Algemene Verordening I. U. en D. 1908 - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Algemene Verordening I. U. en D. 1908

Publicatienummer: P.B. 2026, no. 69 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsverordening
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 13-11-2025
Datum inwerktreding: 01-01-1909
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK IV Belastingen )


LANDSBESLUIT van de 13de november 2025, no. 25/2802, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Algemene Verordening I. U. en D. 1908

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats                              Zittingsjaar
01 januari 1909 n.v.t. n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2026, no 69 (GT)  

HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen

Artikel 1

 

Voor de toepassing van deze landsverordening wordt verstaan onder:

binnenland                 :           het Land Curaçao;

buitenland:                             tenzij anders is bepaald, al hetgeen buiten het Land Curaçao is      gelegen;

rechten                        :           zowel invoerrechten als accijnzen;

ambtenaren                :           elke ambtenaar der Invoerrechten en Accijnzen;

Inspecteur                   :           de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen;

Ontvanger                  :           de Ontvanger;

Inspectie                     :           de dienst der Invoerrechten en Accijnzen;

aangifte                       :           de specifieke aangifte bedoeld bij artikel 54;

schip                           :           elk vaartuig, onder welke benaming ook bekend, alsmede elk luchtvaartuig;

lichters                        :           vaartuigen, waarin uit binnengekomen schepen goederen worden overgezet;

visitatie                       :           het onderzoek van de goederen;

verificatie                    :           de grondige opneming van de samenstelling, hoedanigheid en hoeveelheid van de goederen;

roeiïng                         :           de bepaling van de inhoud van een lichaam uit de afmetingen of door waterijking;

peiling                         :           de bepaling van de gedeeltelijke inhoud van een lichaam uit de afmetingen;

invoeren                     :           het brengen in het vrije verkeer, voor zover zulks, behoudens voor wat betreft de toepassing van de artikelen 97 en 98 van deze landsverordening, geschiedt in het land Curaçao, zowel rechtstreeks uit het buitenland, als na voorafgaande opslag in entrepot;

wettelijke regelingen  :           de wettelijke regelingen inzake de douane en de accijnzen alsmede de wettelijke bepalingen waarin de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen zijn aangewezen als toezichthoudend ambtenaar;

gebouwen                   :           bouwwerken alsmede onroerende tanks en de daarbij behorende leidingen;

besloten terreinen       :           terreinen die door gebouwen dan wel door muren, schuttingen of dergelijke afsluitingen van de openbare weg zijn afgescheiden;

erf                                :           het onmiddellijk aan een woning of een ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terrein;

Minister                      :           de Minister van Financiën;

(vervallen)

woning                       :           de tot bewoning bestemde ruimte die gevormd wordt door een slaapplaats en alle vertrekken en overdekte ruimten die daarmee samen één geheel vormen. Tot bewoning bestemde gedeelten van vervoermiddelen worden niet aangemerkt als woning.

Artikel 2

  1. De bepalingen omtrent de in-, uit- en doorvoer zijn toepasselijk op alle goederen, die zich bevinden binnen het gebied van Curaçao.
  2. De invoerrechten en accijnzen zijn verschuldigd zo menigmaal de goederen in Curaçao worden ingevoerd.

 

Artikel 3

In de termijnen bij deze landsverordening bepaald worden zaterdagen, zondagen en de krachtens de Arbeidsregeling 2000 met zondag gelijkgestelde dagen niet meegerekend.

Artikel 4

  1. De gewone diensttijd voor de dienst der Invoerrechten en Accijnzen is van 07.00 uur tot 12.00 uur en van 13.00 uur tot 16.00 uur.
  2. De kantooruren worden geregeld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.

Artikel 5

1. Ter uitvoering van deze landsverordening of andere wettelijke regelingen op de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen, komen de volgende kosten van dienstverlening ten laste van belanghebbende:
a. buiten de gewone diensttijd;
b. op zaterdagen, zondagen en de krachtens de Arbeidsregeling 2000 met zondag gelijkgestelde dagen;
c. op andere plaatsen dan in artikel 11 genoemd;
d. bij verrichten op verzoek en ten gerieve van belanghebbenden;
e. bij werkzaamheden in een entrepot, of in een bergplaats onder genot van krediet voor accijnzen.
2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels vastgesteld met betrekking tot de kosten, bedoeld in het eerste lid.
3. De ontvangen gelden overeenkomstig hetgeen bij of krachtens dit artikel wordt bepaald, komen ten gunste van ’s landskas.

Artikel 6

Onverminderd de bepalingen van deze landsverordening zijn op de in-, uit- en doorvoer van accijnsgoederen ook toepasselijk de bepalingen van de bijzondere landsverordeningen op de accijnzen.

Artikel 7

Onverminderd de bepalingen van deze landsverordening zijn op de invoer van goederen de regels gesteld in de Landsverordening tarief van invoerrechten van toepassing, tenzij anders bepaald.

Artikel 8

  1. De Minister van Financiën stelt de modellen vast van akten van inklaring, vrachtlijsten, doorvoerlijsten en het Enig Document alsmede van alle andere documenten en stukken, krachtens deze landsverordening op te maken.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld ten aanzien van het gebruik van het Enig Document en kan een vergoeding worden vastgesteld, tegen betaling waarvan de in het eerste lid bedoelde documenten en overige stukken verkrijgbaar zijn.

Artikel 9

Buiten Curaçao gevestigde stoomvaartmaatschappijen zijn verplicht bij ondergetekende gezegelde verklaring, te deponeren ter Inspectie, domicilie op Curaçao te kiezen voor alles wat de uitvoering van deze landsverordening of van andere wettelijke regelingen omtrent de in, uit- en doorvoer en de accijnzen betreft. Bij gebreke daarvan worden zij geacht voor gemelde doeleinden domicilie te hebben gekozen ter Inspectie.

Artikel 10

(vervallen)

 

HOOFDSTUK II
Invoer

Algemene bepalingen

Artikel 11

1. Behoudens vergunning door de Inspecteur op schriftelijke aanvrage voor elk bijzonder geval te verlenen, onder zodanige voorwaarden als hij wenselijk zal achten, mogen in Curaçao geen goederen worden ingevoerd anders dan:
1° te water: in de haven van Willemstad.
2° door de lucht: op door de Minister van Financiën aan te wijzen vliegvelden.
3° (vervallen)
2. De in het eerste lid bedoelde vergunning wordt niet verleend, wanneer zich onder de lading accijnsgoederen bevinden.

Artikel 11a

(vervallen)

Eerste afdeling
Inklaring

Artikel 12

  1. Binnen zes uren na aankomst van een schip moet de schipper het schip inklaren bij de daartoe door de Inspecteur aangewezen ambtenaar, onder vertoning van de scheepspapieren en van de ladingspapieren van alle goederen, die zich in het schip bevinden, onverschillig of die goederen al dan niet aan invoerrecht of accijns onderworpen zijn.
  2. Schepen, die binnen zes uren vóór de sluitingstijd van het kantoor zijn aangekomen, kunnen, en schepen, na de sluitingstijd van het kantoor aangekomen, moeten worden ingeklaard op de eerstvolgende kantoordag vóór 10 uur des voormiddags.
  3. Indien de inklaring wordt verlangd buiten de kantoortijd of op krachtens de Arbeidsregeling 2000 met de zondag gelijkgestelde dagen, wordt aan dat verlangen voldaan.

Artikel 13

De Inspecteur is bevoegd de inklaring terstond na aankomst van een schip te vorderen. Indien daaraan niet wordt voldaan, zal het schip worden bewaakt.

Artikel 14

  1. Van de inklaring wordt een akte in duplo opgemaakt, te ondertekenen door de schipper en de ambtenaar tot inklaring, houdende de naam van de schipper; de naam, het domicilie, tonnenmaat, de plaatsing van inlading en de plaats van bestemming van het schip; de lijst van alle ingeladen goederen met vermelding van de soort volgens de algemene handelsbenaming; het getal, de soort en de merken van de colli en losse voorwerpen of wel, dat de goederen gestort zijn en alsdan van hun hoeveelheid.
  2. Voor schepen, in ballast aangekomen, vervangt de vermelding van die omstandigheid de opgave van de goederen.
  3. De inklaring kan ook geschieden door overgifte van een dubbel van de manifesten en de cognossementen, in welk geval in de akte, met beknopte omschrijving van de aan een exemplaar daarvan te hechten stukken en vermelding van het aantal, daarnaar wordt verwezen.

Artikel 15

De akte van inklaring wordt aangezuiverd door lossing van de daarin vermelde goederen, overeenkomstig de bepalingen van deze landsverordening.

Artikel 16

  1. De goederen, die bij de inklaring worden opgegeven als onbekend of onder de algemene benaming van koopmanschappen zullen worden gelood, verzegeld, of bewaakt tot bij de lossing op behoorlijke aangifte door de belanghebbenden, desnoods na bezichtiging, of tot de opslag onder beheer van de Inspectie op de voet van de zevende afdeling van dit hoofdstuk.
  2. De loden of zegels zullen niet op de fusten of emballages, maar op de luiken van het schip en op alle verdere toegangen tot de plaats, alwaar aan boord de goederen zich bevinden, zoveel nodig worden gesteld, indien de omstandigheden zulks in het belang van de handel ter beoordeling van de Inspecteur wenselijk maken.

Artikel 17

De schippers van de in het binnenland thuis behorende vissersvaartuigen, van de visvangst terugkerende, zijn niet onderworpen aan inklaring, zo zij niets anders aan boord hebben dan vis, de zaken, tot uitoefening van hun bedrijf behorende en de scheepsprovisie, die geacht worden tot verbruik aan boord door de bemanning te dienen; doch wel aan visitatie, waartoe zij van hun aankomst terstond en vóór alle lossing aan de politie moeten kennis geven.

Artikel 18

1. Behoudens het recht van visitatie zijn aan inklaring niet onderworpen:
a. in het binnenland thuis behorende jachten en pleziervaartuigen, en zodanige vreemde vaartuigen, die tot erkende jachtclubs behoren, behalve wanneer passagiers of koopmansgoederen worden vervoerd;
b. sleepboten, mits geen andere goederen aan boord hebbende dan de gewone scheepsprovisie;
c. loodsvaartuigen;
d. oorlogsschepen, behalve wanneer koopmansgoederen worden vervoerd, welke niet tot gebruik van de officieren en verdere bemanning bestemd zijn.
2. Aan stoomschepen, die enkel binnenkomen om een mail af te geven of in te nemen en aan die, welke enkel binnenkomen om kolen in te laden, kan door de Inspecteur vrijstelling van inklaring worden verleend en zulks voor elk bijzonder geval.
3. In de in het vorig lid bedoelde gevallen zal steeds bewaking worden toegepast en zullen de schippers gehouden zijn, zo dikwijls zulks door of namens de Inspecteur wordt verlangd, de ladingspapieren te vertonen.
4. De binnenkomst van de in het eerste lid, onder a, bedoelde vaartuigen dient onverwijld te worden gemeld aan een door de Inspecteur aangewezen ambtenaar.

Artikel 19

  1. Indien goederen aan de kusten worden geborgen of opgevist, afkomstig uit gestrande of verongelukte schepen of uit nood in zee geworpen, moeten degenen die zulks verrichten of het toezicht er over hebben, daarvan zo spoedig mogelijk kennisgeven aan de ambtenaren.
  2. Geen goederen zullen als strandgoederen worden erkend, die, anders dan na aankomst en met medeweten van de ambtenaren, verder landwaarts mochten zijn gebracht dan waar zij tegen verdere beschadiging van het water zijn bevrijd.
  3. Wanneer goederen uit schepen, op de kusten gestrand of verongelukt, in vaartuigen overgenomen zijn, zullen de schippers van die vaartuigen, die aan dezelfde verplichtingen als inkomende zeeschippers onderworpen zijn, de goederen moeten brengen naar een van de plaatsen in artikel 11 vermeld en van hun aankomst terstond of vóór alle lossing aan de Inspecteur kennis geven.
  4. De aard en de hoeveelheid van de goederen zal in elk geval zodra mogelijk ten overstaan van de ambtenaren worden onderzocht en van de bevinding door hen proces-verbaal worden opgemaakt.

Artikel 20

  1. De goederen in het vorige artikel bedoeld, kunnen worden gesteld onder het medetoezicht van de Inspectie ten koste van de rechthebbenden. Deze zijn bevoegd tot wederuitvoer, vrij van alle invoerrechten en accijnzen, binnen de door de Inspecteur te bepalen tijd en desgevorderd onder zekerheidstelling.
  2. Indien de goederen niet binnen de bepaalde tijd zijn wederuitgevoerd of wanneer zij niet onder het medetoezicht van de Inspectie zijn gesteld, zullen zij voor het invoerrecht en de accijns worden gelijkgesteld met ingevoerde goederen.
  3. Indien zich onder de goederen zodanige bevinden, waarvan de invoer is verboden, wordt daarmee gehandeld als bij de zevende afdeling van dit hoofdstuk bepaald.

Artikel 21

  1. Voor zover blijkt, dat strandgoederen zijn geladen geweest in schepen, van een van de plaatsen, in artikel 11 bedoeld, vertrokken, doch op de uitreis verongelukt en dat invoerrecht en accijns zijn betaald, zullen de goederen vrij zijn van invoerrecht en accijns en wat de accijns betreft, beschouwd worden als niet uitgevoerd te zijn geweest.
  2. Voor doorgevoerde goederen, die niet weder worden uitgevoerd, zullen de invoerrechten en accijnzen verschuldigd zijn.

Artikel 22

  1. Schepen, naar elders bestemd, die binnenvallen uit nood of om orders, kunnen met hun lading vertrekken zonder betaling van invoerrecht en accijns, doch zal inmiddels plombering, verzegeling of bewaking worden toegepast. Wanneer het geheel of een gedeelte van de lading bestemd wordt tot lossing om niet weder te worden ingenomen, zullen de gewone bepalingen toepasselijk zijn.
  2. Wanneer die schepen uit een van de plaatsen, in artikel 11 genoemd, vertrokken zijn, zullen de goederen voor zover blijkt, dat zij in bedoelde plaatsen in de schepen zijn geladen geweest en invoerrecht en accijns zijn betaald, vrij zijn van invoerrecht en accijns en zullen overigens de gewone bepalingen van toepassing zijn.

Artikel 23

Omtrent de inklaring en verdere behandeling van reisbagage en passagiersgoed en de invoer van handelsmonsters en kleine pakken tijdschriften worden de nodige voorschriften vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.

Tweede afdeling
Lossing

Artikel 24

  1. De lossing kan slechts geschieden op werkdagen van voormiddags 6 tot namiddags 6 uur: op andere dagen en uren slechts met vergunning van de Inspecteur.
  2. De lossing moet geschieden in de haven, de ligplaats van de schepen wordt nader aangewezen door de Havenmeester in overleg met de Inspecteur.
  3. In bijzondere gevallen kan de Inspecteur vergunnen om elders te lossen, in welk geval de lading gedurende de reis naar de bijzondere losplaats onder verzegeling of bewaking kan worden gesteld en de kosten van bewaking en toezicht door de ambtenaren ten laste van belanghebbende komen. Deze vergunning wordt niet verleend voor accijnsgoederen.

Artikel 25

  1. Met de lossing mag niet worden aangevangen dan in tegenwoordigheid of met medeweten van de ambtenaren belast met de visitatie.
  2. (vervallen)

Artikel 26

Indien de lossing van enig schip niet is volbracht binnen twee maal 24 uren na de inklaring, zal bewaking toegepast worden.

Artikel 27

  1. Vóór alle lossing zal aangifte moeten geschieden en overigens gehandeld worden zoals bij de vijfde afdeling is voorgeschreven.
  2. In het geval bedoeld bij artikel 16 zal de lossing van die goederen kunnen plaats hebben op een consent na een voorlopige aangifte, waarin de goederen zijn omschreven met al zodanige bijzonderheden als de aangever bekend zijn.

Artikel 28

  1. Vóór alle lossing kan vergunning worden verzocht tot herstel van een abuis, dat bij de inklaring mocht zijn begaan.
  2. De Inspecteur zal bij wege van aantekening op de akte van inklaring herstel toestaan, wanneer het abuis naar zijn oordeel niet aan frauduleuze oogmerken is toe te schrijven.

Artikel 29

  1. Geen schipper zal, buiten onvermijdelijke noodzakelijkheid in het geval van storm of andere onvoorziene omstandigheden, zijn lading geheel of gedeeltelijk mogen overzetten in lichterschepen zonder consent van de Inspecteur.
  2. De lichterschepen en hun lossing zijn aan gelijk toezicht onderworpen, als de schepen, waaruit gelicht wordt.

Artikel 30

  1. Wanneer iemand verlangt goederen van boord van een oorlogschip aan de wal te brengen, is hij verplicht daarvan vooraf aangifte te doen overeenkomstig de vijfde afdeling van dit hoofdstuk met gelijktijdige betaling van de wegens die goederen verschuldigde invoerrechten en accijnzen.
  2. Eerst na betaling wordt tot de lossing overgegaan; deze mag niet geschieden zonder voorkennis van de ambtenaren, aan wie de kwitanties van betaalde belasting moeten worden vertoond.
  3. Overigens zijn de bepalingen van de vijfde, zesde en zevende afdeling van dit hoofdstuk toepasselijk.

Derde afdeling
Inklaring met vrachtlijsten

Artikel 31

  1. In plaats van de inklaring, op de wijze bij artikel 14 bepaald, kunnen de schippers bij de inklaring een of meer door hen ondertekende vrachtlijsten inleveren voor alle goederen, die zich in het schip bevinden.
  2. In dit geval wordt in de akte van inklaring, met vermelding van het aantal, naar de daaraan te hechten vrachtlijsten verwezen, en gelden overigens de bepalingen van deze en de volgende afdeling.

Artikel 32

1. De vrachtlijsten moeten voor elke partij goederen vermelden:
a. het volgnummer;
b. de soort van de goederen volgens de algemene handelsbenaming;
c. de soort, het getal, de merken en de nummers van de colli of losse voorwerpen, of wel dat de goederen gestort zijn;
d. het bruto gewicht of de kubieke maat: de laatste echter alleen voor goederen, die in de handel naar die maatstaf worden verkocht, of waarvoor de ladingspapieren geen andere maatstaf vermelden.
2. Geschillen over de vraag, of goederen al of niet gestort zijn, worden beslist door de Inspecteur.
3. Verschillende merken kunnen alleen dan in één partij bijeen worden vermeld, wanneer de colli van dezelfde soort zijn en goederen van één soort inhouden.
4. Voor colli, die verschillende soorten van goederen inhouden, behoeft alleen de soort te worden genoemd, die het grootste gedeelte van de inhoud uitmaakt, mits daarbij wordt vermeld: “en andere goederen”. Goederen, aan accijns onderworpen, worden echter altijd met name genoemd.

Artikel 33

De goederen mogen in de vrachtlijsten niet als onbekend of onder de algemene benaming van koopmanschappen worden aangegeven, tenzij de schippers de soort daarvan niet kennen en ladingspapieren geen aanwijzing daaromtrent bevatten. De ladingspapieren moeten ten bewijze daarvan aan de ambtenaren worden vertoond zo dikwijls zij zulks verlangen.

Artikel 34

  1. Wanneer de goederen, waarvan de soort in de vrachtlijsten vermeld is, in de handel gewoonlijk per stuk of bij de maat verkocht worden, kan in het eerste geval het getal stuks en in het tweede geval de hoeveelheid volgens de gebruikelijke maat worden opgegeven.
  2. Ook behoeft het gewicht of de kubieke maat niet te worden opgegeven van colli, die volgens benaming, herkomst en handelsgebruik ten naaste bij dezelfde inhoud hebben.
  3. De hoeveelheid van de goederen kan ook in vreemd gewicht of vreemde maat worden uitgedrukt.
  4. Zijn de schippers niet in staat, om de hoeveelheid van de goederen volgens artikel 32, letter d, of dit artikel op te geven, dan vermelden zij dit in de vrachtlijsten. Het tweede lid van het vorige artikel is ten deze van toepassing.

Artikel 35

De vrachtlijsten worden naar verkiezing van de schippers in de Nederlandse, Spaanse, Engelse, Italiaanse, Duitse of Franse taal, doch steeds in het Nederlandse letterschrift ingevuld.

Artikel 36

De vrachtlijsten worden in duplo ingeleverd en gehecht aan de akte van inklaring.

Artikel 37

  1. De Inspecteur kan bij wege van aantekening op de akte van inklaring vergunning geven tot herstel van abuizen in de vrachtlijsten, mits de aanvrage daartoe geschiedt binnen 24 uren na de aankomst van de goederen op de losplaats en de fout naar overtuiging van de Inspecteurs niet aan frauduleuze oogmerken is toe te schrijven.
  2. De vergunning wordt niet verleend, wanneer de lossing reeds is aangevangen, tenzij in geval van tijdelijke opslag volgens de volgende afdelingen gedurende of terstond na de lossing het abuis is medegedeeld aan de ambtenaren belast met de visitatie.

Artikel 38

De akte van inklaring wordt aangezuiverd door lossing volgens de bepalingen van de volgende afdeling van dit, of de tweede afdeling van het vierde hoofdstuk.

Artikel 39

Wanneer bij de lossing voor goederen in colli verschillen in meer of minder, meer dan een tiende bedragende, worden bevonden op het bruto gewicht of de kubieke maat, in de vrachtlijsten vermeld, of wel op de hoeveelheid volgens artikel 34, eerste lid, in die lijsten opgegeven, worden de schippers geacht deze landsverordening te hebben overtreden, onverminderd de aansprakelijkheid van hen, die aangifte doen, overeenkomstig de vijfde afdeling van dit hoofdstuk.

Artikel 40

  1. Bij inklaring volgens deze afdeling kan de Inspecteur in spoedeisende gevallen voor de aanzuivering van de akte van inklaring een bewijs afgeven, dat de vertrekpas vervangt, nadat zekerheid is gesteld voor de rechten en accijnzen en de kosten, die wegens het niet-aanzuiveren van de akte van inklaring verschuldigd kunnen worden.
  2. Een dergelijk bewijs kan onder dezelfde voorwaarden steeds worden verleend ten behoeve van stoombootdiensten, in welker vaarplan het binnenland is opgenomen.

Artikel 41

  1. Voor stoomschepen in geregelde dienst van Stoomvaartondernemingen, in welker vaarplan het binnenland is opgenomen, die binnenkomen enkel om goederen bij te laden of passagiers te ontschepen of op te nemen en daarna weer zee te kiezen, behoeven de vrachtlijsten alleen te vermelden de soort en het getal van de colli of van de losse voorwerpen en de soort en de hoeveelheid van de gestorte goederen.
  2. In de in het vorig lid bedoelde gevallen zal steeds bewaking worden toegepast en zullen de schippers gehouden zijn, zo dikwijls zulks door of namens de Inspecteur wordt verlangd, de ladingspapieren te vertonen.
  3. Wanneer wegens averij, verandering van bestemming of andere dergelijke redenen de lading geheel of gedeeltelijk moet worden gelost, kan de Inspecteur, onder de nodige voorzieningen op kosten van de schippers, vergunning daartoe verlenen, mits voor de goederen, die niet met hetzelfde schip worden uitgevoerd, alsnog een nadere akte van inklaring wordt ingeleverd, met bijvoeging van vrachtlijsten, overeenkomstig artikel 31.
  4. De inlevering van zodanige vrachtlijsten voor de gehele lading is verplicht wanneer deze schepen om andere dan de bedoelde redenen last breken of langer dan acht dagen verblijven en zijn alsdan de gewone regels omtrent de invoer toepasselijk.
  5. De Inspecteur kan bij uitzondering toestaan, dat voor enkele colli de akte van inklaring wordt aangezuiverd door lossing overeenkomstig de bepalingen van deze landsverordening.

Artikel 42

Het bepaalde bij het vorige artikel is ook toepasselijk op schepen, die uit nood binnenvallen of om orders.

Artikel 43

Wanneer in een vrachtlijst goederen niet juist zijn omschreven, kan de Inspecteur machtiging verlenen, dat tot aanzuivering van de betrokken akte van inklaring of vrachtlijst, documenten worden afgegeven of aangenomen, waarin de juiste omschrijving van de goederen voorkomt, behoudens bekeuring wegens het niet overeenstemmen van de goederen met de vrachtlijst tegen degene, die voor deze overeenstemming aansprakelijk is. Verschillen tussen de goederen en de vrachtlijsten, welke blijkbaar enkel het gevolg van een schrijffout zijn, kunnen op verzoek van de belanghebbende bij de goederen, zonder bekeuring, door de Inspecteur bij wege van aantekening worden hersteld.

Vierde afdeling
Lossing en tijdelijke opslag

Artikel 44

De goederen, volgens de bepalingen van de vorige afdeling ingeklaard, kunnen zonder voorafgaande nadere aangifte door de schippers worden gelost en tijdelijk opgeslagen met inachtneming van de volgende bepalingen.

Artikel 45

  1. De tijdelijke opslag geschiedt in lokalen of op afgesloten terreinen van een gouvernementsentrepot.
  2. Gelijke opslag kan geschieden in een particulier lokaal of op een voor afsluiting vatbaar particulier terrein, welke door de Inspecteur moeten worden goedgekeurd, onder wederzijdse sluiting vanwege de Inspecteur en de belanghebbende. Tot deze lokalen en terreinen hebben de ambtenaren te allen tijde toegang.
  3. Indien zodanig lokaal of terrein niet voor behoorlijke afsluiting vatbaar is, kan niettemin de opslag aldaar met vergunning van de Inspecteur worden toegelaten onder gedurige bewaking.
  4. Tot de tijdelijke opslag kunnen ook worden toegelaten lichters, die volgens de voorschriften van de Inspecteur kunnen worden gesloten en verzegeld en open lichters onder bewaking van de ambtenaren; de eersten worden gelijk gesteld met de lokalen in het tweede, de anderen met die in het derde lid genoemd.
  5. Wanneer de gelegenheid ontbreekt tot opslag volgens de vorige leden van dit artikel, kan de Inspecteur toestaan, dat de goederen op de wal worden opgeslagen onder bewaking van de ambtenaren; deze vergunning wordt slechts verleend voor de daarin te vermelden tijd, die niet langer mag worden gesteld dan onvermijdelijk is en worden de goederen zo spoedig mogelijk met de vrachtlijsten vergeleken.
  6. Goederen, waarvan de soort of hoeveelheid niet vooraf in de vrachtlijsten is vermeld, komen voor opslag in een particulier lokaal of op een particulier terrein, die niet voor behoorlijke afsluiting vatbaar zijn, of voor opslag op de wal, niet in aanmerking.
  7. Goederen van licht-ontvlambare aard zullen, indien de Inspectie het nodig acht, door belanghebbende en anders op hun kosten door de Inspectie worden vervoerd naar de daarvoor aangewezen bijzondere bergplaatsen, welke voor de tijdelijke opslag worden gelijkgesteld met de lokalen in het eerste of tweede lid van dit artikel bedoeld.

Artikel 46

1. De tijdelijke opslag volgens het voorgaande artikel duurt in het geval van:
a. het eerste lid hoogstens dertig dagen;
b. het tweede lid hoogstens vijf dagen;
c. het derde lid hoogstens twee dagen.
2. Deze termijnen kunnen in bijzondere gevallen door de Inspecteur worden verlengd.
3. Indien de vrachtlijsten, waarmee de goederen zijn opgeslagen, niet binnen de ingevolge het eerste en het tweede lid gestelde termijn zijn aangezuiverd, kunnen de douaneautoriteiten artikel 121a of artikel 195, toepassen.

Artikel 47

  1. De schippers zorgen, dat geen goederen worden vervoerd op andere wijze dan bij artikel 48 is toegelaten. Wanneer een maatschappij of een ander persoon dan de schipper zich in het geval van tijdelijke opslag belast met het beheer van de goederen, vermeld in de vrachtlijsten, stelt die persoon of maatschappij vóór de lossing op een exemplaar van de akte van inklaring een ondertekende verklaring, waarin zij of hij de aansprakelijkheid voor de aanzuivering van de vrachtlijst overneemt.
  2. Bij verschillen, als bij artikel 39 bedoeld, tussen de voorhanden goederen en die welke volgens de vrachtlijsten aanwezig moeten zijn, worden de schippers of andere aansprakelijke personen geacht deze landsverordening te hebben overtreden, onverminderd dezelfde aansprakelijkheid als bij het slot van artikel 39 bedoeld.

Artikel 48

1. De vrachtlijsten worden aangezuiverd:
a. door het wegvoeren van de goederen met documenten, verkregen na aangifte volgens de bepalingen van de vijfde afdeling;
b. door het uitvoeren van de goederen overeenkomstig de bepalingen van de tweede afdeling van het vierde hoofdstuk;
c. door de inbewaringneming van de goederen overeenkomstig artikel 121a;
d. op de wijze bij artikel 49 bedoeld.
2. Het wegvoeren van de goederen mag slechts geschieden met voorkennis van de ambtenaren belast met de visitatie.
3. De ambtenaren stellen op de vrachtlijsten aantekeningen van de documenten, waarmee het wegvoeren plaats heeft.

Artikel 49

  1. De vrachtlijsten voor goederen, tijdelijk opgeslagen volgens artikel 45, eerste lid, kunnen ook worden aangezuiverd door de schriftelijke verklaring van de belanghebbende, dat hij de goederen in entrepot wil opslagen.
  2. Met de inlevering van deze verklaring voor “gezien” getekend door de ambtenaren met de visitatie belast, eindigt de tijdelijke opslag van de goederen en worden deze zonder nadere aangifte gelijk gesteld met de goederen, die in entrepot zijn opgeslagen.
  3. De in de accijnsverordeningen bepaalde minima voor opslag, in- en uitslag uit entrepot gelden hier niet.
  4. Goederen, waarvan de soort of hoeveelheid niet in de vrachtlijsten is vermeld, komen voor toepassing van dit artikel niet in aanmerking, tenzij de vrachtlijst vooraf met die vermelding wordt aangevuld.

Artikel 50

  1. Onverminderd de straf wegens verschillen tussen de opgeslagen goederen en de vrachtlijsten wordt bij dergelijke strafbare verschillen het volgende in acht genomen.
  2. Wegens de goederen, minder bevonden dan in de vrachtlijsten vermeld, zijn de invoerders of de andere personen of maatschappijen, die zich met het beheer van de goederen belast hebben, gehouden tot voldoening van het bedrag van de volgens artikel 187 door hen gestelde zekerheid. Het alzo verschuldigde voor een gedeelte van een partij wordt berekend in verhouding tot het bedrag van de zekerheid voor de gehele partij. Verschillen op het bruto gewicht of de kubieke maat van colli blijven hier buiten aanmerking.
  3. De meer bevonden colli, losse voorwerpen of gestorte goederen worden, na zekerheidstelling op de voet van artikel 187 door de Inspecteur op de vrachtlijsten ingeschreven en verder op dezelfde wijze als de overige goederen behandeld.
  4. Bij de weigering van de zekerheidstelling worden de meer bevonden goederen behandeld overeenkomstig artikel 96.

Artikel 51

  1. De goederen op de voet van deze afdeling tijdelijk opgeslagen, mogen niet ontpakt of verpakt worden dan voor zover dit nodig is voor de visitatie of verificatie.
  2. De Inspecteur kan hierop uitzondering toelaten, wanneer dit wegens beschadiging of andere reden nodig is.

Artikel 52

(vervallen)

Vijfde afdeling
Aangifte

Eerste onderafdeling
Algemene Bepalingen

 Artikel 53

  1. De aangifte ten kantore moet, desnoods na bezichtiging, worden gedaan bij schriftelijke opgave, ondertekend door de beheerder van de goederen, als zodanig in staat dezelve ter visitatie aan te bieden, hetzij koopman, geconsigneerde, schipper, of bij de Inspectie toegelaten konvooilopers, expediteurs of cargadoors, mits vermeldende de naam van degene, voor wie de aangifte geschiedt, of door bijzondere gemachtigde. In de gevallen waarin dat overeenkomstig de navolgende bepalingen is voorgeschreven of toegestaan, wordt de aangifte elektronisch gedaan.
  2. Voor accijnsgoederen en voor goederen, vrij van invoerrecht en accijns, moeten afzonderlijke aangifte geschieden.
  3. In een aangifte kunnen slechts worden begrepen goederen, die met dezelfde akte van inklaring zijn ingevoerd.
  4. Indien een aangifte wordt gedaan door een bijzondere gemachtigde, kan overlegging van een schriftelijke volmacht gevorderd worden. In elk geval is de lasthebber met de lastgever hoofdelijk aansprakelijk.
  5. Aangiften ten invoer kunnen met inachtneming van de navolgende voorschriften door degenen die daartoe vergunning hebben gekregen, elektronisch worden gedaan. De vergunning wordt door de Inspecteur bij beschikking verleend. In de vergunning kunnen nadere voorwaarden en bepalingen worden gesteld. De vergunning is slechts geldig voor de in die vergunning aangeduide aansluiting(en) op het systeem voor het doen van elektronische aangiften.
  6. Een elektronische aangifte kan niet als aangifte dienen indien in het elektronische bericht dat de aangifte inhoudt niet een persoon die vergunning heeft verkregen tot het doen van elektronische aangiften als aangever is aangeduid of indien het bericht is verzonden vanuit een aansluiting waarvoor de desbetreffende vergunning niet geldt.
  7. Indien een aangifte ten invoer elektronisch wordt gedaan, moet de aangever op het tijdstip waarop die aangifte wordt gedaan, de bescheiden die ingevolge wettelijke regelingen op de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen moeten worden overgelegd in zijn bezit hebben. De Inspecteur bepaalt waar en op welke wijze de bescheiden moeten worden overgelegd.
  8. De minister kan voor de aansluiting op het systeem een vergoeding vaststellen welke overeenkomt met de normale kostprijs voor een dergelijke aansluiting.

Artikel 54

1. De aangifte, in de Nederlandse taal te stellen, moet inhouden:
a. de naam van het schip, waarmee de goederen zijn vervoerd en van de schipper;
b. de plaats of het land, vanwaar de goederen zijn aangebracht;
c. een juiste specificatie van de goederen onder hun ware en bijzondere benaming; in geen geval mogen goederen tot verschillende rubrieken van het tarief behorende, of onder afzonderlijke volgnummers van een akte van inklaring, vracht- of doorvoerlijst voorkomende, bijeen worden gevoegd;
d. het getal en de merken van de stuks balen, pakken, vaten, manden, kisten enz. met onderscheiding van de halve, kwarten of andere gedeelten;
e. het gewicht of de maat volgens het metrieke stelsel of wel het getal stuks of andere aanduiding van de hoeveelheid, al naar gelang de goederen gewoonlijk verhandeld worden, voor elke soort met bijzondere benaming afzonderlijk; de vreemde maat of gewicht kan tevens worden uitgedrukt;
f. de waarde van de goederen voor iedere soort afzonderlijk, berekend volgens de bepalingen van de Landsverordening tarief van invoerrechten.
2. Voor kramerij, glas- en aardewerk en andere dergelijke artikelen, ter beoordeling van de Inspecteur, beneden tweehonderd gulden waarde, behoeft geen afzonderlijke waarde voor de verschillende onderdelen te worden opgegeven.
3. Voor opslag van goederen in entrepot, of, voor zover accijnsgoederen betreft, inslag op krediet, zal daarvan uitdrukkelijk in de aangifte moeten worden melding gemaakt.
4. Bij de aangifte worden alle facturen, vrachtbieven, pakkingslijsten, certificaten en overige documenten en bewijsstukken ingediend en worden alle inlichtingen verstrekt die noodzakelijk zijn voor de heffing van de verschuldigde rechten, alsmede voor de beoordeling of aan wettelijke regelingen wordt voldaan. De Inspecteur is, ten behoeve van het voorgaande, te allen tijde bevoegd de overlegging van nadere bewijsstukken te vorderen.
5. Op de facturen, genoemd in het vierde lid, worden, voor zover van toepassing, op duidelijke en overzichtelijke wijze, de volgende gegevens vermeld:
a. de datum waarop de factuur is uitgereikt;
b. een doorlopend genummerd uniek factuurnummer;
c. de naam of handelsnaam, het adres, het belastingidentificatienummer en een toegekend registratienummer van de leverancier die de levering verricht;
d. de naam of handelsnaam en het adres van de afnemer van de levering;
e. een duidelijke omschrijving van de geleverde goederen;
f. de leveringsvoorwaarden;
g. de betalingscondities;
h. de hoeveelheid van de geleverde goederen;
i. de eenheidsprijs exclusief belastingen;
j. de geldende GS-code en indien een vrijstelling van rechten van toepassing is dan wel de rechten voor de afnemer worden geheven, enige vermelding daarvan;
k. het totaal door de afnemer te betalen bedrag.
De facturen zijn opgemaakt in één van de talen, Papiamentu, Nederlands, Engels of Spaans, dan wel zijn vertaald naar één van deze talen.
6. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen met betrekking tot de eisen genoemd in het vijfde lid nadere regels worden vastgesteld.
7. De Inspecteur kan facturen die niet aan de eisen genoemd in het vijfde lid voldoen, verwerpen en alsdan niet kiezen voor vaststelling van de douanewaarde met toepassing van de transactiewaardemethode, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, van de Landsverordening tarief van invoerrechten. Indien de Inspecteur voornemens is een andere waarde dan de transactiewaarde te hanteren, dan worden de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hierover te worden gehoord en nadere bewijsstukken aan te leveren ter vaststelling van een correcte waarde.

Artikel 55

  1. Omtrent de inkomende accijnsvrije goederen kan de aangever desverkiezende volstaan met zich ten opzichte van de maat, het gewicht of het aantal stuks te gedragen naar de door de ambtenaren op zijn kosten op te maken hoeveelheid, voor hetwelk een consent tot lossing zal worden afgegeven, op de achterzijde waarvan de bevonden hoeveelheid zal worden uitgedrukt, waarnaar vervolgens de betaling van de invoerrechten zal geschieden.
  2. Bij het voorhanden zijn van een groot aantal vaten, kisten of balen van eenzelfde soort van goederen, uiterlijk genoegzaam van dezelfde zwaarte of grootte, kan worden toegestaan dat de opneming geschiedt bij overslag naar de bevonden maat of gewicht van vijf tot tien stuks per honderd, behoorlijk gevuld en door de ambtenaren aan te wijzen.
  3. Gestorte goederen bij het gewicht belast, kunnen worden opgenomen volgens de maat bij overslag van de zwaarte van een zeker getal maten.
  4. In geval van grondige verificatie geschiedt daarnaar de berekening van de rechten.
  5. Van accijnsgoederen moet altijd grondige verificatie plaats hebben.

Artikel 56

(vervallen)

Artikel 57

In het geval van beschadiging van de goederen op de reis kan, voordat de aangever de goederen tot zich genomen heeft, een nieuwe aangifte naar de waarde of van de hoeveelheid in beschadigde toestand worden toegelaten.

Artikel 58

Het is de aangever van accijnsvrije goederen geoorloofd zijn aangifte te veranderen, tot het moment dat hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de aangifte aan een controle zal worden onderworpen.

Tweede onderafdeling
Waarde

Artikel 59 tot en met artikel 83

 (vervallen)

Derde onderafdeling
Wegvoering van de goederen

Artikel 84

  1. Na behoorlijke aangifte zullen de aangever naar de omstandigheden worden afgegeven kwitanties van betaalde rechten, paspoorten of andere documenten, waarin het aantal van de colli, de maat of het gewicht, de waarde, alsmede de dag van afgifte in cijfers kunnen worden vermeld, of voor een en ander naar de aan te hechten aangiften zal worden verwezen.
  2. De door de Inspecteur als geboekt of voor gezien getekende aangiften zullen de kracht hebben van documenten.
  3. In alle documenten zal de tijd worden uitgedrukt voor welke zij geldig zijn en die in redelijkheid zal worden gesteld, naarmate van het gebruik, waarvoor zij moeten dienen; behoudens in bijzondere gevallen de verlenging door de Inspecteur.
  4. Geen document zal worden afgegeven, wanneer de aangifte niet voor het geheel of aangegeven gedeelte, in soort van goederen en getal van colli of losse voorwerpen, of in hoeveelheid van gestorte goederen overeenstemt met de akte van inklaring of de vrachtlijsten; zal de aangever in dat geval door de Inspecteur worden gehoord ter ontdekking van de redenen van het verschil; wanneer die voldoende worden bevonden, zal de afgifte van het document dadelijk volgen.

Artikel 85

De documenten hebben geen kracht vóór 6 uur voormiddags of na 6 uur namiddags, noch op zaterdagen, zondagen, of krachtens de Arbeidsregeling 2000 met de zondag gelijkgestelde dagen, tenzij de Inspecteur de vergunning op het document heeft gesteld.

Artikel 86

  1. De documenten zullen moeten worden gesteld in handen van de ambtenaren met de verificatie belast, teneinde vóór de wegvoering of opslag in entrepot de verificatie te doen.
  2. Kan de lossing, wegvoering of opslag niet vóór 6 uur des namiddags worden volbracht, dan zullen de documenten ten kantore van de Inspecteur worden gebracht en zal de belanghebbende daarvan een bewijs worden afgegeven.

Artikel 87

(vervallen)

Zesde afdeling
Accijnsgoederen

Artikel 88

Altijd bij invoer, en verder wanneer zulks bij deze landsverordening is voorgeschreven of ter verzekering van invoerrecht en accijns door de Inspecteur nodig wordt geacht, moet de hoeveelheid en hoedanigheid van accijnsgoederen worden opgemaakt door verificatie. Daartoe wordt na de aangifte een consent tot lossing afgegeven.

Artikel 89

  1. Bij invoer van dranken zullen de fusten moeten worden geroeid en de inhoud van alle onregelmatig vaatwerk of waarin anders de dranken zich bevinden, worden geverifieerd en de hoedanigheid van de dranken door proeving en opneming van de sterkte onderzocht.
  2. De belanghebbende zal desverkiezende de fusten, van klaarblijkelijk gelijke inhoud in tegenwoordigheid van de ambtenaren kunnen aanvullen, mits zich daaromtrent vóór de lossing verklarende, als wanneer het voldoende zal zijn, dat van een zelfde partij vijf tot tien percent van de fusten worden berekend.

Artikel 90

De ambtenaren zullen van hun bevinding verklaring stellen op de achterzijde van de documenten en deze verklaring zal tot grondslag strekken van de betalingen, debiteringen, zekerheidstellingen, afschrijvingen en restituties volgens deze en de bijzondere landsverordeningen.

Artikel 91

  1. Wanneer de belanghebbende zich bezwaard acht met de uitslag van de verificatie van de goederen, gelijk mede een ambtenaar zal oordelen dat de rechten van het Land zijn verkort, zal een herverificatie ten koste van ongelijk kunnen worden gevorderd; doch zal alsdan de gehele partij opnieuw moeten worden geverifieerd, behalve dat gedeelte van een partij in een vrachtlijst vermeld, dat reeds vroeger is weggevoerd.
  2. Deze tweede opneming zal door een andere ambtenaar dan die de eerste opneming deed, worden verricht en beslissend zijn, tenzij het verschil mocht bestaan in de sterkte van het gedistilleerd.
  3. In het laatste geval zal een van de partijen kunnen vorderen, dat een monster van de dranken, waarover verschil bestaat, verzegeld, naar de Inspectie wordt opgezonden en dat door een deskundige, op verzoek van de Inspecteur, te benoemen door de Rechter in eerste aanleg, zal worden beslist.
  4. Indien het verschil tussen de eerste en tweede opneming of tussen de tweede opneming en de uitslag van het onderzoek van de deskundige, bij het vorige lid bedoeld, minder dan een vijfentwintigste bedraagt, komen de kosten ten laste van degene, die de aanvrage heeft gedaan.

Zevende afdeling
Verboden goederen

Artikel 92

Goederen, waarvan de invoer is verboden, doch bij de inklaring of aangifte gebracht onder hun ware en bijzondere benaming, kunnen, tenzij wettelijke regelingen zich daartegen verzetten, dadelijk weer worden teruggevoerd of, verzegeld of bewaakt, of op kosten van de belanghebbenden naar een overheidsbergplaats overgebracht.

Artikel 93

Binnen tweemaal 24 uren – en voor zover goederen aan spoedig bederf onderhevig betreft, ten spoedigste – na de overbrenging worden de goederen ambtelijk en in tegenwoordigheid van de belanghebbende, zo hij zich daartoe aanmeldt, geïnventariseerd.

Artikel 94

  1. De goederen zullen in de overheidsbergplaats mogen blijven gedurende een maand na de inventarisatie, die echter, welke aan spoedig bederf onderhevig zijn, hoogstens 24 uren, ter beoordeling van de Inspecteur.
  2. Binnen de tijd, bedoeld in het eerste lid, zullen de goederen worden teruggevoerd behoudens de bepalingen van de bijzondere landsverordeningen.

Artikel 95

  1. Na afloop van de termijn, in het vorige artikel gesteld, zal de Inspecteur met autorisatie van de Rechter in eerste aanleg, welke op schriftelijk verzoek en na summier onderzoek omtrent de inachtneming van de voorgeschreven formaliteiten zal worden verleend, doen overgaan tot de verkoop van de dan nog niet opgeëiste goederen.
  2. De verkoop zal niet geschieden dan na drie opeenvolgende oproepingen van drie tot drie weken en aan te plakken aan het kantoor, behalve van goederen, aan spoedig bederf onderhevig, die zonder autorisatie onmiddellijk kunnen worden verkocht.
  3. De verkoop moet in het openbaar met inachtneming van de plaatselijke gebruiken geschieden.
  4. Goederen waarvan de invoer is verboden, worden verkocht onder voorwaarden van verzekerde terugvoer. Wordt aan de gestelde voorwaarden niet voldaan, dan worden de goederen in beslag genomen en zonder rechtsvervolgingen verbeurdverklaard en vernietigd.
  5. Vernietiging zal eveneens plaats hebben van de goederen, die onverkocht blijven, alsmede van accijnsgoederen, waarvoor niet minstens het bedrag van de verschuldigde accijns kan verkregen worden.
  6. De opbrengst van de goederen, na aftrek van alle kosten, waaronder huur van de overheidsbergplaats, en wat niet verboden goederen betreft, tevens van de verschuldigde invoerrechten en accijnzen, blijft gedurende een jaar na de verkoop ter beschikking van degenen, die bewijzen daarop recht te hebben en vervalt na die tijd aan ’s landskas.

Artikel 96

(vervallen)

Artikel 97

(vervallen)

 

Artikel 98

(vervallen)

Achtste afdeling
Bewaking en verzegeling

Artikel 99

(vervallen)

Artikel 100

1. In de gevallen, waarin de bewaking, verzegeling of plombering bij dit hoofdstuk is bevolen, zal zulks geschieden op kosten van het Land.
2. Hiervan zijn uitgezonderd:
a. de kosten van bewaking, welke moet worden toegepast, omdat de inrichting van de schepen geen plombering of verzegeling toelaat.
b. de kosten van bewaking, verzegeling of plombering van schepen in de gevallen van de artikelen 16 en 22.
c. de kosten van bewaking in de gevallen van de artikelen 13, 18, 26, 41, 42, 45 en 92.
In deze gevallen worden die kosten ten laste van belanghebbenden berekend naar een tarief, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen.

Artikel 101

(vervallen)

Artikel 102

(vervallen)

Negende afdeling
Verboden nederlagen

Artikel 103

  1. Behoudens bijzondere schriftelijke vergunning van de Inspecteur, is het verboden magazijnen of nederlagen van goederen te hebben buiten het stadsdistrict.
  2. De grenzen van de gemelde plaatsen zullen worden aangewezen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. Het terrein buiten deze grenzen wordt hierna verder aangeduid als “onvrij terrein”.

Artikel 104

Het bij het vorige artikel bepaalde verbod is niet van toepassing op:
a. goederen, niet aan invoerrecht of accijns onderhevig;
b. nederlagen van zout, delfstoffen en door natuurvorming in of boven de grond aanwezige meststoffen;
c. producten van de grond;
d. accijnsvrije goederen, waarmee een koopman of winkelier zijn kleinhandel drijft, mits de hoeveelheid niet meer bedraagt dan gerekend kan worden voor zijn debiet nodig te zijn;
e. accijnsvrije verbruiksartikelen bij particulieren tot hun huiselijk gebruik aanwezig;
f. accijnsvrije grondstoffen of voortbrengselen van de op het bedoelde verboden terrein bestaande fabrieken.

Artikel 105

1. Het verbod van artikel 103 zal zich wat accijnsgoederen betreft niet uitstrekken tot:
a. de goederen, die kooplieden en winkeliers voor hun handel nodig hebben, mits de inslag wordt gejustificeerd op de wijze en met documenten, als bij de bijzondere wettelijke regelingen betreffende de accijnzen voorgeschreven.
b. fabrikanten en kooplieden, voor goederen, wegens welke zij krediet voor accijns genieten;
c. goederen, bij particulieren tot huiselijk gebruik voorhanden, onder bepaling echter, dat door documenten niet ouder dan drie maanden, zal moeten worden gejustificeerd de inslag van gedistilleerd, wanneer de hoeveelheid groter is dan 3 liter ad 50% sterkte; bij hogere sterkte een hoeveelheid, die na herleiding 3 liter ad 50% bedraagt; voor eigenaars of huurders van plantages zal echter de hoeveelheid zijn 12 liters.
2. Echter wordt in elk geval als verboden nederlaag aangemerkt alle gedistilleerd van hogere sterkte dan 70%, niet door wettige documenten gedekt.
3. De tijd van drie maanden voor de geldigheid van de documenten kan op verzoek van de houders door de Inspecteur worden verlengd.

Artikel 106

  1. Op het onvrije terrein zal geen fabriek of trafiek mogen worden opgericht zonder toestemming van de Minister van Financiën.
  2. Een verleende vergunning kan door de Minister van Financiën worden ingetrokken in het geval van veroordeling van de fabrikant of trafikant wegens overtreding van de wettelijke regelingen op de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen.
  3. Wanneer het bedrijf niet is gestaakt binnen de tijd, daarvoor door de Minister van Financiën bepaald, wordt de fabriek of trafiek geacht, zonder voorafgaande toestemming te zijn opgericht.

Artikel 107

(vervallen)

Artikel 108

(vervallen)

Artikel 109

(vervallen)

Artikel 110

  1. Ieder, die op het onvrije terrein een winkel, of nering, of andere inrichting, waarin accijnsgoederen worden verkocht, wil oprichten of hebben, moet een schriftelijk verzoek tot vergunning daarvoor indienen bij de Inspecteur, die zo spoedig mogelijk beslist.
  2. Op de beslissing van de Inspecteur staat hoger beroep open bij het Gerecht.
  3. Artikel 106, tweede en derde lid, is ten deze toepasselijk.

Artikel 111

  1. De kooplieden en winkeliers op het onvrije terrein zullen ten aanzien van gedistilleerd, volgens artikel 105 hun inslag moeten bewijzen door documenten op hun naam afgegeven.
  2. Wanneer de uitslag in eens aan dezelfde persoon gedaan meer bedraagt dan 2 liter gedistilleerd, zal dit niet mogen geschieden zonder een behoorlijk document afgegeven door de bevoegde ambtenaar.
  3. De gemelde ambtenaar zal de documenten, in het vorige lid bedoeld, niet mogen afgeven dan op aanvrage van de koopman of winkelier, op vertoon van documenten, dienende tot justificatie van de inslag en op de achterzijde waarvan de ambtenaar de op de eerstbedoelde documenten vermelde hoeveelheden zal afschrijven.

Tiende afdeling
Ambtelijk bevoegdheden in het kader van toezicht

Algemene Bepalingen

Artikel 112

  1. De ambtenaren dragen bij het verrichten van werkzaamheden bij zich hun legitimatiebewijs, afgegeven door of vanwege de Minister van Justitie.
  2. Het legitimatiebewijs wordt desverlangd aan de belanghebbende getoond.

Artikel 113

  1. Bij alle onderzoekingen en opnemingen van goederen zijn de ambtenaren bevoegd van de goederen monsters te nemen. Op vordering van de belanghebbende zijn de ambtenaren gehouden monsters te nemen.
  2. Bij geschil over de wijze van monsterneming of over de grootte van het monster beslist de Inspecteur.
  3. Het monster of hetgeen daarvan is overgebleven wordt desverlangd, zodra het kan worden gemist, aan de belanghebbende teruggegeven.

Artikel 113a

  1. De Minister is bevoegd voorschriften te geven omtrent de wijze waarop een ambtelijk onderzoek of opneming van goederen of van bepaalde hoedanigheden van goederen of een monsterneming van goederen moet geschieden.
  2. Hij kan ten aanzien van door hem aangewezen onderzoekingen en opnemingen bepalen dat zij zullen worden verricht door andere personen dan de ambtenaren belast met de ambtshandeling waarvoor het onderzoek of de opneming plaats heeft.

.

Artikel 114

  1. De ambtenaren kunnen ter inbeslagneming de uitlevering tegen ontvangstbewijs vorderen van brieven die aan enige instelling van vervoer zijn toevertrouwd.
  2. Aan enige instelling van vervoer toevertrouwde brieven worden zonder goedvinden van de afzender of van de geadresseerde slechts geopend indien de Rechter-commissaris daartoe, op verzoek van de Inspecteur, machtiging heeft verleend.
  3. De in het eerste lid bedoelde vordering wordt slechts gedaan en de in het tweede lid bedoelde machtiging wordt slechts verleend, indien vermoeden bestaat dat zich in de brief goederen bevinden.
  4. Brieven die aan enige instelling van vervoer waren toevertrouwd en waarvan de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd, zullen onverwijld aan de vervoerder ter verzending worden teruggegeven.

Artikel 115

  1. De ambtenaren zijn bevoegd op aangiften, op documenten en op krachtens wettelijke regelingen bijgehouden of opgemaakte registers en andere bescheiden, aantekening te stellen van hun verrichtingen en bevindingen.
  2. Zij zijn bevoegd documenten die niet meer kunnen dienen voor het gebruik waarvoor zij zijn afgegeven, in te trekken. Zij geven desverlangd een bewijs van ontvangst af.

Artikel 115a

  1. De belanghebbende of zijn vertegenwoordiger is gehouden aan de ambtenaren, bij het uitoefenen van hun taak, overeenkomstig hun aanwijzingen en onder hun toezicht de nodige medewerking te verlenen en desgevorderd de daarvoor benodigde werklieden, hulpmiddelen en bijstand kosteloos ter beschikking te stellen. Bij gebreke daarvan kunnen de ambtenaren na overleg met de Inspecteur op kosten van de belanghebbende in het nodige voorzien of, voor zover het verrichten van de werkzaamheden niet in het belang van de administratie is geboden, deze achterwege laten.
  2. Indien de ambtenaren dit voor het deugdelijk verrichten van de werkzaamheden noodzakelijk oordelen, is de belanghebbende gehouden op daartoe gedane vordering de vervoermiddelen of andere goederen ten aanzien waarvan de werkzaamheden worden verricht op zijn kosten over te brengen naar een door de ambtenaren aangewezen plaats.
  3. Het lossen van goederen, het ontpakken, het weder inpakken en alle andere handelingen die nodig zijn opdat de ambtenaren hun werkzaamheden kunnen verrichten, worden door de belanghebbende of onder zijn verantwoordelijkheid verricht.

Artikel 116

1. Eenieder is gehouden desgevraagd aan de ambtenaren:
a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor de toepassing van de wettelijke regelingen te zijnen aanzien van belang zijn;
b. de gegevensdragers of de inhoud daarvan, waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten die van invloed kunnen zijn op de toepassing van de wettelijke regelingen te zijnen aanzien, voor dit doel ter beschikking te stellen.
2. De gevraagde gegevens en inlichtingen worden kosteloos aan de ambtenaren verstrekt.
3. Degene aan wie inzage van gegevensdragers wordt verzocht, wordt geacht die in het bezit te hebben, tenzij hij het tegendeel ten genoegen van de ambtenaren aannemelijk maakt.
4. De ambtenaren stellen de belanghebbende, op wie de verplichting tot het voeren van een administratie als bedoeld in artikel 260c rust, wiens gegevensdragers zij bij een derde voor raadpleging vorderen, hiervan zo spoedig mogelijk in kennis.
5. De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze, zulks naar keuze van de ambtenaren en binnen een door hen te stellen termijn.
6. Degene aan wie inzage van gegevensdragers of de inhoud daarvan wordt verzocht, staat toe dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor de raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan. Indien het maken van kopieën of leesbare afdrukken niet ter plaatse kan geschieden, zijn de ambtenaren bevoegd de gegevensdragers voor dat doel voor korte tijd mee te nemen.
7. Degene die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, een geheimhoudingsplicht heeft, kan zich van het verstrekken van die gegevens onthouden. Ten aanzien van alle overige gegevens gelden de regels van dit artikel onverminderd.
8. In afwijking van het zevende lid, kan in het belang van de openbare orde en veiligheid, geen beroep op de geheimhoudingsplicht worden gedaan.

Artikel 117

  1. De ambtenaren zijn bevoegd in de rechtmatige uitoefening van hun werkzaamheden geweld te gebruiken tegen personen of zaken wanneer het daarmee beoogde doel dit, gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.
  2. De uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn. Alvorens tot aanwending van geweld over te gaan wordt, tenzij de omstandigheden dit niet toelaten, een duidelijke waarschuwing gegeven.
  3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden ter zake nadere regels gesteld.

Artikel 117a

1. Aan lijfsvisitatie door de ambtenaren zijn onderworpen:
a. personen die aanwezig zijn in of op het in artikel 103 bedoelde terrein;
b. personen die zich bevinden in of op een uit het buitenland komend vervoermiddel of deze vervoermiddelen juist hebben verlaten;
c. personen die zich bevinden in of op een naar het buitenland vertrekkend vervoermiddel of die zich in of op een zodanig vervoermiddel begeven;
d. personen die zich bevinden in een economische zone als bedoeld in de Landsverordening economische zones 2000 , of die een economische zone juist hebben verlaten;
e. personen die zich bevinden in een entrepot, dan wel in of op een gebouw, terrein of vervoermiddel waarin of waarop tijdelijke opslag van goederen is toegelaten, alsmede personen die een zodanig entrepot, terrein, gebouw of vervoermiddel juist hebben verlaten;
f. personen die zich bevinden in een fabriek voor aan accijns onderworpen goederen of die zodanige fabriek juist hebben verlaten.
2. Op vordering van de ambtenaren zijn reizigers, begrepen onder de personen als bedoeld in het eerste lid, letters a, b en c, gehouden hun plaats- of vervoerbewijs te vertonen.
3. Lijfsvisitatie geschiedt door ambtenaren van hetzelfde geslacht als dat van de persoon die aan visitatie wordt onderworpen.
4. Personen die aan lijfsvisitatie zijn onderworpen, zijn op eerste vordering van de ambtenaren gehouden stil te staan en deze te volgen naar een door hen aangewezen plaats.
5. (vervallen)
6. Personen die zich binnen de territoriale wateren ophouden, worden voor de toepassing van dit artikel geacht zich te bevinden in een vanuit het buitenland komend vervoermiddel.

Verzegeling en bewaking

Artikel 118

De ambtenaren zijn bevoegd:
a. vervoermiddelen, bergingsmiddelen en verpakkingsmiddelen, of delen daarvan, waarin zich goederen bevinden waarover nog belasting verschuldigd is of kan worden, ten uitvoer aangegeven goederen, of goederen waarvan het vervoer aan beperkende bepalingen is onderworpen, door het aanbrengen van zegels of op andere wijze zodanig te sluiten dat, zonder braak, geen goederen kunnen worden onttrokken of toegevoegd;
b. aan de onder a bedoelde vervoermiddelen, bergingsmiddelen en verpakkingsmiddelen, alsmede aan de aldaar genoemde goederen, herkenningsmerken aan te brengen.

Artikel 118a

  1. Indien een vervoermiddel, bergingsmiddel, verpakkingsmiddel, werktuig, leiding, gebouw of terrein, of deel daarvan, moet of kan worden gesloten en de ambtenaren het voornemen tot sluiting aan de beheerder hebben te kennen gegeven, draagt deze zorg dat een deugdelijke sluiting tot stand wordt gebracht.
  2. Indien een sluiting als bedoeld in het eerste lid, tot stand is gebracht, draagt de beheerder zorg dat deze in stand blijft.
  3. Indien door ambtenaren zegels of merken aan een vervoermiddel, bergingsmiddel, verpakkingsmiddel, werktuig, leiding of gebouw zijn aangebracht, draagt de beheerder zorg dat deze niet worden verwijderd of geschonden.
  4. Ten aanzien van de in het eerste, tweede en derde lid opgelegde verplichtingen kan voor de beheerder niet het bestaan van overmacht worden aangenomen, indien hij niet onverwijld nadat hem bekend is geworden dat geen deugdelijke sluiting is tot stand gebracht, dat de sluiting niet in stand is gebleven of dat de zegels of merken zijn verwijderd of geschonden, daarvan mededeling doet aan een ambtenaar.

Artikel 118b

1. De ambtenaren zijn bevoegd vervoermiddelen te bewaken, waarin of waarop zich goederen bevinden:
a. waarvan nog belasting verschuldigd is of kan worden;
b. waarvoor een aangifte ten uitvoer is gedaan; of
c. waarvan het vervoer aan beperkende bepalingen is onderworpen.
2. De ambtenaren zijn tevens bevoegd goederen als in het eerste lid bedoeld, te bewaken.
3. In geval van bewaking van een schip is de schipper gehouden gedurende de tijd dat de bewakers zich aan boord bevinden, aan ten hoogste drie bewakers kosteloos het onderkomen, het onderhoud en de verzorging welke redelijkerwijs kunnen worden gevorderd, te verschaffen.

Visitatie van gebouwen en terreinen

Artikel 119

  1. De ambtenaren zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs noodzakelijk is, bevoegd de gebouwen, erven en besloten terreinen aan visitatie te onderwerpen, waar zich goederen bevinden of waar deze zich redelijkerwijs kunnen bevinden.
  2. Ter surveillering van de kuststrook dient de ambtenaren op eerste vordering toegang verschaft te worden tot erven en besloten terreinen die aan de kuststrook grenzen.
  3. Teneinde zich toegang te verschaffen tot de in het eerste en tweede lid vermelde gebouwen, erven en besloten terreinen kunnen de ambtenaren zo nodig de hulp van de sterke arm inroepen.
  4. De bevoegdheid tot visitatie strekt zich mede uit tot de gebouwen, erven of besloten terreinen, welke met de in het eerste lid vermelde gebouwen, erven en besloten terreinen middellijk of onmiddellijk gemeenschap hebben.

Artikel 119a

1. Tot het verrichten van een visitatie van een gebouw of erf tussen 18.00 en 06.00 uur is vereist een bijzondere schriftelijke last van de Inspecteur.
2. Een last als in het eerste lid bedoeld, is niet vereist:
a. tot het verrichten van een visitatie gedurende het tijdvak dat ten aanzien van het gebouw of erf een werkaangifte lopende is;
b. tot het verrichten van een visitatie gedurende het tijdvak dat het gebouw of erf ingevolge wettelijke regelingen onder onafgebroken toezicht of bewaking van ambtenaren staat;
c. tot het verrichten van een visitatie van een gebouw of erf waarin of waarop wordt gewerkt;
d. bij achtervolging van personen of goederen die het gebouw of erf binnengaan of daarin worden binnengebracht.

Artikel 119b

  1. Tot het verrichten van een visitatie van een gebouw treden de ambtenaren een woning tegen de wil van de bewoner niet binnen dan voorzien van een daartoe verstrekte bijzondere schriftelijk last van de Inspecteur. Bedoelde last wordt slechts bij dringende noodzakelijkheid verstrekt.
  2. De last houdt in een aanduiding van de woning, alsmede een nauwkeurige omschrijving van het met de visitatie beoogde doel.
  3. De ambtenaren dienen zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van binnentreden.
  4. Van het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner wordt binnen tweemaal vierentwintig uren, onder vermelding van het tijdstip van het binnentreden en van het daarmede beoogde doel, een schriftelijk verslag opgemaakt en een afschrift daarvan aan de bewoner uitgereikt of te zijnen behoeve aan de woning bezorgd.

Artikel 119c

1. Bij visitatie van een gebouw, erf of besloten terrein zijn de ambtenaren bevoegd:
a. het gebouw, erf of besloten terrein, alsmede de daarin of daarop aanwezige voorwerpen en zelfstandigheden, aan alle onderzoekingen en opnemingen te onderwerpen welke zij nodig oordelen;
b. zich te doen vergezellen van door hen aangewezen personen.

Artikel 119d

  1. Bij visitatie van een gebouw, erf of besloten terrein is de gebruiker gehouden op eerste vordering van een ambtenaar deze terstond inzage te verlenen van de registers en andere bescheiden die krachtens enige wettelijk voorschrift omtrent de aldaar voorhanden, ingeslagen of uitgeslagen wordende goederen moeten worden bijgehouden of voorhanden moeten zijn.
  2. Hij aan wie inzage van de in het eerste lid bedoelde registers of andere bescheiden wordt verzocht, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij hij het tegendeel aannemelijk kan maken.

Visitatie en onderzoek bij vervoer

Artikel 120

Aan visitatie door de ambtenaren zijn te allen tijde onderworpen vervoermiddelen die zich niet bevinden in of op een gebouw, erf of besloten terrein. Zo nodig kunnen zij de hulp van de sterke arm inroepen.

Artikel 120a

Ten behoeve van een visitatie is, op eerste vordering van een ambtenaar:
a. de gezagvoerder van een schip dat zich bevindt binnen een afstand van twaalf internationale zeemijlen uit de kust van Curaçao gehouden het schip terstond vaart te doen minderen of te doen bijdraaien;
b. de bestuurder van een ander vervoermiddel dan een schip gehouden dit terstond te doen stilhouden en, indien het vervoermiddel door mechanische kracht wordt voortbewogen, de motor buiten werking te stellen.

Artikel 120b

Bij visitatie van een vervoermiddel zijn de ambtenaren bevoegd:
a. het vervoermiddel, en de daarin of daarop aanwezige voorwerpen en zelfstandigheden, aan onderzoekingen en opnemingen te onderwerpen die zij nodig oordelen;
b. zich te doen vergezellen van door hen aangewezen personen.

Artikel 120c

  1. De ambtenaren zijn bevoegd goederen die, zonder zich in of op een vervoermiddel te bevinden, worden vervoerd, aan de onderzoekingen en opnemingen te onderwerpen die zij nodig oordelen.
  2. Personen die goederen vervoeren die zich niet in of op een vervoermiddel bevinden, zijn op eerste vordering van een ambtenaar gehouden terstond stil te staan.

Artikel 120d

  1. De ambtenaren zijn bevoegd goederen die zonder te worden verplaatst zich elders bevinden dan in of op een gebouw, erf of besloten terrein te onderwerpen aan de onderzoekingen en opnemingen, die zij nodig oordelen.
  2. De persoon onder wiens beheer zich goederen bevinden als in het eerste lid bedoeld, is gehouden op vordering van de ambtenaar terstond stil te staan.

Artikel 120e

  1. Bij de onderzoekingen en opnemingen van goederen die zich in vervoer bevinden, is de gezagvoerder of de bestuurder van het vervoermiddel of de beheerder van de goederen gehouden op eerste vordering van een ambtenaar deze inzage te verlenen van de bij het vervoermiddel of de goederen behorende vracht- of ladingspapieren, alsmede van de bescheiden welke krachtens wettelijke regelingen bij de goederen aanwezig moeten zijn.
  2. Gelijke verplichting als in het eerste lid bedoeld, rust op de persoon onder wiens beheer zich goederen bevinden, die zonder te worden verplaatst, zich elders bevinden dan in of op een gebouw, erf of besloten terrein.
  3. Hij aan wie inzage van de in het eerste lid bedoelde papieren of bescheiden wordt verzocht, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij het tegendeel aannemelijk is.

Vervoermiddelen en voorwerpen
ingericht of bestemd voor smokkel

Artikel 121

  1. Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken alsmede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot hiervoor omschreven doeleinde in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen.
  2. Tot inbeslagneming krachtens het eerste lid zijn, behalve de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen, bevoegd de bij of ingevolge artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren of personen.
  3. Van de inbeslagneming en van de gronden daartoe doet de Inspecteur zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan degene op wie de inbeslagneming heeft plaatsgevonden en, indien dit niet de eigenaar van de goederen is en de identiteit van de eigenaar vaststaat, tevens aan de eigenaar. Ingeval van inbeslagneming op onbekende personen geschiedt die mededeling zo spoedig mogelijk in twee plaatselijk verschijnende dagbladen.
  4. Krachtens het eerste lid in beslag genomen vervoermiddelen en voorwerpen vervallen zonder rechtsvervolging aan het Land tenzij bij een rechterlijke beslissing als is bedoeld in het zevende lid de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd.
  5. De eigenaar van het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp kan binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming, bij het Gerecht in eerste aanleg daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, gegrond op de omstandigheid dat het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp niet beantwoordt aan de omschrijving, vervat in het eerste lid.
  6. Het Gerecht in eerste aanleg beslist zo spoedig mogelijk, na de Inspecteur te hebben gehoord.
  7. Het Gerecht in eerste aanleg zendt onverwijld afschrift van het bezwaarschrift en van zijn beschikking aan de Inspecteur.
  8. De Inspecteur is bevoegd in bijzondere gevallen de aan het Land vervallen vervoermiddelen en voorwerpen, onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven.

Inbewaringneming

Artikel 121a

  1. Indien met betrekking tot goederen, die zich overeenkomstig wettelijke regelingen onder douaneverband bevinden of behoren te bevinden, de belanghebbende bij de goederen nalaat de voorgeschreven verplichtingen na te komen, kunnen de goederen door de ambtenaren worden in bewaring genomen. Indien de belanghebbende bij de goederen bekend is, wordt tot de inbewaringneming niet overgegaan voordat deze is aangemaand de verplichting binnen een bij de aanmaning gestelde termijn na te komen.
  2. Ingeval de belanghebbende bij de goederen onbekend is, worden de goederen terstond in bewaring genomen en wordt hiervan mededeling gedaan in twee plaatselijk verschijnende dagbladen met vermelding van een omschrijving van de goederen en van de voor de goederen gebezigde verpakking. Indien de belanghebbende bij de goederen bekend is, wordt schriftelijk mededeling omtrent de inbewaringneming aan die belanghebbende gedaan.
  3. De Inspecteur treedt op als bewaarnemer en draagt zorg voor de opslag en inventarisatie van die goederen. De opslag geschiedt op kosten van de belanghebbende. In geval van vermis, beschadiging of waardevermindering van de in bewaring genomen goederen kan het Land niet aansprakelijk gesteld worden tenzij zulks te wijten is aan de schuld van de ambtenaren.
  4. Indien niet binnen één maand na de mededeling omtrent de inbewaringneming de verplichtingen alsnog zijn nagekomen, kunnen de goederen in het openbaar en volgens plaatselijk gebruik worden verkocht of in bijzondere gevallen worden vernietigd. Indien de goederen aan spoedige, aanmerkelijke, waardevermindering onderhevig zijn of indien de bewaring of het onderhoud ervan gevaar oplevert dan wel hoge kosten meebrengt, kunnen in afwijking van het derde lid, de goederen onmiddellijk worden verkocht, nadat van het voornemen daartoe op een door de Inspectie te bepalen wijze in het openbaar bekendheid is gegeven.
  5. De opbrengst van de goederen – in geval van uitoefening van het recht van verhaal hetgeen is overgebleven – wordt, na aftrek van de rechten en de kosten, uitgekeerd aan de belanghebbende bij de goederen die binnen een jaar na de mededeling omtrent de inbewaringneming zulks vordert, bij gebreke waarvan de opbrengst of hetgeen is overgebleven aan het Land vervalt. Voor zover de goederen na het verstrijken van die termijn niet zijn verkocht, vervallen de goederen aan het Land.

Artikel 121b

1. De Inspecteur kan een boete opleggen in de navolgende gevallen:
a. indien de belanghebbende niet voldoet aan een hem bij artikel 115a, eerste lid, opgelegde verplichting en de ambtenaren op kosten van de belanghebbende in het nodige hebben voorzien;
b. indien de schipper niet voldoet aan een hem bij artikel 118b, derde lid, opgelegde verplichting.
2. De boete bedraagt ten hoogste vijfhonderd gulden afhankelijk van het aantal malen dat in een periode die niet langer kan zijn dan vijf jaren dezelfde overtreding is begaan.
3. De Inspecteur legt de boete op bij beschikking, waartegen overeenkomstig artikel 128b bezwaar en beroep open staat.

Artikel 121c

De verplichtingen welke volgens deze afdeling bestaan jegens de ambtenaren, gelden mede jegens iedere door of vanwege de Minister aangewezen andere ambtenaren van de belastingdienst.

Artikel 122

  1. Van alle goederen die ingevoerd worden, is invoerrecht verschuldigd door de aangever behalve in de gevallen waarin goederen met vrijstelling van invoerrechten kunnen worden ingevoerd.
  2. De verschuldigdheid bedoeld in het eerste lid ontstaat op het tijdstip van invoer.
  3. Indien rechten waaraan goederen zijn onderworpen ten onrechte niet of tot een te laag bedrag zijn geheven, dan wel een in wettelijke regelingen op de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen voorziene creditering van een goederenrekening ten onrechte heeft plaatsgevonden, of teruggaaf ten onrechte is verleend, kan de Inspecteur bij een met redenen omklede beschikking de grondslagen vaststellen waarnaar de berekening, de creditering of de teruggaaf had moeten plaatsvinden. Navordering kan achterwege blijven in gevallen waarin zulks een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren.
  4. De Inspecteur kan bij toepassing van het derde lid bij beschikking een administratieve boete vaststellen van ten hoogste viermaal het bedrag van de (meer) verschuldigde rechten.
  5. Ingeval het bepaalde in het derde lid en het vierde lid toepassing vindt, dient het verschuldigde te worden voldaan uiterlijk 10 dagen nadat de beschikking van de Inspecteur is uitgereikt bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs.
  6. Ingeval blijkt, dat rechten waaraan goederen zijn onderworpen ten onrechte niet of niet volledig zijn geheven, dan wel een in wettelijke regelingen op de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen voorziene creditering van een goederenrekening ten onrechte heeft plaatsgevonden of teruggaaf geheel of gedeeltelijk ten onrechte is verleend, door toedoen van een ander dan de belastingschuldige, is die ander eveneens hoofdelijk tot betaling van die rechten gehouden.
  7. Navordering kan geschieden binnen een termijn van vijf jaren na het tijdstip waarop de verschuldigdheid is ontstaan of creditering van de goederenrekening heeft plaatsgevonden of teruggaaf is verleend.

Artikel 122a

  1. Van binnengebrachte goederen ten aanzien waarvan de voorgeschreven aangifte ten invoer is ontgaan, zijn de rechten aan welke de goederen bij invoer zijn onderworpen, verschuldigd door degene die de goederen heeft binnengebracht of doen binnenbrengen.
  2. De verschuldigdheid ontstaat op het tijdstip waarop het binnenbrengen als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt.
  3. Indien het tijdstip waarop de verschuldigdheid is ontstaan niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, worden de rechten berekend naar het tarief geldend op het vroegste tijdstip waarvan wordt vastgesteld dat de verschuldigdheid ontstond. Ingeval geen verificatie kan geschieden, vindt de berekening van rechten plaats overeenkomstig gegevens die op een andere wijze, zo nodig bij wijze van schatting, worden vastgesteld.
  4. Tot betaling van de in het eerste lid bedoelde rechten zijn eveneens hoofdelijk gehouden zij die goederen gebruiken, bewaren, verbergen, lossen, laden, vervoeren, in enig gebouw, erf of besloten terrein inslaan, voor handen hebben of daaruit uitslaan, kopen, verkopen, te koop aanbieden, te leveren of als geschenk aannemen, terwijl zij redelijkerwijs kunnen weten of vermoeden dat daarvan de rechten niet zijn voldaan, noch de heffing daarvan overeenkomstig wettelijke bepalingen is verzekerd.

Artikel 122b

  1. Van goederen, ingevoerd dan wel uitgeslagen met vrijstelling van rechten, welke zijn gebruikt op een wijze of voor doeleinden waarvoor de vrijstelling niet geldt, zijn de rechten tot het bedrag aan rechten van welke de goederen zijn vrijgesteld, verschuldigd door de vrijstellinggenietende.
  2. De verschuldigdheid ontstaat op het tijdstip waarop de in het eerste lid genoemde omstandigheid zich voordoet. De rechten worden berekend naar het tarief of de douanewaarde geldend op het tijdstip waarop de goederen met vrijstelling zijn ingevoerd dan wel uitgeslagen.
  3. Tot betaling van de rechten verschuldigd ingevolge het eerste lid, zijn eveneens hoofdelijk gehouden zij die de aldaar bedoelde goederen gebruiken, bewaren, verbergen, lossen, laden, vervoeren, in enig gebouw, erf of besloten terrein inslaan, voorhanden hebben of daaruit uitslaan, kopen, verkopen, te koop aanbieden te leveren of als geschenk aannemen, terwijl zij redelijkerwijs kunnen weten of vermoeden dat daarvan de rechten niet zijn voldaan, noch de heffing daarvan overeenkomstig wettelijke bepalingen is verzekerd.

Artikel 122c

  1. Rechten, administratieve boetes, kosten, zomede de ter zake verschuldigde interest kunnen worden verhaald op de goederen waarop de rechten, administratieve boetes, kosten of interest betrekking hebben, onverschillig wie de rechthebbenden op de goederen zijn, voor zover met die goederen in strijd met wettelijke regelingen op de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen is gehandeld.
  2. Het recht van verhaal, als bedoeld in het eerste lid, heeft mede betrekking op de goederen welke tot verpakking of berging van de aldaar vermelde goederen dienen.
  3. Ieder die goederen als bedoeld in het eerste lid onder zich heeft geeft de goederen aan de Ontvanger op diens vordering af.

Artikel 122d

Rechten, administratieve boetes, kosten en interest zijn van de schuldenaar terstond invorderbaar indien:
a. de schuldenaar in staat van faillissement is verklaard;
b. er gegronde vrees bestaat dat goederen van de schuldenaar zullen worden verduisterd;
c. de schuldenaar naar het buitenland wil vertrekken, dan wel zijn plaats van vestiging wil overbrengen naar het buitenland, tenzij hij aannemelijk maakt dat de rechten, kosten en interest kunnen worden verhaald;
d. de schuldenaar in het buitenland woont of gevestigd is dan wel in het buitenland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft en er gegronde vrees bestaat dat de rechten, kosten en interest niet kunnen worden verhaald;
e. op goederen waarop, door de schuldenaar verschuldigde rechten, kosten en interest kunnen worden verhaald, beslag is gelegd voor door hem verschuldigde rechten, kosten en interest, dan wel voor door hem verschuldigde andere belastingen welke ten bate van ’s landskas worden geheven;
f. goederen van de schuldenaar worden verkocht ten gevolge van een beslaglegging namens derden;
g. een vordering wordt gedaan als bedoeld in artikel 10 van de Landsverordening op de invordering van directe belastingen 1943 .

Artikel 122e

  1. De Ontvanger is belast met de invordering van rechten, administratieve boetes, interest en kosten.
  2. De Ontvanger verleent voor elke betaling, die te diens kantore dient te geschieden, kwijting.
  3. Naast de bevoegdheden die de Ontvanger heeft ingevolge deze landsverordening, beschikt hij ook over de bevoegdheden die een schuldeiser heeft op grond van enige andere wettelijke bepaling.
  4. In alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak, treedt de Ontvanger als zodanig in rechte op.
  5. De Minister van Financiën is bevoegd bepalingen vast te stellen krachtens welke door hem aangewezen betalingen aan een andere ambtenaar dan de Ontvanger of elders ten ontvangkantore zullen of kunnen geschieden.

Artikel 122f

  1. De Ontvanger kan op een daartoe strekkend verzoek onder door hem te stellen voorwaarden aan een schuldenaar voor een bepaalde tijd, bij een met redenen omklede beslissing, hetzij uitstel van betaling hetzij gemakkelijker betalingsvoorwaarden verlenen. Op een verzoek om uitstel van betaling wordt zo spoedig mogelijk beslist. Gedurende het uitstel vangt de invordering door middel van dwangschriften niet aan, dan wel wordt deze geschorst.
  2. Indien de Ontvanger uitstel heeft verleend, is door de schuldenaar interest verschuldigd. Het percentage van de interest is gelijk aan dat van de wettelijke interesten. De termijn waarover de interest wordt berekend loopt vanaf de dag waarop de betalingsverplichting is ontstaan.
  3. Het uitstel bedoeld in het eerste lid, kan tussentijds schriftelijk worden beëindigd.
  4. Uitstel van betaling of gemakkelijker betalingsvoorwaarden, doet niets af aan het bepaalde in artikel 122h.

Artikel 122g

1. De toerekening van de betalingen geschiedt achtereenvolgens aan:
1°. de kosten;
2°. de interest;
3°. de verschuldigde rechten en/of accijnzen;
4°. de administratieve boetes.
2. Bij betaling van krediettermijnen van invoerrechten of accijnzen geschiedt de toerekening op de oudste van de vervallen termijnen.

Artikel 122h

  1. Indien de schuldenaar door hem verschuldigde rechten, administratieve boetes, interest en/of kosten niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de Ontvanger hem schriftelijk aan om alsnog binnen een maand na de dagtekening van de aanmaning te betalen, onder kennisgeving dat de schuldenaar anders door de middelen bij de wet bepaald tot betaling zal worden gedwongen. De aanmaning kan betrekking hebben op verschillende in te vorderen belastingschulden.
  2. Voor het verzenden van de aanmaning, brengt de Ontvanger de nalatige ten behoeve van ’s landskas aanmaningskosten in rekening. De aanmaningskosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
  3. Tegen het in rekening brengen van aanmaningskosten kan de schuldenaar binnen één maand na de dagtekening van de aanmaning een bezwaarschrift indienen bij de Ontvanger, die daarop beslist.
  4. Indien de schuldenaar na de aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering van de rechten, administratieve boetes, interest en kosten geschieden door middel van dwangschriften overeenkomstig de regels van de Landsverordening houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften, alsmede van de rechtspleging inzake van belastingen, bijdragen en vergoedingen.

Artikel 122i

1. Het recht tot invordering door middel van dwangschriften verjaart door verloop van vijf jaren sedert de dag van de opeisbaarheid van rechten, administratieve boetes, interest en kosten dan wel, indien zulks tot een later tijdstip leidt, vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de laatste akte van vervolging ter zake van die rechten, administratieve boetes, interest en kosten is betekend.
2. De verjaringstermijn wordt verlengd met de tijd gedurende welke na aanvang van die termijn:
a. de schuldenaar uitstel van betaling heeft;
b. de invordering door middel van dwangschriften is geschorst ingevolge een lopend rechtsgeding, met dien verstande dat de termijn waarmee de verjaringstermijn wordt verlengd een aanvang neemt op de dag waarop het rechtsgeding door middel van dagvaarding aanhangig wordt gemaakt;
c. de schuldenaar surséance van betaling heeft;
d. de schuldenaar in staat van faillissement verkeert.
3. Voor de verjaring telt niet mee de tijd, gedurende welke de schuldenaar zich metterwoon buiten Curaçao bevindt.

Artikel 122j

  1. Al degenen, die gelden aan schuldenaren toekomende, onder zich hebben alsmede allen, die schuldenaar zijn van opeisbare vorderingen van deze, zijn verplicht op schriftelijke vordering van de Ontvanger, voor zover de gelden onder hen berustende of door hen verschuldigd strekken voor rekening van de belastingschuldige, de door dezen verschuldigde sommen te betalen zonder daartoe een rangregeling, verificatie of rechterlijk bevel af te wachten, tenzij onder hen beslag is gelegd of verzet is gedaan ter zake van vorderingen waaraan voorrang boven de vorderingen van ’s landskas is toegekend. De Ontvanger deelt de schuldenaar schriftelijk mee dat hij een vordering heeft gedaan. Voldoening aan de vordering geldt als betaling aan de belastingschuldige. Zij zijn zelfs bevoegd de betaling uit eigen beweging te doen, voordat zij tot afgifte van de gelden of tot voldoening van het door hen verschuldigde overgaan.
  2. Het bepaalde in het eerste lid is voorts van toepassing op werkgevers die loon verschuldigd zijn aan een belastingschuldige, onder de beperking in artikel 1614g van het Burgerlijk Wetboek. Zolang het in de vordering genoemd bedrag niet ten volle is gekweten zullen de werkgevers met de betaling moeten doorgaan naar gelang zij loon verschuldigd worden.
  3. De Ontvanger vervolgt degene die in gebreke blijft aan de vordering te voldoen bij executoriaal beslag volgens de regels van het tweede boek, tweede titel, tweede afdeling, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kosten van vervolging komen voor rekening van degene die in gebreke blijft zonder dat hij deze kan verhalen op de schuldenaar.

Artikel 122k

De verplichting tot betaling van de rechten, administratieve boetes, interest en kosten wordt niet geschorst door de indiening van een bezwaarschrift, door verkrijging van surséance van betaling voor zover volgens het Faillissementsbesluit 1931 de surséance ten aanzien van de verplichting tot betaling niet werkt, door het voorbehouden recht van beraad of door aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving.

Artikel 122l

  1. ’s Landskas heeft wat rechten, verhogingen, interest en kosten aangaat het recht van voorrang op al de roerende en onroerende goederen van de belastingschuldige.
  2. Het recht van voorrang geldt boven alle andere schulden, met uitzondering van de bevoorrechte schulden in de artikelen 1165, onder ten 1o, en 1175, onder ten 1o, van het Burgerlijk Wetboek, opgenoemd en van door hypotheek gedekte schulden.

Artikel 122m

Voor de toepassing van de bepalingen in deze landsverordening omtrent de invordering en de voorrang, wordt onder kosten mede begrepen de kosten van vervolging van de nalatige schuldenaar.

Artikel 122n

  1. Hoofdelijk aansprakelijk voor rechten, administratieve boetes, interest en kosten, verschuldigd door een rechtspersoon of een niet-rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap of vereniging zijn ieder van de bestuurders en beherende vennoten, zomede de vertegenwoordigers binnen Curaçao. Bij ontbinding of vereffening zijn bovendien de met de vereffening belaste personen en hun vertegenwoordigers binnen Curaçao hoofdelijk daarvoor aansprakelijk.
  2. Voor de toepassing van dit artikel wordt ingeval een lichaam als bedoeld in het eerste lid, zelf bestuurder is, wordt onder bestuurder mede verstaan ieder van de bestuurders van laatstbedoeld lichaam.
  3. Onder bestuurders, beherende vennoten, vereffenaren en vertegenwoordigers zijn begrepen allen, die bij of na het ontstaan van de verschuldigdheid bestuurders, beherende vennoten, vereffenaren en vertegenwoordigers waren, ook voor zover zij zijn af- of uitgetreden, rekening hebben gedaan of décharge hebben bekomen.

Artikel 122o

De Ontvanger is ten aanzien van de belastingschuldige, bevoegd, aan hem uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van rechten, met elkaar te verrekenen.

Artikel 123

  1. Het invoerrecht moet betaald worden bij de aangifte ten invoer, zoals het door de Inspecteur is berekend.
  2. De Sector-directeur Fiscale Zaken kan de Ontvanger machtigen uitstel van betaling te verlenen aan in Curaçao gevestigde kooplieden, wanneer het invoerrecht meer dan vijftig gulden bedraagt.
  3. In de gevallen bedoeld in het tweede lid moet binnen acht dagen na afloop van elke kalendermaand, het over die maand verschuldigde invoerrecht door betaling worden aangezuiverd.
  4. Betalingen buiten de kantooruren of aan onbevoegde personen gedaan, komen niet in aanmerking, evenmin als de beweerde vernietiging of het in het ongerede geraken van bewijzen van betalingen.
  5. (vervallen)

Artikel 124 tot en met artikel 128a

(vervallen)

Artikel 128b

1. Degene, die bezwaar heeft tegen:
a. de toepassing van het tarief van invoerrechten op door hem ten invoer aangegeven goederen;
b. de berekening van accijnzen of bijzondere invoerrechten; of
c. een beschikking te zijnen aanzien ingevolge deze landsverordening of de Landsverordening tarief van invoerrechten, kan binnen zes weken na verzending van de beschikking, een bezwaarschrift indienen bij de douaneautoriteiten.
2. Met een beschikking wordt gelijkgesteld de weigering een beschikking te geven.
3. Alvorens een beslissing te nemen op het bezwaarschrift stellen de douaneautoriteiten de belanghebbende in de gelegenheid zijn bezwaarschrift mondeling toe te lichten.
4. De douaneautoriteiten brengen de beslissing op het bezwaarschrift in afschrift ter kennis van de belanghebbende bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs. De beslissing is met redenen omkleed.
5. Tegen de beslissing van de douaneautoriteiten staat binnen zes weken na bekendmaking aan de belanghebbende, beroep open bij het Gerecht. Het Gerecht beslist in hoogste instantie.
6. De douaneautoriteiten zijn belast met de uitvoering van de beslissing van het Gerecht.

Artikel 128c

(vervallen)

HOOFDSTUK III
Binnenlands vervoer en vervoer over zee

Eerste afdeling
Algemene bepalingen

Artikel 129

  1. De bepalingen van de tweede afdeling van dit hoofdstuk zijn alleen toepasselijk op accijnsvrije goederen.
  2. Voor het binnenlands vervoer van accijnsgoederen gelden de bijzondere deswege bestaande bepalingen.

Artikel 130

  1. Het binnenlands vervoer is vrij, behalve dat op het terrein, aangewezen bij artikel 103 (verder genoemd onvrij terrein).
  2. Voor het vervoer buiten het onvrije terrein worden generlei documenten gevorderd.

Artikel 131

Het vervoer op het onvrije terrein naar de plaatsen, in artikel 103 genoemd, is verboden met uitzondering van:
a. goederen, vrij van invoerrecht;
b. goederen, waarvan de invoerrechten voor de vervoerd wordende partij niet meer dan tien gulden zouden bedragen;
c. kleine partijen levensmiddelen voor huiselijk gebruik en dagelijkse behoefte;
d. producten van de binnenlandse landbouw, tuinbouw, ooftteelt en binnenlands vee, paarden en ezels;
e. in het binnenland gewonnen zout;
f. in het binnenland gewonnen delfstoffen en door natuurvorming in of boven de grond aanwezige meststoffen;
g. fabricaten van de in het binnenland gevestigde fabrieken, onder de voorwaarden voor elk bijzonder geval door de Inspecteur te stellen;
h. goederen, in geval van verhuizing onder dezelfde beperking als in sub g gemeld;
i. strandgoederen, onder gelijke beperking als in sub g gemeld.

Artikel 132

Geen vervoerbiljet wordt afgegeven wanneer niet blijkt van het wettig aanwezig zijn van de goederen in het binnenland.

Artikel 133

Voor het vervoer op het onvrije verkeer terrein, uit de plaatsen, in artikel 103 genoemd, gelden de bepalingen van de tweede afdeling en voor het vervoer over zee die van de derde afdeling van dit hoofdstuk.

Artikel 134

De in de tweede en derde afdelingen van dit hoofdstuk voorgeschreven documenten tot vervoer hebben geen kracht tussen 8 uur des namiddags en 6 uur des voormiddags, noch op zaterdagen, zondagen en krachtens de Arbeidsregeling 2000 met de zondag gelijkgestelde dagen, tenzij door de Inspecteur, in bijzondere gevallen, anders wordt beslist.

Tweede afdeling
Binnenlands vervoer

Artikel 135

Het vervoer moet geschieden met vervoerbiljet na aangifte ten kantore van:
a. de naam, het beroep en de woonplaats van de afzenders en de aanduiding van het perceel, waaruit de afzending zal plaats hebben;
b. de naam en het beroep van hem, voor wie de goederen bestemd zijn, en de plaats van bestemming;
c. ten aanzien van de goederen, de bijzonderheden, bedoeld in artikel 54, letters c-f;
d. de naam van de vervoerders en de omschrijving van het middel van vervoer.

Artikel 136

1. In de vervoerbiljetten zal, behalve het in artikel 135 vermelde, worden uitgedrukt:
a. de te volgen weg;
b. de tijd voor het vervoer toegestaan en wanneer die ingaat;
c. ter beoordeling van de ambtenaar, die het vervoerbiljet afgeeft, de posten waar het vervoerbiljet ter aftekening moet worden aangeboden.
2. Het vervoerbiljet moet worden afgetekend bij de afzending en desnoods ter plaatse van bestemming.

Artikel 137

Geen vervoerbiljet wordt vereist voor het vervoer van de goederen genoemd in artikel 131 letters a-h; in de gevallen van letter g en h, onder de daargenoemde beperking.

Artikel 138

Vervoerbiljetten, die niet voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk, niet met de goederen of de tijd of de plaats en de wijze van vervoer overeenstemmen, of niet zijn afgetekend, waar zulks is voorgeschreven, zijn krachteloos en wordt het vervoer geacht zonder vervoerbiljet plaats te hebben.

Derde afdeling
Vervoer over zee

Artikel 139

  1. Het vervoer onder de bepalingen van deze afdeling kan slechts betreffen goederen uit het vrije verkeer.
  2. Uitvoer van goederen niet uit het vrije verkeer geschiedt onder de bepalingen van hoofdstuk IV.
  3. In beide gevallen geschiedt de invoer overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II.

Artikel 140

(vervallen)

Artikel 141

  1. De schepen, laadruimen of goederen moeten zo goed mogelijk door de ambtenaren worden verzegeld of geplombeerd.
  2. Is de verzegeling of plombering bij aankomst op de bestemmingsplaats niet ongeschonden, dan wordt de binnenlandse herkomst van de goederen niet erkend; hetzelfde geldt voor zover de goederen niet overeenstemmen met het vervoerbiljet.

Artikel 142

  1. Bij het vertrek en bij de aankomst op de bestemmingsplaats worden de documenten door de ambtenaren, na vergelijking met de goederen, afgetekend en op de laatstgemelde plaats door hen ingetrokken.
  2. Door de afgetekende documenten wordt de akte van inklaring, voor zoveel de in deze afdeling bedoelde goederen betreft, aangezuiverd.

Artikel 143

De bepalingen van deze afdeling zijn mede toepasselijk op het vervoer over zee, uit een van de plaatsen in artikel 11 genoemd, naar een andere plaats op Curaçao of omgekeerd, zonder dat enig ander gebied wordt aangedaan en zonder dat gemeenschap plaats heeft met vaartuigen van het buitenland komende of daarheen gaande, behoudens, dat voor het uitoefenen van deze kustvaart, de schippers moeten zijn voorzien van een schriftelijke vergunning daartoe van de Inspecteur.

HOOFDSTUK IV
Doorvoer

Eerste afdeling
Algemene bepalingen

Artikel 144

Onder doorvoer wordt verstaan aanbrenging van goederen in Curaçao, gevolgd door uitvoer naar het buitenland, zonder dat zij ten invoer zijn aangegeven.

Artikel 145

De doorvoer is vrij van rechten.

Artikel 146

  1. De doorvoer mag slechts geschieden van goederen, waarvan de invoer niet is verboden en langs de plaatsen in artikel 11 genoemd, behoudens bij wettelijke regelingen, onder daarbij gestelde voorwaarden, bepaalde uitzonderingen.
  2. De doorvoer met vaartuigen, luchtvaartuigen daaronder begrepen, die niet volgens een geregeld vaarplan een dienst onderhouden tussen het binnenland en de plaats van bestemming van de goederen, is onderworpen aan een vergunning te verlenen door de Inspecteur.
    Door de Inspecteur zal worden beoordeeld of een dienst wordt onderhouden volgens een geregeld vaarplan als bedoeld in de voorgaande zin.
  3. Omtrent doorgevoerd wordende goederen is verder in het algemeen toepasselijk al hetgeen bij hoofdstuk II omtrent inklaring, aangifte, lossing, bewaking en verzegeling, verificatie, visitatie en verboden goederen, en bij hoofdstuk V omtrent uitvoer en uitklaring is vastgesteld, behoudens de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 147

  1. De aangifte volgens artikel 54, moet luiden voor doorvoer.
  2. De voor doorvoer aangegeven goederen zullen bij of dadelijk na de lossing en verificatie of visitatie worden verzegeld of geplombeerd, voor zover de aard het vereist en toelaat, of anders onder bewaking gesteld, in welk laatste geval de kosten berekend naar een tarief, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen, komen ten laste van de belanghebbenden.
  3. Wanneer goederen worden doorgevoerd met hetzelfde schip waarmee ze zijn aangebracht, behoeven zij niet te worden gelost, dan wanneer en voor zover de Inspecteur bij vermoeden van fraude de lossing voor de visitatie nodig mocht achten.

Artikel 148

  1. Na aangifte wordt een transitopaspoort afgegeven, waarin de tijd wordt uitgedrukt, binnen welke de uitvoer moet plaats hebben.
  2. De doorvoer moet geschieden zonder opslag bij of vanwege de belanghebbenden en zonder verwerking van de goederen, bij gebreke waarvan de goederen worden beschouwd als ingevoerd.
  3. Echter mogen goederen, die blijkens doorvoerlijsten of andere documenten binnen een bepaalde tijd moeten worden uitgevoerd, met vergunning van de Inspecteur, in afwachting van de inlading tijdelijk worden opgeslagen in door de belanghebbende te verschaffen, door de Inspecteur goed te keuren bergplaatsen, onder wederzijdse sluiting vanwege de Inspecteur en de belanghebbende; de goederen mogen niet in dezelfde bergplaatsen, als bij artikel 45 bedoeld, worden opgeslagen, tenzij ten genoegen van de Inspecteur een voldoende afscheiding wordt gemaakt. In bijzondere gevallen kan de termijn tot uitvoer op het document door de Inspecteur worden verlengd. Zijn de goederen niet binnen de bepaalde tijd uitgevoerd, dan verliest het document zijn kracht en worden, ingeval van opslag met doorvoerlijst, de goederen behandeld overeenkomstig artikel 96.
  4. Bij het uitvoeren van de goederen zal derzelver identiteit worden nagegaan en het transito-paspoort na aftekening door de ambtenaren worden ingetrokken.
  5. De aftekening moet de verklaring behelzen, dat de goederen conform en de plombs of zegels ongeschonden zijn bevonden.

Artikel 149

Accijnsgoederen moeten, wanneer ze doorgevoerd worden, geladen zijn in de gewone laadruimen, tenzij uit een verklaring, door de ambtenaren op de documenten te stellen blijkt, dat die goederen met hun voorkennis zijn geladen in een ander met name aangewezen gedeelte van het schip.

Artikel 150

De belanghebbende bij de goederen kan binnen de tijd, in het transitopaspoort gesteld, van de doorvoer afzien en het paspoort ten kantore terug bezorgen, mits tegelijkertijd een aangifte ten invoer wordt gedaan, waarop, in het geval dat de goederen naar de waarde zijn belast, de bepalingen van de vijfde afdeling van hoofdstuk II toepasselijk zijn.

Tweede afdeling
Uitvoer met doorvoerlijsten

Artikel 151

Voor goederen, volgens de derde afdeling van hoofdstuk II ingeklaard, kunnen voor de lossing of na tijdelijke opslag overeenkomstig de vierde afdeling van dat hoofdstuk, doorvoerlijsten tot uitvoer naar het buitenland worden ingeleverd, met inachtneming van de bepalingen van de volgende artikelen.

Artikel 152

  1. De doorvoerlijsten moeten aanwijzen het land, waarheen de goederen worden uitgevoerd, de vervoerder, de naam van het schip en dezelfde omschrijving als in de vrachtlijsten.
  2. De doorvoerlijsten worden opgemaakt door de beheerders van de goederen.
  3. In de doorvoerlijsten moeten echter steeds de soort van de goederen en de hoeveelheid volgens de artikelen 32 en 34 worden opgegeven.
  4. Alleen de Nederlandse taal mag worden gebezigd.

Artikel 153

  1. De doorvoerlijsten worden in duplo ingeleverd bij de Inspecteur op de plaats van verzending, die daarvan aantekening houdt in een register en de lijsten waarmerkt.
  2. Een exemplaar van de lijsten wordt aan de belanghebbende uitgereikt tot begeleiding van de goederen, nadat de Inspecteur daarop heeft vermeld de tijd, binnen welke de uitvoer moet plaats hebben.
  3. Dit laatste exemplaar wordt bij de inlading of ingeval van doorvoer met hetzelfde schip, waarmee de goederen zijn aangebracht, bij het vertrek van het schip, afgetekend door de ambtenaren, belast met de visitatie, onder vermelding van de toegepaste maatregelen van plombering, verzegeling of bewaking en bij het vertrek door hen ingetrokken.

Artikel 154

  1. Degenen, die doorvoerlijsten hebben ingeleverd, moeten die lijsten binnen de volgens artikel 153 bepaalde tijd aanzuiveren door uitvoer van de goederen met inachtneming van de bepaling van de vorige artikelen.
  2. De artikelen 43 en 50 zijn op doorvoerlijsten van toepassing.

 

Artikel 155

Het bepaalde bij artikel 150 is hier niet toepasselijk, doch de Inspecteur kan in bijzondere gevallen toestaan, dat doorvoerlijsten worden aangezuiverd door lossing van de goederen met documenten verkregen na aangifte volgens de vijfde afdeling van hoofdstuk II.

Derde afdeling
Rechtstreekse doorvoer

Artikel 156

Onder rechtstreekse doorvoer wordt verstaan doorvoer van goederen zonder overlading, alsmede doorvoer, waarbij de inkomende goederen zonder tussenvervoer worden overgeladen in het schip, waarmee zij naar het buitenland zullen worden gebracht.

Artikel 157

  1. De voorschriften van de derde afdeling van het tweede hoofdstuk omtrent de inklaring van de daarbij bedoelde goederen, zijn van toepassing voor de inklaring van goederen, bestemd ten doorvoer op de voet van deze afdeling, behoudens hetgeen hierna is bepaald.
  2. Op de schepen wordt door de ambtenaren zo mogelijk plombering of verzegeling, en anders bewaking toegepast; in het laatste geval komen de kosten, berekend naar een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen tarief, ten laste van de schipper.

 

Artikel 158

Indien in het schip, behalve de ten doorvoer bestemde goederen, ook andere goederen geladen zijn, worden voor ieder van de twee categorieën van goederen, afzonderlijke vrachtlijsten en afzonderlijke akten van inklaring ingeleverd.

Artikel 159

  1. De ten doorvoer bestemde goederen mogen in geen geval als onbekend, onder de algemene benaming van koopmanschappen of zonder opgaaf van hoeveelheid in de vrachtlijsten vermeld worden.
  2. Aan stoomvaartondernemingen, in welker vaarplan Curaçao is opgenomen en geregeld wordt aangedaan, kan door de Inspecteur een doorlopende vergunning worden verleend om de voor doorvoer zonder overlading bestemde goederen op de vrachtlijsten slechts te omschrijven op de wijze als bij artikel 41, eerste lid, bepaald.
  3. In deze gevallen zal steeds bewaking op kosten van de belanghebbenden worden toegepast en zullen de schippers gehouden zijn, zo dikwijls zulks door of namens de Inspecteur wordt verlangd, de ladingspapieren te vertonen.

Artikel 160

  1. De goederen worden niet uit de schepen gelost, dan voor zover dit door de Inspecteur voor de visitatie gevorderd wordt of nodig is voor de bij artikel 156 bedoelde overlading. Deze overlading geschiedt in tegenwoordigheid van de ambtenaren.
  2. De doorvoer moet zoveel mogelijk zonder oponthoud plaats hebben. De tijd voor de uitvoer en de plaats van de overlading worden op de akte van de inklaring vermeld door de Inspecteur.

Artikel 161

  1. De invoerders moeten de akten van inklaring en de vrachtlijsten binnen de voor het vervoer bepaalde tijd aanzuiveren door uitvoer van de goederen met inachtneming van het bepaalde bij de voorgaande artikelen en zonder van de doorvoer te mogen afzien op de voet van artikel 150.
  2. Ten bewijze hiervan wordt het duplicaat van de akte van inklaring bij de uitvoer van de goederen aan de ambtenaren ter aftekening aangeboden en door deze met de vrachtlijsten ingetrokken.

Artikel 162

  1. De Inspecteur kan toestaan dat de akte van inklaring tot doorvoer wordt veranderd in een akte van inklaring tot invoer, mits in het geval van artikel 159, tweede lid, de vrachtlijsten vooraf worden aangevuld met de opgaven, volgens artikel 157, eerste lid, vereist.
  2. In het geval van artikel 159, tweede lid, kan de Inspecteur ook toestaan dat voor enkele colli de akte van inklaring wordt aangezuiverd door lossing volgens de tweede afdeling van hoofdstuk II.

HOOFDSTUK V
Uitvoer en uitklaring

Eerste afdeling
Uitvoer

Artikel 163

De inlading en uitvoer van goederen mag slechts geschieden op de plaatsen in artikel 24 genoemd, behoudens de vergunning en met dezelfde uitzondering als bij dat artikel bepaald.

Artikel 164

Het verbod van uitvoer van bepaalde goederen wordt beheerst door de bijzondere wettelijke regelingen daaromtrent.

Artikel 165

Behoudens de bijzondere bepalingen omtrent de uitvoer van delfstoffen en door natuurvorming in of boven de grond aanwezige meststoffen, alsmede de bijzondere wettelijke regelingen omtrent sommige andere goederen, is de uitvoer vrij van rechten.

Artikel 166

Voor ten uitvoer bestemde goederen, wordt vóór de inlading aangifte gedaan. De artikelen 53 en 54 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 167

Bij de uitvoer van accijnsgoederen gelden, behoudens artikelen 163 en 165, de bijzondere wettelijke regelingen daaromtrent.

Tweede afdeling
Uitklaring

Artikel 168

 

Geen schip, behalve, die, welke krachtens artikel 17 of 18 van inklaring zijn vrijgesteld, mag van Curaçao vertrekken zonder, na zo nodig gevisiteerd te zijn, op verzoek van de schipper door de Inspecteur te zijn uitgeklaard.

Artikel 169

  1. Wanneer aan alle bepalingen van deze landsverordening en van die op de uitvoerrechten, accijnzen, loodsgelden en zeebrieven, alsmede aan die van de uitvoeringsvoorschriften van deze landsverordeningen is voldaan, en zo nodig de visitatie heeft plaats gehad, zal de Inspecteur op het verzoek het schip uitklaren, en zo spoedig mogelijk een vertrekpas afgeven.
  2. De vertrekpas wordt door de gezagvoerder van het schip vóór het vertrek afgegeven aan een ambtenaar of aan de politie, die het stuk zo spoedig mogelijk ten kantore van de Inspecteur bezorgt.
  3. Indien aan de schipper op zijn verzoek een duplicaatvertrekpas is uitgereikt, zal hij een exemplaar behouden.
  4. Indien een schip niet aan uitklaring is onderworpen, wordt aan de schipper, op zijn verzoek, door de Inspecteur een verklaring uitgereikt, gelijk luidende als een duplicaatvertrekpas.

Artikel 170

Wanneer de uitklaring van een schip buiten de kantooruren, of op krachtens de Arbeidsregeling 2000 met de zondag gelijkgestelde dagen wordt verlangd, zal aan dat verzoek worden voldaan.

 

Artikel 171

Schippers, die na gedane visitatie en uitklaring enige goederen innemen zullen daarvan opnieuw aangifte moeten doen, waarop nadere uitklaring, zo nodig na visitatie, moet geschieden.

Artikel 172

De loodsen zullen geen schip mogen buiten brengen zonder zich de vertrekpas te hebben doen vertonen.

HOOFDSTUK VI
In-, uit- en doorvoer van postpakketten

Artikel 173

Omtrent de voorwerpen van de pakketpost, die door de posterij in-, uit-, of doorgevoerd worden en die in de volgende artikelen onder de naam “pakketten” worden aangeduid, gelden de regels bij deze landsverordening vastgesteld, behoudens de bepalingen van de volgende artikelen.

Artikel 174

In-, uit- en doorvoer van pakketten geschiedt op de plaatsen in artikel 11 vermeld.

Artikel 175

  1. Bij de toepassing van de regelen, bij hoofdstuk II en hoofdstuk IV, derde afdeling, gesteld omtrent de invoer met vrachtlijsten en de rechtstreekse doorvoer, worden de vrachtlijsten voor de pakketten vervangen door douaneverklaringen, die volgens de voorschriften van de posterij de pakketten moeten vergezellen.
  2. Deze verklaringen mogen in elke taal zijn opgemaakt, mits het de taal is van het land, waar het pakket is afgezonden.

Artikel 176

  1. Tot de in-, uit- en doorvoer van pakketten wordt slechts één exemplaar van de douaneverklaringen gevorderd.
  2. De exemplaren, die tot dezelfde akte van inklaring betrekking hebben, worden vóór de inlevering van een doorlopend volgnummer voorzien en gehecht aan het duplicaat van de akte van inklaring.

Artikel 177

In het geval van tijdelijke opslag van pakketten geschiedt deze in een bergplaats van de posterij. Opslag in een bergplaats van de posterij, in afwachting van de uitvoer, wordt voor de toepassing van artikel 156 niet beschouwd als tussenvervoer.

Artikel 178

De inschrijving van meer bevonden goederen, bedoeld bij artikel 50, derde lid, geschiedt voor de pakketten op het duplicaat van de akte van inklaring.

Artikel 179

  1. De aangifte, bedoeld bij artikel 54, wordt voor de pakketten in dubbel ingeleverd, met uitzondering van die voor goederen, vrij van invoerrecht en accijns, die in enkelvoud geschiedt.
  2. De ambtenaar geeft een exemplaar aan de ambtenaar van de posterijen terug, na daarop een ondertekende opgave van het bedrag van de verschuldigde belasting gesteld te hebben.
  3. Dit exemplaar van de aangifte vervangt de kwitantie van betaald invoerrecht en de accijnskwitantie.

Artikel 180

  1. Wanneer de douaneverklaring ten opzichte van de soort of van de hoeveelheid van de goederen niet alle gegevens bevat voor het opmaken van de aangifte, bedoeld bij het vorige artikel, zijn de ambtenaren van de posterijen, belast met het beheer van de pakketten, bevoegd om deze zonder bijzondere vergunning, doch in tegenwoordigheid van een ambtenaar te openen.
  2. Wanneer niet terzelfder tijd aangifte, visitatie en verificatie geschieden, worden de pakketten terstond na het onderzoek weder gesloten.

Artikel 181

Het bedrag van de invoerrechten en accijnzen verschuldigd wegens pakketten, wordt door de administratie van de posterijen in haar maandstaat verantwoord, overeenkomstig de voorschriften ter uitvoering van de Comptabiliteitslandsverordening.

Artikel 182

De administratie van de posterijen is ontheven van het stellen van zekerheid voor de betaling van hetgeen wegens het niet aanzuiveren van de akten van inklaring of andere documenten voor de pakketten verschuldigd kan worden.

Artikel 183

Bij uitvoer van pakketten wordt de aangifte, bedoeld bij artikel 166, niet gevorderd.

Artikel 184

(vervallen)

HOOFDSTUK VII
Zekerheidstellingen

Artikel 185

  1. Voor het verkrijgen van documenten, die niet strekken tot kwitantie voor invoerrecht of accijns of vervoer van goederen, waarvan de rechten zijn betaald, moeten de belanghebbenden desgevorderd ten genoegen van de Inspecteur zekerheid hebben gesteld voor het bedrag van de rechten en accijnzen, dat verschuldigd kan worden.
  2. Van de beslissing van de Inspecteur is hoger beroep toegelaten bij het Gerecht.

 

Artikel 186

Zekerheidstelling voor de betaling van kosten kan gevorderd worden in alle gevallen, waarin volgens deze landsverordening of andere wettelijke regelingen op de in-, uit- en doorvoer deze ten laste van de belanghebbenden komen.

Artikel 187

1. Alvorens te worden toegelaten tot tijdelijke opslag volgens hoofdstuk II inlevering van doorvoerlijsten of inklaring tot rechtstreekse doorvoer, moeten de belanghebbenden desgevorderd zekerheid hebben gesteld ten bedrage van vijf gulden voor ieder collo of iedere 100 kilogram gestorte goederen of losse voorwerpen, gedeelten van 100 kg voor 100 kg gerekend.
2. Komt dit bedrag de Inspecteur niet voldoende voor dan kan hij het bij benadering bepalen tot de som die aan invoerrecht en accijns bij aangifte tot invoer verschuldigd zou zijn.
3. De zekerheid wordt niet vereist:
a. wegens gestorte goederen en losse voorwerpen, waarvoor bij invoer tot verbruik geen belasting is verschuldigd, mits dit uit hun omschrijving in de vrachtlijst blijkt;
b. wegens lossing tot tijdelijke opslag in lokalen of op de terreinen van een gouvernementsentrepot, voor zover deze lossing in die lokalen of op die terreinen zelf plaats heeft. Is de opslag elders geschied, dan wordt de zekerheid dadelijk na de opslag in gemelde lokalen of op gemelde terreinen opgeheven.
4. Van de beslissing van de Inspecteur is hoger beroep toegelaten bij het Gerecht.

 

Artikel 188

  1. De Inspecteur kan vergunning verlenen dat een doorlopende zekerheid wordt gesteld ten belope van tienduizend gulden, om te dienen voor alle gevallen waarin met betrekking tot invoerrechten en accijnzen, volgens deze landsverordening of bij bijzondere wettelijke regelingen zekerheidsstelling vereist wordt.
  2. Aan ondernemers van een geregelde stoomvaartdienst kan worden vergund om slechts één voor alle kantoren geldende zekerheid te stellen tot een door gemelde ambtenaar te bepalen bedrag ten genoegen van de Inspecteur.
  3. Wordt dergelijke zekerheid gesteld door bij de Inspectie toegelaten expediteurs of cargadoors, dan kan zij met vergunning van de Inspecteur tevens dienen voor rechtstreekse doorvoer, mits dit in de akte van zekerheidstelling wordt uitgedrukt en de akte van inklaring door de expediteur of cargodoor medegetekend wordt.
  4. De vergunning kunnen te allen tijde door de Inspecteur worden ingetrokken.

Artikel 189

De bepalingen van dit hoofdstuk hebben geen betrekking op de zekerheid wegens krediet voor invoerrechten en of accijnzen, in welke vorm ook verleend.

Artikel 190

1. Zekerheid kan worden gesteld door:
a. storting van een bepaalde som geld;
b. borgtocht;
c. pand;
d. hypotheek;
2. De kosten van de zekerheidstelling komen ten laste van belanghebbenden.
3. De wijzen van zekerheidstelling sub c en d komen niet in aanmerking, wanneer de zekerheidstelling wordt gevorderd voor een op zichzelf staande handeling.

 

Artikel 191

  1. Bij zekerheidstelling door storting van een bepaalde som geld zal deze gestort worden ten kantore van de Ontvanger.
  2. De zekerheidstellingen in geld worden ingeschreven in een register; een bewijs van die inschrijving wordt aan de belanghebbende en aan de Inspecteur uitgereikt.

Artikel 192

  1. Bij zekerheidstelling door borgtocht moet de borg zich er schriftelijk toe verbinden hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de rechten en, indien van toepassing, kosten.
  2. De borg is een in Curaçao gevestigde derde, die door de Inspecteur is erkend. Ingeval van overbrenging van het domicilie naar het buitenland, blijft de aansprakelijkheid bestaan, totdat de borgtocht door de Inspecteur is opgezegd.
  3. De Inspecteur kan weigeren de voorgestelde borg te erkennen, indien deze geen financiële instelling is.
  4. De borg is verplicht, op eerste vordering van de Inspecteur, het bedrag van de rechten en, indien van toepassing, kosten te betalen, tot een maximum van het bedrag van de borgtocht.
  5. Een borgtocht kan niet worden opgezegd anders dan met toestemming van de Inspecteur.

 

Artikel 193

  1. Inpandgeving kan geschieden van effecten of obligaties aan toonder en koopmanschappen, alles ter beoordeling van de Inspecteur.
  2. Het bij het vorig artikel bepaalde omtrent onderhandse of notariële akte is ook ten opzichte van de akte van inpandgeving toepasselijk.
  3. De in pand gegeven zaken worden in de akte nauwkeurig omschreven.
  4. De in pand gegeven koopmanschappen zullen in een overheidsbergplaats worden geborgen, de effecten ter Inspectie bewaard.
  5. De waarde van de onderpanden wordt bepaald door een of meer deskundigen, door de Inspecteur aangewezen.
  6. De waarde moet het beloop van de zekerheid met 25% daarvan overtreffen. Bij waardevermindering, ter beoordeling van de Inspecteur kan aanvulling van de zekerheid gevorderd worden.

Artikel 194

Bij zekerheidstelling door middel van hypotheek gelden de volgende regelen:
a. de onroerende goederen moeten in Curaçao gelegen zijn;
b. zij moeten vooraf worden geschat door deskundigen, door de Inspecteur aangewezen;
c. de waarde moet het beloop van de zekerheid met de helft daarvan te boven gaan;
d. de goederen moeten onbezwaard zijn; behoudens uitzondering voor bijzondere gevallen, door de Inspecteur toe te staan; in dat geval geldt sub c voor de onbezwaarde waarde;
e. de gebouwen moeten tegen brandschade verzekerd zijn, ten name van het Land;
f. bij daling in waarde met 20 percent of meer, ter beoordeling van de Inspecteur, kan aanvulling van de zekerheid gevorderd worden.

Artikel 195

  1. Indien een vrachtlijst met tijdelijke opslag, een akte van inklaring tot rechtstreekse doorvoer, een doorvoerlijst, of enig afgegeven document, waarvoor zekerheidstelling is of kan worden gevorderd, niet of niet volledig gezuiverd en voorzien van de vereiste aftekening, dat aan de inhoud is voldaan, binnen de tijd, tot het gebruik van hetzelfde daarin bepaald, ten kantore van de inlevering of afgifte is teruggekomen, zal tot invordering van het bedrag, ten belope waarvan de zekerheid is gesteld of kan worden gevorderd, worden overgegaan.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan ten aanzien van accijnsgoederen en sigaretten worden bepaald, dat, onverminderd de aftekening van de documenten voor doorvoer, na tijdelijke opslag of na overlading in zeilschepen, binnen een door de Inspecteur te bepalen tijd het bewijs moet worden overgelegd, dat de goederen hun bestemming behoorlijk hebben bereikt; zullende alsdan verzuim van daaraan te voldoen hetzelfde gevolg hebben als bij het slot van het vorig lid bepaald.

 

HOOFDSTUK VIII
Entrepots

Artikel 196

  1. Entrepots zijn oplagen van goederen in daartoe aangewezen bergplaatsen.
  2. Het doel van de entrepots is om aan de eigenaren of geconsigneerden van inkomende, niet ten invoer verboden, goederen, de gelegenheid te geven, om de goederen tot verblijf in het binnenland of tot doorvoer, voor zover die niet verboden is, te bestemmen en aan te geven, tegen betaling in het eerste geval van de verschuldigde rente.

Artikel 197

Van de gunst van gouvernementsentrepots zijn uitgesloten zodanige goederen, ten aanzien waarvan dat wegens hun omvang of aard door de Inspecteur bij voortduring of tijdelijk wordt bepaald.

Artikel 197a

  1. Open entrepots zijn entrepots welke niet ambtelijk worden gesloten of bewaakt en welke bestemd zijn tot opslag voor onbepaalde tijd door de beheerder van het entrepot van bij invoer al dan niet aan invoerrecht onderworpen accijnsvrije goederen van een of meer bepaalde daartoe door de Inspecteur aangewezen soorten, met uitzondering van bier, wijn en tabaksproducten.
  2. Voor het oprichten van een open entrepot is een schriftelijke vergunning van de Inspecteur vereist.
  3. Voor goederen in open entrepot opgeslagen wordt ten genoegen van de Inspecteur zekerheid gesteld voor de invoerrechten.
  4. De opneming van goederen in een open entrepot geschiedt zovele malen als de Inspecteur dit nodig oordeelt, voor het afsluiten van de rekening als bedoeld in artikel 213.
  5. De artikelen 210, 214 en 215 zijn mede van toepassing op de in het eerste lid bedoelde entrepots.

Artikel 198

  1. De gunst van entrepot wordt, wat particuliere entrepots aangaat, genoten voor onbepaalde tijd en wat gouvernementsentrepots betreft, voor de tijd van een jaar na de dag van de lossing, welke termijn in bijzondere gevallen door de Inspecteur kan worden verlengd.
  2. Ten aanzien van accijnsgoederen wordt de gunst van gouvernementsentrepot ook voor invoerrechten genoten voor onbepaalde tijd en op de voet van de bijzondere bepalingen daaromtrent. Wanneer deze goederen uit de entrepots ten invoer worden aangegeven, moeten de rechten terstond worden betaald, behoudens in gevallen van verleende uitstel van betaling.
  3. De hier bepaalde termijnen gelden niet bij tijdelijke opslag op de voet van hoofdstuk II.

 

Artikel 199

  1. In Curaçao, is een gouvernementsentrepot onder toezicht van de Inspectie en wederzijdse sluiting, zowel van haar zijde als van de kant van de handel.
  2. Opslag in gouvernementsentrepot kan slechts plaats hebben, voor zover er ruimte beschikbaar is.
  3. Ook particuliere bergplaatsen, geen gemeenschap hebbende met andere lokalen en voor doeltreffende afsluiting vatbaar, kunnen onder wederzijdse sluiting bedoeld in het eerste lid, door de Inspecteur als entrepot worden toegelaten.
  4. In deze particuliere entrepots mogen geen andere dan geëntreposeerde goederen geborgen zijn.

Artikel 200

Bij gebleken misbruik van de gunst van particulier of open entrepot is de Inspecteur bevoegd deze gunst in te trekken met gevolg, dat binnen drie dagen de in het entrepot aanwezige goederen ten invoer moeten worden aangegeven of wel moeten worden overgebracht naar een gouvernementsentrepot, bij gebreke waarvan de rechten terstond zullen verhaalbaar zijn volgens schatting van de goederen door de Inspecteur.

Artikel 201

De overheids- en particuliere entrepots zijn onder toezicht vanwege de Inspectie voor de belanghebbende toegankelijk op alle kantoordagen gedurende de kantooruren en in bijzondere gevallen, ter beoordeling van de Inspecteur, ook op andere dagen en uren, doch nimmer tussen 6 uur namiddags en 6 uur voormiddags.

Artikel 202

  1. Het Land is in genen dele verantwoordelijk voor de goederen, welke in overheids- of particulier entrepot worden geborgen, tenzij die in gouvernementsentrepot door schuld van de ambtenaren mochten zijn bedorven of in waarde verminderd.
  2. Vermis, anders dan door brand, overstroming of andere buitengewone gebeurtenissen, geeft geen recht tot vermindering van rechten op de hoeveelheid, bij de opslag aangegeven of bevonden, blijvende het aanwezige aansprakelijk voor het vermiste.
  3. Voor alle goederen in gouvernementsentrepot zullen bij uitslag het invoerrecht en de accijns worden berekend naar de hoeveelheid, die uitgeslagen wordt.

Artikel 203

Geen inkomende goederen zullen in entrepot worden opgenomen dan die vóór de afgifte van het consent tot lossing op entrepot zijn aangegeven; de aangifte van de te entreposeren goederen zal moeten geschieden op dezelfde wijze als voor inkomende goederen bij hoofdstuk II, vijfde afdeling, is bepaald, doch aan de opgegeven waarde zal men bij de aangifte tot uitslag niet zijn gebonden; een en ander behoudens het bepaalde bij de artikelen 49 en 205.

Artikel 204

Accijnsgoederen worden steeds vóór de opslag in en bij de uitslag uit entrepot aan verificatie onderworpen.

Artikel 205

  1. Onverminderd hetgeen in hoofdstuk II is bepaald omtrent tijdelijke opslag van goederen, kunnen de akten van inklaring en vrachtlijsten in hoofdstuk II bedoeld, op schriftelijke verklaring van de belanghebbende, zonder nadere aangifte en zonder tijdelijke opslag, terstond worden aangezuiverd door entreposering van de goederen in entrepot.
  2. Goederen, waarvan de soort of de hoeveelheid in de vrachtlijsten vermeld is, komen voor de toepassing van dit artikel niet in aanmerking, tenzij de lijst vooraf met die vermelding wordt aangevuld.

Artikel 206

Om een gedeelte van in een akte van inklaring begrepen goederen op de losplaats in gouvernementsentrepot op te slaan op de voet van het vorige artikel, levert de belanghebbende ter Inspectie een uittreksel van de betrokken vrachtlijsten in, hetwelk na aftekening door de ambtenaren met de visitatie bij de lossing belast, dient ten geleide van de goederen naar het entrepot.

Artikel 207

De minima, bij de accijnsverordening bepaald voor opslag van goederen in gouvernementsentrepot, zijn niet verplicht voor zodanige opslag met vrachtlijst op de voet van artikel 205.

Artikel 208

  1. De goederen, opgenomen in entrepot, mogen daarin onder toezicht van de ambtenaren worden verpakt, gesorteerd of verwerkt, behoudens de bepalingen van de bijzondere wettelijke regelingen betreffende de accijnzen.
  2. De belanghebbende vraagt daartoe telkens vooraf schriftelijke vergunning aan de Inspecteur.
  3. Het bij dit artikel bepaalde geldt niet bij tijdelijke opslag op de voet van hoofdstuk II.

Artikel 209

Overeenkomstig de regelen, door de Minister van Financiën te stellen, kunnen van de goederen, in entrepot opgeslagen, monsters genomen worden.

Artikel 210

  1. Geëntreposeerde goederen kunnen in hetzelfde gouvernementsentrepot op naam van een ander worden overgeboekt.
  2. Zij kunnen, voor zover particulier entrepot voor de goederen is toegelaten, van het gouvernementsentrepot naar een particulier entrepot, of wel van het een naar het andere particulier entrepot worden vervoerd, hetzij op naam van de entrepositaris of van de nieuwe verkrijger.
  3. In al deze gevallen zijn schriftelijke verklaringen van de entrepositaris en de nieuwe verkrijger nodig en geschiedt in de gevallen bij het tweede lid bedoeld, het vervoer op consentbiljet onder toezicht van de ambtenaren. Het consentbiljet wordt na aftekening door de ambtenaren ingetrokken.

Artikel 211

De wederuitvoer uit entrepot naar het buitenland, ook van accijnsgoederen, moet plaats hebben in alles met inachtneming van de formaliteiten, bij hoofdstuk IV voorgeschreven omtrent de doorvoer.

Artikel 212

  1. Dadelijk na het verloop van de tijd, bij artikel 198 voor het verblijf van accijnsvrije goederen in gouvernementsentrepot bepaald, zal aangifte ten invoer moeten worden gedaan en zullen de goederen het entrepot moeten verlaten.
  2. Bij nalatigheid zullen de goederen naar een overheidsbergplaats worden overgebracht om behandeld te worden als in de zevende afdeling van hoofdstuk II omtrent onbekende en onbeheerde goederen is bepaald, met dien verstande, dat verder geen aangifte anders dan ten invoer zal kunnen gescheden.

Artikel 213

1. Met iedere entrepositaris wordt door de Inspecteur, voor elk entrepot afzonderlijk, een rekening gehouden.
2. Op die rekening worden als debet gebracht de goederen:
a. volgens de laatste opneming;
b. daarna opgeslagen blijkens de afgetekende documenten;
c. in gouvernementsentrepot op naam van de entrepositaris overgeboekt;
en in het credit:
a. de uitslagen met betaling van rechten;
b. die met bestemming tot opslag in een ander entrepot;
c. die met bestemming tot wederuitvoer;
d. de hoeveelheden, in gouvernementsentrepot op naam van een ander overgeboekt;
e. het bij opneming in entrepot bevonden tekort, nadat voor zover particulier entrepot betreft, de rechten deswege zijn voldaan;
f. het op de nieuwe rekening over te brengen saldo.

Artikel 214

  1. In de maand januari van elk jaar en verder zo dikwijls als de Inspecteur nodig acht, zal hij de geëntreposeerde goederen doen opnemen.
  2. Ingeval een tekort in de particuliere entrepots wordt bevonden, zal de rekening moeten worden aangezuiverd door betaling van het verschuldigde wegens het tekort bevondene.
  3. De bevonden goederen zullen op nieuwe rekeningen worden overgebracht en binnen tien dagen na de opneming zullen de entrepositarissen of hun gemachtigden ten kantore van de Inspecteur moeten verschijnen, teneinde hun rekening te vereffenen en om de bewijzen van vroegere entreposering tegen nieuwe te verwisselen.
  4. Bij nalatigheid hierin zullen de goederen uit een particulier entrepot worden overgebracht naar een overheidsbergplaats om behandeld te worden als onbekende en onbeheerde goederen op de voet van de zevende afdeling van hoofdstuk II.

Artikel 215

  1. De in het vorig artikel bedoelde opneming kan, indien de Inspecteur dit niet nodig acht, worden nagelaten.
  2. Heeft er geen opneming plaats, dan wordt voor de vereffening van de rekening en het afgeven van nieuwe bewijzen van entreposering volgens het vorige artikel de voorraad goederen geacht gelijk te zijn aan die, welke er volgens rekening moet zijn.

Artikel 216

Een tarief van huur van gouvernementsentrepot, van kosten wegens opening en sluiting van en toezicht in entrepots en van huur van overheidsbergplaatsen wordt vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.

HOOFDSTUK IX
Vervolging en straffen

Eerste afdeling
Algemene bepalingen

Artikel 217

  1. Met het opsporen van de bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn belast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren of personen, de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen, alsmede de in artikel 121c bedoelde ambtenaren van de belastingdienst.
  2. Bij het opsporen van bij wettelijke regelingen strafbaar gestelde feiten gelden de opsporingsbevoegdheden en procedures van het Wetboek van Strafvordering, tenzij in dit hoofdstuk hiervan afwijkende bepalingen zijn opgenomen.
  3. Alle processen-verbaal, opgemaakt door de ambtenaren, betreffende de bij deze landsverordening strafbaar gesteld feiten worden ingezonden aan de Inspecteur. De Inspecteur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten, ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen onverwijld toekomen aan de officier van justitie. De overige processen-verbaal doet de Directeur met de inbeslaggenomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien hij een vervolging wenselijk acht.
  4. De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van de Inspecteur te stellen, die daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 219a.
  5. Het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing in zaken waarin de Inspecteur het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.

Artikel 218

  1. De ambtenaren belast met de opsporing van de bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten, zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
  2. Zij hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen, waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat aldaar een feit als bedoeld in het eerste lid wordt begaan. Zij zijn bevoegd zich te doen vergezellen van door de Inspecteur aangewezen personen. Zo nodig kunnen zij de hulp van de sterke arm inroepen.
  3. In de woning treden zij op de voet van het eerste lid tegen de wil van de bewoner niet binnen dan vergezeld van een commissaris van politie of voorzien van een algemene of bijzondere schriftelijke last van de procureur-generaal of van de officier van justitie, dan wel voorzien van een bijzondere schriftelijke last van een van zijn hulpofficieren.
  4. Van het in het derde lid bedoelde binnentreden wordt binnen tweemaal vierentwintig uur proces-verbaal opgemaakt. Daarin wordt melding gemaakt van het tijdstip van het binnentreden en van het beoogde doel, alsmede van de omstandigheid dat zij zich door bepaalde personen hebben doen vergezellen.

Artikel 219

De ambtenaren der invoerrechten en accijnzen zijn tevens belast met de opsporing van de misdrijven omschreven in de artikelen 340 tot en met 343 en artikel 345 van het Wetboek van Strafrecht welke jegens hen zijn begaan.

Artikel 219a

1. Ten aanzien van feiten, met betrekking tot welke het proces-verbaal niet overeenkomstig artikel 217, derde lid, in handen van de officier van justitie is gesteld, vervalt het recht tot strafvordering door vrijwillige voldoening aan de voorwaarden welke de Inspecteur ter voorkoming van strafvervolging heeft gesteld.
2. Als voorwaarden kunnen worden gesteld:
a. betaling aan Curaçao van een geldsom van ten minste honderd gulden en ten hoogste het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd;
b. afstand van voorwerpen die in beslag genomen zijn en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;
c. uitlevering, of voldoening aan Curaçao van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring;
d. voldoening aan Curaçao van een geldbedrag gelijk aan of lager dan het geschatte voordeel – met inbegrip van besparing van kosten – door de verdachte verkregen door middel van of uit het strafbare feit;
e. het alsnog voldoen aan een bij deze landsverordening gestelde verplichting.
3. De Inspecteur bepaalt telkens de termijn waarbinnen aan de gestelde voorwaarden moet zijn voldaan, en zo nodig tevens de plaats waar dat moet gebeuren.

Artikel 219b

  1. Met betrekking tot bij wettelijke regelingen strafbaar gestelde feiten is de Inspecteur bevoegd een van een misdrijf verdacht persoon die is aangehouden in of bij een entrepot, economische zone, ruimte voor douane-opslag, haven of luchthaven, na aanhouding naar een plaats voor verhoor te geleiden dan wel diens aanhouding of voorgeleiding te bevelen.
  2. Indien de Inspecteur die de verdachte heeft aangehouden of voor wie de verdachte wordt geleid de inverzekeringstelling of de bewaring van de verdachte nodig oordeelt, doet hij de verdachte voorgeleiden voor de officier van justitie of voor een hulpofficier van justitie.
  3. Indien de verdachte niet voor de officier of voor de hulpofficier van justitie wordt voorgeleid, wordt de verdachte, na te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid gesteld.
  4. De verdachte mag niet langer dan zes uren voor verhoor worden opgehouden met dien verstande dat de tijd tussen middernacht en negen uur voormiddags, alsmede de tijd benodigd voor de overbrenging van de plaats van aanhouding naar de plaats van verhoor, niet wordt meegerekend.

Artikel 219c

  1. De goederen die in beslag zijn genomen ter zake van het begaan van bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten kunnen, voor zover de eisen van het onderzoek of het algemeen belang bij hun vernietiging of onbruikbaarmaking zich niet daartegen verzetten, zo nodig na monsterneming, overeenkomstig door de Minister te stellen regels, tegen zekerheidsstelling worden vrijgegeven.
  2. Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing ten aanzien van goederen, in beslag genomen in zaken waarin de Inspecteur het proces-verbaal ingevolge het bepaalde in artikel 217, derde lid, aan de officier van justitie heeft doen toekomen.
  3. De overeenkomstig het eerste lid gestelde zekerheid treedt voor de toepassing van bepalingen betreffende verbeurdverklaring en inbeslagneming, alsmede voor de uitoefening van het recht van verhaal, in de plaats van de in beslag genomen goederen.

Tweede afdeling
Vervolgingen

Artikel 220 tot en met artikel 222

(vervallen)

Artikel 223

De goederen, vaartuigen, voertuigen en gespannen, werktuigen, gereedschappen of andere voorwerpen, waarmee enige overtreding van deze landsverordening of van andere wettelijke regelingen op de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen is gepleegd, kunnen door de ambtenaren worden aangehouden, ten einde als stukken van overtuiging te dienen of door hen in beslag worden genomen indien zij vatbaar voor verbeurdverklaring zijn.

Artikel 224 tot en met artikel 232

(vervallen)

Tweede afdeling
Straffen

Artikel 233

  1. Alle inkomende schippers, voorlieden, dragers, drijvers of andere personen, die zodanige ladingen of vrachten als hierna omschreven, invoeren of binnenslands vervoeren, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en geldboete van de vijfde categorie, of met één van beide voormelde straffen. Dit feit is een misdrijf.
  2. Bovendien kunnen de ladingen of vrachten, alsmede de voor het vervoer van deze ladingen of vrachten gebezigde vervoermiddelen in beslag genomen en verbeurdverklaard worden.
  3. Onder ladingen of vrachten, in dit artikel bedoeld, worden verstaan alle vervoerd wordende goederen, die, hetzij ten invoer verboden, hetzij op het onvrije terrein naar de plaatsen in artikel 103 genoemd vervoerd worden in strijd met artikel 131, hetzij, aan invoerrecht of accijns onderworpen zijnde, bewezen worden de bij deze landsverordening voorgeschreven aangifte tot invoer te zijn ontgaan; alles behoudens de bijzondere wettelijke regelingen omtrent de accijnzen.

Artikel 233a

  1. Hij die opzettelijk enig goed, waarvan de invoer is verboden of dat op het onvrije terrein naar een van de plaatsen in artikel 103 genoemd vervoerd is of wordt in strijd met artikel 133, of dat, aan invoerrecht of accijns onderworpen zijnde, de bij deze landsverordening voorgeschreven aangifte tot invoer is ontgaan, koopt, huurt, inruilt, in pand neemt, als geschenk aanneemt of uit winstbejag verkoopt, verhuurt, verruilt, in pand geeft, bewaart of verbergt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren en geldboete van de vijfde categorie of met één van beide voormelde straffen. Dit feit is een misdrijf.
  2. Dezelfde straf wordt opgelegd aan hem, die opzettelijk uit de opbrengst van enig goed als bedoeld in het eerste lid, voordeel trekt.

Artikel 233b

  1. Hij die enig goed koopt, huurt, inruilt, in pand neemt, als geschenk aanneemt of uit winstbejag verkoopt, verhuurt, verruilt, in pand geeft, bewaart of verbergt, wordt, indien aan zijn schuld te wijten is, dat zijn handeling betreft een goed als bedoeld in het eerste lid van artikel 233a, gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste twee jaren en geldboete van de vierde categorie of met één van beide voormelde straffen. Dit feit is een misdrijf.
  2. Dezelfde straf wordt opgelegd aan hem, die uit de opbrengst van enig goed voordeel trekt, indien aan zijn schuld te wijten is, dat zijn handeling een goed als bedoeld in artikel 233a betreft.

Artikel 233c

De in artikelen 233, 233a en 233b, 235, tweede lid, bepaalde gevangenisstraf kan met een derde worden verhoogd en wordt de op het feit gestelde geldboete verhoogd naar de naasthogere categorie, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldige hetzij een tegen hem wegens een van de in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten dele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden; of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvoering van die straf nog niet is verjaard, dan wel indien de schuldige een gewoonte maakt van het plegen van het misdrijf.

Artikel 233d

Bij veroordeling wegens een van de in de artikelen 233, 233a en 233b, 235, tweede lid, omschreven misdrijven kan ontzetting van de in artikel 1:64, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, genoemde rechten worden uitgesproken.

Artikel 234

Artikel 233 is mede van toepassing wanneer iemand, misbruik makende van de bepalingen ten gunste van de visserij gemaakt, de daartoe dienende vaartuigen gebruikt tot de heimelijke invoer van verboden of aan invoerrecht en accijns onderworpen goederen, doch zullen alsdan de minima en maxima van de hoofdstraffen het dubbel zijn van die in artikel 233 bepaald, en de vaartuigen kunnen worden verbeurdverklaard.

Artikel 235

  1. Degene die een ingevolge deze landsverordening of de Landsverordening tarief van invoerrechten vereiste aangifte, niet, onjuist of onvolledig doet, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar en een geldboete van de vijfde categorie, of één van voormelde straffen. Dit feit is een overtreding.
  2. Degene die het in het eerste lid omschreven feit opzettelijk begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar en een geldboete van de zesde categorie, of met één van voormelde straffen. Dit feit is een misdrijf.

Artikel 236

  1. Wanneer bij invoer ontdekt wordt, dat met betrekking tot goederen in vaten, kisten, balen, manden en andere emballage niet hetzelfde getal aan boord aanwezig is als bij de akte van inklaring is opgegeven, zal door de schipper worden verbeurd voor elk aan het opgegeven getal ontbrekend stuk een boete van honderd gulden.
  2. De meer bevonden stuks zullen worden in beslag genomen en verbeurdverklaard, tenzij het invoerrecht de som van vijftig gulden niet te boven gaat, of indien vóór de bekeuring nog aangifte is geschiedt, in welk laatste geval de boete voor elk verzwegen stuk slechts zal bedragen tweehonderd gulden, alles behoudens het bepaalde bij artikel 238.

Artikel 237

Bij ontdekking, als bij het vorig artikel bedoeld, ten aanzien van losse of gestorte goederen zal, wanneer de bevonden met de opgegeven hoeveelheid meer dan een tiende gedeelte daarboven of daarbeneden verschilt, de schipper gestraft worden met een boete ten belope van driemaal de invoerrechten van het meer of minder bevondene dan bij de akte van inklaring is opgegeven.

Artikel 238

Bij het aanwezig zijn in ingeklaarde schepen van accijnsgoederen, andere dan die bij de artikelen 93 en 142 van de Landsverordening tarief van invoerrechten bedoeld, niet bij de akte van inklaring opgegeven, worden die goederen in beslag genomen en verbeurdverklaard en wordt de schipper gestraft met een boete ten belope van vijfmaal het bedrag van het invoerrecht en de accijns, doch minstens het bedrag van de eerste categorie ook wanneer het invoerrecht en de accijns tezamen de som van vijftig gulden te boven gaat.

Artikel 239

  1. Wanneer vóór de aanbieding ter visitatie of verificatie blijkt, dat een vat, kist, baal, mand of andere emballage een andere soort goederen bevat dan bij de inklaring is opgegeven, zal de schipper voor elk zodanig stuk worden gestraft met een geldboete van de eerste categorie.
  2. Indien echter de opgave is geschied overeenkomstig de manifesten en cognossementen, zal deze boete niet door de schipper worden verbeurd, doch de verkeerd aangegeven goederen zullen worden in beslag genomen en verbeurdverklaard wanneer de belanghebbende niet binnen veertien dagen de rechten en accijnzen met een verhoging ten belope van tweemaal het bedrag daarvan, heeft betaald.
  3. Het bij dit artikel bepaalde is niet toepasselijk, indien de bijzondere gedeelten van de partij tezamen genomen met de massale aangifte overeenkomen.

Artikel 240

  1. Alle lossing of overzetting van ingevoerde goederen zonder het daartoe benodigde document heeft ten gevolge de inbeslagneming en verbeurdverklaring van de geloste of overgezette goederen, terwijl de schipper bovendien zal worden gestraft met een boete van tienmaal het invoerrecht en de accijns van die goederen, doch minstens het bedrag van de eerste categorie.
  2. Bij lossing op het daartoe verkregen document, doch zonder dat op hetzelfe uit de aantekening van de ambtenaren blijkt, dat zulks is geschied in hun bijzijn of met hun voorkennis, gelijk ook alle lichting of over boord zetting met document, doch anders dan op de voet bij de wettelijke regels op de in-, uit- en doorvoer omschreven, wordt de schipper gestraft met gelijke boete als bij het vorige lid is bepaald, alles behoudens de bijzondere gevallen in artikel 29 bedoeld. De goederen zullen worden aangehouden om een nauwkeurige visitatie te ondergaan.
  3. Schippers, voerlieden, dragers of drijvers zullen worden gestraft met een geldboete van de eerste categorie voor elk stuk, dat zij vervoeren op een document, dat niet vooraf door de ambtenaren ten blijke van gedane visitatie is afgetekend.

Artikel 241

  1. Alle op daartoe verkregen documenten ter visitatie of verificatie aangeboden wordende goederen, welke bij vergelijking met de inhoud van de documenten worden ontdekt onder een verkeerde benaming te zijn aangegeven, zullen worden in beslag genomen en verbeurdverklaard.
  2. Hij, die accijnsgoederen onder een verkeerde benaming ten invoer aangeeft, wordt bovendien gestraft met een boete ten belope van vijfmaal het bedrag van de accijns van die goederen, doch minstens het bedrag van de eerste categorie.
  3. Hij die de in de artikelen 34 en 151 van de Landsverordening tarief van invoerrechten opgenomen verbodsbepalingen overtreedt, wordt gestraft met een geldboete van de vierde categorie.

Artikel 242

  1. Insgelijks zullen worden in beslag genomen en verbeurdverklaard de partijen accijnsvrije goederen, die bij vergelijking met de documenten, anders dan bij de opneming in de gevallen bij artikel 55 bedoeld, worden bevonden dan wel onder hun ware benaming te zijn aangegeven, doch gedeeltelijk verzwegen zijn.
  2. Indien echter het verzwegene op de partij van dezelfde soort goederen, in het document vermeld, bijeen gevoegd, niet meer bedraagt dan een twintigste van het aangegevene zal de verbeurdverklaring zich bepalen tot dit gedeelte. Voor goederen, niet naar de waarde belast, wordt gemeld bedrag van een twintigste bepaald op een twaalfde.

Artikel 243

  1. Bij alle invoer tot na visitatie of opslag in entrepot, gelijk mede bij uitvoer en doorvoer moeten de vereiste documenten bij de goederen voorhanden gehouden worden om desgevorderd aan de ambtenaren dadelijk ter visitatie te worden vertoond, op verbeurte van een geldboete van de eerste categorie door de vervoerder te belopen, indien blijkt dat de goederen behoorlijk zijn in- of uitgeklaard en aangegeven en daarop document is verkregen.
  2. Wanneer zodanig bewijs alleen ten opzichte van sommige artikelen of sommige stuks van een lading of vracht niet kan worden vertoond, zal de schipper of vervoerder worden gestraft met een boete gelijkstaande aan vijfmaal het invoerrecht en de accijns van de niet aangegeven goederen en dit gedeelte van de lading of vracht worden in beslag genomen en verbeurdverklaard, behoudens de toepassing van de artikelen 236 en 237 voor daar bedoelde gevallen.

Artikel 244

  1. Een ieder die bij de toepassing van de bij of krachtens deze landsverordening of de Landsverordening tarief van invoerrechten gestelde bepalingen tegenover de met de uitvoering daarvan belaste ambtenaren van een of meer valse of vervalste bescheiden gebruik maakt, wordt gestraft met een geldboete van de vijfde categorie.
  2. Een ieder die het in het eerste lid omschreven feit opzettelijk begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar en met een geldboete van de vijfde categorie, of met een van beide voormelde straffen.
  3. De in het eerste en het tweede lid omschreven delicten zijn misdrijven.

Artikel 245

Binnenlands vervoer zonder vervoerbiljet in de gevallen bedoeld bij de tweede afdeling van hoofdstuk III, wordt gestraft met een boete ten belope van vijfmaal de invoerrechten en accijnzen en zullen de goederen worden in beslag genomen en verbeurdverklaard, tenzij aan de Inspecteur binnen veertien dagen na de bekeuring wordt bewezen, dat de invoerrechten en accijnzen zijn betaald, in welk geval ontslag van het inbeslaggenome volgen zal tegen betaling van de kosten.

Artikel 246

Wanneer goederen, bij vervoer als in het vorige artikel bedoeld, doch van vervoerbiljetten voorzien, gevonden worden buiten de in het vervoerbiljet aangewezen wegen, zal de vervoerder deswege verbeuren een boete van tweehonderd gulden.

Artikel 247

Bij overtreding van artikel 103 zullen de goederen worden verbeurdverklaard en zal een boete worden belopen van vijfmaal het bedrag van de invoerrechten en accijnzen, doch minstens het bedrag van de tweede categorie door degene, in wiens huis of andere voor afsluiting vatbare plaats de goederen zijn nedergelegd, tenzij het blijkt, dat de nederlegging buiten zijn weten is geschied of hij van het aanwezig zijn van de goederen aan de ambtenaren heeft kennis gegeven vóór het begin van het onderzoek.

Artikel 248

Onverminderd de toepassing van het vorige artikel zal ieder, die accijnsgoed, dat bij vervoer met document moet gedekt zijn, koopt of wel toelaat of opneemt in een bij hem in gebruik zijnde bergplaats, fabriek, of woning met de wetenschap dat het in strijd met de wet is ingevoerd, worden gestraft alsof hijzelf de onwettige invoer had bedreven.

Artikel 249

  1. In het geval, bedoeld bij artikel 111, eerste lid, zal het gedistilleerd in de lokalen van de kooplieden en winkeliers, bij de peiling en visitatie voorhanden bevonden, waarvan de inslag na aftrek van de hoeveelheden, welke de ambtenaren op de achterzijde van de documenten zullen hebben afgeschreven, niet door documenten kan worden gejustificeerd, worden verbeurdverklaard en zal de koopman of winkelier worden gestraft met een boete ten belope van vijfmaal de accijns voor de overmaat, doch minstens het bedrag van de eerste categorie.
  2. Bij de overtreding van artikel 111, tweede lid, zal de koopman of winkelier worden gestraft met een geldboete van de eerste categorie.

Artikel 250

Indien bij visitatie op transito-paspoort bij het uitgaan bevonden wordt, dat ten doorvoer aangegeven goederen niet of in mindere hoeveelheid of in mindere sterkte van het gedistilleerd aanwezig zijn dan op het transitopaspoort is uitgedrukt, zal de aangever gestraft worden met een boete ten belope van vijfmaal het invoerrecht en de accijns van het ontbrekende, tenzij het tekort niet meer dan een twintigste op de hoeveelheid of niet meer dan vijf percent op de sterkte van het gedistilleerd bedraagt, behoudens de betaling van de kosten.

Artikel 251

Bij bevinding van accijnsgoederen in strijd met artikel 149 elders dan daar bepaald in het schip geborgen, zal de schipper worden gestraft met een boete van vijfmaal het bedrag van de accijns, ook wanneer de invoerrechten en accijnzen tezamen niet de som van honderd gulden te boven gaan.

Artikel 252

  1. De schipper, die vertrekt zonder zijn schip te hebben doen uitklaren, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.
  2. Bij overtreding van artikel 169, tweede lid, wordt de schipper gestraft met een geldboete van de eerste categorie.

Artikel 253

1. Indien de sluiting, plombs of zegels geschonden worden bevonden, zullen de schippers, vervoerders, of beheerders van de goederen worden gestraft met een geldboete van de tweede categorie en bij herhaling met gevangenisstraf van een maand tot een jaar, tenzij de schending is veroorzaakt door overmacht en van het gebeurde onverwijld kennis is gegeven aan de Inspecteur.
2. Met dezelfde straffen worden de schippers gestraft, indien:
a. niet aangewezen zijn alle toegangen tot de lading van te verzegelen vaartuigen, wanneer de schipper door de ambtenaren tot die aanwijzing is uitgenodigd;
b. in verzegelde vaartuigen, onverzegelde luiken, deuren, verplaatsbare schotten en dergelijke, kennelijk ingericht om toegang tot de lading te verkrijgen, bestaan.

Artikel 254

Indien een inbeslagneming is geschied alleen ten gevolge van defect of verschil in merken, nummers of cijfers, en blijkt, dat de goederen dezelfde zijn als zijn aangegeven en geen ontduiking heeft plaatsgehad, zullen de goederen tegen betaling van de onkosten worden afgegeven.

Artikel 255

Het oprichten of in gereedheid brengen van enige fabriek of trafiek, als ook de verandering van deze zonder voorafgaande kennisgeving of toestemming in die gevallen, waarin zulks wordt vereist, zal worden gestraft met een geldboete van de tweede categorie ten laste van de oprichter, fabrikant of trafikant, en zal bovendien in het geval van verandering, herstel in de vorige staat binnen een bepaalde termijn en bij gebreke daarvan, alsmede in het eerstgenoemde geval, de sluiting bij het vonnis worden bevolen.

Artikel 256

(vervallen)

Artikel 257

Elke overtreding van bepalingen van deze of andere landsverordeningen betreffende de in-, uit- en doorvoer en de accijnzen, waartegen niet uitdrukkelijk is voorzien, alsmede van de ter uitvoering van die landsverordeningen gegeven wettelijke regelingen, zal worden gestraft met een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 258

  1. Hij die een krachtens deze landsverordening ambtelijk tot stand gebrachte sluiting van een vervoermiddel, bergingsmiddel, verpakkingsmiddel, werktuig, leiding, gebouw of terrein, of deel daarvan, verbreekt of een krachtens deze landsverordening ambtelijk aan een vervoermiddel, bergingsmiddel, verpakkingsmiddel, goederen, werktuig, leiding of gebouw aangebracht zegel of merk verwijdert of schendt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar en geldboete van de derde categorie of met één van beide voormelde straffen.
  2. Hij die het in het eerste lid genoemde feit opzettelijk begaat wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren en geldboete van de vierde categorie of met één van beide voormelde straffen.
  3. Hij, die een hem bij artikel 118a opgelegde verplichting niet nakomt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar en geldboete van de derde categorie of met één van beide voormelde straffen.

Artikel 258a

Hij die:
a. niet voldoet aan een hem krachtens deze landsverordening opgelegde verplichting aan ambtenaren inzage te verlenen van bepaalde bescheiden; of
b. niet voldoet aan een hem bij artikel 117a, vierde lid, 120a, 120c, tweede lid, of 120d, tweede lid, opgelegde verplichting,
wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.

HOOFDSTUK X
Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 259

Alle stukken krachtens deze landsverordening of andere wettelijke regelingen omtrent de in-, uit- en doorvoer opgemaakt, met uitzondering van de vertrekpas of het daarvoor in de plaats tredende bewijs, van akten, van zekerheidstelling, van de vergunning bedoeld in het tweede lid van artikel 146 en van de verklaring in artikel 9 bedoeld, zijn vrij van zegel.

Artikel 260

In alle gevallen, bij deze landsverordening niet uitdrukkelijk voorzien, zullen gelden de regels bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te geven, behalve wat de grondslagen en de hoegrootheid van de belasting betreft.

Artikel 260a

De Minister van Financiën kan, voor zover in deze landsverordening niet anders is bepaald, nadere voorschriften geven ter uitvoering van de bepalingen van deze landsverordening.

Artikel 260b

  1. Allen, die betrokken zijn of zijn geweest bij de uitvoering van deze landsverordening, alsmede de hierop gebaseerde en aanverwante wettelijke regelingen zijn verplicht tot geheimhouding van al hetgeen hun in hun hoedanigheid is bekend geworden, voor zover zij niet in die hoedanigheid tot mededeling daarvan bevoegd of verplicht zijn.
  2. De Minister van Financiën kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod.

Artikel 260c

  1. Een ieder die hier te lande een bedrijf uitoefent is gehouden van alles betreffende de uitoefening van dat bedrijf op zodanige wijze een boekhouding te voeren alsmede aantekening te houden, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen alsmede de overige voor de heffing, vrijstelling of teruggaaf van invoerrechten en accijnzen van belang zijnde gegevens uit zijn boeken, bescheiden en andere informatiedragers duidelijk blijken.
  2. Degene op wie de in het eerste lid bedoelde verplichting rust, is gehouden de in dat lid bedoelde boeken, bescheiden en andere informatiedragers waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor de toepassing van wettelijke regelingen, voor een periode van ten minste tien jaren te bewaren en deze op daartoe gedane vordering van de douaneautoriteiten of een door of vanwege de minister aangewezen andere ambtenaar van de belastingdienst, terstond ter inzage te verstrekken.
  3. Degene van wie inzage in boeken, bescheiden en andere informatiedragers wordt verzocht, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij het tegendeel aannemelijk is.

Artikel 261

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Algemene Verordening I. U. en D. 1908.

Artikel 262

(vervallen)

Artikel 263

(vervallen)

Naar boven