Landsverordening Casinowezen Curaçao - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsverordening Casinowezen Curaçao

Publicatienummer: P.B. 2026, no. 200 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsverordening
Ministerie: Economische Ontwikkeling
Datum ondertekening: 07-05-2026
Datum inwerktreding: 01-11-1999
Geregistreerd in:
Klapper Afkondigingsblad ( HOOFDSTUK VI Openbare zedelijkheid)


LANDSBESLUIT van de 7de mei 2026, no. 26/1260, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Eilandsverordening Casinowezen Curaçao

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
1-11-1999 n.v.t. n.v.t. Geconsolideerde tekst P.B. 2026, no. 200 (GT) n.v.t.

Hoofdstuk I
Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze landsverordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Adviesorgaan: de in artikel 2, eerste lid, bedoelde instantie;
b. bestuurlijke boete: de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom;
c. bestuursdwang: een herstelsanctie, inhoudende een opdracht tot geheel of gedeeltelijk herstel van de gevolgen van een overtreding en de bevoegdheid die opdracht ten uitvoer te leggen door feitelijk handelen indien die opdracht niet of niet tijdig wordt uitgevoerd;
d. casino: een in of aan een hotel verbonden ruimte of inrichting, waar hazardspelen bedrijfsmatig worden georganiseerd;
e. casinovergunning: de in artikel 3, eerste lid, bedoelde vergunning en de in artikel 3, vierde lid, bedoelde voorlopige casinovergunning, voor zover het de aan een casinovergunning verbonden rechtsgevolgen betreft;
f. casinovergunninghouder: de houder van een casinovergunning;
g. hazardspelen: elk spel, waarbij in het algemeen de kans op winst van toeval afhangt, ook wanneer die kans toeneemt met de meerdere geoefendheid of grotere behendigheid van de speler;
h. hotel: een gebouw of een op een aaneengesloten terrein zich bevindend complex van gebouwen, waarin in overeenstemming met de daarvoor geldende regelgeving een hotelbedrijf wordt uitgeoefend, waarbij de bedrijvigheid aantoonbaar gericht is op de internationale markt voor toerisme;
i. last onder dwangsom: een herstelsanctie, inhoudende een opdracht tot geheel of gedeeltelijk herstel van een overtreding, en de bevoegdheid een last onder dwangsom ten uitvoer te leggen door het vorderen van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd;
j. online slot information system: een gesloten computersysteem waarmee alle financiële transacties die plaatsvinden op elke in een casino geplaatste gokautomaat worden geregistreerd, met name de inzet en uitbetaling, inclusief de jackpots, en waarop deze transacties kunnen worden ingelezen, gecompileerd en uitgeprint;
k. overtreder: degene die de overtreding pleegt of medepleegt of, ingeval de overtreding is gepleegd door een rechtspersoon, degene die tot de overtreding opdracht heeft gegeven of daaraan feitelijke leiding heeft gegeven;
l. overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens deze landsverordening;
m. persoonlijke vergunning: de in artikel 9, eerste lid, bedoelde vergunning en de in artikel 9, vierde lid, bedoelde voorlopige casinovergunning, voor zover het de aan een persoonlijke vergunning verbonden rechtsgevolgen betreft;
n. persoonlijke vergunninghouder: de houder van een persoonlijke vergunning;
o. speeltafel: een tafel waaraan één of meer spelers kunnen deelnemen aan een hazardspel, waarbij de spelleiding in handen is van ten minste één als croupier optredend lid van het casinopersoneel;
p. speelvergunningsrecht: het in artikel 14, eerste lid, bedoelde recht;
q. toezichthouders: de in artikel 23, eerste lid, bedoelde ambtenaren of andere personen.

Artikel 2

  1. Er is een instantie, welke tot taak heeft de Minister van Financiën te adviseren op het gebied van hazardspelen.
  2. Het Adviesorgaan bestaat uit ten hoogste 9 leden. De voorzitter en de overige leden worden door de Minister van Financiën benoemd en ontslagen.
  3. Het Adviesorgaan stelt onder goedkeuring van de Minister van Financiën een reglement van orde vast betreffende zijn werkwijze.
  4. Het Adviesorgaan is belast met:
    a. het desgevraagd dan wel uit eigen beweging adviseren van de Minister van Financiën en de door de Minister van Financiën aangewezen instantie of instanties omtrent ontwikkelingen op nationaal en internationaal niveau op het gebied van hazardspelen;
    b. het in het belang van het voorkomen en tegengaan van negatieve maatschappelijke effecten doen van schriftelijke aanbevelingen aan de Minister van Financiën en de door of namens de Minister van Financiën aangewezen instantie of instanties op het gebied van hazardspelen;
    c. het onderhouden van contacten met nationale en internationale instanties die een vergelijkbare taak hebben als het Adviesorgaan.
  5. Het Adviesorgaan brengt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden uit aan de Minister van Financiën en aan de door de Minister van Financiën aangewezen instantie of instanties.
  6. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regelen worden vastgesteld met betrekking tot de taak, bevoegdheden en samenstelling van het Adviesorgaan. Daarbij kan aan de leden van het Adviesorgaan een vergoeding worden toegekend.

Hoofdstuk II
Casinovergunningen

Artikel 3

  1. Het is verboden een casino te exploiteren zonder door of namens de Minister van Financiën verleende vergunning. De vergunning kan onder voorschriften, voorwaarden en beperkingen worden verleend. Het is verboden te handelen in strijd met de gegeven voorschriften, voorwaarden of beperkingen.
  2. Een casinovergunning kan slechts worden verleend aan een rechtspersoon.
  3. Een casinovergunning wordt verleend voor een of meer specifiek in de vergunning genoemde ruimten of inrichtingen van een in de vergunning aangewezen hotel en heeft een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren. Na afloop van deze termijn kan zij wederom voor de duur van ten hoogste drie jaren worden verleend onder toevoeging van nieuwe voorschriften en beperkingen.
  4. Hangende het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag voor een casinovergunning kan, door of namens de Minister van Financiën, een voorlopige casinovergunning worden verleend voor de duur van ten hoogste zes maanden. De voorlopige casinovergunning kan eenmalig met ten hoogste zes maanden worden verlengd.
  5. De casinovergunning is niet overdraagbaar.

Artikel 4

Door de Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie kunnen richtlijnen worden gegeven ten aanzien van de wijze waarop een aanvraag voor verlening van een casinovergunning wordt ingediend en behandeld, alsmede ten aanzien van de bescheiden en gegevens die bij een aanvraag dienen te worden verstrekt.

Artikel 5

  1. Door of namens de Minister van Financiën wordt binnen een maand na de datum van ontvangst van de aanvraag voor een casinovergunning beslist over de ontvankelijkheid van de aanvraag.
  2. Door of namens de Minister van Financiën wordt de aanvraag voor een vergunning niet ontvankelijk verklaard in geval van:
    a. strijd met de krachtens artikel 4 gestelde regels betreffende de wijze waarop een aanvraag voor een vergunning wordt ingediend;
    b. onvolledigheid van de in artikel 4 bedoelde bescheiden en gegevens;
    c. strijd met enige wettelijke bepaling.

Artikel 6

  1. De casinovergunning wordt geweigerd indien niet is voldaan aan de bij of krachtens deze landsverordening gestelde bepalingen dan wel de verlening van de casinovergunning gevaar kan opleveren voor de openbare orde, de openbare veiligheid, het algemeen belang of de rechtsorde.
  2. De casinovergunning kan worden geweigerd:
    a. indien de door de aanvrager verstrekte feiten en gegevens onjuist zijn;
    b. indien redelijkerwijs kan worden verwacht dat de vergunninghouder de bij of krachtens deze landsverordening gestelde regels en de aan de casinovergunning verbonden voorschriften, voorwaarden en beperkingen niet zal kunnen nakomen.

Artikel 7

  1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden vastgesteld welke door casinovergunninghouders in acht worden genomen. Die regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
    a. het waarborgen van een eerlijk en betrouwbaar spelverloop en het voorkomen van fraude en misbruik;
    b. het aantal en de soort van de te organiseren spelen en de wijze waarop deze worden beoefend, alsmede de overige toe te laten activiteiten;
    c. de wijze waarop geld en speelpenningen voor, tijdens en na gebruik aan speeltafels en in speelautomaten worden beheerd en geteld;
    d. de boekhouding en de administratieve organisatie van het casino;
    e. de financiële verslaglegging;
    f. de statuten en de reglementen van de rechtspersoon;
    g. de solvabiliteit en liquiditeit van de rechtspersoon;
    h. de veiligheid voor het publiek;
    i. de entreebewijzen en de tarieven daarvan;
    j. de identificatieplicht van bezoekers;
    k. het verstrekken van speelwinstverklaringen;
    l. het opstellen van spelreglementen waarin de regels van de tafelspelen worden uiteengezet;
    m. het opstellen van een huisreglement.
  2. Het is de casinovergunninghouder verboden personen die de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt, toegang tot het casino te verlenen.
  3. Het is de casinovergunninghouder verboden aan de in het casino geëxploiteerde hazardspelen te laten of te doen deelnemen door:
    a. personen in dienst van casinovergunninghouders;
    b. personen in dienst van de door de Minister van Financiën aangewezen instantie of instanties, belast met controle en toezicht op het casinowezen;
    c. (vervallen)
  4. (vervallen)

Artikel 7a

  1. De Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie geeft richtlijnen ter bevordering van verantwoord speelgedrag.
  2. De richtlijnen kunnen maatregelen voorschrijven, waaronder het weigeren van de toegang of verwijdering, die door een casinovergunninghouder ter handhaving van de richtlijnen worden getroffen ten aanzien van bezoekers van het casino waarvoor een casinovergunning is verleend.
  3. De richtlijnen, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit van de aan een casinovergunning verbonden voorschriften.

Artikel 7b

  1. De Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie geeft richtlijnen voor de inrichting van het casino en bepaalt daarin onder meer de onderlinge verhouding van het aantal geplaatste speeltafels en het aantal geplaatste gokautomaten, in een door de Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie te bepalen verhouding met het aantal hotelkamers van het hotel waaraan het casino is verbonden.
  2. De Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie bepaalt het aantal van de op grond van het eerste lid geplaatste speeltafels, dat gedurende de openingstijden van het casino in bedrijf dient te zijn.
  3. De richtlijnen, bedoeld in het eerste lid, en de uit het tweede lid voortvloeiende verplichting maken deel uit van de aan een casinovergunning verbonden voorschriften.

Artikel 8

  1. De casinovergunning kan worden ingetrokken indien:
    a. onjuiste of onvolledige gegevens werden verstrekt ten tijde van de aanvraag die van invloed zijn geweest op de totstandkoming van het besluit tot verlening van de vergunning;
    b. niet voldaan wordt aan de bij of krachtens artikel 7 gestelde bepalingen;
    c. de aan de vergunning verbonden voorschriften, voorwaarden en beperkingen niet of niet volledig in acht worden genomen of anderszins in strijd met de wettelijke bepalingen wordt gehandeld;
    d. door de vergunninghouder de krachtens deze landsverordening vereiste aangifteformulieren niet, onvolledig of onjuist zijn ingevuld;
    e. de vergunninghouder in gebreke is met de betaling van het speelvergunningsrecht dat krachtens deze landsverordening verschuldigd is;
    f. de vergunninghouder weigert inzage te verlenen van boeken, bescheiden of geschriften, valse of vervalste boeken, bescheiden of geschriften aan de door de Minister van Financiën aangewezen personen;
    g. de vergunninghouder handelt op een wijze waarop de openbare orde, de openbare veiligheid, het algemeen belang of de rechtsorde in gevaar komt.
    h. de casinovergunningshouder de aanwijzing, bedoeld in artikel 23t, eerste lid, niet binnen de daartoe gestelde termijn opvolgt.
  2. Indien de casinovergunning krachtens het bepaalde in het eerste lid wordt ingetrokken is de persoon wiens casinovergunning is ingetrokken verplicht onverwijld het casino te sluiten.
  3. Intrekking geschiedt niet dan nadat de casinovergunninghouder is gehoord dan wel in de gelegenheid is gesteld om gehoord te worden.
  4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden vastgesteld ten aanzien van de intrekking van de vergunning.

Artikel 8a

  1. Bij overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 3, eerste lid, eerste volzin, is de exploitant van het casino, dan wel de casinovergunninghouder wiens casinovergunning is ingetrokken, verplicht het casino onverwijld te sluiten voor het publiek.
  2. Indien de casinovergunninghouder handelt in strijd met het bepaalde in de artikelen 7a en 7b of artikel 8, tweede lid, is de casinovergunninghouder verplicht op vordering van een door de Minister van Financiën aangewezen instantie het casino onverwijld te sluiten voor het publiek.
  3. Indien niet wordt voldaan aan het gestelde in het eerste of tweede lid, of aan de verplichting, bedoeld in artikel 8, tweede lid, wordt het casino door de door de Minister van Financiën aangewezen instantie, zo nodig met behulp van de sterke arm, gesloten, zodanig dat het casino niet toegankelijk is voor het publiek.
  4. De kosten van sluiting ingevolge het bepaalde in het voorgaande lid kunnen worden verhaald op de exploitant van het casino, op de casinovergunninghouder of op de persoon wiens vergunning is ingetrokken en zijn door de door de Minister van Financiën aangewezen instantie zonder ingebrekestelling bij dwangbevel invorderbaar.

Hoofdstuk III
Persoonlijke vergunningen

Artikel 9

  1. Het is verboden zonder door of namens de Minister van Financiën verleende vergunning aandeelhouder te zijn van of op enigerlei wijze financieel belanghebbende te zijn in een rechtspersoon aan welke ingevolge deze landsverordening een casinovergunning is verleend of anderszins direct of indirect een financieel belang te hebben bij de exploitatie van een casino.
  2. Onder financieel belanghebbende als bedoeld in het eerste lid worden niet begrepen personen die in dienst zijn van een casinovergunninghouder.
  3. De persoonlijke vergunning kan onder het stellen van voorschriften, voorwaarden en beperkingen worden verleend. Het is verboden te handelen in strijd met de gegeven voorschriften, voorwaarden of beperkingen.
  4. Hangende het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag voor een persoonlijke vergunning kan, door of namens de Minister van Financiën, een voorlopige persoonlijke vergunning worden verleend voor de duur van ten hoogste zes maanden. De voorlopige persoonlijke vergunning kan eenmalig met ten hoogste zes maanden worden verlengd.

Artikel 10

Door een door de Minister van Financiën aangewezen instantie kunnen richtlijnen worden gegeven ten aanzien van de wijze waarop een aanvraag voor verlening van een persoonlijke vergunning wordt ingediend en behandeld, alsmede ten aanzien van de bescheiden en gegevens die bij een aanvraag dienen te worden verstrekt.

Artikel 11

  1. Door of namens de Minister van Financiën wordt binnen een maand na de datum van ontvangst van de aanvraag voor een persoonlijke vergunning beslist over de ontvankelijkheid van de aanvraag.
  2. Door of namens de Minister van Financiën wordt de aanvraag voor een persoonlijke vergunning niet ontvankelijk verklaard in geval van:
    a. strijd met de krachtens artikel 10 gestelde regels betreffende de wijze waarop een aanvraag voor een vergunning wordt ingediend;
    b. onvolledigheid van de in artikel 10 bedoelde bescheiden en gegevens;
    c. strijd met enige wettelijke bepaling.

Artikel 12

Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden vastgesteld welke door persoonlijke vergunninghouders in acht worden genomen. Die regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de persoonlijke integriteit;
b. de financiële gegoedheid en betrouwbaarheid;
c. kennis en kunde inzake casino’s.

Artikel 13

  1. Door of namens de Minister van Financiën kan de persoonlijke vergunning worden ingetrokken indien:
    a. onjuiste of onvolledige gegevens werden verstrekt ten tijde van de aanvraag die van invloed zijn geweest op de totstandkoming van het besluit tot verlening van de persoonlijke vergunning;
    b. niet voldaan wordt aan de krachtens artikel 12 gestelde bepalingen;
    c. de aan de vergunning verbonden voorschriften, voorwaarden en beperkingen niet of niet volledig in acht worden genomen of anderszins in strijd met de wettelijke bepalingen wordt gehandeld.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden vastgesteld ten aanzien van de intrekking van de persoonlijke vergunning.

Hoofdstuk IV
Speelvergunningsrecht en cash-out toeslag

Artikel 14

  1. Onder de naam speelvergunningsrecht wordt een recht geheven voor het exploiteren van een casino.
  2. Het speelvergunningsrecht is verschuldigd door de casinovergunninghouder.

Artikel 15

  1. Het speelvergunningsrecht bestaat uit:
    a. een vast jaarlijks bedrag;
    b. een maandelijks bedrag.
  2. Het ingevolge het eerste lid, onderdeel b, verschuldigde speelvergunningsrecht wordt achteraf vastgesteld.
  3. Indien krachtens dezelfde casinovergunning meerdere ruimten of inrichtingen voor hazardspelen worden geëxploiteerd wordt het ingevolge het eerste lid, onderdeel a, verschuldigde speelvergunningsrecht geheven als ware voor elk van deze ruimten of inrichtingen afzonderlijk een casinovergunning verleend.
  4. De hoogte van de in het eerste lid, onder a en b, genoemde bedragen wordt bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vastgesteld.
  5. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan worden bepaald dat een aanvullende vergoeding wordt geheven in de vorm van een inhouding door de casinovergunninghouder ten bedrage van een percentage van het prijzengeld boven een vast te stellen bedrag. Een zodanig landsbesluit wordt onverwijld ingetrokken indien de wijziging niet binnen drie maanden na vaststelling van dat landsbesluit bij landsverordening wordt bekrachtigd.
  6. De casinovergunninghouder is verplicht het in het vijfde lid bedoelde percentage van het prijzengeld af te dragen aan de Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie.

Artikel 16

  1. Een door de Minister van Financiën aangewezen instantie legt de casinovergunninghouder maandelijks een aanslag op voor het over de afgelopen maand verschuldigde speelvergunningsrecht, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a.
  2. Het speelvergunningsrecht, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder b, wordt maandelijks op elke 15e dag van de maand over de daaraan voorafgaande maand op aangifte voldaan aan een door de Minister van Financiën aangewezen instantie.
  3. De casinovergunninghouder betaalt het verschuldigde bedrag binnen zeven dagen na dagtekening van de aanslag.
  4. Het speelvergunningsrecht is invorderbaar zeven dagen na dagtekening van de aanslag. De invordering geschiedt overeenkomstig de voorschriften opgenomen in Hoofdstuk II van de Invorderingsverordening 1954 .
  5. Een door de Minister van Financiën aangewezen instantie int het verschuldigde speelvergunningsrecht en draagt dit, vóór afloop van de daarop volgende maand, af aan de Ontvanger, onder inhouding van het bedrag van de in artikel 20c bedoelde vergoeding.
  6. Indien naar het oordeel van de door de Minister van Financiën aangewezen instantie de aangifte van de casinovergunninghouder, bedoeld in het derde lid, onjuist of onvolledig is, dan wel niet tijdig is gedaan, dan legt zij alsnog een aanslag op.

Artikel 17

  1. De casinovergunninghouder is verplicht vóór 15 januari van elk jaar, schriftelijk aangifte te doen aan de door de Minister van Financiën aanwezen instantie, van het aantal en de soort speeltafels en speelautomaten welke per 31 december van het afgelopen kalenderjaar waren opgesteld in de ruimten en inrichtingen genoemd in artikel 3, derde lid.
  2. Aangifte geschiedt volgens de richtlijnen van de door de Minister van Financiën aangewezen instantie.
  3. Indien geen, onvolledige of onjuiste aangifte is gedaan met betrekking tot het aantal en de soort speeltafels en speelautomaten, is de vergunninghouder in gebreke.
  4. Bij geen, onvolledige of onjuiste aangifte kan een administratieve boete van maximaal vijfduizend gulden worden opgelegd. De voorschriften inzake het opleggen van voornoemde boete worden vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.
  5. Artikel 19, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18

(vervalen)

Artikel 19

  1. Indien een aanslag geheel of gedeeltelijk niet binnen de voorgeschreven termijn is voldaan, kan de door de Minister van Financiën aangewezen instantie, door middel van een administratieve boete het aanslagbedrag verhogen met ten hoogste honderd procent.
  2. De boete bedoeld in het eerste lid, wordt bij aanslag opgelegd.
  3. Administratieve boeten zijn vanaf zeven dagen na dagtekening van de aanslag overeenkomstig de voorschriften opgenomen in Hoofdstuk II van de Invorderingsverordening 1954 invorderbaar.

Artikel 20

  1. Vermindering van een aanslag kan op verzoek van de aangeslagene of ambtshalve worden verleend, indien blijkt dat deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd opgelegd.
  2. Indien blijkt dat het speelvergunningsrecht ten onrechte niet of tot een te laag bedrag werd geheven, wordt het niet of te weinig gehevene nagevorderd, zolang niet sedert de datum waarop het speelvergunningsrecht krachtens de bepalingen van deze landsverordening verschuldigd werd, vijf jaren zijn verstreken.

Artikel 20a

  1. De casinovergunninghouder verschaft een door de Minister van Financiën aangewezen instantie alle inlichtingen en bewijsstukken die nodig zijn voor de vaststelling van het verschuldigde speelvergunningsrecht. Hij verleent desgevraagd alle medewerking aan de door de Minister van Financiën aangewezen instantie ter controle van de juistheid van de gegeven inlichtingen en overgelegde bewijsstukken.
  2. De casinovergunninghouder is verplicht een door de Minister van Financiën aangewezen instantie goedgekeurd online slot information system te gebruiken, waarop alle slotmachines van het casino zijn aangesloten.
  3. De casinovergunninghouder verschaft desgevraagd aan de door de Minister van Financiën aangewezen instantie onverwijld vrije toegang tot de in het online slot information system opgeslagen informatie.

Artikel 20b

  1. Onder de naam cash-out toeslag wordt over het prijzengeld ten laste van de casinovergunninghouder een aanvullende vergoeding geheven van vijf procent.
  2. Het bedrag, waarboven het in het eerste lid genoemde percentage wordt geheven, wordt vastgesteld op nihil.
  3. Onder het prijzengeld, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het bedrag van de waarde van de door of ten behoeve van een bezoeker ter verzilvering aangeboden voorwerpen die een geldswaarde vertegenwoordigen bij het beoefenen van casinospelen of het gebruik van gokautomaten, waaronder chips, tokens, munten, smartcards, debitcards en vouchers.
  4. De aanvullende vergoeding wordt bij de in het derde lid bedoelde verzilvering door de casinovergunninghouder ingehouden op het aan de bezoeker toekomende prijzengeld.
  5. Op de invordering van de aanvullende vergoeding zijn de artikelen 16, tweede tot en met zesde lid, en 20c van overeenkomstige toepassing.
  6. De Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie kan richtlijnen geven ter bevordering van een richtige inning van de cash-out toeslag.
  7. De richtlijnen, bedoeld in het zesde lid maken deel uit van de aan een casinovergunning verbonden voorschriften.

Artikel 20c

De kosten van een door de Minister van Financiën aangewezen instantie worden vergoed uit de opbrengsten van het speelvergunningsrecht en de cash-out toeslag. De vergoeding bedraagt 37,5% van die opbrengsten.

Artikel 21

Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels ter verzekering van een richtige heffing en inning van het speelvergunningsrecht en van de kosten verbonden aan de uitvoering van deze verordening worden vastgesteld.

Artikel 22

(vervallen)

Hoofdstuk V
Toezicht, opsporing en handhaving

§ 1. Toezicht

Artikel 23

  1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde zijn belast de daartoe door de Minister van Financiën aangewezen ambtenaren of personen.
  2. De in het eerste lid bedoelde toezichthouders leggen in handen van de Gouverneur de navolgende eed of belofte af of geven de navolgende bevestiging: “Ik zweer (beloof, verklaar) dat ik de mij opgelegde plichten met alle ijver zonder aanziens des persoons zal vervullen. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (dat beloof ik, dat verklaar ik)”.
  3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld omtrent de vereisten waaraan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren of personen dienen te voldoen.
  4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de krachtens het eerste lid aangewezen personen.
  5. Een ieder is verplicht aan de in het eerste lid bedoelde toezichthouders desgevraagd alle medewerking te verlenen en alle inlichtingen te verstrekken, die zij redelijkerwijs bij de uitvoering van de hun op grond van deze landsverordening opgedragen taak nodig achten.

Artikel 23a

  1. Een toezichthouder is, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is, bevoegd:
    a. alle inlichtingen te vragen;
    b. inzage te vorderen van zakelijke gegevens, bescheiden en andere informatiedragers, daarvan kopieën te maken of deze daartoe voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs;
    c. zaken, waaronder dragers van digitale gegevens, te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen, daarvan monsters te nemen of deze daartoe voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs;
    d. met medeneming van de voor het oefenen van toezicht benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner, vergezeld van de door hem aangewezen personen;
    e. woningen zonder uitdrukkelijke toestemming van de bewoner binnen te treden, met inachtneming van het bepaalde in Titel X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering, met uitzondering van artikel 156, tweede lid, en artikel 158, eerste lid, laatste zinsnede.
  2. Zo nodig verschaft de toezichthouder zich toegang tot een plaats bedoeld in het eerste lid, onderdeel d met behulp van de sterke arm.

Artikel 23b

  1. Een toezichthouder is, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is, bevoegd:
    a. toezicht te houden op de inzetten en uitbetaalde bedragen tijdens het spelverloop;
    b. de transacties met geld en speelpenningen, de bewaring daarvan alsmede de registratie van de bewaring deugdelijk te controleren;
    c. het aantal en de soort van de speeltafels en speelautomaten opgesteld in de ruimten of inrichtingen, bedoeld in artikel 3, derde lid, vast te stellen;
    d. te allen tijde gedurende de openingsuren van het casino aanwezig te zijn;
    e. alle aldaar gebruikte installaties en benodigdheden te verwijderen;
    f. te controleren of het spelmateriaal, speelpenningen daaronder begrepen, betrouwbaar en doeltreffend zijn.
  2. Artikel 23a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

§ 2. Onderzoek

Artikel 23c

  1. De toezichthouder is belast met het onderzoek naar overtredingen.
  2. Ten dienste van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid beschikt een toezichthouder, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is, over de bevoegdheden, bedoeld in paragraaf 1, en de bevoegdheid te verzegelen, bedoeld in artikel 23d, vierde lid. Artikel 23a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
  3. Tijdens het onderzoek voorafgaande aan het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom of tot het opleggen van een administratieve boete, maakt de toezichthouder slechts van zijn bevoegdheid te verzegelen gebruik ter ondersteuning van zijn inzagebevoegdheid, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel b.
  4. Tijdens het onderzoek voorafgaande aan een besluit tot het opleggen van een administratieve boete neemt de toezichthouder het bepaalde in artikel 50, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering in acht.

§ 3. Bestuursdwang

Artikel 23d

  1. De Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van:
    a. het verbod, bedoeld in artikel 3, eerste lid, eerste volzin;
    b. het verbod, bedoeld in artikel 3, eerste lid, derde volzin;
    c. de regels die krachtens artikel 7, eerste lid, worden vastgesteld;
    d. de richtlijnen, bedoeld in artikel 7a, eerste lid;
    e. de maatregelen, bedoeld in artikel 7a, tweede lid;
    f. de richtlijnen, bedoeld in artikel 7b, eerste lid;
    g. de richtlijnen, bedoeld in artikel 7b, tweede lid;
    h. de verplichting, bedoeld in artikel 8a, eerste lid;
    i. de verplichting, bedoeld in artikel 8a, tweede lid; en
    j. de verplichting, bedoeld in artikel 23t, derde lid.
  2. Een ieder is verplicht de toepassing van bestuursdwang te gedogen.
  3. Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het meevoeren en opslaan van daarvoor vatbare zaken voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vereist.
  4. Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het verzegelen van gebouwen, terreinen en hetgeen zich daarin of daarop bevindt.

Artikel 23e

  1. Een besluit tot toepassing van bestuursdwang wordt op schrift gesteld. Het schriftelijk besluit is een beschikking.
  2. De beschikking vermeldt welk voorschrift is of wordt overtreden.
  3. De bekendmaking geschiedt aan de overtreder en aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast.
  4. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. De te nemen maatregelen worden in de beschikking omschreven.
  5. Geen termijn behoeft te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.
  6. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt de Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.
  7. De beschikking vermeldt de mededeling bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak.
  8. Een bezwaarschrift schort de werking van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, niet op.

Artikel 23f

  1. De overtreder is de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
  2. De beschikking, bedoeld in artikel 23e, eerste lid, vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder plaatsvindt.
  3. Indien de kosten geheel of gedeeltelijk niet ten laste van de overtreder zullen worden gebracht, wordt zulks in de beschikking vermeld.
  4. Onder kosten, bedoeld in het eerste lid, worden begrepen de kosten verbonden aan de voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze kosten zijn gemaakt na het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in artikel 23e, vierde lid, is verstreken.
  5. De kosten zijn ook verschuldigd indien de bestuursdwang door opheffing van de onwettige situatie niet of niet volledig is uitgevoerd.
  6. Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden tevens begrepen de kosten voortvloeiende uit de vergoeding van schade ingevolge artikel 23h, zesde lid.

Artikel 23g

  1. De Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie kan van de overtreder bij dwangbevel de verschuldigde kosten, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, invorderen.
  2. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
  3. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet open tegen het dwangbevel door het indienen van een daartoe strekkend verzoekschrift aan het Gerecht in eerste aanleg.
  4. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de openbare rechtspersoon het Land Curaçao kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Artikel 23h

  1. Om aan een besluit tot toepassing van bestuursdwang uitvoering te geven, beschikt een toezichthouder, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is, over de bevoegdheden, bedoeld in paragraaf 1 en in artikel 23d, derde en vierde lid.
  2. Om aan een besluit tot toepassing van bestuursdwang uitvoering te geven, hebben, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, de daartoe door de Minister van Financiën aangewezen personen toegang tot elke plaats. Artikel 23a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
  3. Een plaats die niet bij de overtreding is betrokken, wordt niet betreden dan nadat het de Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie dit de rechthebbende ten minste achtenveertig uren tevoren schriftelijk heeft aangezegd.
  4. Het derde lid geldt niet, indien tijdige aanzegging wegens de vereiste spoed niet mogelijk is. De aanzegging geschiedt dan zo spoedig mogelijk.
  5. De aanzegging, bedoeld in het derde en vierde lid, omschrijft de wijze waarop het betreden zal plaatsvinden. Artikel 23e, zevende lid, is van toepassing.

Artikel 23i

  1. Indien zaken als bedoeld in artikel 23d, derde lid, zijn meegevoerd en opgeslagen doet, de Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie daarvan proces-verbaal opmaken, waarvan afschrift wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had.
  2. De Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende.
  3. De Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor afgifte van de opgeslagen zaak aan een onbevoegde.
  4. De Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie is bevoegd de afgifte op te schorten totdat de verschuldigde kosten, bedoeld in artikel 23f, zijn voldaan. Indien de rechthebbende niet tevens de overtreder is, is de Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie bevoegd de afgifte op te schorten totdat de kosten van bewaring zijn voldaan.

Artikel 23j

  1. De Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie is bevoegd, indien een meegevoerde en opgeslagen zaak als bedoeld in artikel 23d, derde lid, niet binnen dertien weken na de meevoering kan worden teruggegeven, deze te verkopen of, indien verkoop naar zijn oordeel niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen.
  2. Gelijke bevoegdheid heeft de Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie ook binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, zodra de ingevolge artikel 23f verschuldigde kosten, vermeerderd met de voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.
  3. Verkoop, eigendomsoverdracht of vernietiging vindt niet plaats binnen twee weken na verstrekking van het afschrift, bedoeld in artikel 23i, eerste lid, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.
  4. Gedurende een jaar na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van de zaak onder aftrek van de verschuldigde kosten, bedoeld in artikel 23f, en de kosten van de verkoop.

§ 4. Last onder dwangsom

Artikel 23k

  1. De Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie is bevoegd in plaats van bestuursdwang toe te passen, aan de overtreder een last onder dwangsom op te leggen.
  2. Voor het opleggen van een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.
  3. De Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. De Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
  4. Indien de last onder dwangsom niet het beoogde effect heeft gehad doordat het maximum aan te verbeuren bedragen als bedoeld in het vierde lid is bereikt, is de Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie bevoegd opnieuw een last onder dwangsom op te leggen.
  5. In de beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
  6. De beschikking vermeldt welk voorschrift is of wordt overtreden. Artikel 23e, zevende lid, is van toepassing.
  7. De bekendmaking geschiedt aan de overtreder.
  8. Een bezwaarschrift schort de werking van de beschikking, bedoeld in het vijfde lid, niet op.

Artikel 23l

De Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie kan bij dwangbevel het verschuldigde bedrag, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, invorderen. Artikel 23g, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.

Artikel 23m

  1. De Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.
  2. De Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.

Artikel 23n

  1. De bevoegdheid tot invordering van verbeurde dwangsommen verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop zij zijn verbeurd.
  2. De verjaring wordt geschorst door faillissement van de overtreder en ieder wettelijk beletsel voor invordering van de dwangsom.

Artikel 23o

Een last onder dwangsom wordt niet opgelegd zolang een ter zake van de betrokken overtreding reeds genomen beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet is ingetrokken.

§ 5. Bestuurlijke boete

Artikel 23p

  1. De Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie kan een boete opleggen van ten hoogste Cg 5.000,- (vijfduizend Caribische guldens) per overtreding, bij overtreding van:
    a. het verbod, bedoeld in artikel 3, eerste lid, eerste volzin;
    b. het verbod, bedoeld in artikel 3, eerste lid, derde volzin;
    c. het verbod, bedoeld in artikel 7, tweede lid;
    d. het verbod, bedoeld in artikel 7, derde lid;
    e. de verplichting, bedoeld in artikel 8a, eerste lid;
    f. de verplichting, bedoeld in artikel 8a, tweede lid;
    g. het verbod, bedoeld in artikel 9, eerste lid;
    h. het verbod in artikel 9, derde lid, laatste volzin;
    i. de regels, bedoeld in artikel 12;
    j. het niet, niet volledig of niet tijdig betalen van het verschuldigde zoals bedoeld in artikel 16, derde lid;
    k. de verplichtingen, bedoeld in artikel 21;
    l. de verplichting, bedoeld in artikel 23, vijfde lid;
    m. de verplichting, bedoeld in artikel 23d, tweede lid;
    n. de verplichting, bedoeld in artikel 23t, derde lid; en
    o. de verplichting, bedoeld in artikel 25, eerste lid.
  2. Bij herhaling of voortduren van een overtreding als bedoeld in het eerste lid kan de boete worden verhoogd tot ten hoogste het aantal dagen dat de overtreder in overtreding is of is geweest te vermenigvuldigen met ten hoogste Cg 5.000,- (vijfduizend Caribische guldens).
  3. Bij overtreding van een andere bij of krachtens deze landsverordening vastgestelde bepaling dan die, bedoeld in het eerste lid, kan de Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie een boete opleggen van ten hoogste Cg 5.000,- (vijfduizend Caribische guldens)per overtreding.

Artikel 23q

  1. De boete, bedoeld in artikel 23p, wordt opgelegd bij een met redenen omklede schriftelijk besluit. Dit schriftelijk besluit is een beschikking. De bekendmaking geschiedt aan de overtreder.
  2. De beschikking vermeldt welk voorschrift is overtreden en het bedrag van de boete. Artikel 23e, zevende lid, is van toepassing.

Artikel 23r

  1. De boete wordt betaald binnen dertien weken na de dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 23q, eerste lid, is verzonden of uitgereikt.
  2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop de termijn, bedoeld in het eerste lid, is verstreken.
  3. Indien niet is betaald binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt degene die de boete is verschuldigd, schriftelijk aangemaand binnen twee weken alsnog het bedrag van de boete, verhoogd met de ingevolge het tweede lid verschuldigde rente en de kosten van de aanmaning, te betalen.

Artikel 23s

De Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie kan, bij gebreke van betaling binnen de termijn, bedoeld in artikel 23r, derde lid, bij dwangbevel de verschuldigde boete, verhoogd met de ingevolge artikel 23r, tweede lid, verschuldigde rente en de op de invordering vallende kosten, invorderen. Artikel 23g, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.

§ 6. Aanwijzing

Artikel 23t

  1. Bij overtreding van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onderdelen b, c, e, f en g, is de Minister van Financiën of een door de Minister van Financiën aangewezen instantie bevoegd de casinovergunninghouder een aanwijzing te geven.
  2. Daartoe zendt de Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie bij aangetekende brief een met redenen omklede aanwijzing aan de casinovergunninghouder. De dag waarop deze brief is verzonden of uitgereikt, geldt als de dag waarop de aanwijzing is gegeven. Artikel 23e, zevende lid, is van toepassing.
  3. De casinovergunninghouder is verplicht de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, binnen de daartoe gestelde termijn op te volgen.
  4. Indien naar het oordeel van de Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie binnen de termijn bedoeld in het derde lid, niet of niet voldoende gevolg is gegeven aan de aanwijzing, kan de Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie de casinovergunninghouder bij aangetekende brief aanzeggen dat zal worden overgegaan tot bekendmaking van de aanwijzing. Deze bekendmaking geschiedt door kennisgeving van de aanwijzing in een of meer dagbladen ter keuze van de Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie.
  5. Indien de casinovergunninghouder na de bekendmaking alsnog voldoet aan de aanwijzing of indien de Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie de aanwijzing intrekt, vindt bekendmaking daarvan plaats overeenkomstig de bekendmaking, bedoeld in het vierde lid.
  6. De kosten van de bekendmaking, bedoeld in het vierde en vijfde lid, komen ten laste van de casinovergunninghouder en kunnen door de Minister van Financiën of de door de Minister van Financiën aangewezen instantie bij dwangbevel worden ingevorderd. Artikel 23g, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.

§ 7. Opsporing

Artikel 24

  1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, belast de daartoe door de Minister van Financiën aangewezen ambtenaren of personen.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld omtrent de vereisten waaraan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren of personen dienen te voldoen.

Artikel 25

  1. De houder van een casinovergunning of een persoonlijke vergunning is verplicht op eerste aanvraag van een toezichthouder of een opsporingsambtenaar het bezit van de vergunning te tonen.
  2. Een ieder aan wie ter zake van de uitvoering van deze landsverordening een toezichthoudende taak of enig andere taak is opgedragen of opgedragen is geweest, is verplicht tot geheimhouding van hetgeen uit dien hoofde te zijner kennis is gekomen, voor zover die verplichting volgt uit de aard van de zaak.
  3. Op een ieder die in de uitoefening van zijn functie kennis neemt van vertrouwelijke informatie met betrekking tot de uitvoering van deze landsverordening is het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk VI
Strafbepalingen

Artikel 26

  1. Een gedraging in strijd met:
    a. het in artikel 3, eerste lid, eerste volzin, gestelde verbod;
    b. een krachtens artikel 3, eerste lid, tweede volzin, aan een casinovergunning verbonden voorschrift, voorwaarde of beperking;
    c. de krachtens artikel 7, eerste lid, gestelde regels;
    d. het verbod, bedoeld in artikel 7, tweede lid;
    e. het in artikel 7, derde lid, gestelde verbod;
    f. de in artikel 8a, eerste en tweede lid, gestelde verplichtingen;
    g. het in artikel 9, eerste lid, gestelde verbod;
    h. een krachtens artikel 9, derde lid, aan een persoonlijke vergunning verbonden voorschrift, voorwaarde of beperking;
    i. het bepaalde in artikel 16, derde lid;
    j. de in artikel 17, eerste, tweede en derde lid, gestelde verplichting;
    k. het bepaalde in artikel 18, vijfde lid;
    l. het bepaalde in artikel 22a, eerste lid;
    m. het bepaalde in artikel 23, zesde lid;
    n. het bepaalde in artikel 25, eerste en tweede lid;
    wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
  2. Indien tijdens het plegen van een in het eerste lid bedoeld strafbaar feit nog geen jaar is verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een gelijksoortige overtreding dan wel een gelijksoortig misdrijf onherroepelijk is geworden of vrijwillig is voldaan aan de voorwaarde door de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie krachtens artikel 1:1149 van het Wetboek van Strafrecht gesteld, worden de in het eerste lid van dit artikel bedreigde straffen verhoogd met het dubbele van de daarbij gestelde maxima.
  3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

Hoofdstuk VII
Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 27

Indien bij of krachtens enige bepaling van deze landsverordening een verplichting wordt opgelegd of een bevoegdheid wordt gegeven aan een rechtspersoon, een vennootschap of enige andere vereniging van personen, rust de verplichting op respectievelijk is de bevoegdheid tevens gegeven aan de bestuurders van de rechtspersoon, de vennootschap of de vereniging van personen.

Artikel 28

Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van deze landsverordening.

Artikelen 29 tot en met 31

(vervallen)

Artikel 32

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Landsverordening Casinowezen Curaçao.

Naar boven