Landsbesluit ontplofbare stoffen Curaçao 1963 - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsbesluit ontplofbare stoffen Curaçao 1963

Publicatienummer: P.B. 2026, no. 79 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsbesluit, houdende algemene maatregelen
Ministerie: Justitie
Datum ondertekening: 13-11-2025
Datum inwerktreding: 28-06-1963
Geregistreerd in:
Klapper Afkondigingsblad ( HOOFDSTUK VIII Openbare veiligheid)


LANDSBESLUIT van de 13de november 2025, no. 25/2800, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van het Eilandsbesluit Ontplofbare Stoffen Curaçao 1963

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats                              Zittingsjaar
28-06-1963 n.v.t. n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2026 79 (GT) n.v.t.

Hoofdstuk I
Algemene bepalingen

Artikel 1

Dit besluit verstaat onder “ontplofbare stoffen”:
vloeibare of vaste stoffen of mengsels van vloeibare stoffen of van één of meer vloeibare met één of meer vaste stoffen, waarin zich, zonder dat toetreding van luchtzuurstof vereist is, onder warmteontwikkeling en drukverhoging, een scheikundige reactie kan voortplanten nadat deze reactie ergens in die stoffen is begonnen.
Onder ontplofbare stoffen worden mede verstaan:
a. mengsels van één of meer vloeibare met één of meer vaste stoffen, voor zover geen oplossing vormend, welke in hun geheel niet voldoen aan de definitie in het eerste lid, doch waarvan één of meer van de vaste stoffen wel voldoen aan deze definitie;
b. mengsels van vloeibare stoffen, al of niet een oplossing vormend, welke in hun geheel niet voldoen aan de definitie in het eerste lid, doch waarvan één of meer van de vloeibare stoffen wel voldoen aan deze definitie.

Artikel 2

Dit besluit verstaat voorts onder:
a. binnenwateren: alle bevaarbare wateren, liggende binnen de territoriale wateren van het Land Curaçao;
b. zeeschip: elk vaartuig, dat wordt gebruikt tot de vaart ter zee of daartoe bestemd is;
c. vaartuig: elk drijvend voorwerp, gebruikt of in staat te worden gebruikt als een middel van vervoer te water en elk toestel, dat in de dampkring kan worden gehouden ten gevolge van krachten, die de lucht daarop uitoefent;
d. motorrijtuigen: alle rij- of voertuigen, bestemd om uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het rij- of voertuig zelf aanwezig, te worden voortbewogen;
e. opslagplaats: de ruimte, waarin ontplofbare stoffen tijdelijk zijn opgeslagen, alvorens zij voor gebruik worden gebezigd of alvorens zij worden uit- of doorgevoerd;
f. vervoer: mede het in-, uit-, op-, af- of overladen.

Artikel 3

  1. De bepalingen van dit besluit zijn niet van toepassing op:
    a. ontplofbare stoffen, bestemd voor ’s Rijks krijgsmacht, het Land Curaçao, welke in eigen beheer in-, uit-, doorgevoerd, vervoerd, opgeslagen of aangemaakt worden;
    b. ontplofbare stoffen, welke behoren tot de uitrusting van vreemde oorlogsschepen en militaire luchtvaartuigen en die, welke behoren tot de wettelijk voorgeschreven uitrusting van koopvaardijschepen en burgerluchtvaartuigen;
    c. die ontplofbare stoffen, waarop van toepassing zijn de “Vuurwapenverordening 1930 ” en het “Vuurwapenbesluit 1930 ”.
  2. Onverminderd het bepaalde in het vorige lid geschiedt de in-, uit- en doorvoer en het vervoer van ontplofbare stoffen op de binnenwateren en te land, alsmede het laden en lossen daarvan aan kaden, werven, boeien of op de luchthaven, met vaartuigen niet in beheer van de in dit artikel genoemde lichamen, in overleg met de door de Minister van Justitie aangewezen functionaris.

Hoofdstuk II

Van de vergunning

Artikel 4

  1. Het is verboden ontplofbare stoffen te vervoeren, in-, uit- en door te voeren, aan te maken, te verkopen, te gebruiken, op te slaan en voorhanden te hebben, indien zij niet zijn vermeld op de lijst, samengesteld krachtens artikel 99, lid 3a, van het Schepenbesluit 1952 (Staatsblad 1952 no. 679)
  2. Een exemplaar van de in dit artikel vermelde lijst, zal ter inzage van belanghebbenden worden gedeponeerd ten kantore van de Havenmeester, de Luchthavenmeester en op het Hoofdbureau van Politie.

Artikel 5

  1. Voor het vervoer, de in-, uit- en doorvoer, aanmaak, verkoop, het gebruik, de opslag en het voorhanden hebben van ontplofbare stoffen, welke vermeld zijn op de lijst, genoemd in artikel 4 wordt een vergunning vereist door of namens de Minister van Justitie te verlenen. Aan deze vergunning kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.
  1. De gestelde voorwaarden kunnen worden gewijzigd en nieuwe voorwaarden kunnen aan de verleende vergunning worden toegevoegd.
  2. Geen vergunning wordt vereist voor de opslag van hoeveelheden vuurwerk tot een bruto gewicht van 121/2
  3. (vervallen)

Artikel 6

De Minister van Justitie kan aan personen die ontplofbare stoffen vervoeren, opslaan, gebruiken en voorhanden hebben bij wijze van beroep of bedrijf een vergunning tot wederopzegging toe verlenen.

Aan deze vergunning kunnen voorwaarden verbonden worden.

Hoofdstuk III

Van de in-, uit- en doorvoer

Artikel 7

Behoudens het bepaalde in artikel 5, derde lid, is voor de in-, uit- en doorvoer van ontplofbare stoffen over zee en door de lucht een schriftelijke vergunning vereist, welke namens de Minister van Justitie, respectievelijk door de Havenmeester en door de Luchthavenmeester wordt verleend.

Artikel 8

  1. Bij het verlenen van de vergunning worden o.m. de volgende overwegingen in acht genomen:
    a. of aan boord van een vaartuig alle maatregelen zijn getroffen noodzakelijk voor het veilig vervoer van ontplofbare stoffen;
    b. of de stoffen deugdelijk verpakt en gestuwd zijn;
    c. of andere gevaarlijke stoffen aan boord zijn of verwerkt zullen worden welke de veiligheid nadelig kunnen beïnvloeden;
    d. of brandgevaarlijke handelingen worden verricht;
    e. of anders dan in het geval van overladen alle ontplofbare stoffen gestuwd zijn en blijven in de daarvoor bestemde en afgesloten ruimten;
    f. of het verkeer in de zeehaven of op de luchthaven ten tijde van de invoer, doorvoer of vervoer van de ontplofbare stoffen zulks toelaat;
    g. de ligplaats, welke het vaartuig wenst te kiezen;
    h. de staanplaats, welke het luchtvaartuig wenst te kiezen.

Artikel 9

  1. De Minister van Justitie stelt nadere richtlijnen vast die bij het verlenen van de vergunning door de Havenmeester respectievelijk de Luchthavenmeester dienen te worden gevolgd.
  2. Hierbij bepaalt hij de maximale hoeveelheden ontplofbare stof van iedere soort die in-, uit- en doorgevoerd mogen worden, alsmede de lig- of staanplaatsen van de vaartuigen waarin die stoffen zich bevinden.

Artikel 10

Door de vertegenwoordiger of reder dient ten behoeve van een vaartuig waarmee ontplofbare stoffen in-, uit- en doorgevoerd worden, tijdig een vergunning, als bedoeld in artikel 7, te worden aangevraagd, onder opgave van de soort en hoeveelheid ontplofbare stof, hoe de stoffen aan boord zijn gestuwd of geladen c.q. waar en hoe deze stoffen aan boord gestuwd of geladen zullen worden, waar het vaartuig ligging of staanplaats wenst te kiezen, en de maximum tijdsduur van het vaartuig in de haven, baai of luchthaven, onder mededeling van welke andere gevaarlijke stoffen zich eventueel aan boord bevinden, alsmede de plaats van bestemming van de hier genoemde stoffen.

Artikel 11

Op een met ontplofbare stoffen geladen zeeschip moeten zich overdag bevinden twee vlaggen B van het internationale seinboek, loodrecht boven elkaar op een onderlinge afstand van tenminste 1 meter en ten hoogste 4 meter.

‘s Nachts moeten op een, met ontplofbare stoffen geladen zeeschip, branden twee helderrode rondschijnende lichten op een onderlinge afstand van tenminste 1 meter en ten hoogste 4 meter even hoog geplaatst en van een zodanige sterkte, dat zij op een afstand van 500 meter goed zichtbaar zijn.

De in dit artikel bedoelde vlaggen en lichten moeten op of boven het zeeschip zijn aangebracht op een plaats waar ze rondom het best gezien kunnen worden.

Artikel 12

Indien een met ontplofbare stoffen geladen vaartuig, dat zich reeds binnen de haven of baai bevindt, gevaar oplevert voor de veiligheid, kan de Havenmeester beslissen dat het vaartuig onmiddellijk de haven of baai dient te verlaten.

In geval dit vaartuig uit de haven verwijderd wordt, kan het toegestaan worden zijn werkzaamheden in één van de baaien voort te zetten.

Indien een met ontplofbare stoffen geladen luchtvaartuig, dat zich reeds op de luchthaven bevindt, naar het oordeel van de Luchthavenmeester gevaar voor goederen of personen oplevert kan hij gelasten dat of wel de stoffen uit het luchtvaartuig worden verwijderd en overgebracht naar een daartoe bestemde opslagplaats of dat het luchtvaartuig de luchthaven moet verlaten.

Artikel 13

Aan boord van vaartuigen met ontplofbare stoffen mogen geen reparaties of handelingen, die door de aanwezigheid van ontplofbare stoffen de veiligheid in gevaar brengen, worden verricht zonder toestemming van de Havenmeester c.q. de Luchthavenmeester.

Indien tijdens het laden, het lossen of het vervoer op de binnenwateren op enigerlei wijze de veiligheid in gevaar wordt gebracht is een ieder verplicht gevolg te geven aan de door of vanwege de Havenmeester gegeven bevelen.

Artikel 14

Ontplofbare stoffen mogen alleen gelost worden indien onmiddellijk vervoer naar een voor deze stoffen bestemde opslagplaats gewaarborgd is, en alleen uit de opslagplaats verwijderd worden indien onmiddellijke inlading verzekerd is.

Hoofdstuk IV

Van de veiligheidsmaatregelen bij het vervoer

Artikel 15

De vervoerder is verplicht zorg te dragen dat het personeel, betrokken bij het vervoer van ontplofbare stoffen de voorschriften van dit besluit stipt opvolgt.

Artikel 16

Ontplofbare stoffen moeten stevig ingepakt zijn in daarvoor geschikte emballage, hetzij in metalen kisten of bussen dan wel in houten kisten, tonnen of vaten. Deze voorwerpen moeten goed gesloten zijn.

Elke colli of kist met ontplofbare stoffen moet voorzien zijn van een opschrift waarmee de soort en het gewicht van de stof alsmede de gevaarklasse worden aangeduid.

Artikel 17

De voorwerpen, waarin de ontplofbare stoffen zijn verpakt, moeten deugdelijk zijn afgedekt en zodanig op de vervoermiddelen geplaatst zijn dat geen wrijving kan ontstaan.

Het nat worden van de stoffen moet zoveel mogelijk worden tegengegaan.

Artikel 18

  1. Het is, behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel, verboden om kisten, vaten, tonnen of bussen waarin zich ontplofbare stoffen bevinden, anders te openen of te doen openen dan met gebruikmaking van vonkvrij gereedschap.
  2. Het openen en sluiten van de kisten, vaten, tonnen of bussen mag niet in of op het vervoermiddel geschieden.
  3. Indien kisten, vaten, tonnen of bussen waarin zich ontplofbare stoffen bevinden zodanig hebben geleden, dat zij gevaar opleveren voor de veiligheid, worden deze voorwerpen dadelijk in een haren of wollen kleed ingenaaid, ten genoegen van degene, die belast is met het geleide.
  4. Het vernieuwen van de verpakking moet alleen bij dringende noodzakelijkheid plaats hebben.
  5. De vervoerder zorgt dat de nodige verpakkingsmiddelen op het transport aanwezig zijn.

Artikel 19

Bij het vervoer van ontplofbare stoffen mogen alleen ontplofbare stoffen van dezelfde soort vervoerd worden, tenzij in de vergunning anders is bepaald.

Artikel 20

  1. Het vervoer moet zo mogelijk bij daglicht geschieden.
  2. Het vervoer moet zonder oponthoud een vastgelegde route volgen.
  3. In geen geval houdt het transport stil in de onmiddellijke nabijheid van in werking zijnde fabrieken of installaties, of plaatsen waar brandgevaarlijke handelingen worden verricht.

Artikel 21

Indien door onvoorziene omstandigheden het tijdstip, bepaald voor de aanvang van het vervoer, verandering moet ondergaan, oftewel van de voorgeschreven route moet worden afgeweken, wordt daartoe door de vervoerder of zijn gemachtigde ten spoedigste toestemming gevraagd aan de functionaris, die de vergunning namens de Minister van Justitie heeft verleend.

Artikel 22

Gedurende het vervoer, staan allen die daarbij betrokken zijn onder de bevelen van degene, die belast is met het geleide t.a.v. alle maatregelen welke ter uitvoering van dit besluit en van de voorwaarden van de vergunning in het belang van de openbare veiligheid moeten worden genomen.

Artikel 23

Andere personen dan diegenen, die bij het vervoer zijn betrokken, mogen zich niet onnodig in de nabijheid van de ontplofbare stoffen ophouden.

Artikel 24

Een ieder is verplicht gevolg te geven aan de door degene, die belast is met het geleide, in het belang van de openbare veiligheid gegeven bevelen.

Artikel 25

Het is verboden licht ontvlambare stoffen in de nabijheid van ontplofbare stoffen te brengen. Het is verboden in de nabijheid van ontplofbare stoffen te roken en te werken met open vuren of met andere dan met elektrische, afgeschermde lampen.

Artikel 26

Wanneer de voorschriften van dit besluit of de voorwaarden van de vergunning een geleide voorschrijven moet de vervoerder zorgdragen dat voor de geleider een plaats wordt vrijgehouden op het transport, vanwaar hij het transport of het overladen behoorlijk kan overzien.

Hoofdstuk V

Van het vervoer op binnenwateren

Artikel 27

Behoudens het bepaalde in artikel 5, derde lid is voor het vervoer van ontplofbare stoffen met een vaartuig op de binnenwateren een vergunning vereist, welke namens de Minister van Justitie door de Havenmeester wordt verleend.

Artikel 28

Iedere vergunning vermeldt onder meer het tijdstip van aanvang van het vervoer, de tijd gedurende welke de vergunning geldig is, de plaats waar het vervoer aanvangt, onderscheidenlijk eindigt, de voor het vervoer te bezigen vaartuigen, en de te volgen route.

Tevens vermeldt de vergunning of het vervoer al dan niet moet worden geleid.

Artikel 29

Aan boord van vaartuigen, waarin zich ontplofbare stoffen bevinden, mogen slechts aanwezig zijn de bij het vervoer betrokken personen.

Artikel 30

Bij vervoer met een stoom- of motorvaartuig worden de ontplofbare stoffen op een afstand van meer dan twee meter van de machinekamer, de stook- en ketelruimte of de motorkamer geborgen.

Op het vaartuig moeten aanwezig zijn goedwerkende voor het doel geschikte handbrandblusapparaten.

Artikel 31

Indien het vervoer plaatsvindt met gebruikmaking van een sleepboot, wordt tegelijkertijd slechts één met ontplofbare stoffen geladen vaartuig of lichter gesleept.

Gelijktijdig met dit vaartuig worden geen andere vaartuigen gesleept.

Artikel 32

Een met ontplofbare stoffen geladen vaartuig houdt voor een brug, welke voor de doorvaart geopend moet worden, op een afstand van tenminste honderdvijftig meter stil en vaart slechts door, indien de brug geheel voor het scheepvaartverkeer is geopend.

Artikel 33

Bij onweer of wanneer er enig ander gevaar door de natuurelementen dreigt, kan de Havenmeester gelasten, dat vaartuigen met ontplofbare stoffen naar een andere ligplaats worden verhaald.

Artikel 34

Op een met ontplofbare stoffen geladen vaartuig moeten overdag getoond worden daar waar ze het beste gezien kunnen worden de in artikel 11 voorgeschreven vlaggen en ‘s nachts de in dat artikel voorgeschreven lichten.

Bovendien moet het vaartuig voorzien zijn van een witte vlag of een wit bord van tenminste 1.30 meter breed en 0.65 meter hoog met het opschrift “Explosieven” in rode letters van tenminste 0.35 meter hoog die aan weerskanten zichtbaar zijn.

Hoofdstuk VI

Van het vervoer te land

Artikel 35

Behoudens het bepaalde in artikel 5, derde lid, is voor het vervoer te land van ontplofbare stoffen een vergunning vereist, welke door of vanwege de Minister van Justitie wordt verleend.

Artikel 36

Iedere vergunning vermeldt onder meer het tijdstip van aanvang van het vervoer, de tijd gedurende welke de vergunning geldig is, de plaats waar het vervoer aanvangt, onderscheidenlijk eindigt, de voor het vervoer te bezigen vervoermiddelen, het laadgewicht van deze vervoermiddelen, alsmede het maximum gewicht van de te vervoeren vrachten en de te volgen route; tevens vermeldt de vergunning of het vervoer al dan niet moet worden geleid.

Artikel 37

Door of namens de Minister van Justitie kan aan de in artikel 6 genoemde personen een vergunning tot wederopzegging toe worden verleend om ontplofbare stoffen te vervoeren op het in de vergunning specifiek aangegeven terrein, waarop met ontplofbare stoffen wordt gewerkt.

Artikel 38

Het is verboden ontplofbare stoffen te plaatsen of te doen plaatsen in de onmiddellijke nabijheid van een motorrijtuig, dan wel een motorrijtuig te doen stilhouden in de onmiddellijke nabijheid van ontplofbare stoffen.

Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing, indien de aanwezigheid van de ontplofbare stoffen in de onmiddellijke nabijheid van het motorrijtuig noodzakelijk is in verband met het laden van die stoffen in of uit dat motorrijtuig.

Artikel 39

  1. Ontplofbare stoffen mogen slechts worden vervoerd, door middel van motorrijtuigen, waarvoor door of namens de Minister van Justitie een bewijs van goedkeuring voor dat doel is afgegeven.
  2. Op het motorrijtuig moet aanwezig zijn een goedwerkend voor het doel geschikt handbrandblusapparaat.

Artikel 40

Gedurende het laden en lossen, daaronder begrepen het overladen, wordt de motor afgezet.

Het overladen van ontplofbare stoffen van een motorrijtuig in een ander motorrijtuig geschiedt zo mogelijk op tenminste 50 meter afstand van andere voertuigen, vaartuigen of gebouwen.

Artikel 41

Bij onweer verwijdert het transport zich zo snel mogelijk naar buiten de bebouwde kom en houdt het stil op een afstand van tenminste 300 meter van bewoonde gebouwen en andere hoge obstakels, met inachtneming van de onderlinge afstand tussen de voertuigen als in artikel 44 aangegeven.

Artikel 42

  1. Alle voertuigen waarmee ontplofbare stoffen worden vervoerd, tussen 6.00 uur en 18.00 uur moeten ter hoogte van de cabine zijn voorzien van een duidelijk zichtbaar geplaatste rode vlag van 50cm in het vierkant. Indien het vervoer wordt begeleid door een motorrijder dan dient het motorrijwiel te zijn voorzien van een rode vlag van 25cm in het vierkant.

Bij een transport met meerdere voertuigen dient het achterste voertuig eveneens een rode vlag aan de achterzijde te voeren.

  1. Indien het vervoer plaatsvindt tussen 18.00 uur en 6.00 uur moeten in plaats van rode vlaggen goed afgeschermde naar alle zijden rood licht uitstralende elektrische lampen worden gebruikt.

Artikel 43

  1. Aan de voorzijde van het voorste voertuig en aan de achterzijde van het achterste voertuig van een transport, of, bij gebruik van één voertuig, aan voor- en achterzijde van dit voertuig, moet duidelijk zichtbaar zijn aangebracht een wit bord met rood opschrift: “Explosieven” indien het vervoer plaatsvindt tussen 6.00 uur en 18.00 uur.
  2. Indien het vervoer plaatsvindt tussen 18.00 uur en 6.00 uur dient dit bord zodanig door middel van een goed afgeschermde elektrische lamp verlicht te zijn, dat de tekst goed leesbaar is.

Artikel 44

Een transport of voertuig geladen met ontplofbare stoffen mag een maximumsnelheid van 40 km per uur niet overschrijden. De onderlinge afstand tussen de voertuigen moet tenminste 40 meter bedragen.

De afstand tussen een voertuig geladen met ontstekingsmiddelen en een voertuig geladen met ontplofbare stoffen moet te allen tijde tenminste 60 meter bedragen.

Artikel 45

In een transport, bestaande uit meerdere voertuigen, mag slechts één voertuig tegelijk geladen of gelost worden. De overige voertuigen moeten zich op tenminste 100 meter afstand van de laad- of losplaats opstellen met die afstanden ten opzichte van elkaar, welke zijn vermeld in artikel 44.

Hoofdstuk VII

Van de opslag

Artikel 46

  1. Het is verboden ontplofbare stoffen anders op te slaan dan in daarvoor bestemde opslagplaatsen van het Land Curaçao of van een houder van een vergunning daartoe.
  2. De in het eerste lid bedoelde vergunning kan door of namens de Minister van Justitie tot wederopzegging toe worden verleend. Aan deze vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden. De vergunning vermeldt de maximum hoeveelheid ontplofbare stoffen, welke in de betreffende opslagplaats opgeslagen mogen worden.

Artikel 47

  1. De ligging van een opslagplaats voor ontplofbare stoffen moet voldoen aan de in onderstaande tabellen aangegeven veiligheidsgrenzen.

Groep I.     munitie, kleine wapens, vuurwerken, lucifers, ammonium-nitraat, natte nitrocellulose (collodiumwol), dinitroluol, en kruit.

 

Maximum Hoeveelheid in kg.

Minimum vrije afstand

in meters tot:

Bewoonde gebouwen Verkeersweg Andere opslagplaats
400 tot           2.500 45 45 20
“             5.000. 60 60 30
“           10.000 75 75 40
“           20.000 95 95 45
“           30.000 105 105 50
“           40.000 110 110 55
“           50.000 125 125 65
“        100.000 160 160 80

 

Groep II.    Springstoffen en andere explosieven niet vallende onder groep I of III.

 

 

Hoeveelheid springstof in kg.

Minimum vrije afstand

in meters tot:

Bewoonde

gebouwen

Verkeersweg Andere

opslagplaats

         tot         25 45 14 19
“           50 75 22 25
“         100 115 35 32
“         250 230 70 45
“         500 310 95 55
“         750 335 100 65
“      1.000 370 110 75
“      2.500 460 140 90
“      5.000 525 160 90
“      7.500 560 170 90
“    10.000 635 190 90
“    25.000 875 260 120
“    50.000 1100 330 240
“    75.000 1170 350 240
“  100.000 1260 380 240

 

Groep III.  Inleidingsmiddelen, slagpijpjes enz.

 

 

Maximum Hoeveelheid springstof in kg.

Minimum vrije afstand

in meters tot:

Bewoonde gebouwen Verkeersweg Andere opslagplaats
           tot 1000 300 90 90
“  2500 370 115 90
“  5000 460 140 90
“  9000 520 160 90

 

  1. De afstanden genoemd in de tabellen van groep II en groep III mogen tot de helft worden verminderd, indien de betreffende objecten gescheiden zijn door een voldoend stevige natuurlijke of kunstmatige hindernis, zijnde een aarden wal, minstens 1 meter van de opslagplaats verwijderd, van boven tenminste 1 meter breed, al dan niet gesteund door beton, hout of steen en van zodanige hoogte dat hij uitsteekt boven de verbindingslijn van de toppen van de betreffende objecten. Is één van de objecten een weg, dan dient een punt 31/2 meter boven het midden van de weg te worden genomen.

Artikel 48

1. De constructie van een opslagplaats moet voldoende zekerheid bieden voor een veilige opslag in verband met het doel, de aard en de hoeveelheid van de stoffen welke worden opgeslagen.
2. De constructie van de opslagplaats moet voorts voldoen aan de volgende eisen:
a. de samenstellende materialen moeten zoveel mogelijk onbrandbaar zijn;
b. de hoogte moet met het oog op explosiegevaar zo laag mogelijk worden gehouden;
c. verdiepingsbouw is niet toegestaan;
d. in verhouding tot de muren moet het dak zo mogelijk van een lichte constructie zijn;
e. zij moet voorzien zijn van tenminste twee deuren dan wel een dubbele deur van voldoende afmetingen om een vlotte aan- en afvoer van ontplofbare stoffen te verzekeren;
f. voor elke vijf personen, die mogelijk gelijktijdig in de opslagplaats zullen werken, dient tenminste één deur beschikbaar te zijn;
g. de deuren moeten naar buiten draaibaar zijn en van zodanige constructie, dat zij in gesloten toestand niet kunnen worden uitgelicht, noch met een breekijzer of op andere ongebruikelijke wijze kunnen worden geopend;
h. de deuren moeten zijn samengesteld uit profielstaal waarop een stalen plaat is aangebracht van tenminste 2mm dikte;
i. de scharnieren moeten aangelast zijn;
j. de eventuele kozijnen moeten van staal zijn geconstrueerd en op deugdelijke wijze zijn verankerd;
k. de deuren moeten aan de binnenzijde zijn voorzien van een deugdelijk slot;
l. de sloten van de deuren van opslagplaatsen van eenzelfde complex moeten onderling verschillend zijn;
m. de toegangsdeuren moeten in de dag gemeten tenminste 2.50m breed en 2.50m hoog zijn;
eventuele andere deuren moeten in de dag gemeten tenminste 0.90m breed en 2.20m hoog zijn;
n. deuren van opslagplaatsen van eenzelfde complex mogen niet recht tegenover elkaar geprojecteerd zijn;
o. indien de opslagplaats voorzien is van een voorportaal, dan moet dit tenminste 1.50m diep en 1m breed zijn en van de buitenlucht zijn afgescheiden door middel van een deur die voldoet aan de eisen onder e, g, tot en met n gesteld;
p. de elektrische installatie in de opslagplaats moet voldoen aan de eisen welke zijn neergelegd in normblad NEN 1010, uitgegeven door de hoofdcommissie voor de normalisatie in Nederland;
q. de elektrische installatie moet een permanent karakter hebben;
r. in de opslagplaats mogen geen schakel- of verdeelinrichtingen, noch contactdozen aanwezig zijn, behoudens goedgekeurde, vonkvrije, goed afgesloten elektrische zaklantaarns;
s. de opslagplaats moet voorzien zijn van een deugdelijke bliksemafleider die voldoet aan de eisen welke zijn vastgelegd in normblad NEN 1014, uitgegeven door de hoofdcommissie voor de normalisatie in Nederland;
t. alle metalen voorwerpen in de opslagplaats moeten deugdelijk zijn geaard, teneinde te voorkomen, dat zij op enigerlei wijze elektrisch zouden worden geladen;
u. de opslagplaats en alle daarin bevindende metalen voorwerpen moeten schoongehouden worden, vrij van stof en afval;
v. de wanden van de opslagplaats moeten vlak zijn zonder lijsten;
w. de vloeren van de opslagplaats moeten vlak en vonkvrij zijn en zonder kuilen of scheuren;
x. de opslagplaats moet een deugdelijke, doorstromende ventilatie hebben;
y. de openingen mogen niet afsluitbaar zijn, moeten beschermd zijn tegen inregenen en voorzien zijn van een vlam- en vonkkerende inrichting;
z. stalen onderdelen in de opslagplaats moeten gegrond zijn tegen optreden van elektriciteit;
aa. de stoffen die worden opgeslagen mogen niet direct tegen de wanden of op de vloer geplaatst worden;
bb. ontplofbare stoffen mogen niet worden uitgepakt in de opslagplaats noch opgeslagen zijn in open verpakking;
cc. de opslagplaats moet voorzien zijn van tenminste één doch in ieder geval van voldoende voor het doel geschikte brandblusmiddelen, zulks ter beoordeling van de Commandant Brandweer;
dd. nabij elke opslagplaats, alsmede op de buiten- en binnenzijde van de deuren van de opslagplaats moet duidelijk leesbaar in de Nederlandse en Papiamentse taal zijn aangegeven:

”EXPLOSIEVEN”
“Vuur, open kunstlicht en roken verboden”;

ee. elke opslagplaats of complex van opslagplaatsen moet zijn omgeven door een deugdelijke afdoende afrastering, tenminste 10 meter van de opslagplaats verwijderd; de afrastering mag slechts één doorgang hebben; deze moet voorzien zijn van een deugdelijke goed afsluitbare poort van minstens dezelfde sterkte als de afrastering;
ff. binnen de omrastering moet het terrein schoongehouden worden en bij voorkeur bedekt zijn met een middel welke groei van onkruid belemmert;
gg. voor de opslag van ontplofbare stoffen moet de opslagplaats voorzien zijn van bergrekken welke voldoende stabiel zijn opgelegd of verankerd; de draagconstructie van de bergrekken dient te bestaan uit stalen profielen waarop houten roosters van glad geschaafd hout door middel van boutverbindingen met verzonken kop zijn verankerd; de afstand van de vloer van de opslagplaats tot aan de onderkant van het laagst gelegen rooster moet tenminste 20cm bedragen; de afstand van vloer tot aan de bovenkant van het hoogst gelegen rooster mag maximaal 1.30m bedragen;
hh. op een geschikte plaats in de opslagplaats moet een doelmatige, in goede staat verkerende maximum- en minimum thermometer zijn opgehangen;
ii. elke opslagplaats of complex van opslagplaatsen dient te beschikken over een deugdelijke en bedrijfsklaar alarmstelsel;
jj. nabij elke opslagplaats of complex van opslagplaatsen moeten voldoende brandputten aanwezig zijn;
kk. op de buitenzijde van de deuren van de opslagplaatsen dient duidelijk leesbaar te zijn aangegeven de soort en de maximale hoeveelheid ontplofbare stoffen welke mogen worden opgeslagen.
3. De constructie van een ondergrondse opslagplaats, waaronder wordt verstaan een opslagplaats, waarvan de bovenkant van het dak meer dan 0.60m beneden het maaiveld ligt, moet daarenboven voldoen aan de volgende eisen:
a. indien de afdekking bestaat uit gezond en draagkrachtig gesteente van een dikte van minder dan 5m, dient een afzonderlijke gewapend betonnen of stalen draagconstructie aanwezig te zijn;
b. de vloer moet vlak en naadloos zijn afgewerkt oftewel bedekt zijn met een vleilaag van zand van tenminste 5cm dikte;
c. indien er grondwater aanwezig is oftewel de vochtigheidsgraad meer bedraagt dan de maximum dampspanning bij de optredende temperaturen, dan dienen de nodige voorzieningen hiertegen te worden getroffen;
d. in uitgehouwen ondergrondse opslagplaatsen dienen de belopen niet steiler te zijn dan een goede stabiliteit vereist;
verder dienen de belopen voorzien te zijn van een afgepleisterde bekleding van breuksteen of metselwerk met een dikte van minimaal 10cm;
bij verticale wanden te rekenen op een bemetseling in breuksteen of metselwerk van minimaal 20cm dikte, welke aan de binnenzijde is afgepleisterd;
de ruimten tussen de bemetseling en de natuurlijke wand dient opgevuld te worden met breuksteen en zand, ingewassen met een magere betonmortel;
e. in natuurlijke ondergrondse opslagplaatsen (grotten en spelonken) dienen alle mogelijke gangen, uitgangen en dergelijke afdoende te worden geblokkeerd door een bemetseling in natuursteen of metselwerk met een minimale dikte van 40cm;
f. indien de beschikbare natuurlijke ruimte voldoende is voor gebruik als ondergrondse opslagplaats kan de verdere afbouw plaatsvinden zoals voor uitgehouwen opslagplaatsen;
g. indien de als ondergrondse opslagplaats benodigde ruimte afgescheiden wordt van de totale beschikbare ruimte, dient de afscheiding te worden gemaakt met gemetselde of betonnen wanden en dak zoals in het vierde lid bepaald voor bovengrondse opslagplaatsen; eventuele ruimten tussen gemetselde wanden en natuurlijke wanden dienen opgevuld te worden met breuksteen en zand, ingewassen met een magere betonmortel;
h. de ventilatie van ondergrondse opslagplaatsen dient plaats te vinden door een of meer openingen nabij de uitgang, welke zo laag mogelijk moeten zijn gelegen, alsmede via ventilatie­ openingen naar boven; de openingen moeten een gezamenlijke doorlaat hebben van ongeveer 1/500 van de totale afgesloten ruimte, met een minimum van 2 dm2; de minimum doorlaat per opening bedraagt 1 dm2; de openingen mogen niet afsluitbaar zijn en moeten voorzien zijn van een vlammenkerende inrichting; de ventilatiekanalen moeten ongeveer halverwege een haaks verloop hebben; elke afzonderlijke afgesloten of afgescheiden ruimte dient ook afzonderlijk geventileerd te zijn.
4. De constructie van een bovengrondse opslagplaats moet naast het gestelde in het eerste en tweede lid van dit artikel voldoen aan de volgende eisen:
a. de muren moeten zijn van gemetselde betonblokken dik minimaal 20cm, oftewel van stampbeton dik minimaal 15cm, oftewel van gewapend beton dik minimaal 10cm;
b. de binnenzijde moet glad zijn afgewerkt zonder lijsten of randen;
c. het dak moet zijn van een lichte en isolerende constructie dat stormvast bevestigd is;
d. de vloeren mogen geen scheuren of kuilen vertonen en moeten zijn afgewerkt met een slijtvaste deklaag, welke vonkvrij is;
e. de ventilatie dient plaats te vinden door middel van een of meer openingen nabij de vloer in de muren die op de wind staan en eenzelfde aantal openingen in de van de wind afstaande muren, zo hoog mogelijk nabij de afdekking;
de openingen moeten een gezamenlijke doorlaat hebben van ongeveer 1/500 van de vloeroppervlakte met een minimum van 2 dm2; de minimum doorlaat per opening bedraagt 1 dm2;
de openingen mogen niet afsluitbaar zijn en moeten voorzien zijn van een vlammenkerende inrichting;
indien de opslagplaats bestaat uit meerdere ruimten, dient elke ruimte afzonderlijk geventileerd te zijn.
5. Opslagplaatsen, waarin meer dan 250 kg springstoffen, 100 stuks ontstekingsmiddelen of 250 kg vuurwerk of munitie mogen worden opgeslagen en welke niet gebouwd zijn om als ondergrondse opslagplaatsen te dienen, moeten deugdelijk omwald zijn. Een deugdelijke omwalling kan zijn:
a. een gronddam met een kruinbreedte van tenminste 1.80m op een hoogte van tenminste 2.00m boven het vloerpeil in de opslagplaats;
b. natuurlijke taluds welke zijn bemetseld of van een asfaltafwerking zijn voorzien;
c. een gemetselde muur met een dikte van tenminste 45cm met de bovenkant op tenminste 2.00m boven het vloerpeil in de opslagplaats, alsmede steunberen h.o.h. ca. 6m;
d. een gronddam met een natuurlijke buitentalud en in plaats van het binnentalud een verticale grondkerende gemetselde muur van voldoende dikte, een kruinbreedte van tenminste 1.00m en een kruinhoogte van tenminste 2.00m boven het vloerpeil in de opslagplaats;
e. een ingraving of een natuurlijke kloof eventueel uitgebouwd met een van de onder a, c of d genoemde constructies, zodat een minstens gelijkwaardige omwalling ontstaat.
f. de afstand van de teen van het binnentalud of van de grondkerende wand tot aan de buitenkant van de opslagplaats mag niet meer bedragen dan 1.00m met uitzondering van een zo kort mogelijke passage naar de ingang van het magazijn.
g. de omwalling mag één doorgang hebben met een maximum breedte van 3.50m; deze doorgang mag niet tegenover de ingang van de opslagplaats liggen of doorlopen tot voor de hoofdingang van de opslagplaats.
6. Elke magazijn of complex van opslagplaatsen moet zijn omgeven door een afdoende afrastering van tenminste 2.00m hoog van harmonicagaas met een maaswijdte van maximaal 50mm.
De afrastering moet aan de bovenzijde voorzien zijn van een schuin naar buiten geplaatste prikkeldraadconstructie.
De afrastering mag slechts één doorgang hebben; deze moet voorzien zijn van een deugdelijke poort van profielstaal bekleed met stalen platen dik minimaal 2.00mm en/of harmonicagaas en prikkeldraad zoals bovengenoemd.
7. De afstand van de afrastering tot aan de teen van de buitentaluds van de omwalling moet tenminste 10m bedragen. Indien er geen omwalling aanwezig is, dient gerekend te worden met de denkbeeldige teen van de omwalling welke nodig zou zijn bij een bovengrondse opslagplaats.

Artikel 49

  1. In de opslagplaatsen moet een register aanwezig zijn, waarin nauwkeurig worden aangetekend, de hoeveelheden en de soorten van ontplofbare stoffen, welke in die opslagplaatsen aanwezig zijn, alsmede de data waarop deze worden aan- of afgevoerd en de data en nummers van de vergunningen.
  2. De maximum hoeveelheid ontplofbare stof, welke in een opslagplaats aanwezig mag zijn, moet duidelijk zichtbaar op een geschikte plaats in het gebouw staan vermeld.
  3. In de opslagplaats mogen geen andere goederen dan ontplofbare stoffen worden opgeslagen.
  4. In een opslagplaats mogen slechts werkzaamheden worden verricht, bestaande uit het binnenbrengen, het (om-) stapelen en het naar buiten brengen van de ontplofbare stoffen alsmede die werkzaamheden, welke het schoonhouden van de opslagplaatsen beogen. Voorts mogen etiketten op de verpakking worden aangebracht, mits een en ander met vonk- en vuurvrij materiaal wordt uitgevoerd.
  1. In een opslagplaats mogen geen vuur, lucifers of andere tot vuurmaking bestemde voorwerpen mee- of binnengebracht worden, en niet worden gerookt of schoeisel of andere voorwerpen gedragen worden welke vonken kunnen veroorzaken.
  2. Wanneer onweer dreigt, moeten de werkzaamheden in de opslagplaats onmiddellijk worden gestaakt.Iedereen moet de opslagplaats verlaten, die vervolgens wordt gesloten. Deze werkzaamheden mogen pas weer worden hervat wanneer het onweer volledig is overgedreven.
  1. Voor zover mogelijk moet in een opslagplaats steeds slechts één soort ontplofbare stof worden opgeslagen; indien het aantal beschikbare opslagplaatsen dit niet toelaat mogen alleen die soorten bij elkaar in eenzelfde opslagplaatsen worden opgeslagen welke de veilige opslag van elkaar niet in ongunstige zin beïnvloeden. Slagpijpjes mogen nimmer met springstoffen in dezelfde opslagplaats worden opgeslagen, en vuurwerken mogen niet bij springstoffen, slagpijpjes of zware munitie worden opgeslagen.
  1. Het is verboden in een opslagplaats de navolgende soorten ontplofbare stoffen langer te bewaren dan de periode achter de soort vermeld:

Vuurwerken 2 jaar.

Springstoffen en ontstekingsmiddelen 3 jaar.

Munitie 4 jaar.

De Minister van Justitie kan ontheffing van dit verbod verlenen.

Hoofdstuk VIII

Van het voorhanden hebben en de verkoop van
vuurwerken

Artikel 50

  1. Behoudens het bepaalde in artikel 5, derde lid, is voor het voorhanden hebben van vuurwerken een vergunning vereist, welke door of namens de Minister van Justitie op aanvrage van belanghebbende wordt verleend.
  2. Behoudens het bepaalde in artikel 5, derde lid, is voor het verkopen van vuurwerken een vergunning vereist, welke door of namens de Minister van Justitie aan belanghebbende wordt verleend.
  3. De Minister van Justitie kan bevelen, dat de verkoop van vuurwerk, welks gebruik naar diens oordeel de veiligheid van personen in gevaar kan brengen, wordt gestopt.

Artikel 51

  1. Het maximale gewicht van de vuurwerken welke in een winkelpand aanwezig mogen zijn bedraagt 400 kg bruto.
  2. De vuurwerken dienen in metalen vaten, drums of blikken of daarmede gelijk te stellen voorwerpen te worden geborgen, welke voorwerpen te allen tijde voorzien moeten zijn van een goedsluitend deksel.
  3. De in lid 2 genoemde voorwerpen dienen in een niet voor het publiek toegankelijke ruimte waarin geen brandbare vloeistoffen, manufacturen en andere gemakkelijk in brand gerakende stoffen aanwezig mogen zijn, te worden neergezet. In de onmiddellijke nabijheid van de voorraad vuurwerken, als bedoeld in dit artikel, dient een voor het doel geschikt handbrandblusapparaat aanwezig te zijn.
  4. Van ieder soort vuurwerk mag ter bezichtiging van de kopers slechts één exemplaar als monster worden uitgestald.

Artikel 52

Nabij de te koop aangeboden vuurwerken dienen, voor eenieder duidelijk zichtbaar te worden geplaatst de vergunning en borden met het opschrift: “Verboden te roken”, “No smoking”, “Ta taha pa huma”.

Artikel 53

Alle in de verkoopruimte aanwezige vergaarbakken voor afval en oud papier dienen van metaal te zijn en voorzien van een goedsluitend deksel.

In de verkoopruimte mogen in de onmiddellijke nabijheid van vuurwerken geen licht ontvlambare of licht brandbare stoffen worden verhandeld of opgeslagen.

Artikel 54

Bij het sluiten van het winkelpand is de verantwoordelijke ondernemer, alsmede ieder lid van het personeel gehouden zich te overtuigen, dat geen omstandigheden bestaan, welke brand kunnen veroorzaken.

Hoofdstuk IX

Van het gebruik

Artikel 55

  1. Behoudens het bepaalde in artikel 5, derde lid, is voor het gebruik van ontplofbare stoffen of voorwerpen geladen met ontplofbare stoffen, een vergunning vereist, door of namens de Minister van Justitie op aanvrage van belanghebbende te verlenen.
  2. Door of namens de Minister van Justitie kan aan de in artikel 6 genoemde personen op hun aanvrage een vergunning tot wederopzegging toe worden verleend voor het gebruiken van ontplofbare stoffen.
  3. De Minister van Justitie kan bevelen, dat het gebruik van ontplofbare stoffen of voorwerpen, geladen met ontplofbare stoffen, wordt gestopt, wanneer naar diens oordeel het gebruik daarvan de veiligheid van personen in gevaar wordt gebracht.

Artikel 56

Dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt aangehaald als: Landsbesluit ontplofbare stoffen Curaçao 1963.

 

Naar boven