Landsbesluit voorkoming van dubbele belasting - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsbesluit voorkoming van dubbele belasting

Publicatienummer: P.B. 2022, no. 113
Categorie: Landsbesluit, houdende algemene maatregelen
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 17-10-2022
Datum inwerktreding: 19-10-2022
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK IV Belastingen)


LANDSBESLUIT, HOUDENDE ALGEMENE MAATREGELEN, van de 17de oktober 2022 ter uitvoering van artikel 58 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
19-10-2022 en geldt voor

a. de IB: voor alle jaren waarvoor de aanslag nog niet onherroepe­lijk vaststaat;

b. de WB: voor alle boekjaren beginnend op of na 1 januari 2020;

c. de LB: met ingang van 1 januari 2023;

d. de heffing van de successiebelasting: voor alle op of na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit landsbesluit nog openstaande nalatenschappen en schenkingen en voor alle jaren waarvoor de aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat.

Zie kolom hiervoor. n.v.t. t.u.v. art. 58 Algemene landsverordening Landsbelastingen P.B. 2022, no. 113 n.v.t.

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1

  1. Dit landsbesluit is van toepassing op de:
    a. inkomstenbelasting;
    b. loonbelasting;
    c. winstbelasting;
    d. successiebelasting.
  2. Dit landsbesluit vindt slechts toepassing voor zover niet op andere wijze, in het voorkomen van dubbele belasting is voorzien.

Artikel 2

In dit landsbesluit wordt onder “vaste inrichting” verstaan een vaste inrichting als bedoeld in artikel 1, vijfde tot en met veertiende lid, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 , waarbij voor “Curaçao” moet worden gelezen “een andere mogendheid” dan wel “die andere mogendheid”.

Artikel 3

  1. In dit landsbesluit wordt onder “mogendheid” mede verstaan: een bestuurlijke eenheid.
  2. Voor de toepassing van dit landsbesluit worden de landen van het Koninkrijk der Nederlanden aangemerkt als afzonderlijke mogendheden.

Artikel 4

In dit landsbesluit wordt onder “gebied van een andere mogendheid” verstaan: het grondgebied van die mogendheid, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee waarbinnen die mogendheid, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten kan uitoefenen.

Artikel 5

In dit landsbesluit wordt:

a. onder “dividenden” verstaan: inkomsten uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, mijnaandelen, oprichtersaandelen of andere rechten, niet zijnde schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst alsmede inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die door de wetgeving van de staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomsten uit aandelen;
b. onder “interest” verstaan: inkomsten uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet verzekerd door hypotheek en al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst van de schuldenaar, en in het bijzonder inkomsten uit overheidsleningen en inkomsten uit obligaties of schuldbewijzen, waaronder begrepen de aan dergelijke leningen, obligaties of schuldbewijzen verbonden premies en prijzen. Opgelegde boetes voor te late betaling worden voor de toepassing van dit landsbesluit niet als interest aangemerkt;
c. onder “royalty’s” verstaan: vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap, waaronder begrepen bioscoopfilms, een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze of voor informatie omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.

Hoofdstuk II Inkomstenbelasting

Artikel 6

  1. Een binnenlands belastingplichtige is vrijgesteld van de inkomstenbelasting die betrekking heeft op buitenlands inkomen.
  2. Voor de toepassing van dit landsbesluit bestaat het buitenlands inkomen uit het gezamenlijke bedrag van hetgeen de belastingplichtige als inkomensbestanddeel uit een andere mogendheid geniet als:
    a. zuivere opbrengst van buitenlandse onderneming, zijnde een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat, wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting binnen het gebied van de andere mogendheid waarbij de binnen het gebied van een andere mogendheid gelegen of gevestigde onroerende zaken die behoren tot het vermogen van een onderneming, geacht worden deel uit te maken van het vermogen van die buitenlandse onderneming;
    b. zuivere opbrengsten, geen opbrengst zijnde als bedoeld in onderdeel a:
    1°. uit arbeid ter zake van het binnen het gebied van een andere mogendheid in privaatrechtelijke dienstbetrekking verrichten of hebben verricht van arbeid;
    2°. uit arbeid ter zake van in publiekrechtelijke dienstbetrekking tot een binnen het gebied van de andere mogendheid gevestigde publiekrechtelijke rechtspersoon verrichten of hebben verricht van arbeid, waarbij het loon ten laste komt van die rechtspersoon of van een door zulk een rechtspersoon in het leven geroepen fonds;
    3° uit het uitoefenen of hebben uitgeoefend van een functie als bestuurder of commissaris van een lichaam dat inwoner is van een andere mogendheid;
    4°. uit arbeid ter zake van het buiten de territoriale wateren van Curaçao in dienstbetrekking verrichten of hebben verricht van arbeid aan boord van een zee- of luchtvaartuig dat wordt geëxploiteerd door een onderneming waarvan de werkelijke leiding is gevestigd in een andere mogendheid;
    5°. niettegenstaande het bepaalde onder 1°, uit het door de belastingplichtige of een ander als artiest of sportbeoefenaar in die hoedanigheid verrichten of hebben verricht van persoonlijke werkzaamheden binnen het gebied van een andere mogendheid;
    6°. uit onroerende zaken die binnen het gebied van de andere mogendheid zijn gelegen alsmede rechten waaraan deze zijn onderworpen;
    7°. uit rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding binnen het gebied van een andere mogendheid is gevestigd, voor zover zij niet voortkomen uit effectenbezit of uit dienstbetrekking;
    8°. uit rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een publiekrechtelijke regeling ten laste van een binnen het gebied van de andere mogendheid gevestigde publiekrechtelijke rechtspersoon of van een door zulk een rechtspersoon in het leven geroepen fonds;
    voor zover die zuivere opbrengsten zijn onderworpen aan een belasting naar de winst of het inkomen die vanwege een andere mogendheid wordt geheven.
  3. Bij het bepalen van de zuivere opbrengst uit een buitenlandse onderneming worden aan die buitenlandse onderneming de voordelen toegerekend die deze geacht zou worden te behalen, indien zij een zelfstandige en onafhankelijke onderneming zou zijn, die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijke transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is, hierbij in aanmerking nemende de door de belastingplichtige door middel van de buitenlandse onderneming en andere delen van de onderneming uitgeoefende functies, gebruikte activa en gelopen risico’s.
  4. De in het tweede lid, onderdeel b, onder 1° en 2°, bedoelde opbrengsten worden bij arbeid die korter dan dertig dagen aaneengesloten binnen het gebied van een andere mogendheid is verricht, alleen beschouwd te zijn onderworpen aan een belasting naar het inkomen die vanwege die andere mogendheid wordt geheven, indien blijkt dat ter zake hiervan aan die mogendheid daadwerkelijk belasting is betaald.

Artikel 7

  1. De vrijstelling voor buitenlands inkomen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, wordt voor elke mogendheid waaruit de belastingplichtige zodanig inkomen geniet afzonderlijk toegepast door een vermindering te verlenen op de verschuldigde inkomstenbelasting.
  2. De vermindering, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting, die zonder de toepassing van dit landsbesluit volgens de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 over het belastbare inkomen verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat, als het buitenlands inkomen uit een mogendheid staat, tot het belastbaar inkomen vermeerderd met de persoonlijke lasten en de buitengewone lasten als bedoeld in artikelen 16 en 16A van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943.
  3. De in het tweede lid bedoelde vermindering, dan wel, ingeval de belastingplichtige uit meer dan één mogendheid buitenlands inkomen geniet, het gezamenlijke bedrag van de verminderingen, kan, met inachtneming van de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van dubbele belasting, niet meer bedragen dan het bedrag van de belasting dat zonder de toepassing van dit landsbesluit volgens de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 verschuldigd zou zijn over het belastbare inkomen.
  4. Indien een deel van het belastbaar inkomen, dat geen deel uitmaakt van het buitenlandse inkomen, wordt belast op de voet van artikel 24, tweede, derde en vierde lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943, wordt dit gedeelte en de belasting die daarover verschuldigd zou zijn zonder toepassing van dit landsbesluit, voor de toepassing van het tweede lid buiten beschouwing gelaten.
    Indien een deel van het belastbare inkomen dat behoort tot het buitenlandse inkomen dat op de voet van het in de vorige volzin genoemde artikelleden wordt belast, wordt de vermindering op de voet van het tweede en derde lid van dit artikel ter zake van dat deel van het buitenlandse inkomen op geen hoger bedrag vastgesteld dan de belasting die zonder toepassing van dit landsbesluit op de voet van artikel 24, tweede en derde lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 daarover verschuldigd zou zijn.
  5. Onder de belasting die zonder de toepassing van dit landsbesluit volgens de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 verschuldigd zou zijn over het belastbare inkomen wordt verstaan: de over het kalenderjaar op basis van artikel 24A, eerste lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943, berekende verschuldigde belasting over het belastbare inkomen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943.
  6. Voor zover in enig kalenderjaar een bedrag aan vrij te stellen buitenlands inkomen, per mogendheid berekend, met inachtneming van de verrekening volgens het zevende lid, dat door toepassing van het tweede en het derde lid, niet leidt tot een vermindering van belasting over dat jaar, wordt dat bedrag overgebracht naar de vijf daaropvolgende jaren, te beginnen bij het eerstvolgende jaar.
  7. In het jaar waarnaar een overbrenging, als bedoeld in het vorige lid plaatsvindt, wordt voor de berekening van de in het tweede en derde lid bedoelde vermindering het buitenlands inkomen verhoogd met het over te brengen bedrag aan buitenlands inkomen. Het belastbare inkomen wordt niet verhoogd.
  8. Indien het buitenlands inkomen uit een mogendheid, berekend met inachtneming van de overbrenging op grond van het zesde lid negatief is, wordt het voor de toepassing van de vermindering bedoeld in het tweede en derde lid aangemerkt als negatief bestanddeel van het buitenlandse inkomen van de vijf daaropvolgende jaren, te beginnen bij het eerstvolgende jaar.
  9. Voor de toepassing van dit landsbesluit blijft te conserveren inkomen en de daarover verschuldigde belasting buiten beschouwing.

Artikel 8

  1. Aan een binnenlands belastingplichtige wordt, ter verrekening van vanwege andere mogendheden geheven belasting, een vermindering van inkomstenbelasting verleend voor in het inkomen begrepen dividenden, interest en royalty’s, indien:
    a. de vennootschap die de dividenden uitdeelt of de schuldenaar van de rente en royalty’s in een andere mogendheid is gevestigd of woont;
    b. de dividenden, interest en royalty’s zijn onderworpen aan een belasting naar het inkomen die vanwege die mogendheid, al dan niet aan de bron, wordt geheven; en
    c. deze in het buitenlands inkomen begrepen dividenden, interest en royalty’s niet in de in artikel 6, bedoelde zuivere opbrengst zijn begrepen.
  2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering is het laagste van de volgende bedragen:
    a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege andere mogendheden geheven belasting;
    b. het bedrag dat tot de belasting die in het desbetreffende jaar zonder de toepassing van dit landsbesluit volgens de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 over het belastbare inkomen verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het bedrag van de in dat jaar volgens het eerste lid in aanmerking te nemen dividenden, interest en royalty’s staat tot het belastbaar inkomen vermeerderd met de persoonlijke lasten en de buitengewone lasten als bedoeld in artikelen 16 en 16A van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943, maar ten hoogste tot het bedrag dat daadwerkelijk aan inkomstenbelasting is verschuldigd over de dividenden, interest en royalty’s.
  3. Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, worden dividenden, interest en royalty’s verminderd met de daarmee verband houdende kosten.
  4. Artikel 7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
  5. Het bedrag van de in een jaar vanwege andere mogendheden geheven belasting, dat door de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, of het achtste lid, niet leidt tot een vermindering van inkomstenbelasting over dat jaar, wordt aangemerkt als vanwege andere mogendheden geheven belasting in de vijf daaropvolgende jaren, te beginnen bij het eerstvolgende jaar.
  6. Op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige blijft dit artikel buiten toepassing voor alle in een jaar genoten dividenden, interest en royalty’s, bedoeld in het eerste lid en voor de daarover geheven belasting. De belastingplichtige kan er dan voor kiezen om de in dat jaar daarover geheven buitenlandse belasting als kosten in aftrek te brengen.
  7. Geen verrekening op grond van dit artikel wordt verleend indien de belastingplichtige niet de uiteindelijk gerechtigde, bedoeld in artikel 45 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen, is tot de opbrengst waarop door een andere mogendheid belasting is geheven.
  8. De vermindering volgens dit artikel bedraagt, met inachtneming van de verminderingen volgens andere regelingen ter voorkoming van dubbele belasting en artikel 7, ten hoogste het bedrag van de belasting dat zonder de toepassing van dit landsbesluit volgens de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 verschuldigd zou zijn over het belastbare inkomen.

Artikel 9

  1. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 7 en 8, tweede tot en met het achtste lid, kan een belastingplichtige ten aanzien van de gezamenlijkheid van inkomen, genoemd in artikel 6 tweede lid, artikel 8 eerste lid, alsmede de opbrengsten uit niet in dienstbetrekking binnen het gebied van een andere mogendheid verrichte arbeid, opteren voor het verrekenen van door andere mogendheden over dit inkomen geheven belasting.
  2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde verrekening is het laagste van de volgende bedragen:
    a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege andere mogendheden geheven belasting;
    b. het bedrag dat tot de belasting, die in het desbetreffende jaar zonder de toepassing van dit landsbesluit volgens de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 over het belastbare inkomen verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het bedrag van de in dat jaar volgens het eerste en het vierde lid in aanmerking te nemen inkomen, verminderd met de daarmee verband houdende kosten, staat tot het belastbaar inkomen vermeerderd met de persoonlijke lasten en de buitengewone lasten als bedoeld in artikelen 16 en 16A van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943, maar ten hoogste tot het bedrag dat daadwerkelijk aan inkomstenbelasting is verschuldigd over het buitenlands inkomen.
  3. De vermindering volgens dit artikel bedraagt ten hoogste het bedrag van de belasting dat zonder de toepassing van dit landsbesluit volgens de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 over het belastbare inkomen verschuldigd zou zijn.
  4. Indien een belastingplichtige opteert voor toepassing van dit artikel, dient het te worden toegepast op alle tot en met het desbetreffende jaar doorgeschoven en nog niet verrekende buitenlandse belasting, waarbij de mogelijkheid om nog niet verrekende buitenlandse belasting te verrekenen komt te vervallen.

Hoofdstuk III Loonbelasting

Artikel 10

Een in Curaçao wonende werknemer is vrijgesteld van de loonbelasting die betrekking heeft op de door hem genoten opbrengsten, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 3°, 4⁰ en 8°, die zijn onderworpen aan een vanwege een andere mogendheid te heffen belasting naar het inkomen.

Hoofdstuk IV Winstbelasting

Artikel 11

  1. Een binnenlands belastingplichtige is vrijgesteld van de winstbelasting op, buiten het kader van een materiële onderneming, behaalde inkomsten uit onroerende zaken die binnen het gebied van een andere mogendheid zijn gelegen of uit rechten die daarop betrekking hebben, voor zover die inkomsten zijn onderworpen aan een belasting naar de winst of het inkomen die vanwege die andere mogendheid wordt geheven.
  2. Het bedrag van de in het eerste lid genoemde vrijstelling wordt toegepast door een vermindering te verlenen die gelijk is aan het bedrag dat tot de belasting die, zonder de toepassing van dit landsbesluit, volgens de Landsverordening op de winstbelasting 1940 verschuldigd zou zijn geweest, in dezelfde verhouding staat, als de in het eerste lid genoemde inkomsten staat tot de belastbare winst.
  3. De in het tweede lid bedoelde vermindering, dan wel, ingeval de belastingplichtige uit meer dan één mogendheid inkomsten uit onroerende zaken die binnen het gebied van die andere mogendheden zijn gelegen of rechten die daarop betrekking hebben, geniet, het gezamenlijke bedrag van de verminderingen, kan, met inachtneming van de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van dubbele belasting, niet meer bedragen dan het bedrag van de belasting dat zonder de toepassing van dit landsbesluit volgens de Landsverordening op de winstbelasting 1940 over deze inkomsten verschuldigd zou zijn.
  4. Bij toepassing van het tweede lid, worden de in het eerste lid genoemde inkomsten verminderd met de met deze inkomsten verband houdende kosten.
  5. Voor zover in enig jaar het gezamenlijke bedrag aan vrij te stellen buitenlandse inkomsten uit onroerende zaken die binnen het gebied van die andere mogendheden zijn gelegen of rechten die daarop betrekking hebben, berekend met inachtneming van de verrekening op de voet van het zesde lid, groter is dan de belastbare winst, worden deze inkomsten overgebracht naar de tien daaropvolgende jaren, te beginnen bij het eerstvolgende jaar.
  6. In het jaar waarnaar de overbrenging, bedoeld in het vorige lid plaatsvindt, worden voor de berekening van de vermindering, bedoeld in het tweede lid, de inkomsten uit onroerende zaken die binnen het gebied van die andere mogendheden zijn gelegen of rechten die daarop betrekking hebben verhoogd met het op basis van het vijfde lid over te brengen bedrag aan inkomsten.
  7. Indien de buitenlandse inkomsten uit een mogendheid, berekend met inachtneming van de overbrenging per mogendheid volgens het vijfde lid, negatief zijn, worden deze, voor de toepassing van de vermindering, bedoeld in het tweede lid, aangemerkt als negatief bestanddeel van het buitenlandse inkomen van de tien daaropvolgende jaren, te beginnen bij het eerstvolgende jaar.

Artikel 12

  1. Aan een binnenlands belastingplichtige wordt ter verrekening van vanwege een andere mogendheid over winst uit binnenlandse onderneming, al dan niet aan de bron geheven belasting, een verrekening van winstbelasting verleend.
  2. Het bedrag van de verrekening, bedoeld in het eerste lid, is het laagste van de volgende bedragen:
    a. het bedrag van de in het desbetreffende jaar vanwege andere mogendheden geheven belasting vermeerderd met zodanige in de tien voorafgaande jaren geheven belasting voor zover deze niet eerder tot een verrekening heeft geleid;
    b. de volgens de Landsverordening op de winstbelasting 1940 geheven winstbelasting indien de in het eerste lid bedoelde voordelen na aftrek van de aan deze voordelen toe te rekenen kosten de enige bestanddelen van de winst zouden zijn geweest.
  3. Op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige blijft dit artikel buiten toepassing voor alle in een boekjaar genoten winst uit binnenlandse onderneming, bedoeld in het eerste lid en voor de daarover geheven belasting. De belastingplichtige kan er dan voor kiezen om de in dat jaar daarover geheven buitenlandse belasting als kosten in aftrek te brengen. Het verzoek wordt jaarlijks voor elk jaar afzonderlijk bij de aangifte gedaan.

Hoofdstuk V Successiebelasting

Artikel 13

  1. Bij een vermogensvermeerdering krachtens erfrecht door het overlijden van iemand die ten tijde van dat overlijden ingezetene was van Curaçao, wordt ter verrekening van vanwege een andere mogendheid geheven belasting een vermindering verleend van de successiebelasting voor de in de vermogensvermeerdering begrepen bezittingen behorende tot een door hem gedreven buitenlandse onderneming als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, en voor de in de verkrijging begrepen onroerende zaken die binnen het gebied van een andere mogendheid zijn gelegen, alsmede rechten waaraan deze zijn onderworpen, voor zover de verkrijging van vorenbedoelde bezittingen aan een gelijksoortige belasting is onderworpen die vanwege een andere mogendheid als daar bedoeld wordt geheven.
  2. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vermindering wordt voor elke mogendheid waaruit de belastingplichtige zodanig vermogensvermeerdering geniet afzonderlijk toegepast en is het laagste van de volgende bedragen:
    a. het bedrag van de vanwege de andere mogendheid geheven belasting;
    b. het bedrag dat tot de successiebelasting, die volgens de Successiebelastingverordening 1908 verschuldigd zou zijn zonder toepassing van dit landsbesluit, in dezelfde verhouding staat als de gezamenlijke waarde van de in de verkrijging begrepen, in het eerste lid bedoelde, bezittingen in de andere mogendheid staat tot de waarde van alle verkregen bezittingen.
  3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt:
    a. de waarde van de in het eerste lid bedoelde bezittingen verminderd met de waarde van de schulden in verband met die bezittingen;
    b. de waarde van alle verkregen bezittingen verminderd met de waarde van alle schulden die op grond van de Successiebelastingverordening 1908 in aftrek komt.
  4. Onder de successiebelasting die zonder toepassing van dit landsbesluit volgens de Successiebelastingverordening 1908 verschuldigd zou zijn wordt verstaan: de op basis van artikel 61 van de Successiebelastingverordening 1908 berekende verschuldigde belasting over de waarde bedoeld in artikel 19 van de Successiebelastingverordening 1908.
  5. De vermindering volgens dit artikel bedraagt ten hoogste het bedrag aan successiebelasting dat volgens de Successiebelastingverordening 1908 verschuldigd zou zijn zonder de toepassing van dit landsbesluit.
  6. Indien een vermogensvermeerdering krachtens erfrecht door het overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden ingezetene was van Curaçao, bezittingen omvat welke zich binnen het gebied van een andere mogendheid bevinden en op grond van het eerste lid geen aanspraak bestaat op een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting, wordt bij het bepalen van de waarde van die verkrijging een, vanwege die andere mogendheid over deze bezittingen geheven gelijksoortige belasting, in mindering gebracht op die verkrijging.
  7. De verminderingen, bedoeld in dit artikel, worden per verkrijger berekend.
  8. Het eerste tot en met het zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot vermogensvermeerderingen door middel van een schenking van een ingezetene van Curaçao verkregen.

Hoofdstuk VI Slotbepalingen

Artikel 14

Dit landsbesluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking en geldt voor:
a. de inkomstenbelasting: voor alle jaren waarvoor de aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat;
b. de winstbelasting: voor alle boekjaren beginnend op of na 1 januari 2020;
c. de loonbelasting: met ingang van 1 januari 2023;
d. de heffing van de successiebelasting: voor alle op of na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit landsbesluit nog openstaande nalatenschappen en schenkingen en voor alle jaren waarvoor de aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat.

Artikel 15

Dit landsbesluit wordt aangehaald als: Landsbesluit voorkoming van dubbele belasting.

Naar boven