouwheidsverklaring, afgegeven door de deskundige, zoals bedoeld in het tiende lid. De deskundige voegt bij de verklaring:
    a. een verslag van de bevindingen omtrent de rechtmatige inning en besteding van de aan de Stichting gegeven gelden; en
    b. een verslag van de bevindingen over de doelmatigheid van het beheer en de organisatie van de Stichting.
  12. De documenten, genoemd in het elfde lid, zijn niet openbaar.

Artikel 26

  1. Het bestuur van de Stichting zendt zo spoedig mogelijk na vaststelling van de jaarrekening doch uiterlijk vóór 1 september van het jaar volgend op het boekjaar waarop het betrekking heeft, aan de Bank en de Minister:
    a. een afschrift van de jaarrekening met de bijbehorende documenten;
    b. een financieel verslag over het afgelopen boekjaar.
  2. Het financieel verslag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bevat de volgende gegevens:
    a. het saldo van het depositogarantiefonds aan het einde van het boekjaar;
    b. het totaal van de bijdragen ontvangen van alle kredietinstellingen gedurende het boekjaar;
    c. het rendement behaald op de middelen in het depositogarantiefonds gedurende het boekjaar;
    d. de eventuele bedragen, bedoeld in artikel 6, die gedurende het boekjaar aan de Bank zijn vergoed;
    e. de kosten gemaakt door de Stichting in verband met de uitvoering van haar taken, zoals opgenomen in de jaarrekening;
    f. de bevindingen van de deskundige, bedoeld in artikel 25, elfde lid, onderdeel a, omtrent de in onderdelen d en e bedoelde kosten; en
    g. de bevindingen van de deskundige, bedoeld in artikel 25, elfde lid, onderdeel b.
  3. De jaarrekening en het financieel verslag, bedoeld in het eerste lid, zijn openbaar.

Artikel 27

  1. De financiële middelen van de Stichting worden aangehouden in contant geld, deposito’s of betalingsverplichtingen als bedoeld in artikel 3, vierde lid, en andere activa met een laag risico.
  2. De financiële middelen van de Stichting worden op voldoende gediversifieerde wijze belegd.

Artikel 28

  1. De Minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en documenten van de Stichting, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
  2. Het bestuur van de Stichting verstrekt desgevraagd aan de Minister alle voor de uitoefening van diens taak benodigde gegevens of inlichtingen, behoudens de gegevens of inlichtingen die vertrouwelijke informatie, waaronder toezichtvertrouwelijke informatie, betreffen.
  3. Bij het verstrekken van de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, kan het bestuur van de Stichting, waar nodig, aangeven welke gegevens niet openbaar gemaakt mogen worden en dus geheime gegevens of inlichtingen betreffen. Dat de gegevens of inlichtingen niet openbaar worden gemaakt, wordt bepaald aan de hand van de aard van de gegevens of inlichtingen dan wel het feit dat natuurlijke of rechtspersonen deze aan de Bank of de Stichting hebben verstrekt onder het beding dat zij vertrouwelijk behandeld worden.

Artikel 29

  1. Indien naar het oordeel van de Minister de Stichting haar taken ernstig verwaarloost, kan de Minister na het inwinnen van advies van de Adviseur en de Bank, de noodzakelijke maatregelen nemen. Deze maatregelen zijn beperkt tot schorsing of ontslag van één of meer bestuursleden van de Stichting.
  2. Indien wordt afgeweken van het advies van de Adviseur en de Bank, meldt de Minister dit terstond schriftelijk en gemotiveerd aan de Adviseur en de Bank.
  3. Behoudens spoedeisende gevallen, worden de maatregelen niet eerder getroffen dan nadat het bestuur van de Stichting in de gelegenheid is gesteld om binnen een door de Minister te stellen termijn alsnog haar taak naar behoren uit te voeren.
  4. De Minister stelt de Staten onverwijld in kennis van de door hem getroffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 30

  1. De Stichting, diens bestuursleden en personeel zijn niet aansprakelijk voor schade teweeggebracht in de normale uitoefening van hun taken en bevoegdheden, zoals toegekend onder deze regeling, tenzij de schade te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid.
  2. De beperking van de aansprakelijkheid, bedoeld in het eerste lid, is ook van toepassing op derden die namens of in opdracht van de Stichting, of van de bestuurders en het personeel, taken en bevoegdheden uitoefenen.

§ 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 31

De Bank zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze regeling een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling en het depositogarantiestelsel in de praktijk aan de Minister en de betrokken representatieve organisaties.

Artikel 32

  1. In afwijking van artikel 2 zijn de kredietinstellingen waarop het depositogarantiestelsel van toepassing is, in het eerste jaar na inwerkingtreding van deze regeling een startbijdrage verschuldigd aan het depositogarantiefonds. Deze startbijdrage is gelijk aan 0,3% van de gegarandeerde deposito’s zoals vastgesteld per het einde van het eerste kwartaal na inwerkingtreding van deze regeling.
  2. De Bank stelt de hoogte van de startbijdrage vast die door elke kredietinstelling aan het depositogarantiefonds verschuldigd is.

Artikel 33

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Landsbesluit depositogarantiestelsel inwerking treedt.

Artikel 34

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling depositogarantiestelsel.

Bijlage

behorende bij de artikelen 2, vierde en vijfde lid, 8, derde lid, van de Regeling depositogarantiestelsel

< KLIK HIER >

Naar boven