| Publicatienummer: | P.B. 2026, no. 85 (Geconsolideerde Tekst) |
| Categorie: | Geconsolideerde Tekst Landsverordening |
| Ministerie: | Financiën |
| Datum ondertekening: | 01-04-2026 |
| Datum inwerktreding: | 01-01-1909 |
| Geregistreerd in: |
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK IV Belastingen )
|
LANDSBESLUIT van de 1ste april 2026, no. 26/914, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Successiebelastingverordening 1908
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht tot en met | Datum ingetrokken | Betreft | Vindplaats | Zittingsjaar |
| 01 januari 1909 | n.v.t. | n.v.t. | Geconsolideerde tekst | P.B. 2026, no. 85 (GT) | n.v.t. |
Hoofdstuk I
Algemene bepalingen
1. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder levenspartner, de meerderjarige persoon die, gedurende een periode, op hetzelfde adres ingeschreven staat in de basisadministratie en samenwoont in een duurzame gemeenschappelijke huishouding, samen met de meerderjarige schenker dan wel erflater en die het leven samen delen als ware zij gehuwd. Er is sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding indien levenspartners ten opzichte van elkaar een wederzijdse zorgplicht zijn aangegaan.
2. In afwijking van het eerste lid, is er sprake van levenspartner, indien personen niet langer op hetzelfde adres in de basisadministratie ingeschreven staan, vanwege opname in een verpleeghuis of verzorgingshuis omwille van medische redenen of ouderdom van een van hen, voor zover na het einde van de inschrijving op hetzelfde woonadres ten aanzien van geen van beiden een derde persoon als levenspartner wordt aangemerkt.
3. Een persoon kan op enig moment slechts één levenspartner of echtgenoot hebben.
4. Levenspartners kunnen geen bloed- of aanverwanten van elkaar zijn, tenzij zij met elkaar een huwelijk in de zin van het Burgerlijke Wetboek zijn aangegaan.
5. Met een periode als bedoeld in het eerste lid wordt:
a. bij een verkrijging krachtens erfrecht, bedoeld zes maanden voorafgaand aan het overlijden dat aanleiding is tot heffing van successiebelasting, waarbij de maand van het overlijden niet wordt meegerekend;
b. bij een verkrijging bij wijze van schenking, bedoeld 24 maanden voorafgaand aan de schenking, waarbij de maand van de schenking niet wordt meegerekend.
6. Er dient tussen de samenwonende levenspartners sprake te zijn van een duurzame lotsverbondenheid.
7. Er is sprake van een levenspartner als bedoeld in het eerste en tweede lid indien er:
a. een schriftelijke verklaring van samenwonen tussen de personen is; of
b. een door een notaris opgestelde overeenkomst van samenwonen is; of
c. een in een notariële akte of uiterste wilsbeschikking opgenomen verklaring van het duurzaam samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, als ware zij gehuwd is.
8. Middels een schriftelijke verklaring van een levenspartner, onderbouwd met schriftelijke verklaringen van derden, kunnen personen die in een duurzame gemeenschappelijke huishouding samenwonen, maar waarbij de documenten, bedoeld in het zevende lid, niet zijn opgesteld, doch waarbij die personen voor langer dan 24 maanden op een en hetzelfde adres in de basisadministratie staan ingeschreven, worden aangemerkt als levenspartners.
9. De documenten, bedoeld in het zevende lid, alsmede de schriftelijke verklaring, bedoeld in het achtste lid, worden bij indiening van het aangiftebiljet aan de Inspecteur verstrekt.
10. De Inspecteur beslist bij beschikking of de levenspartner, bedoeld in het tweede en achtste lid, wordt aangemerkt als levenspartner in de zin van deze landsverordening.
11. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen ter uitvoering van het tweede, zevende en achtste lid nadere regels worden vastgesteld.
Aan de successiebelasting zijn mede onderworpen de vermogensvermeerderingen:
1°. door een echtgenoot bij het overlijden van de andere echtgenoot, die tijdens het overlijden ingezetene van Curaçao was, verkregen ten gevolge van een beding bij huwelijksvoorwaarden, krachtens hetwelk aan de langstlevende echtgenoot meer toekomt dan de helft van de gemeenschap;
2°. door de echtgenoot verkregen ten gevolge van de afstand van de gemeenschap door de erfgenamen van de andere echtgenoot die tijdens het overlijden ingezetene van Curaçao was;
3°. bij of na het overlijden van een ingezetene van Curaçao door diens vrijgevigheid, van een ander verkregen, krachtens een beding ten behoeve van derden, gemaakt bij een overeenkomst, door de overledene gesloten, of uit een door deze gesloten levensverzekering;
4°. bij wijze van schenking van een ingezetene van Curaçao verkregen.
Onder de naam van overgangsbelasting wordt een belasting geheven van de waarde van de onroerende zaken, in Curaçao gelegen en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, verkregen van een niet-ingezetene van Curaçao als diens erfgenaam of legataris of bij wijze van schenking.
1. Onder schenking wordt voor de toepassing van deze landsverordening verstaan de gift, bedoeld in artikel 186, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover artikel 2, onderdeel 3, niet van toepassing is, en voorts de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Onder schenking wordt niet begrepen de bevoordeling als gevolg van verwerping door een erfgenaam of legataris, noch de bevoordeling als gevolg van het afzien door de echtgenoot van een wettelijke verdeling van de nalatenschap op de voet van artikel 18 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Onder schenking wordt niet begrepen:
a. bevoordeling door gebruik van goederen en kost en inwoning bij de schenker;
b. bevoordeling van een echtgenoot ,die het gevolg is van een gemeenschap van goederen, waarin elk van de echtgenoten voor de helft gerechtigd is.
3. Degene die een vermogensvermeerdering als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3, geniet, wordt aangemerkt als verkrijger.
(vervallen)
De verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat en de verklaring van overlijden wordt voor de toepassing van deze landsverordening met werkelijk overlijden gelijkgesteld; de dag volgens de artikelen 414 en 427 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in de beschikking uitgedrukt, geldt als dag van overlijden, behoudens teruggave van de betaalde belasting en verhogingen in de gevallen bij de artikelen 422 en 423 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek voorzien.
In dit geval beginnen ten opzichte van alle verkrijgingen ten gevolge van de beschikking de termijnen, die volgens deze landsverordening bij het overlijden ingaan, te lopen met de dag van de beschikking.
1. De goederen, niet zijnde registergoederen, bij het overlijden van een ingezetene van Curaçao onder hem berustende of voor hem door anderen bewaard of bezeten, daaronder gerekend schuldvorderingen, aandelen en effecten, waarvan de aan toonder of houder of op naam van de overledene luidende bewijzen bij zijn overlijden onder hem berusten of voor hem door anderen werden bezeten, worden voor de toepassing van deze landsverordening geacht tot zijn nalatenschap, of zo hij in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd, tot de gemeenschap te behoren en mitsdien voor het geheel of voor het aandeel krachtens gemeenschap door zijn erfgenamen te worden verkregen.
2. De verplichting tot afgifte kan worden opgenomen onder de schulden, bedoeld in artikel 26, letter e. Het bepaalde bij letter e is ten deze toepasselijk met dien verstande, dat overtuigend moet worden aangetoond, dat de goederen reeds vóór het overlijden aan anderen toebehoorden.
3. De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet toepasselijk:
1°. ingeval de overledene, ten gevolge van de uitoefening van een beroep of bedrijf, de goederen of bewijzen onder zich had voor iemand, niet behorende tot zijn bloed- of aanverwanten tot de vierde graad ingesloten of hun echtgenoten;
2°. ingeval de goederen of bewijzen onder de overledene berustten als openbaar ambtenaar, als ouder van minderjarigen, als voogd, als curator, als executeur of door de rechter benoemde vereffenaar van een nalatenschap of als bewindvoerder in de gevallen, waarin deze volgens een uitdrukkelijke wetsbepaling is aangesteld of bij verdeling van een gemeenschap als zodanig is benoemd;
3°. ingeval de goederen of bewijzen bij het overlijden verblijven aan deelgenoten, ingevolge een overeenkomst tussen de overledene en die deelgenoten gesloten;
4°. ingeval en voor zover de goederen of bewijzen toebehoren aan de vrouw van de overledene.
4. Dit artikel is mede toepasselijk op de daarin bedoelde goederen of bewijzen, berustende onder of bewaard voor de in algehele gemeenschap gehuwde echtgenoot van de overledene.
Indien in de gevallen, bij de artikelen 10 en 11 voorzien, na de daarbij bedoelde rechtshandelingen en vóór het overlijden van de daarin bedoelde overledene, de verkrijger of, zo hij in gemeenschap van goederen was gehuwd, diens echtgenoot overleden is, blijven die artikelen buiten toepassing voor hetgeen door de verkrijger werd verkregen of voor het aandeel, dat de verkrijger of diens echtgenoot krachtens huwelijksgemeenschap daarin toekwam.
Wanneer gedurende het leven van een bezwaarde erfgenaam of legataris het bezwaarde goed op de verwachter overgaat, worden de dag, waarop de rechtshandeling heeft plaatsgehad en de plaats waar die is geschied, voor de toepassing van deze landsverordening als de dag en de plaats van het overlijden van de bezwaarde beschouwd.
Tot mededeling aan de Inspecteur, volgens bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te stellen regels, zijn verplicht:
de ambtenaren van de burgerlijke stand, van alle voorgekomen sterfgevallen;
de griffier van het Hof van Justitie, van alle beschikkingen, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat en beschikkingen houdende verklaring van overlijden;
alle ambtenaren, terstond van alle ter hunner kennis gekomen handelingen in strijd met deze landsverordening of nalatigheden in de nakoming daarvan.
Hoofdstuk II
Grondslagen
Eerste Afdeling
Algemene Bepalingen
De successiebelasting wordt geheven over de waarde, die door ieder wordt verkregen, na aftrek van zijn aandeel in de schulden en lasten volgens de derde afdeling van dit hoofdstuk en hetgeen verder volgens de bepalingen van deze landsverordening mag worden afgetrokken.
De overgangsbelasting wordt geheven over de waarde van de onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, die overgaan.
Tweede Afdeling
Baten
Voor de berekening van de successiebelasting wordt de waarde bepaald:
1°. voor de goederen, onbezwaard verkregen of verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarbij zich een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit, als volgt:
a. van onroerende zaken, in Curaçao gelegen en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, met uitzondering van die sub b genoemd, op de algemene verkoopwaarde;
b. van grondrenten, op de afkoopprijs bij de vestiging bepaald en indien die niet bepaald is, op de waarde naar de maatstaf bij artikel 780 van het oude Burgerlijk Wetboek vastgesteld; bij gebreke van de daar bedoelde marktprijzen of jaarlijkse opbrengst, op de algemene verkoopwaarde;
c. van schuldvorderingen op naam, op het bedrag van het kapitaal of op de waarde in verband met de verleende waarborgen, de gegoedheid van de schuldenaars en de gemaakte bedingen;
d. van lijfrenten of andere periodieke, van het leven afhankelijke, uitkeringen, op de kapitaalswaarde, verkregen door het jaarlijks bedrag te vermenigvuldigen met de getallen naar de volgende tabel:
Wanneer de persoon, gedurende wiens leven de uitkering moet plaatshebben:
15 jaar of minder oud is, met 18;
boven de 15 tot 25 jaren oud is, met 17;
boven de 25 tot 35 jaren oud is, met 16;
boven de 35 tot 45 jaren oud is, met 14;
boven de 45 tot 55 jaren oud is, met 12;
boven de 55 tot 65 jaren oud is, met 8,5;
boven de 65 tot 75 jaren oud is, met 5;
boven de 75 tot 80 jaren oud is, met 3;
Boven de 80 jaren oud is, met 2.
Wanneer de lijfrenten of andere periodieke uitkeringen in voorwerpen in natura bestaan, wordt het jaarlijks bedrag gesteld op het twaalfenhalfvoud van de jaarlijkse opbrengst, en wordt de waarde daarvan geregeld volgens de landelijke marktprijzen van de laatst verlopen tien jaren, door elkander gerekend. Bij gebreke van bekendheid van de daar bedoelde marktprijzen of jaarlijkse opbrengst, wordt het jaarlijks bedrag door de aangever begroot.
Ten aanzien van tontines, contracten van overleving en dergelijke, wordt het jaarlijks bedrag gehouden dat te zijn van het laatst verlopen boekjaar. De waarde wordt berekend als die van de lijfrenten.
Indien een uitkering voor een bepaalde tijd is ingesteld, wordt de kapitaalswaarde bepaald door het jaarlijks bedrag te vermenigvuldigen met het getal, aangewezen in een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, naar rentevoet van 4%, vast te stellen tabel.
Het belastbaar kapitaal naar deze berekening verkregen, kan, indien de uitkering tevens van het leven afhankelijk is, niet hoger zijn dan dat, hetwelk verkregen zou zijn, wanneer de uitkering van het leven afhankelijk ware gesteld.
Bij uitkeringen, welke door meer dan één natuurlijk persoon gezamenlijk worden verkregen, wordt het bedrag van ieders aandeel tot kapitaal gebracht volgens bovenstaande tabel.
Voor uitkeringen, aan rechtspersonen voor onbepaalde tijd besproken, wordt het vijfentwintigvoud van de jaarlijkse uitkering genomen;
e. van de lopende termijnen van huren en interest op het bedrag tot en met het overlijden verschuldigd of op de waarde ervan in verband met de sub c bedoelde omstandigheden;
f. van alle goederen, hiervóór sub a-e niet genoemd, op de algemene verkoopwaarde.
2°. van de goederen, die in vruchtgebruik worden verkregen, op het overeenkomstig de bepalingen onder 1°, letter d, van dit artikel tot kapitaal gebrachte bedrag van de jaarlijkse inkomsten, naar de maatstaf van vier ten honderd van de overeenkomstig onder te bepalen kapitaalswaarde op het tijdstip, waarop het genot aanvangt.
Vruchtgebruik aan rechtspersonen voor onbepaalde tijd besproken wordt geacht voor dertig jaren gemaakt te zijn.
Onder vruchtgebruik worden, voor de toepassing van deze landsverordening, mede verstaan vruchtgenot, recht van gebruik en van bewoning, vruchten en inkomsten, jaarlijkse opbrengst en soortgelijke uitkeringen uit daartoe aangewezen goederen, daaronder begrepen het bij anderen dan de legatarissen verbleven genot van legaten welke, ten gevolge van een toegevoegde tijdsbepaling, niet binnen twee jaren na het overlijden of eerst op een onzeker tijdstip vorderbaar zijn.
3°. van hetgeen onder de last van vruchtgebruik of van periodieke uitkering geërfd of verkregen wordt, op de overeenkomstig onder 1° te bepalen waarde van het onbezwaarde goed, na aftrek van de waarde, welke op het tijdstip van de verkrijging aan de uitkering of het vruchtgebruik, volgens de bepalingen onder 1°, letter e, of onder 2°, moet worden toegekend.
De aftrek wordt, indien het vruchtgebruik of de uitkering aan of ten behoeve van verschillende personen, van onderscheiden leeftijd, levenslang bij opvolging besproken of bedongen is, bepaald in verhouding tot de leeftijd van de jongste.
Een geldvordering als bedoeld in artikel 13, derde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek wordt in aanmerking genomen als een renteloze vordering, indien daarop het rentepercentage, berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de schulden die corresponderen met de aldaar bedoelde geldvorderingen.
1. Voor de berekening van de overgangsbelasting wordt de waarde van de verkregen onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen bepaald als volgt:
1°. van het onbezwaarde goed, van het goed verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarbij zich een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit en van het met een vruchtgebruik bezwaard goed, op de waarde van het onbezwaarde goed ten dage van de overgang, op de bij artikel 23, onder 1°, letters a en b, voorgeschreven wijze te begroten of te regelen;
2°. van het vruchtgebruik:
a. indien het door natuurlijke personen zonder bepaling van tijd wordt verkregen, op de helft van de bij onder 1° bedoelde waarde, en indien het door rechtspersonen zonder bepaling van tijd of voor bepaalde tijd van niet minder dan vijfentwintig jaren verkregen wordt, op het geheel van die waarde;
b. indien het door natuurlijke personen voor bepaalde tijd, of door rechtspersonen voor bepaalde tijd van minder dan vijfentwintig jaren wordt verkregen, op de wijze bij artikel 23, onder 2°, eerste lid, aangeduid; voor natuurlijke personen in verband met onder 2°, letter a.
2. Indien in de onder 1° en 2° bedoelde gevallen het met een vruchtgebruik bezwaard goed en het vruchtgebruik bij dezelfde overgang aan verschillende verkrijgers overgaan, wordt de waarde van het met een vruchtgebruik bezwaard goed berekend op de bovenbedoelde waarde van het onbezwaard goed, na aftrek van de overeenkomstig dit artikel bepaalde waarde van het vruchtgebruik.
Derde Afdeling
Schulden en Lasten
1. Voor de berekening van de successiebelasting kunnen geen andere lasten en schulden worden afgetrokken dan de navolgende en mits aan de hierna gestelde vereisten zij voldaan en wat de schulden betreft, voor zover zij niet door een beroep op de verjaring zijn getroffen:
I. Lasten
a. de kosten van lijkbezorging, met uitzondering van de kosten van lijkbezorging van een kind welks vermogen de erfgenaam het vruchtgenot had;
De rechter heeft de bevoegdheid om deze te verminderen, indien zij bovenmatig zijn.
Voorts de sommen besproken of uitgekeerd voor de uitvaart van de erflater en de te zijn behoeve te doen kerkelijke diensten of te vieren godsdienstige plechtigheden, sedert de dag van zijn afsterven tot en met het eerste jaargetijde na zijn overlijden, en zulks geëvenredigd aan de stand en het vermogen van de overledene, met inachtneming van het plaatselijk gebruik en de bijzondere omstandigheden.
Hetgeen te dier zake meer is besproken wordt beschouwd als legaat aan niet verwante personen;
b. de lasten, bij schenking aan de bevoordeelde opgelegd.
II. Schulden
a. interesten, renten en huren tot en met de dag van overlijden;
b. de schulden, ten tijde van de verkrijging bestaande, die voortspruiten uit het beroep van de overledene;
c. huisschulden tot en met de dag van de verkrijging; dienstbodenloon voor de op die dag lopende gehele termijn.
De schulden, onder letters a-c genoemd, worden elk afzonderlijk in de aangifte opgegeven met aanwijzing van haar oorsprong, de tijd waarover zij lopen en de naam van de schuldeiser;
d. van de belastingen: de zakelijke tot en met de dag van de verkrijging, de persoonlijke tot en met de laatste dag van het tijdvak, waarover zij lopen, tenzij aanspraak op afschrijving of teruggave bestaat. Indien zij tijdens de aangifte nog niet zijn vastgesteld, wordt als het bedrag daarvan genomen dat, hetwelk voor het voorafgaande belastingjaar was bepaald;
e. alle overige schulden, die op de verkrijging drukken; van elke schuld moet in de aangifte het bedrag, de oorsprong, de tijd van het ontstaan en de naam van de schuldeiser worden vermeld;
in het geval van verkrijging door overlijden moet reeds vóór het overlijden van haar bestaan en oorsprong bewijs door geschriften zijn te leveren geweest; in de aangifte moeten de authentieke of onderhandse geschriften, waarmee dat bewijs zou kunnen zijn geleverd, worden omschreven;
de onderhandse geschriften, die als bewijsmiddel worden vermeld, moeten reeds vóór het overlijden in de macht van de schuldeiser zijn geweest; dat de aangever overtuigd is dat zulks het geval was, moet in de aangifte worden verklaard;
in de aangifte moet worden verklaard, dat de aangever overtuigd is, dat de daarin vermelde bewijzen niet werden opgemaakt of afgegeven om iemand te bevoordelen of om de betaling van successierechten te ontgaan.
2. De schulden, waaromtrent voormelde verklaringen niet naar waarheid kunnen worden afgelegd, worden beschouwd als “niet vóór het overlijden bestaande schulden”.
3. (vervallen)
4. (vervallen)
5. (vervallen)
6. (vervallen)
7. (vervallen)
Hoofdstuk III
Aangifte
(vervallen)
1. Iedere erfgenaam van een ingezetene van Curaçao is verplicht ten kantore van de Inspecteur, een schriftelijke, ondertekende aangifte in te leveren.
2. De aangifte moet inhouden:
1°. de voornamen, de naam, het beroep en de woonplaats van de aangevers;
2°. de voornamen, de naam, de laatste woonplaats en de dagtekening van overlijden van de overledene;
3°. of de verkrijging bij versterf is geschied en anders de aanduiding van de titels, krachtens welke wordt verkregen;
4°. de voornamen, naam, beroep en woonplaats van alle erfgenamen, legatarissen en verdere verkrijgers met hun bloed- of aanverwantschap of betrekking van huwelijk tot de overledene, van wie verkregen wordt of de vermelding dat geen zodanige betrekking bestaat; alsmede de dagtekening van de geboorte van de personen, van wier leven verkregen wordende vruchtgebruiken of periodieke uitkeringen afhankelijk zijn.
Van ontbindende voorwaarden en van verkrijgingen onder opschortende voorwaarde wordt melding gemaakt;
5°. een specifieke en duidelijke omschrijving en de waarde van alle goederen, die tot de nalatenschap behoren; van rechten van een opschortende voorwaarde afhankelijk en van onzekere rechten wordt melding gemaakt, doch behoeft de waarde niet te worden opgegeven, behoudens de verplichting tot nadere aangifte; evenzo wordt melding gemaakt van ontbindende voorwaarden.
Gelijke goederen mogen bijeen en de waarde daarvan kan gezamenlijk worden vermeld, behoudens het bepaalde onder 7°.
Huizen, ongebouwde onroerende zaken welke niet aaneengelegen zijn, beperkte rechten, buiten Curaçao gelegen onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, schuldvorderingen waarvan geen verhandelbare bewijzen bestaan en schepen worden steeds afzonderlijk omschreven en op waarde gesteld.
Bij de omschrijving van de onroerende goederen wordt de ligging opgegeven met aanduiding zo mogelijk van straat en nummer van de huizen en van de ongebouwde eigendommen de oppervlakte en de begrenzing.
Ten aanzien van vruchtgebruiken en periodieke uitkeringen wordt opgegeven de tijd, waarvoor zij zijn ingesteld.
Bij de omschrijving van schuldvorderingen, als hiervoor gemeld, die op een lagere waarde dan het bedrag van het te vermelden kapitaal worden aangegeven, worden de bijzonderheden bij artikel 23, letter c, bedoeld, omschreven;
6°. de lasten en schulden, die volgens de aangever in mindering kunnen worden gebracht, omschreven volgens artikel 26. Ook van schulden van een opschortende voorwaarde afhankelijk wordt melding gemaakt, alsmede van ontbindende voorwaarden;
7°. hetgeen door ieder wordt verkregen en de waarde daarvan, na aftrek van ieders aandeel in de lasten en schulden; van verwerpingen wordt melding gemaakt;
8°. indien door het overlijden goederen worden geërfd of verkregen, welke met vruchtgebruik of periodieke uitkeringen zijn belast, de omschrijving van de met vruchtgebruik belaste goederen, het bedrag van de periodieke uitkeringen, de titel waarbij het vruchtgebruik is ingesteld of de uitkeringen zijn opgelegd, de naam en de woonplaats van de vruchtgebruikers of genieters en van degenen van wier leven het vruchtgebruik of de uitkering afhangt, de ouderdom van die personen en het tijdvak, waarvoor het vruchtgebruik of de uitkering is ingesteld.
3. Indien de aangever niet of niet volledig in staat is om aangifte van de met vruchtgebruik belaste goederen te doen, vermeldt hij zulks in de aangifte. In dat geval is de vruchtgebruiker tot die aangifte verplicht binnen een maand na vordering daartoe door de Inspecteur. Bij gebreke van daaraan te voldoen is artikel 42 toepasselijk en de vruchtgebruiker voor de verschuldigde successiebelasting en verhogingen aansprakelijk.
1. Op dezelfde wijze als bij de artikelen 27, 29 en 30 bepaald, zijn tot aangifte van hun verkrijgingen gehouden:
1°. zij, die als legataris of bevoordeelde onder de levenden een vruchtgebruik of periodieke uitkering bij opvolging verkrijgen;
2°. de verwachters bij een erfstelling of legaat over de hand, die verkrijgen door de vervulling van een opschortende voorwaarde welke zich aansluit bij de ontbindende voorwaarde van het overlijden van een eerdere verkrijging.
2. De aangifte geschiedt ten kantore van de Inspecteur.
In het geval, bedoeld bij artikel 14, tweede lid, is hij, die de stichting in het leven roept, verplicht op de wijze, als bij de vorige artikelen bepaald, aangifte te doen ten kantore van de Inspecteur.
Erfgenamen en legatarissen van de dezelfde overledene, of gezamenlijke verkrijgers bij of na overlijden, of onder de levenden krachtens dezelfde titel, kunnen gezamenlijk aangifte doen bij een door hen allen ondertekend stuk.
Hetzelfde is toepasselijk op de aangifte voor de overgangsbelasting ten opzichte van gezamenlijke verkrijgers.
Er kan geen aangifte bij hetzelfde stuk geschieden van verkrijgingen van meer dan één overledene of schenker.
(vervallen)
1. Executeurs van nalatenschappen, die hun woonplaats in Curaçao hebben, zijn, op dezelfde wijze als erfgenamen, legatarissen en andere verkrijgers bij het overlijden, tot het doen van aangifte bevoegd.
2. Wanneer zij van deze bevoegdheid hebben gebruik gemaakt, zijn zij op gelijke wijze als genoemde personen tot vervulling van alle aan deze bij deze landsverordening opgelegde verplichtingen gehouden.
3. (vervallen)
(vervallen)
(vervallen)
(vervallen)
Hoofdstuk IV
Bedrag van de Belasting
1. Van de successiebelasting is vrijgesteld:
1°. hetgeen door het Land wordt verkregen;
2°. elke schenking of making uitsluitend ten behoeve van de oorlogvoering door het Koninkrijk of ten behoeve van de nodige wederopbouw of de leniging van de nood ten gevolge daarvan;
3°. al wat in vruchtgebruik of bij wijze van periodieke uitkering wordt verkregen, zo de verkrijger of ander persoon van wiens leven het genot afhangt sterft, vóórdat des verkrijgers genot zes maanden heeft geduurd. Ingeval van later overlijden wordt vrijstelling verleend voor dat gedeelte van de belasting, hetwelk het voordeel door de verkrijger, blijkens daarvan overgelegde bewijzen genoten, te boven gaat;
4°. de waarde van de onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, waarover in Nederland de belasting op de overgang bij overlijden wordt bewezen te zijn betaald geworden, doch alleen voor zover die in het actief voorkomende waarde, naar evenredigheid, in het zuiver saldo is begrepen;
Ingeval het onder 3° bedoelde overlijden plaats heeft of de onder dat nummer en onder 4° bedoelde bewijzen geleverd worden na de betaling van de belasting, geschiedt teruggave, wanneer deze wordt gevraagd binnen de termijn, voor de verjaring bepaald.
5°. schenkingen van roerende zaken tot persoonlijk gebruik van de begiftigde, mits tot geen hogere waarde dan Cg 10.000,- aan bloedverwanten in de rechte neerdalende lijn, ouders en schoonouders en Cg 2.000,- in alle andere gevallen;
6°. hetgeen wordt verkregen door een in Curaçao gevestigde kerkelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling;
7°. hetgeen wordt verkregen van een in het vorige onderdeel bedoelde instelling voor zover betreft uitkeringen door die rechtspersoon gedaan op grond van haar reglement of stichtingsbrief;
8°. hetgeen wordt verkregen van een particulier fonds;
9°. hetgeen door een begunstigde wordt verkregen van een trust als bedoeld in titel 6 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of naar soortgelijk buitenlands recht;
10°. de waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling alsmede de waarde van lijfrenten alsmede de waarde van aanspraken op uitkeringen uit lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrekeningen, voor zover toekomende aan de partner of gewezen partner of een bloed- of aanverwant in de rechte lijn. Als partner in de zin van deze bepaling wordt aangemerkt de echtgenoot, alsmede de levenspartner.
2. Van de overgangsbelasting is vrijgesteld hetgeen door het Land wordt verkregen.
(vervallen)
Bij verkrijging, anders dan als erfgenaam ab intestato, wordt, indien tussen de verkrijger en degene, van wie of door wiens vrijgevigheid verkregen wordt, de betrekking van huwelijk en tevens die van bloedverwantschap of wel meer dan een betrekking van bloedverwantschap bestaat, het voor de belastingschuldige gunstigste tarief toegepast.
Voor de berekening van de successiebelasting wordt het bedrag van de vermogensvermeerdering, dat tot grondslag van de heffing moet strekken, vooraf verminderd:
a. indien verkregen als erfgenaam of legataris:
1°. voor bloed- en aanverwanten in de rechte neerdalende lijn, ouders en schoonouders met Cg 80.000,-;
2°. voor de overblijvende echtgenoot, of levenspartner met Cg 240.000,-;
3°. in alle andere gevallen met Cg 8.000,-.
b. indien verkregen bij wijze van schenking:
1°. voor de echtgenoot, levenspartner en bloed- en aanverwanten in de rechte neerdalende lijn, ouders, groot- en schoonouders jaarlijks Cg 20.000,- met dien verstande dat bij opvolgende schenkingen in hetzelfde jaar, door en aan dezelfde persoon gedaan, op de tweede en volgende schenkingen deze vermindering slechts wordt toegepast, voor zover dit niet reeds bij vroegere schenkingen is geschied;
2°. in alle andere gevallen met jaarlijks Cg 8.000,- met dien verstande, dat bij opvolgende schenkingen in hetzelfde jaar, door en aan dezelfde persoon gedaan, op de tweede en volgende schenkingen deze vermindering slechts wordt toegepast, voor zover dit niet reeds bij vroegere schenkingen is geschied.
Behalve in de gevallen bij deze landsverordening voorzien, wordt vermindering van de aanslag verleend, indien en voor zover ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde, van de uitoefening van een op de wet berustend terugvorderingsrecht, van de toepassing van artikel 33 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek of van de uitoefening van een wilsrecht, voortspruitende uit ten sterfdage of ten tijde van de verkrijging reeds bestaande of ontstane rechtsverhoudingen, anders dan door opvolging krachtens een voorwaarde als bedoeld in de aanhef van artikel 23, ten 1e, wijziging wordt gebracht in de persoon van de verkrijger of in het verkregene. De eerste volzin is niet van toepassing bij de uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
| Bij de verkrijging als: | Bloed- en aanverwanten in de rechte neerdalende lijn of de overblijvende echtgenoot of levenspartner | Bloed- en aanverwanten in de rechte opgaande lijn | (Schoon-) broers of (schoon-) zusters | Broeders- of zusters-
kind of klein-kinderen |
In alle andere gevallen |
| Wanneer de vermogens-vermeerdering
bedraagt: |
|||||
| % | % | % | % | % | |
| tot Cg 50.000,- | 2 | 3 | 4 | 6 | 8 |
| Cg 50.001,- tot
Cg 250.000,- |
4 | 6 | 8 | 12 | 16 |
| Cg 250.001,- en hoger | 6 | 9 | 12 | 18 | 24 |
Indien in het geval van verwerping, hetzij door de verkrijger, hetzij door diens rechtverkregenhebbenden, of van afstand als bij artikel 2, onder 2°, bedoeld, minder successiebelasting zou schuldig zijn dan zonder verwerping of afstand, wordt wegens de verkrijging het belastingbedrag geheven, dat verschuldigd zou geweest zijn, indien generlei verwerping of geen afstand had plaatsgehad. De eerste volzin is niet van toepassing indien op de voet van artikel 18 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek wordt afgezien van een wettelijke verdeling van de nalatenschap overeenkomstig artikel 13 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
Wanneer bij een aangifte door de aangever wordt verklaard, dat er onzekerheid bestaat omtrent de bloedverwantschap of omtrent de persoon, die erft of verkrijgt, wordt naar de onderscheidingen van de in artikel 61 voorkomende tabel het hoogste percentage, dat in verband met de betrekkingen van huwelijk of bloedverwantschap schuldig zou kunnen zijn, geheven; behoudens teruggave van hetgeen naderhand blijkt te veel betaald te zijn, zo deze teruggave wordt gevraagd binnen de termijn voor de verjaring bepaald, of, ingeval van rechtsgedingen over de erfenis of de verkrijging, binnen een jaar na het eindvonnis.
De overgangsbelasting bedraagt acht ten honderd.
Hoofdstuk V
Belastingschuld, aansprakelijkheid, betaling,
teruggave en verjaring
De successie- en overgangsbelastingen zijn verschuldigd door iedere verkrijger voor hetgeen door hem wordt verkregen, voor zover daaromtrent geen andere bepalingen bij uiterste wil of overeenkomst zijn gemaakt.
1. Voor de betaling van de successiebelasting zijn tegenover het Land aansprakelijk:
1°. elke erfgenaam, legataris of andere verkrijger voor de belasting wegens zijn verkrijging verschuldigd en elke erfgenaam tevens ten belope van zijn verkrijging voor de belasting bij het overlijden door de mede-erfgenamen en legatarissen verschuldigd.
De aansprakelijkheid van legatarissen en andere verkrijgers is hoofdelijk voor hetgeen door hen gezamenlijk wordt verkregen.
2°. de erfgenaam hoofdelijk:
a. voor de belasting, bij het overlijden van de erflater verschuldigd door de erfgenamen en legatarissen, die niet hun woonplaats in Curaçao hebben. Zij hebben op de door laatstgenoemden verkregen zaken voorrecht, onmiddellijk rang nemende na de landskas, bij artikel 75 bepaald en op de voet van dat artikel;
b. voor de belasting, bij het overlijden verschuldigd in de gevallen bedoeld bij artikel 64.
2. Ingeval van schenking is tegenover het Land de schenker met de bevoordeelde hoofdelijk voor de betaling van de successiebelasting aansprakelijk.
Voor de betaling van de overgangsbelasting zijn tegenover het Land aansprakelijk de verkrijgers, elk voor de belasting wegens zijn verkrijging verschuldigd en, bij gezamenlijke verkrijging, alle verkrijgers hoofdelijk.
In het geval bedoeld bij artikel 14, tweede lid, is de stichter voor de verschuldigde successie- of overgangsbelasting tegenover het Land aansprakelijk.
In alle niet uitdrukkelijk genoemde gevallen zijn tegenover het Land de schuldenaren aansprakelijk en gezamenlijke legatarissen of andere gezamenlijke verkrijgers hoofdelijk.
De aansprakelijkheid, bij de artikelen 68-71 bepaald, strekt zich uit tot de boeten van de belasting, met uitzondering van die wegens te late betaling door anderen verschuldigd.
(vervallen)
Het Land is bevoegd om voor de successie- en overgangsbelastingen en de verhogingen conservatoir beslag te leggen.
(vervallen)
Behalve in de gevallen, bij deze landsverordening voorzien, kan de belasting noch verminderd, noch teruggegeven worden dan:
1°. ingeval de landsverordening niet juist is toegepast;
2°. indien en voor zover als het verkregene ten gevolge van de vervulling van een aan de verkrijging verbonden voorwaarde, van verwerping, van vernietiging in rechte van een uiterste wil of rechtshandeling, of van herroeping of tenietdoening van een schenking, door anderen wordt verkregen of tot anderen terugkeert.
Tegen een beschikking genomen krachtens deze landsverordening, staat voor belanghebbende binnen zes weken na de dag waarop deze is gegeven, beroep open bij het Gerecht.
(vervallen)
De bepalingen van deze landsverordening zijn mede toepasselijk op de overgangen van goederen met vruchtgebruik of periodieke uitkeringen belast; op erfenissen of verkrijgingen, ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde; op de verkrijging van vruchtgebruik en periodieke uitkeringen bij opvolging en op overgang van fideï-commis, onder deze landsverordening plaats hebbende, al mocht ook de oorspronkelijke insteller of erflater reeds vroeger overleden zijn.
Deze landsverordening wordt aangehaald als: Successiebelastingverordening 1908.
(vervallen)