Successiebelastingverordening 1908 - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Successiebelastingverordening 1908

Publicatienummer: P.B. 2026, no. 85 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsverordening
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 01-04-2026
Datum inwerktreding: 01-01-1909
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK IV Belastingen )


LANDSBESLUIT van de 1ste april 2026, no. 26/914, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Successiebelastingverordening 1908

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats                              Zittingsjaar
01 januari 1909 n.v.t. n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2026, no. 85 (GT) n.v.t.

Hoofdstuk I

Algemene bepalingen

Artikel 1

  1. Onder de naam van successiebelasting wordt een belasting geheven van de vermogensvermeerdering krachtens erfrecht door het overlijden van een ingezetene van Curaçao.
  2. Onder verkrijging krachtens erfrecht wordt voor de toepassing van deze landsverordening mede verstaan de verkrijging van vergunningen en aanspraken bij of na het overlijden van de erflater indien die verkrijging rechtstreeks verband houdt met de omstandigheid dat de erflater die of dergelijke vergunningen en aanspraken bezat, alsmede de verkrijging ingevolge een overeenkomst met betrekking tot rentevergoeding als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek indien een dergelijke rentevergoeding binnen de met inachtneming van artikel 41 vastgestelde aangiftetermijn wordt overeengekomen. Hetgeen wordt verkregen krachtens de uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, wordt voor de toepassing van deze landsverordening niet aangemerkt als een verkrijging krachtens erfrecht.
  3. Indien ten gevolge van uiterste wilsbeschikkingen die inhoudelijk overeenkomen met het bepaalde in afdeling 1 van titel 3 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek geldvorderingen of wilsrechten opkomen, worden die voor de toepassing van deze landsverordening op dezelfde wijze behandeld als de geldvorderingen en wilsrechten, bedoeld in artikel 13, derde lid, onderscheidenlijk de artikelen 19, 20, 21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1A

1. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder levenspartner, de meerderjarige persoon die, gedurende een periode, op hetzelfde adres ingeschreven staat in de basisadministratie en samenwoont in een duurzame gemeenschappelijke huishouding, samen met de meerderjarige schenker dan wel erflater en die het leven samen delen als ware zij gehuwd. Er is sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding indien levenspartners ten opzichte van elkaar een wederzijdse zorgplicht zijn aangegaan.
2. In afwijking van het eerste lid, is er sprake van levenspartner, indien personen niet langer op hetzelfde adres in de basisadministratie ingeschreven staan, vanwege opname in een verpleeghuis of verzorgingshuis omwille van medische redenen of ouderdom van een van hen, voor zover na het einde van de inschrijving op hetzelfde woonadres ten aanzien van geen van beiden een derde persoon als levenspartner wordt aangemerkt.
3. Een persoon kan op enig moment slechts één levenspartner of echtgenoot hebben.
4. Levenspartners kunnen geen bloed- of aanverwanten van elkaar zijn, tenzij zij met elkaar een huwelijk in de zin van het Burgerlijke Wetboek zijn aangegaan.
5. Met een periode als bedoeld in het eerste lid wordt:
a. bij een verkrijging krachtens erfrecht, bedoeld zes maanden voorafgaand aan het overlijden dat aanleiding is tot heffing van successiebelasting, waarbij de maand van het overlijden niet wordt meegerekend;
b. bij een verkrijging bij wijze van schenking, bedoeld 24 maanden voorafgaand aan de schenking, waarbij de maand van de schenking niet wordt meegerekend.
6. Er dient tussen de samenwonende levenspartners sprake te zijn van een duurzame lotsverbondenheid.
7. Er is sprake van een levenspartner als bedoeld in het eerste en tweede lid indien er:
a. een schriftelijke verklaring van samenwonen tussen de personen is; of
b. een door een notaris opgestelde overeenkomst van samenwonen is; of
c. een in een notariële akte of uiterste wilsbeschikking opgenomen verklaring van het duurzaam samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, als ware zij gehuwd is.
8. Middels een schriftelijke verklaring van een levenspartner, onderbouwd met schriftelijke verklaringen van derden, kunnen personen die in een duurzame gemeenschappelijke huishouding samenwonen, maar waarbij de documenten, bedoeld in het zevende lid, niet zijn opgesteld, doch waarbij die personen voor langer dan 24 maanden op een en hetzelfde adres in de basisadministratie staan ingeschreven, worden aangemerkt als levenspartners.
9. De documenten, bedoeld in het zevende lid, alsmede de schriftelijke verklaring, bedoeld in het achtste lid, worden bij indiening van het aangiftebiljet aan de Inspecteur verstrekt.
10. De Inspecteur beslist bij beschikking of de levenspartner, bedoeld in het tweede en achtste lid, wordt aangemerkt als levenspartner in de zin van deze landsverordening.
11. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen ter uitvoering van het tweede, zevende en achtste lid nadere regels worden vastgesteld.

Artikel 2

Aan de successiebelasting zijn mede onderworpen de vermogensvermeerderingen:
1°. door een echtgenoot bij het overlijden van de andere echtgenoot, die tijdens het overlijden ingezetene van Curaçao was, verkregen ten gevolge van een beding bij huwelijksvoorwaarden, krachtens hetwelk aan de langstlevende echtgenoot meer toekomt dan de helft van de gemeenschap;
2°. door de echtgenoot verkregen ten gevolge van de afstand van de gemeenschap door de erfgenamen van de andere echtgenoot die tijdens het overlijden ingezetene van Curaçao was;
3°. bij of na het overlijden van een ingezetene van Curaçao door diens vrijgevigheid, van een ander verkregen, krachtens een beding ten behoeve van derden, gemaakt bij een overeenkomst, door de overledene gesloten, of uit een door deze gesloten levensverzekering;
4°. bij wijze van schenking van een ingezetene van Curaçao verkregen.

Artikel 3

Onder de naam van overgangsbelasting wordt een belasting geheven van de waarde van de onroerende zaken, in Curaçao gelegen en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, verkregen van een niet-ingezetene van Curaçao als diens erfgenaam of legataris of bij wijze van schenking.

Artikel 4

  1. Onder ingezetene van Curaçao wordt voor de toepassing van deze landsverordening verstaan ieder, die in Curaçao zijn woonplaats heeft en wat een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen betreft, elke die in Curaçao zijn zetel heeft.
  2. (vervallen)

Artikel 5

1. Onder schenking wordt voor de toepassing van deze landsverordening verstaan de gift, bedoeld in artikel 186, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover artikel 2, onderdeel 3, niet van toepassing is, en voorts de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Onder schenking wordt niet begrepen de bevoordeling als gevolg van verwerping door een erfgenaam of legataris, noch de bevoordeling als gevolg van het afzien door de echtgenoot van een wettelijke verdeling van de nalatenschap op de voet van artikel 18 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Onder schenking wordt niet begrepen:
a. bevoordeling door gebruik van goederen en kost en inwoning bij de schenker;
b. bevoordeling van een echtgenoot ,die het gevolg is van een gemeenschap van goederen, waarin elk van de echtgenoten voor de helft gerechtigd is.
3. Degene die een vermogensvermeerdering als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3, geniet, wordt aangemerkt als verkrijger.

Artikel 5A

(vervallen)

Artikel 6

De verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat en de verklaring van overlijden wordt voor de toepassing van deze landsverordening met werkelijk overlijden gelijkgesteld; de dag volgens de artikelen 414 en 427 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in de beschikking uitgedrukt, geldt als dag van overlijden, behoudens teruggave van de betaalde belasting en verhogingen in de gevallen bij de artikelen 422 en 423 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek voorzien.
In dit geval beginnen ten opzichte van alle verkrijgingen ten gevolge van de beschikking de termijnen, die volgens deze landsverordening bij het overlijden ingaan, te lopen met de dag van de beschikking.

Artikel 7

1. De goederen, niet zijnde registergoederen, bij het overlijden van een ingezetene van Curaçao onder hem berustende of voor hem door anderen bewaard of bezeten, daaronder gerekend schuldvorderingen, aandelen en effecten, waarvan de aan toonder of houder of op naam van de overledene luidende bewijzen bij zijn overlijden onder hem berusten of voor hem door anderen werden bezeten, worden voor de toepassing van deze landsverordening geacht tot zijn nalatenschap, of zo hij in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd, tot de gemeenschap te behoren en mitsdien voor het geheel of voor het aandeel krachtens gemeenschap door zijn erfgenamen te worden verkregen.
2. De verplichting tot afgifte kan worden opgenomen onder de schulden, bedoeld in artikel 26, letter e. Het bepaalde bij letter e is ten deze toepasselijk met dien verstande, dat overtuigend moet worden aangetoond, dat de goederen reeds vóór het overlijden aan anderen toebehoorden.
3. De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet toepasselijk:
1°. ingeval de overledene, ten gevolge van de uitoefening van een beroep of bedrijf, de goederen of bewijzen onder zich had voor iemand, niet behorende tot zijn bloed- of aanverwanten tot de vierde graad ingesloten of hun echtgenoten;
2°. ingeval de goederen of bewijzen onder de overledene berustten als openbaar ambtenaar, als ouder van minderjarigen, als voogd, als curator, als executeur of door de rechter benoemde vereffenaar van een nalatenschap of als bewindvoerder in de gevallen, waarin deze volgens een uitdrukkelijke wetsbepaling is aangesteld of bij verdeling van een gemeenschap als zodanig is benoemd;
3°. ingeval de goederen of bewijzen bij het overlijden verblijven aan deelgenoten, ingevolge een overeenkomst tussen de overledene en die deelgenoten gesloten;
4°. ingeval en voor zover de goederen of bewijzen toebehoren aan de vrouw van de overledene.
4. Dit artikel is mede toepasselijk op de daarin bedoelde goederen of bewijzen, berustende onder of bewaard voor de in algehele gemeenschap gehuwde echtgenoot van de overledene.

Artikel 8

  1. Indien zaken in een gesloten kist of onder een verzegelde omslag in bewaring zijn gegeven, zijn de executeur of door de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap, de erfgenamen of de houder verplicht, vóór de afgifte, aan de rechter in Eerste Aanleg de opening te verzoeken op verbeurte van een boete, gelijkstaande met de belasting, die zal blijken te min betaald te zijn, doch minstens honderd gulden.
  2. Een door de rechter aangewezen notaris zal de opening verrichten en daarvan een proces-verbaal opmaken, waarin de uitwendige toestand en de inhoud van het ter opening aangebodene worden beschreven. De beschrijving kan geschieden zonder dat de stukken zijn gezegeld en geregistreerd.

Artikel 9

  1. Wat schuldig erkend of kwijtgescholden is bij uiterste wil of onder voorwaarde van overleving van hem, aan wie is schuldig erkend of kwijtgescholden en wat is kwijtgescholden met ingang van het overlijden van de schuldeiser wordt voor de toepassing van deze landsverordening geacht door de als schuldeiser of schuldenaar aangewezene bij legaat te zijn verkregen.
  2. Het aldus schuldig erkende wordt niet gerekend tot de schulden, die afgetrokken mogen worden; het aldus kwijtgescholdene wordt geacht een bestanddeel van de nalatenschap uit te maken.
  3. Deze bepalingen blijven, voor zover zij het bij uiterste wil schuldig erkende betreffen, buiten toepassing, wanneer aan de Inspecteur of aan de rechter overtuigend wordt aangetoond, dat de schuld reeds tijdens het leven van de overledene bestond; en voor zover zij het bij uiterste wil kwijtgescholdene betreffen, wanneer op voorschreven wijze wordt aangetoond, dat de vordering reeds tijdens het leven van de overledene was tenietgegaan.

Artikel 10

  1. Het aandeel van een overledene in een onverdeeldheid, die opgelost is door een verdeling, waarbij de overledene een van zijn leven afhankelijk vruchtgenot of periodieke uitkering heeft verkregen, wordt voor de toepassing van deze landsverordening geacht door hem te zijn nagelaten en bij legaat te zijn verkregen door zijn bloed- of aanverwanten tot de vierde graad ingesloten of hun echtgenoten, aan wie goederen als hoofdgerechtigde of onder de last van periodieke uitkering werden toebedeeld, tenzij de verdeling heeft plaatsgehad bij een akte, die een zekere dagtekening heeft, meer dan een jaar aan het overlijden voorafgaande.
  2. Heeft de overledene bij de verdeling, behalve het vruchtgenot of de periodieke uitkering, baten verkregen, dan mag de waarde, die deze hadden bij de verdeling, in mindering van de waarde van het aan te geven aandeel worden gebracht.

Artikel 11

  1. Al wat door de overledene aan bloed- of aanverwanten, tot de vierde graad ingesloten, of aan hun echtgenoten werd afgestaan, overgedragen of kwijtgescholden, wordt voor de toepassing van deze landsverordening geacht te zijn nagelaten en bij legaat door de verkrijger of bevoordeelde te zijn verkregen, indien de overledene bij de afstand, de overdracht of de kwijtschelding een van het leven afhankelijk vruchtgenot of periodieke uitkering had voorbehouden of bedongen.
  2. Van de waarde van de volgens het eerste lid aan te geven goederen kan voor de berekening van de successiebelasting worden afgetrokken wat, blijkens wettelijke bewijzen, voor de afstand, de overdracht of de kwijtschelding werd bedongen, vruchtgenot en periodieke uitkering hieronder niet begrepen, mits het bedongen bedrag, de wettelijke bewijzen en de dagtekening van het beding in de aangifte worden vermeld.
  3. De wegens de afstand, de overdracht of de kwijtschelding betaalde overdrachts- of successiebelasting strekt in mindering van de successiebelasting volgens dit artikel verschuldigd.

Artikel 12

Indien in de gevallen, bij de artikelen 10 en 11 voorzien, na de daarbij bedoelde rechtshandelingen en vóór het overlijden van de daarin bedoelde overledene, de verkrijger of, zo hij in gemeenschap van goederen was gehuwd, diens echtgenoot overleden is, blijven die artikelen buiten toepassing voor hetgeen door de verkrijger werd verkregen of voor het aandeel, dat de verkrijger of diens echtgenoot krachtens huwelijksgemeenschap daarin toekwam.

Artikel 13

  1. Wanneer, met uitzondering van het geval van huwelijksgemeenschap, een aandeel in goederen, die aan de overledene in gemeenschap met anderen toebehoorden, bij zijn overlijden ten gevolge van een overeenkomst verblijft aan deelgenoten tegen of zonder vergoeding aan de erfgenamen of rechtverkrijgenden van de overledene, wordt dat aandeel voor de toepassing van deze landsverordening geacht te zijn nagelaten en door de deelgenoten bij legaat te zijn verkregen.
  2. Van de waarde van het aandeel kan voor de berekening van de successiebelasting het bedrag van de vergoeding worden afgetrokken, mits deze voor de successiebelasting is aangegeven.

Artikel 14

  1. De goederen, door de overledene bij uiterste wil bestemd tot vermogen van een door hem bij uiterste wil in het leven geroepen stichting, worden voor de toepassing van deze landsverordening beschouwd door de stichting bij erfenis of legaat te zijn verkregen.
  2. De goederen, door iemand op andere wijze dan bij uiterste wil bestemd om daarmede een stichting in het leven te roepen, worden voor de toepassing van deze landsverordening beschouwd als door de stichting te zijn verkregen bij schenking.

Artikel 15

Wanneer gedurende het leven van een bezwaarde erfgenaam of legataris het bezwaarde goed op de verwachter overgaat, worden de dag, waarop de rechtshandeling heeft plaatsgehad en de plaats waar die is geschied, voor de toepassing van deze landsverordening als de dag en de plaats van het overlijden van de bezwaarde beschouwd.

Artikel 16

  1. De in Curaçao gelegen onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, behorende aan een niet-ingezetene van Curaçao, welke door hem binnen het jaar aan zijn overlijden voorafgegaan zijn afgestaan of overgedragen anders dan bij schenking of welke binnen die tijd bij verdeling aan anderen zijn toegedeeld en hetzij vóór, hetzij binnen een jaar na zijn overlijden door verdeling, afstand of overdracht zijn of worden verkregen door een of meer van zijn erfgenamen, bloed- of aanverwanten tot de vierde graad ingesloten of door hun echtgenoten, worden voor de heffing van de overgangsbelasting geacht door deze van de overledene bij legaat verkregen te zijn.
  2. De wegens de overdracht betaalde belasting strekt in mindering van de verschuldigde overgangsbelasting.
  3. Artikel 13, eerste lid, is ten aanzien van de in dit artikel bedoelde goederen toepasselijk.

Artikel 17

  1. Door de rechter benoemde vereffenaars van nalatenschappen zijn gehouden tot alle bij deze landsverordening aan erfgenamen, legatarissen of verkrijgers opgelegde verplichtingen.
  2. Bewindvoerders, ouders, voogden en curators zijn gehouden tot de vervulling van alle verplichtingen, bij deze landsverordening opgelegd aan degenen, die zij vertegenwoordigen of wier belangen zij waarnemen.

Artikel 18

Tot mededeling aan de Inspecteur, volgens bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te stellen regels, zijn verplicht:
de ambtenaren van de burgerlijke stand, van alle voorgekomen sterfgevallen;
de griffier van het Hof van Justitie, van alle beschikkingen, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat en beschikkingen houdende verklaring van overlijden;
alle ambtenaren, terstond van alle ter hunner kennis gekomen handelingen in strijd met deze landsverordening of nalatigheden in de nakoming daarvan.

Hoofdstuk II

Grondslagen

Eerste Afdeling

Algemene Bepalingen

Artikel 19

De successiebelasting wordt geheven over de waarde, die door ieder wordt verkregen, na aftrek van zijn aandeel in de schulden en lasten volgens de derde afdeling van dit hoofdstuk en hetgeen verder volgens de bepalingen van deze landsverordening mag worden afgetrokken.

Artikel 20

De overgangsbelasting wordt geheven over de waarde van de onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, die overgaan.

Artikel 21

  1. Rechten, bij de verkrijging van een opschortende voorwaarde afhankelijk, komen voor de heffing van de belasting niet, die van een ontbindende voorwaarde afhankelijk, wel in aanmerking; behoudens bijvordering of teruggave van belasting in verband met de werkelijke vermogensvermeerdering bij de vervulling van de voorwaarde.
  2. Hetzelfde geldt van verbintenissen, bij de overgang van een opschortende of ontbindende voorwaarde afhankelijk.

Tweede Afdeling

Baten

Artikel 22

  1. De waarde van de baten, die tot grondslag strekt voor de heffing van de successie- en overgangsbelasting, is bij verkrijgingen als erfgenaam of legataris en andere verkrijgingen bij het overlijden zonder of met tijdsbepaling, de waarde, opgevat volgens artikel 23 of 24 ten dage van het overlijden; in andere gevallen die waarde ten dage van de rechtshandeling, waaruit de vermogensvermeerdering voortspruit.
  2. Bij verkrijgingen onder een opschortende voorwaarde strekt tot grondslag van de heffing de waarde ten tijde van de vervulling van de voorwaarde.

Artikel 23

Voor de berekening van de successiebelasting wordt de waarde bepaald:
1°. voor de goederen, onbezwaard verkregen of verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarbij zich een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit, als volgt:
a. van onroerende zaken, in Curaçao gelegen en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, met uitzondering van die sub b genoemd, op de algemene verkoopwaarde;
b. van grondrenten, op de afkoopprijs bij de vestiging bepaald en indien die niet bepaald is, op de waarde naar de maatstaf bij artikel 780 van het oude Burgerlijk Wetboek vastgesteld; bij gebreke van de daar bedoelde marktprijzen of jaarlijkse opbrengst, op de algemene verkoopwaarde;
c. van schuldvorderingen op naam, op het bedrag van het kapitaal of op de waarde in verband met de verleende waarborgen, de gegoedheid van de schuldenaars en de gemaakte bedingen;
d. van lijfrenten of andere periodieke, van het leven afhankelijke, uitkeringen, op de kapitaalswaarde, verkregen door het jaarlijks bedrag te vermenigvuldigen met de getallen naar de volgende tabel:
Wanneer de persoon, gedurende wiens leven de uitkering moet plaatshebben:
15 jaar of minder oud is, met 18;
boven de 15 tot 25 jaren oud is, met 17;
boven de 25 tot 35 jaren oud is, met 16;
boven de 35 tot 45 jaren oud is, met 14;
boven de 45 tot 55 jaren oud is, met 12;
boven de 55 tot 65 jaren oud is, met 8,5;
boven de 65 tot 75 jaren oud is, met 5;
boven de 75 tot 80 jaren oud is, met 3;
Boven de 80 jaren oud is, met 2.
Wanneer de lijfrenten of andere periodieke uitkeringen in voorwerpen in natura bestaan, wordt het jaarlijks bedrag gesteld op het twaalfenhalfvoud van de jaarlijkse opbrengst, en wordt de waarde daarvan geregeld volgens de landelijke marktprijzen van de laatst verlopen tien jaren, door elkander gerekend. Bij gebreke van bekendheid van de daar bedoelde marktprijzen of jaarlijkse opbrengst, wordt het jaarlijks bedrag door de aangever begroot.
Ten aanzien van tontines, contracten van overleving en dergelijke, wordt het jaarlijks bedrag gehouden dat te zijn van het laatst verlopen boekjaar. De waarde wordt berekend als die van de lijfrenten.
Indien een uitkering voor een bepaalde tijd is ingesteld, wordt de kapitaalswaarde bepaald door het jaarlijks bedrag te vermenigvuldigen met het getal, aangewezen in een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, naar rentevoet van 4%, vast te stellen tabel.
Het belastbaar kapitaal naar deze berekening verkregen, kan, indien de uitkering tevens van het leven afhankelijk is, niet hoger zijn dan dat, hetwelk verkregen zou zijn, wanneer de uitkering van het leven afhankelijk ware gesteld.
Bij uitkeringen, welke door meer dan één natuurlijk persoon gezamenlijk worden verkregen, wordt het bedrag van ieders aandeel tot kapitaal gebracht volgens bovenstaande tabel.
Voor uitkeringen, aan rechtspersonen voor onbepaalde tijd besproken, wordt het vijfentwintigvoud van de jaarlijkse uitkering genomen;
e. van de lopende termijnen van huren en interest op het bedrag tot en met het overlijden verschuldigd of op de waarde ervan in verband met de sub c bedoelde omstandigheden;
f. van alle goederen, hiervóór sub a-e niet genoemd, op de algemene verkoopwaarde.
2°. van de goederen, die in vruchtgebruik worden verkregen, op het overeenkomstig de bepalingen onder 1°, letter d, van dit artikel tot kapitaal gebrachte bedrag van de jaarlijkse inkomsten, naar de maatstaf van vier ten honderd van de overeenkomstig onder te bepalen kapitaalswaarde op het tijdstip, waarop het genot aanvangt.
Vruchtgebruik aan rechtspersonen voor onbepaalde tijd besproken wordt geacht voor dertig jaren gemaakt te zijn.
Onder vruchtgebruik worden, voor de toepassing van deze landsverordening, mede verstaan vruchtgenot, recht van gebruik en van bewoning, vruchten en inkomsten, jaarlijkse opbrengst en soortgelijke uitkeringen uit daartoe aangewezen goederen, daaronder begrepen het bij anderen dan de legatarissen verbleven genot van legaten welke, ten gevolge van een toegevoegde tijdsbepaling, niet binnen twee jaren na het overlijden of eerst op een onzeker tijdstip vorderbaar zijn.
3°. van hetgeen onder de last van vruchtgebruik of van periodieke uitkering geërfd of verkregen wordt, op de overeenkomstig onder 1° te bepalen waarde van het onbezwaarde goed, na aftrek van de waarde, welke op het tijdstip van de verkrijging aan de uitkering of het vruchtgebruik, volgens de bepalingen onder 1°, letter e, of onder 2°, moet worden toegekend.
De aftrek wordt, indien het vruchtgebruik of de uitkering aan of ten behoeve van verschillende personen, van onderscheiden leeftijd, levenslang bij opvolging besproken of bedongen is, bepaald in verhouding tot de leeftijd van de jongste.

Artikel 23A

Een geldvordering als bedoeld in artikel 13, derde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek wordt in aanmerking genomen als een renteloze vordering, indien daarop het rentepercentage, berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de schulden die corresponderen met de aldaar bedoelde geldvorderingen.

Artikel 24

1. Voor de berekening van de overgangsbelasting wordt de waarde van de verkregen onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen bepaald als volgt:
1°. van het onbezwaarde goed, van het goed verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarbij zich een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit en van het met een vruchtgebruik bezwaard goed, op de waarde van het onbezwaarde goed ten dage van de overgang, op de bij artikel 23, onder 1°, letters a en b, voorgeschreven wijze te begroten of te regelen;

2°. van het vruchtgebruik:
a. indien het door natuurlijke personen zonder bepaling van tijd wordt verkregen, op de helft van de bij onder 1° bedoelde waarde, en indien het door rechtspersonen zonder bepaling van tijd of voor bepaalde tijd van niet minder dan vijfentwintig jaren verkregen wordt, op het geheel van die waarde;
b. indien het door natuurlijke personen voor bepaalde tijd, of door rechtspersonen voor bepaalde tijd van minder dan vijfentwintig jaren wordt verkregen, op de wijze bij artikel 23, onder 2°, eerste lid, aangeduid; voor natuurlijke personen in verband met onder 2°, letter a.
2. Indien in de onder 1° en 2° bedoelde gevallen het met een vruchtgebruik bezwaard goed en het vruchtgebruik bij dezelfde overgang aan verschillende verkrijgers overgaan, wordt de waarde van het met een vruchtgebruik bezwaard goed berekend op de bovenbedoelde waarde van het onbezwaard goed, na aftrek van de overeenkomstig dit artikel bepaalde waarde van het vruchtgebruik.

Derde Afdeling

Schulden en Lasten

Artikel 25

  1. Voor de berekening van de successiebelasting worden van ieders verkrijging, voor zover schulden te zijnen laste komen, de schulden, waarmede een verkrijging van een onbezwaard goed of een verkrijging van een goed onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarbij zich een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit is bezwaard, afgetrokken voor het volle bedrag; die waarmede een verkrijging in vruchtgebruik of onder de last van vruchtgebruik is bezwaard, voor het overeenkomstig artikel 23, onder 2° en 3°, berekende bedrag.
  2. De lasten worden van ieders verkrijging afgetrokken voor het aandeel daarin, dat te zijnen laste komt.

Artikel 26

1. Voor de berekening van de successiebelasting kunnen geen andere lasten en schulden worden afgetrokken dan de navolgende en mits aan de hierna gestelde vereisten zij voldaan en wat de schulden betreft, voor zover zij niet door een beroep op de verjaring zijn getroffen:
I. Lasten
a. de kosten van lijkbezorging, met uitzondering van de kosten van lijkbezorging van een kind welks vermogen de erfgenaam het vruchtgenot had;
De rechter heeft de bevoegdheid om deze te verminderen, indien zij bovenmatig zijn.
Voorts de sommen besproken of uitgekeerd voor de uitvaart van de erflater en de te zijn behoeve te doen kerkelijke diensten of te vieren godsdienstige plechtigheden, sedert de dag van zijn afsterven tot en met het eerste jaargetijde na zijn overlijden, en zulks geëvenredigd aan de stand en het vermogen van de overledene, met inachtneming van het plaatselijk gebruik en de bijzondere omstandigheden.
Hetgeen te dier zake meer is besproken wordt beschouwd als legaat aan niet verwante personen;
b. de lasten, bij schenking aan de bevoordeelde opgelegd.
II. Schulden
a. interesten, renten en huren tot en met de dag van overlijden;
b. de schulden, ten tijde van de verkrijging bestaande, die voortspruiten uit het beroep van de overledene;
c. huisschulden tot en met de dag van de verkrijging; dienstbodenloon voor de op die dag lopende gehele termijn.
De schulden, onder letters a-c genoemd, worden elk afzonderlijk in de aangifte opgegeven met aanwijzing van haar oorsprong, de tijd waarover zij lopen en de naam van de schuldeiser;
d. van de belastingen: de zakelijke tot en met de dag van de verkrijging, de persoonlijke tot en met de laatste dag van het tijdvak, waarover zij lopen, tenzij aanspraak op afschrijving of teruggave bestaat. Indien zij tijdens de aangifte nog niet zijn vastgesteld, wordt als het bedrag daarvan genomen dat, hetwelk voor het voorafgaande belastingjaar was bepaald;
e. alle overige schulden, die op de verkrijging drukken; van elke schuld moet in de aangifte het bedrag, de oorsprong, de tijd van het ontstaan en de naam van de schuldeiser worden vermeld;
in het geval van verkrijging door overlijden moet reeds vóór het overlijden van haar bestaan en oorsprong bewijs door geschriften zijn te leveren geweest; in de aangifte moeten de authentieke of onderhandse geschriften, waarmee dat bewijs zou kunnen zijn geleverd, worden omschreven;
de onderhandse geschriften, die als bewijsmiddel worden vermeld, moeten reeds vóór het overlijden in de macht van de schuldeiser zijn geweest; dat de aangever overtuigd is dat zulks het geval was, moet in de aangifte worden verklaard;
in de aangifte moet worden verklaard, dat de aangever overtuigd is, dat de daarin vermelde bewijzen niet werden opgemaakt of afgegeven om iemand te bevoordelen of om de betaling van successierechten te ontgaan.
2. De schulden, waaromtrent voormelde verklaringen niet naar waarheid kunnen worden afgelegd, worden beschouwd als “niet vóór het overlijden bestaande schulden”.
3. (vervallen)
4. (vervallen)
5. (vervallen)
6. (vervallen)
7. (vervallen)

Hoofdstuk III

Aangifte

Artikel 26A

  1. De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.
  2. De belasting wordt geheven van de verkrijger.

Artikel 26B

(vervallen)

Artikel 27

1. Iedere erfgenaam van een ingezetene van Curaçao is verplicht ten kantore van de Inspecteur, een schriftelijke, ondertekende aangifte in te leveren.
2. De aangifte moet inhouden:
1°. de voornamen, de naam, het beroep en de woonplaats van de aangevers;
2°. de voornamen, de naam, de laatste woonplaats en de dagtekening van overlijden van de overledene;
3°. of de verkrijging bij versterf is geschied en anders de aanduiding van de titels, krachtens welke wordt verkregen;
4°. de voornamen, naam, beroep en woonplaats van alle erfgenamen, legatarissen en verdere verkrijgers met hun bloed- of aanverwantschap of betrekking van huwelijk tot de overledene, van wie verkregen wordt of de vermelding dat geen zodanige betrekking bestaat; alsmede de dagtekening van de geboorte van de personen, van wier leven verkregen wordende vruchtgebruiken of periodieke uitkeringen afhankelijk zijn.
Van ontbindende voorwaarden en van verkrijgingen onder opschortende voorwaarde wordt melding gemaakt;
5°. een specifieke en duidelijke omschrijving en de waarde van alle goederen, die tot de nalatenschap behoren; van rechten van een opschortende voorwaarde afhankelijk en van onzekere rechten wordt melding gemaakt, doch behoeft de waarde niet te worden opgegeven, behoudens de verplichting tot nadere aangifte; evenzo wordt melding gemaakt van ontbindende voorwaarden.
Gelijke goederen mogen bijeen en de waarde daarvan kan gezamenlijk worden vermeld, behoudens het bepaalde onder 7°.
Huizen, ongebouwde onroerende zaken welke niet aaneengelegen zijn, beperkte rechten, buiten Curaçao gelegen onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, schuldvorderingen waarvan geen verhandelbare bewijzen bestaan en schepen worden steeds afzonderlijk omschreven en op waarde gesteld.
Bij de omschrijving van de onroerende goederen wordt de ligging opgegeven met aanduiding zo mogelijk van straat en nummer van de huizen en van de ongebouwde eigendommen de oppervlakte en de begrenzing.
Ten aanzien van vruchtgebruiken en periodieke uitkeringen wordt opgegeven de tijd, waarvoor zij zijn ingesteld.
Bij de omschrijving van schuldvorderingen, als hiervoor gemeld, die op een lagere waarde dan het bedrag van het te vermelden kapitaal worden aangegeven, worden de bijzonderheden bij artikel 23, letter c, bedoeld, omschreven;
6°. de lasten en schulden, die volgens de aangever in mindering kunnen worden gebracht, omschreven volgens artikel 26. Ook van schulden van een opschortende voorwaarde afhankelijk wordt melding gemaakt, alsmede van ontbindende voorwaarden;
7°. hetgeen door ieder wordt verkregen en de waarde daarvan, na aftrek van ieders aandeel in de lasten en schulden; van verwerpingen wordt melding gemaakt;
8°. indien door het overlijden goederen worden geërfd of verkregen, welke met vruchtgebruik of periodieke uitkeringen zijn belast, de omschrijving van de met vruchtgebruik belaste goederen, het bedrag van de periodieke uitkeringen, de titel waarbij het vruchtgebruik is ingesteld of de uitkeringen zijn opgelegd, de naam en de woonplaats van de vruchtgebruikers of genieters en van degenen van wier leven het vruchtgebruik of de uitkering afhangt, de ouderdom van die personen en het tijdvak, waarvoor het vruchtgebruik of de uitkering is ingesteld.
3. Indien de aangever niet of niet volledig in staat is om aangifte van de met vruchtgebruik belaste goederen te doen, vermeldt hij zulks in de aangifte. In dat geval is de vruchtgebruiker tot die aangifte verplicht binnen een maand na vordering daartoe door de Inspecteur. Bij gebreke van daaraan te voldoen is artikel 42 toepasselijk en de vruchtgebruiker voor de verschuldigde successiebelasting en verhogingen aansprakelijk.

Artikel 28

  1. Bij alle aangiften voor de successiebelasting, door erfgenamen te doen, wordt opgegeven of de overledene al dan niet enige goederen als bezwaarde erfgenaam of legataris of in vruchtgebruik bezat, en zo ja, waarin zij bestaan, door wie en bij welke titel de erfstelling over de hand of het vruchtgebruik is ingesteld, aan wie de goederen moeten worden uitgekeerd, wie tot het genot van het goed is gekomen of op wie het vruchtgebruik bij opvolging is overgegaan.
  2. Gelijke opgaven worden vereist ten aanzien van het al dan niet bezitten, het vervallen of overgaan van periodieke uitkeringen.
  3. Indien enige opgave, als in dit artikel bedoeld, is verzuimd of onjuist gedaan, is iedere ondertekenaar van de aangifte hoofdelijk aansprakelijk voor de belasting ter zake verschuldigd, behoudens het recht tot terugvordering van de schuldenaren.

Artikel 29

  1. Iedere legataris van een ingezetene van Curaçao en iedere verkrijger ten gevolge van vrijgevigheid van een ingezetene van Curaçao door diens overlijden is verplicht aangifte te doen van zijn verkrijging ten kantore van de Inspecteur. Op deze aangifte is artikel 27, voor zover het onderwerp van deze aangifte betreft, van toepassing.
  2. Op gelijke wijze is iedere verkrijger onder de levenden ten gevolge van vrijgevigheid van een ingezetene van Curaçao verplicht aangifte van zijn verkrijging te doen ten kantore van de Inspecteur.

Artikel 30

  1. Voor de overgangsbelasting moet door iedere erfgenaam, legataris of andere verkrijger aangifte van zijn verkrijging worden gedaan ten kantore van de Inspecteur.
  2. Op deze aangifte is artikel 27, voor zover het onderwerp van deze aangifte betreft, van toepassing.

Artikel 31

1. Op dezelfde wijze als bij de artikelen 27, 29 en 30 bepaald, zijn tot aangifte van hun verkrijgingen gehouden:
1°. zij, die als legataris of bevoordeelde onder de levenden een vruchtgebruik of periodieke uitkering bij opvolging verkrijgen;
2°. de verwachters bij een erfstelling of legaat over de hand, die verkrijgen door de vervulling van een opschortende voorwaarde welke zich aansluit bij de ontbindende voorwaarde van het overlijden van een eerdere verkrijging.
2. De aangifte geschiedt ten kantore van de Inspecteur.

Artikel 32

In het geval, bedoeld bij artikel 14, tweede lid, is hij, die de stichting in het leven roept, verplicht op de wijze, als bij de vorige artikelen bepaald, aangifte te doen ten kantore van de Inspecteur.

Artikel 33

Erfgenamen en legatarissen van de dezelfde overledene, of gezamenlijke verkrijgers bij of na overlijden, of onder de levenden krachtens dezelfde titel, kunnen gezamenlijk aangifte doen bij een door hen allen ondertekend stuk.
Hetzelfde is toepasselijk op de aangifte voor de overgangsbelasting ten opzichte van gezamenlijke verkrijgers.
Er kan geen aangifte bij hetzelfde stuk geschieden van verkrijgingen van meer dan één overledene of schenker.

Artikel 34

(vervallen)

Artikel 35

1. Executeurs van nalatenschappen, die hun woonplaats in Curaçao hebben, zijn, op dezelfde wijze als erfgenamen, legatarissen en andere verkrijgers bij het overlijden, tot het doen van aangifte bevoegd.
2. Wanneer zij van deze bevoegdheid hebben gebruik gemaakt, zijn zij op gelijke wijze als genoemde personen tot vervulling van alle aan deze bij deze landsverordening opgelegde verplichtingen gehouden.
3. (vervallen)

Artikel 36

(vervallen)

Artikel 37

  1. Zij, die zaken of waarden onder zich hebben met de opdracht om die bij het overlijden van een ingezetene van Curaçao niet in de boedel te brengen, zijn verplicht een schriftelijke, ondertekende aangifte in te leveren, behelzende: de naam en de voornamen van de overleden bewaargever of de overleden echtgenoot van de bewaargever, met wie hij in algehele gemeenschap was gehuwd, diens laatste woonplaats, een specifieke omschrijving van de zaken of waarden, de titel waaronder zij de zaken of waarden onder zich hadden en een nauwkeurige aanwijzing van de bestemming van de zaken of waarden. Deze aangifte moet worden ingeleverd ten kantore van de Inspecteur, binnen de termijn van één maand na aanmaning bij deurwaardersexploot en in ieder geval vóórdat de tot de aangifte verplichten de zaken of waarden uit handen geven of op enige andere wijze aan de opdracht gevolg geven.
  2. De Inspecteur is bevoegd de inhoud van deze aangifte aan de erfgenamen van de overledene en aan de executeur of door de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap, zo deze aangifte gedaan heeft, mede te delen; zomede aan legatarissen en andere verkrijgers, voor zover zij belanghebbenden daarbij zijn.
  3. Bij niet-inlevering van de aangifte binnen de gemelde termijn en bij onvolledigheid of onnauwkeurigheid van de aangifte zijn zij, die tot het inleveren verplicht zijn, hoofdelijk aansprakelijk voor de belasting, die ter zake van de hiervoor bedoelde zaken of waarden verschuldigd zal zijn. Zij verbeuren bovendien een boete, gelijkstaande met het bedrag van de verschuldigde belasting, doch van ten minste honderd gulden.
  4. (vervallen)

Artikel 38

  1. Het aanvaarden van een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving ontheft niet van de verplichting tot het doen van aangifte, op de wijze en binnen de termijn, bij deze landsverordening voorgeschreven. De verplichtingen worden niet geschorst gedurende de in artikel 192, tweede lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde termijn.
  2. De vervulling van de verplichtingen, uit deze landsverordening voortvloeiende, wordt niet beschouwd als een daad van aanvaarding.
  3. De aangifte, gedaan door de erfgenaam of legataris, die vervolgens verwerpt, vervalt.
  4. De kosten van vervolging tegen erfgenamen of legatarissen, ingesteld vóórdat zij verwierpen, blijven te hunnen laste, indien de vervolging alleen uit hoofde van de verwerping is gestaakt.

 

Artikelen 39 en 40

(vervallen)

Artikel 41

  1. De Inspecteur stelt de termijn voor het doen van aangifte ter zake van verkrijgingen door overlijden zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan zes maanden na de dag van overlijden.
  2. De Inspecteur kan in bijzondere gevallen op verzoek de termijn van aangifte verlengen.
  3. Indien zwangerschap oorzaak is, dat onzekerheid bestaat omtrent de persoon van de erfgenaam of legataris of de heffing van de belasting, gaat de termijn in op de dag van de bevalling of, indien de vrouw vroeger mocht overlijden, op de dag van haar overlijden of, indien geen van beiden op de driehonderdenzesde dag na de dood van de erflater mocht hebben plaatsgehad, alsdan op de eerste daaropvolgende dag.
  4. De in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden loopt niet gedurende de tijd dat de nalatenschap onbeheerd is gelaten en geen vereffenaar is benoemd. Indien verkregen wordt ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde, van aanvaarding nadat eerst verwerping had plaatsgehad, van een afstand door een verkrijger onder een ontbindende voorwaarde als bedoeld in de aanhef van artikel 23, onder 1°, ten behoeve van de verwachters, van de uitoefening van een wilsrecht voortspruitende uit ten sterfdage of ten tijde van de verkrijging bestaande of ontstane rechtsverhoudingen, dan wel ten gevolge van de toepassing van artikel 33 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, gaat de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden in op de dag waarop één van die gebeurtenissen plaatsvindt.
  5. De Inspecteur stelt de termijn voor het doen van aangifte ter zake van verkrijgingen anders dan door overlijden zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan drie maanden na de dag van de rechtshandeling waaruit de vermogensvermeerdering voortvloeit en in geval van artikel 14, tweede lid, drie maanden na de dagtekening van de akte waarbij de stichting in het leven is geroepen.

Artikelen 42 tot en met 55

(vervallen)

Hoofdstuk IV
Bedrag van de Belasting

Artikel 56

1. Van de successiebelasting is vrijgesteld:
1°. hetgeen door het Land wordt verkregen;
2°. elke schenking of making uitsluitend ten behoeve van de oorlogvoering door het Koninkrijk of ten behoeve van de nodige wederopbouw of de leniging van de nood ten gevolge daarvan;
3°. al wat in vruchtgebruik of bij wijze van periodieke uitkering wordt verkregen, zo de verkrijger of ander persoon van wiens leven het genot afhangt sterft, vóórdat des verkrijgers genot zes maanden heeft geduurd. Ingeval van later overlijden wordt vrijstelling verleend voor dat gedeelte van de belasting, hetwelk het voordeel door de verkrijger, blijkens daarvan overgelegde bewijzen genoten, te boven gaat;
4°. de waarde van de onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, waarover in Nederland de belasting op de overgang bij overlijden wordt bewezen te zijn betaald geworden, doch alleen voor zover die in het actief voorkomende waarde, naar evenredigheid, in het zuiver saldo is begrepen;
Ingeval het onder 3° bedoelde overlijden plaats heeft of de onder dat nummer en onder 4° bedoelde bewijzen geleverd worden na de betaling van de belasting, geschiedt teruggave, wanneer deze wordt gevraagd binnen de termijn, voor de verjaring bepaald.
5°. schenkingen van roerende zaken tot persoonlijk gebruik van de begiftigde, mits tot geen hogere waarde dan Cg 10.000,- aan bloedverwanten in de rechte neerdalende lijn, ouders en schoonouders en Cg 2.000,- in alle andere gevallen;
6°. hetgeen wordt verkregen door een in Curaçao gevestigde kerkelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling;
7°. hetgeen wordt verkregen van een in het vorige onderdeel bedoelde instelling voor zover betreft uitkeringen door die rechtspersoon gedaan op grond van haar reglement of stichtingsbrief;
8°. hetgeen wordt verkregen van een particulier fonds;
9°. hetgeen door een begunstigde wordt verkregen van een trust als bedoeld in titel 6 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of naar soortgelijk buitenlands recht;
10°. de waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling alsmede de waarde van lijfrenten alsmede de waarde van aanspraken op uitkeringen uit lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrekeningen, voor zover toekomende aan de partner of gewezen partner of een bloed- of aanverwant in de rechte lijn. Als partner in de zin van deze bepaling wordt aangemerkt de echtgenoot, alsmede de levenspartner.
2. Van de overgangsbelasting is vrijgesteld hetgeen door het Land wordt verkregen.

Artikel 57

(vervallen)

Artikel 58

  1. De successiebelasting wordt geheven naar de bloedverwantschap of betrekking van huwelijk of levenspartnerschap tussen verkrijger en degene, van wie of door wiens vrijgevigheid is verkregen, of volgens deze landsverordening geacht wordt te zijn verkregen.
  2. Voor de toepassing van deze landsverordening is in de gevallen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, degene, van wie wordt verkregen, de overleden echtgenoot of levenspartner.
  3. Verkrijgingen krachtens erfrecht door echtelieden of levenspartners worden voor de berekening van de successiebelasting aangemerkt als verkrijging door één van de echtelieden of levenspartners en bij verschil in graad, door degene van hen met wie de erflater het naast verwant is.
  4. Voor de berekening van de successiebelasting in het geval van verkrijging bij wijze van schenking, worden echtelieden of levenspartners als één en dezelfde persoon aangemerkt. De belasting wordt alsdan berekend naar het naaste verwantschap tussen schenker of diens echtgenoot of levenspartner en de begiftigde of diens echtgenoot of levenspartner.
  5. Het vierde lid is niet van toepassing op schenkingen van een echtgenoot of levenspartner aan zijn echtgenoot of levenspartner.

Artikel 59

Bij verkrijging, anders dan als erfgenaam ab intestato, wordt, indien tussen de verkrijger en degene, van wie of door wiens vrijgevigheid verkregen wordt, de betrekking van huwelijk en tevens die van bloedverwantschap of wel meer dan een betrekking van bloedverwantschap bestaat, het voor de belastingschuldige gunstigste tarief toegepast.

Artikel 60

Voor de berekening van de successiebelasting wordt het bedrag van de vermogensvermeerdering, dat tot grondslag van de heffing moet strekken, vooraf verminderd:
a. indien verkregen als erfgenaam of legataris:
1°. voor bloed- en aanverwanten in de rechte neerdalende lijn, ouders en schoonouders met Cg 80.000,-;
2°. voor de overblijvende echtgenoot, of levenspartner met Cg 240.000,-;
3°. in alle andere gevallen met Cg 8.000,-.
b. indien verkregen bij wijze van schenking:
1°. voor de echtgenoot, levenspartner en bloed- en aanverwanten in de rechte neerdalende lijn, ouders, groot- en schoonouders jaarlijks Cg 20.000,- met dien verstande dat bij opvolgende schenkingen in hetzelfde jaar, door en aan dezelfde persoon gedaan, op de tweede en volgende schenkingen deze vermindering slechts wordt toegepast, voor zover dit niet reeds bij vroegere schenkingen is geschied;
2°. in alle andere gevallen met jaarlijks Cg 8.000,- met dien verstande, dat bij opvolgende schenkingen in hetzelfde jaar, door en aan dezelfde persoon gedaan, op de tweede en volgende schenkingen deze vermindering slechts wordt toegepast, voor zover dit niet reeds bij vroegere schenkingen is geschied.

Artikel 60A

Behalve in de gevallen bij deze landsverordening voorzien, wordt vermindering van de aanslag verleend, indien en voor zover ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde, van de uitoefening van een op de wet berustend terugvorderingsrecht, van de toepassing van artikel 33 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek of van de uitoefening van een wilsrecht, voortspruitende uit ten sterfdage of ten tijde van de verkrijging reeds bestaande of ontstane rechtsverhoudingen, anders dan door opvolging krachtens een voorwaarde als bedoeld in de aanhef van artikel 23, ten 1e, wijziging wordt gebracht in de persoon van de verkrijger of in het verkregene. De eerste volzin is niet van toepassing bij de uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 61

  1. De successiebelasting wordt bij een belastbare grondslag van schenking dan wel erfenis, na aftrek van het bedrag van de vrijstelling progressief geheven aan de hand van de navolgende tabel:

 

Bij de verkrijging als: Bloed- en aanverwanten in de rechte neerdalende lijn of de overblijvende echtgenoot of levenspartner Bloed- en aanverwanten in de rechte opgaande lijn (Schoon-) broers of (schoon-) zusters Broeders- of zusters-

kind of klein-kinderen

In alle andere gevallen
Wanneer de vermogens-vermeerdering

bedraagt:

% % % % %
tot Cg 50.000,- 2 3 4 6 8
Cg 50.001,- tot

Cg 250.000,-

4 6 8 12 16
Cg 250.001,- en hoger 6 9 12 18 24
  1. In afwijking van het eerste lid wordt bij een verkrijging door een particulier fonds de belasting geheven naar een tarief van 25%.
  2. In afwijking van het eerste lid wordt bij een verkrijging door een trust als bedoeld in titel 6 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of naar soortgelijk buitenlands recht de belasting geheven naar een tarief van 25%.

Artikel 62

Indien in het geval van verwerping, hetzij door de verkrijger, hetzij door diens rechtverkregenhebbenden, of van afstand als bij artikel 2, onder 2°, bedoeld, minder successiebelasting zou schuldig zijn dan zonder verwerping of afstand, wordt wegens de verkrijging het belastingbedrag geheven, dat verschuldigd zou geweest zijn, indien generlei verwerping of geen afstand had plaatsgehad. De eerste volzin is niet van toepassing indien op de voet van artikel 18 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek wordt afgezien van een wettelijke verdeling van de nalatenschap overeenkomstig artikel 13 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 63

  1. Voor de toepassing van deze landsverordening worden gelijkgesteld:
  2. wettelijk erkende natuurlijke kinderen, met wettige kinderen, mits de bewijzen van de erkenning bij de aangifte worden overgelegd;
  3. niet-erkende natuurlijke kinderen, met wettige kinderen, mits de afstamming vaststaat;
  4. twee personen die ingevolge artikel 1A als elkanders levenspartners worden aangemerkt, met gehuwden;
  5. aanverwanten van een echtgenoot of levenspartner, met een bloedverwant, met dien verstande dat deze gelijkstelling eindigt ingeval het partnerschap dat de aanverwantschap deed ontstaan anders dan door overlijden is geëindigd;
  6. pleegkinderen met kinderen die in familierechtelijke betrekking tot de pleegouder staan, mits die vóór het tijdstip waarop zij de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt dan wel het tijdstip waarop zij vóór die leeftijd in het huwelijk zijn getreden, gedurende ten minste een aaneengesloten periode van vijf jaren uitsluitend door de pleegouder, dan wel uitsluitend door hem en zijn echtgenoot of levenspartner tezamen, als een eigen kind zijn onderhouden en opgevoed.
  7. Gewettigde kinderen worden, voor toepassing van deze landsverordening, beschouwd als uit het huwelijk te zijn geboren.

Artikel 64

Wanneer bij een aangifte door de aangever wordt verklaard, dat er onzekerheid bestaat omtrent de bloedverwantschap of omtrent de persoon, die erft of verkrijgt, wordt naar de onderscheidingen van de in artikel 61 voorkomende tabel het hoogste percentage, dat in verband met de betrekkingen van huwelijk of bloedverwantschap schuldig zou kunnen zijn, geheven; behoudens teruggave van hetgeen naderhand blijkt te veel betaald te zijn, zo deze teruggave wordt gevraagd binnen de termijn voor de verjaring bepaald, of, ingeval van rechtsgedingen over de erfenis of de verkrijging, binnen een jaar na het eindvonnis.

Artikel 65

De overgangsbelasting bedraagt acht ten honderd.

Hoofdstuk V

Belastingschuld, aansprakelijkheid, betaling,

teruggave en verjaring

Artikel 66

De successie- en overgangsbelastingen zijn verschuldigd door iedere verkrijger voor hetgeen door hem wordt verkregen, voor zover daaromtrent geen andere bepalingen bij uiterste wil of overeenkomst zijn gemaakt.

Artikel 67

  1. Wanneer goederen niet zijnde registergoederen, inschrijvingen op de Grootboeken der Nationale Schuld uitgezonderd, als erfgenaam of legataris van een ingezetene van Curaçao onder de last van vruchtgebruik worden verkregen en de vruchtgebruiker door de insteller is ontheven van het stellen van zekerheid, is hij, die die goederen heeft geërfd of verkregen, niettemin bevoegd om na de betaling van de wegens deze verkrijging verschuldigde successiebelasting te vorderen, dat de vruchtgebruiker binnen een maand te zijnen behoeve voldoende zekerheid stelle als bij artikel 206 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld, ten belope van het bedrag van de betaalde belasting; tenzij de vruchtgebruiker dit bedrag binnen een maand na de aangifte van de verkrijging tegen hoogstens vier ten honderd ’s jaars heeft voorgeschoten met opeisbaarheid bij het einde van het vruchtgebruik. Bij gebreke van een of ander zijn de artikelen 813-819 van het Burgerlijk Wetboek ten deze toepasselijk.
  2. (vervallen)

Artikel 68

1. Voor de betaling van de successiebelasting zijn tegenover het Land aansprakelijk:
1°. elke erfgenaam, legataris of andere verkrijger voor de belasting wegens zijn verkrijging verschuldigd en elke erfgenaam tevens ten belope van zijn verkrijging voor de belasting bij het overlijden door de mede-erfgenamen en legatarissen verschuldigd.
De aansprakelijkheid van legatarissen en andere verkrijgers is hoofdelijk voor hetgeen door hen gezamenlijk wordt verkregen.
2°. de erfgenaam hoofdelijk:
a. voor de belasting, bij het overlijden van de erflater verschuldigd door de erfgenamen en legatarissen, die niet hun woonplaats in Curaçao hebben. Zij hebben op de door laatstgenoemden verkregen zaken voorrecht, onmiddellijk rang nemende na de landskas, bij artikel 75 bepaald en op de voet van dat artikel;
b. voor de belasting, bij het overlijden verschuldigd in de gevallen bedoeld bij artikel 64.
2. Ingeval van schenking is tegenover het Land de schenker met de bevoordeelde hoofdelijk voor de betaling van de successiebelasting aansprakelijk.

Artikel 69

Voor de betaling van de overgangsbelasting zijn tegenover het Land aansprakelijk de verkrijgers, elk voor de belasting wegens zijn verkrijging verschuldigd en, bij gezamenlijke verkrijging, alle verkrijgers hoofdelijk.

Artikel 70

In het geval bedoeld bij artikel 14, tweede lid, is de stichter voor de verschuldigde successie- of overgangsbelasting tegenover het Land aansprakelijk.

Artikel 71

In alle niet uitdrukkelijk genoemde gevallen zijn tegenover het Land de schuldenaren aansprakelijk en gezamenlijke legatarissen of andere gezamenlijke verkrijgers hoofdelijk.

Artikel 72

De aansprakelijkheid, bij de artikelen 68-71 bepaald, strekt zich uit tot de boeten van de belasting, met uitzondering van die wegens te late betaling door anderen verschuldigd.

Artikelen 73 en 74

(vervallen)

Artikel 75

  1. ‘s Landskas heeft, te rekenen van elke aan successiebelasting onderworpen verkrijging, voor de successiebelasting en de boeten een voorrecht op alle verkregen goederen, onmiddellijk rang nemende na alle op dat ogenblik bestaande voorrechten, met uitzondering van die van de artikelen 287 en 288, onder a, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
  2. Dat voorrecht vervalt met twee jaren na de dag van de verkrijging, tenzij binnen die termijn vervolgingen mochten zijn aangevangen, en in dit laatste geval met twee jaren na de betekening van de laatste akte.
  3. ‘s Landskas heeft voor de overgangsbelasting en de boeten op dezelfde voet als bij het eerste lid bepaald, voorrecht op de zaken, voor welker overgang de belasting verschuldigd is.
  4. Indien door de Inspecteur verlenging van de termijn van aangifte of door de Ontvanger verlenging van de termijn van betaling is verleend, wordt de duur van het hier bepaalde voorrecht van rechtswege met de tijd van het uitstel verlengd.

Artikel 76

Het Land is bevoegd om voor de successie- en overgangsbelastingen en de verhogingen conservatoir beslag te leggen.

Artikelen 77 en 78

(vervallen)

Artikel 79

  1. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen nadere regels ter uitvoering van deze landsverordening worden vastgesteld, tenzij bij landsverordening anders is bepaald.
  2. Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt in het Publicatieblad geplaatst.

Artikel 80

Behalve in de gevallen, bij deze landsverordening voorzien, kan de belasting noch verminderd, noch teruggegeven worden dan:
1°. ingeval de landsverordening niet juist is toegepast;
2°. indien en voor zover als het verkregene ten gevolge van de vervulling van een aan de verkrijging verbonden voorwaarde, van verwerping, van vernietiging in rechte van een uiterste wil of rechtshandeling, of van herroeping of tenietdoening van een schenking, door anderen wordt verkregen of tot anderen terugkeert.

Artikel 81

  1. In afwijking van het bepaalde in de Algemene landsverordening Landsbelastingen kan een navordering worden opgelegd, indien geen aangifte is gedaan, binnen vijf jaar na de inschrijving van de akte van overlijden in de registers van de burgerlijke stand in Curaçao of na de dag waarop stukken waaruit het overlijden, de rechtshandeling of het andere feit waardoor de belastingschuld is ontstaan, ter kennis zijn gekomen van de ambtenaar bij wie aangifte had moeten worden gedaan indien het overlijden, de rechtshandeling of het andere feit buiten Curaçao heeft plaatsgehad.
  2. Het recht tot navordering vervalt vijftien jaar na het overlijden, de rechtshandeling of de feiten, bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 81A

Tegen een beschikking genomen krachtens deze landsverordening, staat voor belanghebbende binnen zes weken na de dag waarop deze is gegeven, beroep open bij het Gerecht.

Artikel 82

(vervallen)

Artikel 83

De bepalingen van deze landsverordening zijn mede toepasselijk op de overgangen van goederen met vruchtgebruik of periodieke uitkeringen belast; op erfenissen of verkrijgingen, ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde; op de verkrijging van vruchtgebruik en periodieke uitkeringen bij opvolging en op overgang van fideï-commis, onder deze landsverordening plaats hebbende, al mocht ook de oorspronkelijke insteller of erflater reeds vroeger overleden zijn.

Artikel 84

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Successiebelastingverordening 1908.

Artikel 85

(vervallen)

Naar boven