Landsverordening comptabiliteit 2010 (bijlage b) - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsverordening comptabiliteit 2010 (bijlage b)

Publicatienummer: A.B. 2010, no. 87, bijlage b, zoals laatstelijk gewijzigd bij   P.B. 2020, no. 112
Categorie: Landsverordening
Onderwerp(en): Comptabiliteit
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 04-09-2010
Datum inwerktreding: 10-10-2010
Geregistreerd in:
Klapper Afkondigingsblad ( HOOFDSTUK XVIII Organisme van het land)


Landsverordening van de houdende regels met betrekking tot de begrotingen en jaarrekeningen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
17-10-2020 01-01-2017 m.u.v.:

artt. 12, lid 4, onderdeel j, 18, onderdeel p: per 01-01-2017

art 44, lid 3: per  17-10-2020

n.v.t. artt. 1, onderdeel k, 4, lid 1, 12, onderdeel i en j, 18, onderdeel o en p, 44, lid 2, onderdeel b, onderdeel c (vervallen), lid 3 (nieuw) P.B. 2020, no. 112 2018–2019-136
19-09-2015 10 -10- 2010:

art. I onderdeel R (53 en 54 (nieuw))

n.v.t. artt. 1, 4, lid 1, 2 en 4, 5, lid 3, 10, lid 3, 12, lid 1, 14, lid 4 en 5,21, lid 2, 23, lid 2, 27, lid 5, 34,  lid 1 en 2, 37, 38, 39, lid 3, 40, lid 1 en 2, 44, lid 1,  50, lid 3, 51,  lid 1, 53 en 54 (nieuw), bijlagen A, B en C P.B. 2015, no. 50 n.v.t.
10-10-2010 n.v.t. n.v.t. art. 9a A.B. 2010, no. 87, bijlage g n.v.t.
10-10-2010 n.v.t. n.v.t. A.B. 2010,  no. 87,  bijlage b n.v.t.

DOORLOPENDE TEKST

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. begroting : de beleidsbegroting van een dienstjaar, bestaande uit een gewone dienst en een kapitaaldienst, ingedeeld naar hoofdstukken, gerangschikt overeenkomstig de indeling, opgenomen in bijlage I behorende bij deze landsverordening;
b. functies : zorggebieden, gerangschikt overeenkomstig de indeling, opgenomen in bijlage II behorende bij deze landsverordening;
c. economische categorieën : rubrieken van de indeling van baten en lasten en van balansmutaties naar soorten, ongeacht hun bestemming, zoals opgenomen in bijlage III behorende bij deze landsverordening;
d. dienstjaar : het kalenderjaar;
e. balansdatum : 31 december van het betreffende dienstjaar;
f. investeringen : het verwerven van vaste activa die zijn bestemd om de werkzaamheid duurzaam te dienen;
g. collectieve sector : het Land en overige rechtspersonen ingevolge de in de System of National Accounts van de United Nations gehanteerde definitie;
h. Hof van Justitie : het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en St. Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
i. staatsorganen : de Staten, de Raad van Advies, het Hof van Justitie, de Algemene Rekenkamer, de Ombudsman en de Sociaal Economische Raad;
j. samenwerkingsmiddelen: door Nederland, een of meerdere andere landen, of een of meerdere multilaterale organisatie beschikbaar gestelde financiële middelen ten behoeve van overeengekomen ontwikkelingsprogramma’s of ontwikkelingsprojecten;
k. het Land : de openbare rechtspersoon Curaçao.

Artikel 2

De begroting, de meerjarenbegroting en de jaarrekening geven, tezamen met de toelichtingen, een zodanig inzicht in zowel de financiële positie als de baten en lasten, dat met betrekking tot beide een verantwoord inzicht kan worden gevormd.

Artikel 3

  1. Behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid wordt het stelsel van baten en lasten, op basis van wettelijke aanspraken op en door derden, als verslaggevingsstelsel gehanteerd.
  2. Voor ontvangsten uit hoofde van belastingen wordt het kasstelsel als verslaggevingsstelsel gehanteerd. Deze ontvangsten worden in deze landsverordening als baten aangemerkt.
  3. Uitgaven wegens salarissen en sociale lasten worden in het dienstjaar verantwoord waarin die als grondslag dienen voor de inkomstenbelasting.
  4. Uiterlijk 1 maart vindt oplevering van goederen en diensten plaats ten laste van het voorgaande dienstjaar.
  5. Baten en lasten waarvan het bestaan blijkt nadat de administratie voor de opmaak van de jaarrekening is afgesloten behoren tot het dienstjaar waarin van het bestaan is gebleken. Indien op dat moment de jaarrekening nog niet is opgemaakt, wordt daarvan melding gemaakt in de toelichting op deze jaarrekening, in die gevallen waar die bate of last van grote invloed zou zijn geweest op de financiële positie en het saldo van baten en lasten.

Artikel 4

  1. Alle baten en lasten, van het Land, met uitzondering van de overige rechtspersonen van het Land die ingevolge de definitie van de Systeem of National Accounts van de United Nations tot de collectieve sector behoren, worden geraamd en verantwoord tot hun bruto bedrag onder het ministerie of staatsorgaan waaronder die entiteit ressorteert.
  2. De samenwerkingsmiddelen worden separaat als bate en last geraamd en verantwoord, waarbij de uitgaven naar functie worden ingedeeld.
  3. Het bruto bedrag wordt bepaald door baten en lasten te nemen c.q. te ramen en te verantwoorden zonder saldering toe te passen.
  4. De terugbetaling van hetgeen is ontvangen wegens belasting of enig ander middel, wordt in mindering gebracht op de gelijksoortige ontvangsten van het jaar, waarin de terugbetaling plaats heeft. Indien meer is terugbetaald dan van de ontvangsten kan worden afgetrokken, wordt het meerdere als uitgaaf verantwoord.
  5. Terugboekingen op baten en lasten welke in hetzelfde dienstjaar plaatsvinden, worden op de functie en de economische categorie in mindering gebracht waaronder de oorspronkelijke boeking is opgenomen.
  6. Verrekeningen tussen functies, ministeries en staatsorganen worden altijd geboekt als geldelijke baten en lasten.

Artikel 5

  1. Slechts om zwaarwegende redenen mogen de waardering van de activa en passiva en de bepaling van de baten en lasten geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande dienstjaar zijn toegepast.
  2. De reden van de verandering van de grondslagen wordt in de toelichting van de jaarrekening uiteengezet. Daarin wordt tevens aan de hand van aangepaste cijfers voor het
    lopende of het voorafgaande dienstjaar inzicht gegeven in de betekenis van de verandering voor de financiële positie en voor de baten en lasten.
  3. Bij de toepassing van de grondslagen voor de waardering van de activa en passiva en bij de bepaling van de baten en lasten wordt voorzichtigheid betracht. Baten worden slechts genomen, voor zover zij op de balansdatum zijn gerealiseerd. Lasten en risico’s die hun oorsprong vinden vóór het einde van het dienstjaar, worden in acht genomen, indien zij vóór het opmaken van de jaarrekening zijn bekend geworden met inachtneming van artikel 3, vierde lid.

Artikel 6

De budgetautorisatie door de Staten vindt plaats voor de geraamde baten en lasten op het niveau van economische categorieën per functie per ministerie of staatsorgaan, alsmede voor de aan te gane verplichtingen noodzakelijk voor investeringen in een dienstjaar.

Artikel 7

  1. De in de begroting en meerjarenbegroting op de gewone dienst opgenomen lasten worden gedekt door de ter dekking van die lasten opgenomen baten.
  2. De in de begroting en de meerjarenbegroting op de kapitaaldienst opgenomen verplichtingen worden gedekt door de ter dekking van die verplichtingen opgenomen middelen, rekening houdend met de verwachte ontvangsten uit de uitgifte van geldleningen en het saldo van baten en lasten van de gewone dienst.
  3. De rentelastnorm wordt niet overschreden. De rentelastnorm komt overeen met 5% van de gemiddelde gerealiseerde gezamenlijke inkomsten van de collectieve sector van het Land over drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de begroting is of wordt ingediend.
  4. Indien dit nodig is in verband met het herstel van schade veroorzaakt door buitengewone gebeurtenissen, waaronder natuurrampen, kan afgeweken worden van de financiële
    normen, genoemd in dit artikel. In dat geval wordt in de toelichting aangegeven hoe het evenwicht op termijn hersteld kan worden.

Artikel 8

  1. Alle ontwerpen tot vaststelling en wijziging van een begroting en tot vaststelling van jaarrekeningen worden ter advies aangeboden aan de Raad van Advies, die binnen een
    maand na deze aanbieding hierover adviseert.
  2. Alle ontwerpen tot vaststelling en wijziging van een begroting en tot vaststelling van een jaarrekening worden gepubliceerd, onmiddellijk nadat zij bij de Staten zijn ingediend.
  3. Bij ministeriële regeling met algemene werking worden nadere regels gesteld aangaande de wijze waarop de publicatie geschiedt.

Artikel 9

Indien bij landsverordening voor een bepaald onderdeel van een ministerie of voor een specifieke overheidstaak een afwijkend beheer, gepaard gaande met een afzonderlijke administratie, begroting, jaarrekening, geregeld wordt, kan de minister van Financiën, in overleg met de minister die het aangaat, voor de daarin geregelde afzonderlijke begrotingen en jaarrekeningen afwijkende of aanvullende regels stellen, met inachtneming van de bij deze landsverordening voorgeschreven openbaarheid en controle.

Artikel 9a

Voor adviescolleges als bedoeld in de Landsverordening adviescolleges, niet zijnde een adviescollege als bedoeld in artikel 3 of artikel 6 van die landsverordening, geldt dat de begroting van de meest betrokken ministerie, in een afzonderlijk begrotingsartikel, de begroting van uitgaven bevat, verbonden aan de taakstelling door bedoeld adviescollege.

Artikel 10

  1. Voornemens die betrekking hebben op een nog op te stellen begroting, of die financiële gevolgen hebben welke de op een lopende begroting toegestane bedragen overschrijden of aan gelden een andere bestemming geven dan in die begroting is aangegeven, worden door een minister niet tegenover de Raad van Ministers of de Staten of in het openbaar uitgesproken en voorstellen, toezeggingen of andere uitspraken dienaangaande, onderscheidenlijk met zodanige gevolgen, worden niet aldus door hem gedaan, zonder dat de minister van Financiën daarover zijn oordeel heeft gegeven.
  2. De minister van Financiën maakt tegen het bekendmaken van de in het eerste lid bedoelde voornemens, voorstellen, toezeggingen of andere uitspraken bezwaar voor zover deze hem met het oog op het algemene financiële beleid of het doelmatig beheer van ’s Lands gelden, niet toelaatbaar voorkomen dan wel niet in een redelijke verhouding staan tot de doelstellingen van het beleid dat aan de begroting ten grondslag ligt.
  3. Regelingen, strekkende tot invoering, verhoging, verlaging, afschaffing of opheffing van belastingen, sociale premies of enig ander middel, treden niet in werking, voordat bij begroting met die invoering, verhoging, verlaging, afschaffing of opheffing rekening is gehouden.

Artikel 11

In de toelichting bij het ontwerp van een landsverordening, landsbesluit, houdende algemene maatregelen, of ministeriële regeling met algemene werking, waarin nieuwe beleidsvoornemens of toezeggingen met betrekking tot het te voeren beleid worden uitgewerkt, wordt een afzonderlijk onderdeel opgenomen waarin de financiële gevolgen voor en de dekking door het Land worden vermeld. Een dergelijk financieel onderdeel wordt eveneens opgenomen in andere stukken waarin beleidsvoornemens of toezeggingen aan de Staten worden medegedeeld.

HOOFDSTUK 2. DE BEGROTING

Artikel 12

  1. De begroting bestaat uit een gewone dienst en kapitaaldienst, waarin de baten en lasten voor het dienstjaar worden geraamd.
  2. De baten en lasten worden per hoofdstuk ingedeeld naar functies en economische categorieën.
  3. De begroting voor een dienstjaar omvat:
    a. een raming van alle baten en lasten op de gewone dienst;
    b. een raming van alle aan te gane verplichtingen die noodzakelijk zijn voor het doen van investeringen en andere kapitaaluitgaven op de kapitaaldienst;
    c. een raming van de overeen te komen financieringstransacties op de kapitaaldienst;
    d. een recapitulatie van de totaalbedragen van de baten en lasten per hoofdstuk, alsmede het voordelige of nadelige saldo;
    e. een recapitulatie van de totaalbedragen van de baten en lasten per economische categorie, alsmede het voordelige of nadelige saldo.
  4. Aan de begroting worden toegevoegd:
    a. een overzicht van het te bezoldigen personeel
    b. een overzicht van de personeelslasten;
    c. een overzicht van opgenomen (langlopende) geldleningen;
    d. een overzicht van uitgegeven (langlopende) geldleningen;
    e. een overzicht van gewaarborgde geldleningen en andere garantieverplichtingen;
    f. een overzicht van de deelnemingen in privaatrechtelijke rechtspersonen door het Land;
    g. een overzicht van lasten wegens subsidies en bijdragen aan instellingen, en van andere inkomensoverdrachten;
    h. een verzamel- en consolidatiestaat, per hoofdstuk en per economische categorie;
    i. een overzicht van de nettobedragen van de baten en lasten van de collectieve sector;
    j. een overzicht van verbruik van goederen en diensten.
  5. Eventueel voorhanden zijnde andere cijfermatige gegevens die het inzicht in het te voeren beleid kunnen bevorderen, worden aan de begroting toegevoegd. Hiertoe worden eveneens gerekend afzonderlijke gegevens over grote projecten.

Artikel 13

  1. De begroting gaat vergezeld van een meerjarenbegroting van de baten en lasten voor tenminste drie op dat dienstjaar volgende jaren. De meerjarenbegroting sluit zoveel mogelijk aan bij de systematiek van de ingediende begroting en wordt voorzien van een toelichting. De ramingen worden daarbij voor de gewone dienst tenminste gerangschikt naar economische categorieën en voor de kapitaaldienst worden de ramingen vermeld per te ramen investering en krediet.
  2. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen regels worden gesteld aangaande de inrichting van de meerjarenbegroting.

Artikel 14

  1. De toelichting bij de begroting ondersteunt de duidelijkheid en stelselmatigheid, zoals verder aangeduid in artikel 15, eerste lid.
  2. De begroting wordt zowel per hoofdstuk als per functie toegelicht.
  3. De toelichting vermeldt met betrekking tot elke functie de volgende gegevens:
    a. een uiteenzetting over het beleid dat de Regering zich zowel in algemene zin als met betrekking tot elk ministerie heeft voorgenomen;
    b. indien het beleid op een of meer wettelijke regelingen wordt gebaseerd, de vermelding daarvan;
    c. de factoren die aan de ramingen ten grondslag liggen, alsmede voor zover mogelijk gegevens omtrent de omvang van de activiteiten of prestaties die worden beoogd, waarbij deze gegevens voor zover mogelijk worden gesteld naast die van het lopende dienstjaar en naast de uitkomsten van het vorige dienstjaar.
  4. De toelichting op de kapitaaldienst, bedoeld in artikel 12, derde lid, onderdeel b, geeft per investering aan:
    a. een omschrijving van de betreffende investering;
    b. een raming van het totaalbedrag daarvan alsmede van het dienstjaar dan wel de dienstjaren waarin naar verwachting uit hoofde van de investering verplichtingen zullen worden aangegaan en de verplichtingen die reeds zijn aangegaan;
    c. de te verwachten levensduur van datgene waarin zal worden geïnvesteerd;
    d. de vermelding van het dienstjaar waarop de lasten wegens rente en afschrijving voor het eerst op de begroting zullen worden opgenomen, en van de omvang daarvan;
    e. een nadere toelichting.
  5. De toelichting op de kapitaaldienst, bedoeld in artikel 12, derde lid, onderdelen c en d, geeft per financieringstransactie aan:
    a. een omschrijving van de betreffende financieringstransactie, waaronder het rentepercentage, de looptijd en overige financieringsvoorwaarden;
    b. een nadere toelichting.
  6. De toelichting bevat tevens een uiteenzetting over de financiële toestand van het Land.
  7. Bij de uiteenzetting in de toelichting, bedoeld in het vorige lid wordt tevens opgenomen de te verwachten liquiditeitsbehoefte in het dienstjaar waarop de begroting betrekking heeft.

Artikel 15

  1. De begroting geeft op duidelijke en stelselmatige wijze de aard en omvang van alle begrote baten en lasten alsmede het saldo daarvan weer.
  2. Naast de raming van de baten en lasten per hoofdstuk en per functie worden in de begroting opgenomen het voor het lopende dienstjaar geraamde bedrag na de wijzigingen die daarin eventueel zijn aangebracht, en het gerealiseerde bedrag van het vorige dienstjaar.
  3. De begroting kan een (sub)functie voor onvoorziene baten en lasten, een (sub)functie voor onvoorziene verplichtingen voor investeringen, en een (sub)functie voor geheime lasten bevatten.
  4. Onder geheime lasten als bedoeld in het derde lid kunnen o.a. worden verstaan lasten betreffende opsporing van misdrijven waartoe slechts door de Raad van Ministers het initiatief tot raming kan worden genomen.

Artikel 16

  1. Bij de voorbereiding van de begroting voor een bepaald dienstjaar is de inspanning erop gericht dat de begroting door de Staten kan worden vastgesteld in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.
  2. De landsverordening tot vaststelling van de begroting treedt in werking met ingang van 1 januari van het dienstjaar, waarop de begroting betrekking heeft.
  3. Zij wordt geacht met ingang van die dag in werking te zijn getreden, indien zij eerst daarna in het Publicatieblad is geplaatst. Zolang dit niet is geschied, strekt de begroting van het aan het betrokken dienstjaar voorafgegane jaar tot grondslag van het beheer, zulks om de dienst gaande te houden.
  4. De landsverordeningen tot wijziging van de begroting treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het publicatieblad, waarin zij zijn geplaatst. Indien zodanige landsverordening tot stand komt na de 31ste December van het betrokken dienstjaar, wordt zij geacht op die dag in werking te zijn getreden.

Artikel 17

Modellen van staten, overzichten en recapitulaties die ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk moeten worden opgesteld, worden door de minister van Financiën bij ministeriële regeling met algemene werking vastgesteld.

HOOFDSTUK 3. DE JAARREKENING

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 18

De jaarrekening over een dienstjaar bestaat uit:
a. de rekening van baten en lasten op de gewone dienst;
b. de rekening van gerealiseerde investeringen en andere kapitaaluitgaven alsmede de gerealiseerde dekking op de kapitaaldienst;
c. een recapitulatie van de totaalbedragen van de baten en lasten per hoofdstuk, alsmede het voordelige of nadelige saldo;
d. een recapitulatie van de totaalbedragen van de baten en lasten per economische categorie, alsmede het voordelige of nadelige saldo.
e. een balans;
f. een kasstroomoverzicht als bedoeld in artikel 31;
g. een opgave van de werkelijke sterkte van het personeel in ’s Lands dienst in het afgelopen dienstjaar;
h. een overzicht van de gerealiseerde personeelslasten;
i. een overzicht van opgenomen (langlopende) geldleningen;
j. een overzicht van uitgegeven (langlopende) geldleningen;
k. een overzicht van gewaarborgde geldleningen en andere garantieverplichtingen;
l. een overzicht van gerealiseerde deelnemingen in privaatrechtelijke rechtspersonen door het Land;
m. een overzicht van de gerealiseerde lasten wegens subsidies en bijdragen aan instellingen, en van andere inkomensoverdrachten;
n. een verzamel- en consolidatiestaat van gerealiseerde baten en lasten, per hoofdstuk en per economische categorie;
o. een overzicht van de nettobedragen van de baten en lasten van de collectieve sector;
p. een overzicht van verbruik van goederen en diensten;
q. een toelichting op de jaarrekening; en
r. een verslag over het afgelopen dienstjaar.

Artikel 19

Modellen van staten, overzichten en recapitulaties die ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk moeten worden opgesteld, worden door de minister van Financiën bij ministeriële regeling met algemene werking vastgesteld.

Artikel 20

  1. De jaarrekening over een dienstjaar wordt opgemaakt met inachtneming van hetgeen omtrent de financiële positie op de balansdatum tot en met de 30ste april van het jaar volgende op dat dienstjaar is gebleken. Indien het wenselijk blijkt de datum van 30 april te vervroegen, geschiedt zulks bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.
  2. Indien na 30 april of na de bij een landsbesluit als bedoeld in het eerste lid vastgestelde eerdere datum, doch voordat de jaarrekening door de Staten is vastgesteld, nieuwe feiten blijken waarvan de kennisneming onontbeerlijk is voor een goed inzicht als bedoeld in artikel 2, worden deze feiten door de minister van Financiën schriftelijk aan de Staten, aan de Algemene Rekenkamer en aan de accountant medegedeeld.

§ 2. De rekening van baten en lasten

Artikel 21

  1. De rekening van baten en lasten, zoals bedoeld in artikel 18, onderdelen a, b, c, en d en de toelichting daarop geven op getrouwe en stelselmatige wijze de aard en omvang van alle baten en lasten alsmede het saldo daarvan weer.
  2. De jaarrekening wordt ingedeeld naar hoofdstukken, functies en economische categorieën, op dezelfde wijze gerangschikt als in de al dan niet gewijzigd vastgestelde begroting.
  3. In bedoelde rekening worden opgenomen het geraamde bedrag volgens de voor het betreffende dienstjaar al dan niet gewijzigd vastgestelde begroting, het gedurende dat dienstjaar gerealiseerde bedrag en het gedurende het voorafgaande dienstjaar gerealiseerde bedrag.

Artikel 22

Het saldo van de rekening van baten en lasten wordt afzonderlijk op de balans onder het eigen vermogen opgenomen.

§ 3. De toelichting op de kapitaaldienst

Artikel 23

  1. De toelichting op de kapitaaldienst geeft per investering aan:
    a. een specificatie van de investeringen die in het betreffende dienstjaar geheel of gedeeltelijk zijn gerealiseerd;
    b. het totaalbedrag dat daarmede gemoeid is geweest met een onderverdeling tot en met het voorgaande dienstjaar en het lopende dienstjaar;
    c. de oorspronkelijke raming van dit totaalbedrag alsmede de mutaties die daarin later zijn aangebracht;
    d. of en per wanneer de investering is voltooid en anders wanneer die voltooid zal worden en welk bedrag verwacht wordt nog daarmee gemoeid te zullen zijn;.
    e. de afschrijvingsbedragen die in verband daarmede in de rekening van baten en lasten zijn verantwoord.
    f. een overzicht van nog lopende grote projecten.
  2. De toelichting op de kapitaaldienst, bedoeld in artikel 18, onderdeel b, geeft aan:
    a. per gerealiseerde financieringstransactie een omschrijving van de betreffende financieringstransactie, waaronder het rentepercentage, de looptijd en overige financieringsvoorwaarden;
    b. een nadere toelichting per gerealiseerde financieringstransactie alsmede een algemene toelichting over het totaal van gerealiseerde financieringstransacties in relatie tot de rentelastnorm.

§ 4. De balans

Artikel 24

  1. De balans en de toelichting geven op getrouwe en stelselmatige wijze de financiële positie van het Land en de grootte en samenstelling in actief- en passiefposten aan het einde van het dienstjaar weer.
  2. De balans bevat ter vergelijking tevens de cijfers aan het einde van het voorafgaande dienstjaar.

Artikel 25

  1. Op de balans worden de activa onderscheiden in vaste en vlottende activa, al naar gelang zij zijn bestemd om de uitoefening van de werkzaamheden al dan niet duurzaam te dienen.
  2. Onder de vaste activa worden afzonderlijk opgenomen de immateriële, de materiële en de financiële vaste activa.
  3. Van de vaste activa, bedoeld in het tweede lid, wordt een overzicht gegeven van het saldo aan het begin van het dienstjaar, van de mutaties gedurende het dienstjaar en van het saldo aan het einde van dat dienstjaar.
  4. Desinvesteringen worden in een afzonderlijke paragraaf van de jaarrekening toegelicht onder vermelding van zowel de opbrengst als de boekwaarde op het moment van afstoten.
  5. Elk verschil tussen een opbrengst enerzijds en de boekwaarde anderzijds wordt in de rekening van baten en lasten afzonderlijk verantwoord.
  6. Onder de vlottende activa worden afzonderlijk opgenomen de voorraden, de kortlopende vorderingen, de kortlopende beleggingen, de overlopende activa en de liquide middelen.

Artikel 26

  1. Op de balans worden onder de passiva afzonderlijk opgenomen het eigen vermogen ‒ waaronder mede begrepen de reserves ‒ de voorzieningen, de langlopende schulden en de vlottende passiva.
  2. Met betrekking tot het eigen vermogen ‒ waaronder mede begrepen de reserves ‒, de voorzieningen en de langlopende schulden worden bij de balans afzonderlijke specificaties verstrekt van dat deel van het eigen vermogen en voorzieningen dat naar verwachting binnen een jaar zal worden aangewend.
  3. Van het eigen vermogen en elke voorziening als bedoeld in het tweede lid wordt een overzicht gegeven van het saldo aan het begin van het dienstjaar, van de mutaties gedurende het dienstjaar en van het saldo aan het einde van dat dienstjaar.
  4. Het deel van de langlopende schulden dat direct opeisbaar is, of binnen een jaar opeisbaar wordt, wordt afzonderlijk verantwoord onder de kortlopende schulden.
  5. Onder de vlottende passiva worden afzonderlijk opgenomen de kortlopende schulden en de overlopende passiva.

Artikel 27

  1. Bij de toepassing van de waarderings- en afschrijvingsmethoden wordt het toerekeningsbeginsel in acht genomen.
  2. Activa en passiva worden in beginsel gewaardeerd op basis van de historische kostprijs of nominale waarde.
  3. Activa die geheel of gedeeltelijk door derden zijn gefinancierd, worden zonodig gewaardeerd op basis van de historische kostprijs tegen de op het moment van de overdracht geldende koers.
  4. Op vaste activa met een beperkte levensduur wordt in beginsel jaarlijks een bedrag afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de te verwachten toekomstige gebruiksduur.
  5. Bij ministeriële regeling met algemene werking, worden bedragen vastgesteld waar beneden geen activering van investeringen plaatsvindt. Deze bedragen worden direct ten laste van de rekening van baten en lasten van de gewone dienst gebracht.
  6. Waardeverminderingen van alle activa worden, onafhankelijk van het saldo van baten en lasten, direct in aanmerking genomen.
  7. Bij de waardering van vaste activa wordt rekening gehouden met een vermindering van hun waarde, indien deze vermindering naar verwachting blijvend is.
  8. In afwijking van het tweede lid worden:
    a. activa die geheel of gedeeltelijk van derden anders dan tegen marktconforme prijs zijn verkregen en in eigendom zijn overgedragen aan het Land, voor zover mogelijk gewaardeerd tegen de marktwaarde op het moment van de overdracht;
    b. voorraden gewaardeerd tegen de marktwaarde, indien deze lager is dan de historische kostprijs;
    c. vorderingen, onder aftrek van eventuele voorzieningen wegens oninbaarheid, gewaardeerd;
    d. kortlopende beleggingen tegen de marktwaarde gewaardeerd, indien deze marktwaarde lager is dan de historische kostprijs.
  9. Bij de waardering van het eigen vermogen wordt het saldo van de baten en lasten van een dienstjaar toegevoegd aan respectievelijk onttrokken aan het eigen vermogen.

Artikel 28

Bij het berekenen van de afschrijvingsbedragen, bedoeld in artikel 27, vierde lid, wordt:
a. voor zover het investeringen van honderdduizend gulden of hoger betreft, ten laste van de rekening van baten en lasten van de gewone dienst van het dienstjaar een tijdsevenredig bedrag tussen het moment van oplevering of levering enerzijds en de balansdatum anderzijds opgenomen;
b. op investeringen van een geringer bedrag dan het in onderdeel a genoemde voor het eerst afgeschreven in het dienstjaar volgend op het jaar van oplevering of levering.

Artikel 29

Voorzieningen worden gevormd wegens:
a. verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs is te schatten;
b. op de balansdatum bestaande risico’s terzake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang met een redelijke mate van waarschijnlijkheid geschat kan worden;
c. uitgaven die in een volgend dienstjaar zullen worden gemaakt, mits die uitgaven hun oorsprong mede vinden in het lopende dienstjaar of in een voorafgaand dienstjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van de lasten over een aantal dienstjaren.

Artikel 30

Aan de balans worden toegevoegd:
a. een overzicht van nog af te rekenen subsidies aan instellingen, bijdragen en andere inkomensoverdrachten, per toekenningsjaar, alsmede een overzicht van de in het dienstjaar afgerekende subsidies, bijdragen en andere inkomensoverdrachten;
b. een overzicht van aan het Land toegekende nog af te rekenen subsidies, bijdragen en andere inkomensoverdrachten, per toekenningsjaar, alsmede een overzicht van de in het dienstjaar afgerekende subsidies, bijdragen en andere inkomensoverdrachten;
c. een staat van de in het afgelopen dienstjaar en daaraan voorafgaande dienstjaren opgelegde aanslagen, alsmede de vermoedelijke toekomstige belastingontvangsten die daarop betrekking hebben;
d. een staat van vóór de balansdatum verleende en op dat tijdstip nog niet verstreken garantieverplichtingen;
e. een overzicht van andere belangrijke financiële verplichtingen voor toekomstige dienstjaren die volgens algemeen aanvaardbare grondslagen niet in de balans behoeven te worden opgenomen, zoals die welke voortvloeien uit langlopende overeenkomsten
f. een overzicht van deelnemingen van het Land in privaatrechtelijke personen, te verantwoorden tegen intrinsieke waarde, en met de historische kostprijs ter toelichting.

§ 5. Het kasstroomoverzicht

Artikel 31

  1. Het kasstroomoverzicht geeft door middel van een onderscheiding van soorten van ingaande en uitgaande kasstromen een volledige en gespecificeerde verklaring van de gerubriceerde mutaties van de liquide middelen gedurende het betreffende dienstjaar.
  2. De vorm waarin het in het eerste lid bedoelde overzicht wordt gepresenteerd, de gegevens welke hij bevat en de wijze waarop deze gegevens worden gerubriceerd, worden door de minister van Financiën bij ministeriële regeling met algemene werking vastgesteld.

§ 6. De toelichting op de jaarrekening

Artikel 32

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 21, eerste lid, wordt in de toelichting op de jaarrekening in ieder geval opgenomen:
a. de grondslagen voor waardering van activa en passiva;
b. de grondslagen voor de bepaling van de baten en lasten;
c. de wijzigingen van de begroting.

§ 7. Het verslag

Artikel 33

  1. Het verslag over het afgelopen dienstjaar wordt als een afzonderlijke nota onder de tot de jaarrekening behorende stukken opgenomen.
  2. Het verslag bevat in ieder geval een uiteenzetting of en in hoeverre beleidsvoornemens die tevoren met betrekking tot het betreffende dienstjaar waren geformuleerd gerealiseerd zijn.

HOOFDSTUK 4. PROCEDURELE EN ADMINISTRATIEVE REGELS MET
BETREKKING TOT BEGROTINGEN EN JAARREKENINGEN

§ 1. De voorbereiding van de begroting

Artikel 34

  1. Elke minister respectievelijk staatsorgaan dient jaarlijks uiterlijk op 1 mei bij de minister van Financiën ramingen in voor elk onderdeel van de landsadministratie waarover hij het beheer voert. Deze ramingen gaan vergezeld van een uiteenzetting van het te voeren beleid alsmede van het ontwerp van een toelichting.
  2. Voor wat betreft de Staten, het Hof van Justitie, de Raad van Advies, de Algemene Rekenkamer, de Ombudsman en de Sociaal Economische Raad, zijn onderscheidenlijk de voorzitter van de Staten, de president van het Hof van Justitie, de ondervoorzitter van de Raad van Advies, de secretaris van de Algemene Rekenkamer, de Ombudsman en de secretaris van de Sociaal Economische Raad met de in het eerste lid bedoelde taak belast, met dien verstande dat in plaats van een uiteenzetting van het te voeren beleid wordt toegevoegd een uiteenzetting van de binnen de betrokken instantie levende opvatting aangaande de wijze waarop haar werkzaamheden in het komende dienstjaar zullen moeten worden uitgevoerd.
  3. De ramingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben zowel betrekking op de baten en lasten welke in het komende dienstjaar als op die welke ten minste in de drie daarop volgende jaren verwacht kunnen worden, alsmede op de in diezelfde periode wenselijk geachte investeringen en andere kapitaaluitgaven.
  4. De minister van Financiën maakt tegen de in het derde lid bedoelde ramingen bezwaar voor zover deze hem met het oog op het algemene financiële beleid of het doelmatig beheer van ’s Lands gelden niet toelaatbaar voorkomen dan wel niet in een redelijke verhouding staan tot de doelstellingen van het beleid dat aan de begroting ten grondslag ligt.
  5. Bij ministeriële regeling met algemene werking worden regels vastgesteld met betrekking tot de voorbereiding en de inrichting van de ramingen, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 35

Aan de hand van de ramingen, bedoeld in artikel 34, eerste en tweede lid, en voorts van andere gegevens die daarvoor nodig zijn, dient de minister van Financiën bij de Raad van Ministers een ontwerp van landsverordening tot vaststelling van de begroting met de daarbij behorende toelichtingen in met betrekking tot de begroting voor het komende dienstjaar en de ingevolge artikel 13, eerste lid, daaraan toe te voegen meerjarenbegroting.

Artikel 36

Ontwerpen van landsverordening tot vaststelling van de begroting met de daarbij behorende toelichtingen worden al dan niet gewijzigd door de Raad van Ministers geaccordeerd en na ommekomst van het op grond van artikel 8, eerste lid, bedoelde advies van de Raad van Advies, vervolgens door de minister van Financiën, mede namens alle afzonderlijke ministers, uiterlijk de tweede dinsdag van september, ingediend bij de Staten.

Artikel 37

De in artikel 36 bedoelde ontwerpen van landsverordening met de daarbij behorende toelichtingen worden door de minister van Financiën ter kennisneming aan de Algemene Rekenkamer toegezonden, zodra zij bij de Staten zijn ingediend. Deze toezending geschiedt met inachtneming van de bepalingen van de Landsverordening Algemene Rekenkamer Curaçao.

Artikel 38

  1. In de toelichting, bedoeld in artikel 14, tweede lid, wordt in het gedeelte dat betrekking heeft op de functies van één van de staatsorganen tevens het bedrag vermeld dat naar het oordeel van elk van de staatsorganen zelf daarvoor nodig is.
  2. In de toelichting, bedoeld in artikel 14, vierde lid, wordt tevens in het gedeelte dat betrekking heeft op de verplichtingen voor investeringen van één van de staatsorganen, het bedrag vermeld dat naar het oordeel van elk van de staatsorganen zelf daarvoor nodig is.

§ 2. De uitvoering van de begroting

Artikel 39

  1. Behoudens het bepaalde in het derde en vijfde lid wordt over de bij de begroting toegestane bedragen beschikt door de minister die met het beheer van de betreffende functies in de begroting is belast.
  2. De minister die met het beheer van de betreffende functies in de begroting is belast, is verantwoordelijk voor de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid dat aan de begroting ten grondslag ligt, alsmede voor de doelmatigheid van de bedrijfsvoering van een ministerie.
  3. Voor wat betreft de functies die betrekking hebben op de Staten, het Hof van Justitie, de Raad van Advies, de Algemene Rekenkamer, de Ombudsman en de Sociaal Economische Raad, beschikken onderscheidenlijk de voorzitter van de Staten, de president van het Hof van Justitie, de ondervoorzitter van de Raad van Advies, de secretaris van de Algemene Rekenkamer, de Ombudsman en de secretaris van de Sociaal Economische Raad over de bij de begroting toegestane bedragen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
  4. Over de bedragen toegestaan bij de begroting voor geheime lasten als bedoeld in artikel 15, vierde lid, wordt telkens, op voorstel van de minister die het aangaat, door de betrokken minister beschikt nadat de Minister-President hiermede heeft ingestemd. De Minister-President of de minister die het aangaat verstrekt op verzoek van de Algemene Rekenkamer informatie over de gelden waarover de betrokken minister ten laste van de functie voor geheime lasten heeft beschikt. Deze informatieverstrekking geschiedt met inachtneming van de Landsverordening Algemene Rekenkamer, voorzover in die landsverordening regels terzake zijn gesteld.
  5. De minister van Financiën kan met betrekking tot uitdrukkelijk door hem aan te geven bedragen, die op de begroting zijn toegestaan, maar niet behoren tot die welke in het derde en vierde lid bedoeld zijn, bepalen dat daarover alleen mag worden beschikt wanneer hij daarvoor toestemming heeft gegeven.

Artikel 40

  1. Door de minister van Financiën indien het hemzelf aangaat, dan wel door de minister die het aangaat gezamenlijk met de minister van Financiën, wordt per functie, zonodig nader onderverdeeld naar sector, directie of organisatie, de secretaris-generaal, de directeur onderscheidenlijk het hoofd aangewezen die namens de minister die het aangaat, doch zonder zijn voorafgaande machtiging, privaatrechtelijke rechtshandelingen mag verrichten die voortvloeien uit een besluit tot het aangaan van financiële verplichtingen, tot aan de in het betreffende besluit aangeduide bedragen welke in de begroting waarover hij het beheer heeft voorkomen. De minister, die verschuivingen wil aanbrengen tussen functies van zijn ministerie, zal daarvoor de organisatie onderdelen raadplegen.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de voorzitter van de Staten, de president van het Hof van Justitie, de ondervoorzitter van de Raad van Advies, de secretaris van de Algemene Rekenkamer, de Ombudsman en de secretaris van de Sociaal Economische Raad.
  3. De namen en functies van degenen die op grond van het eerste lid zijn gemachtigd, alsmede tot welke bedragen zij gemachtigd zijn, worden door de minister van Financiën bijgehouden in een register, dat na elke wijziging, maar in elk geval iedere zes maanden, wordt gepubliceerd. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inrichting en publicatie van dit register.
  4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, dat te allen tijde door de betrokken minister, onderscheidenlijk ministers, kan worden ingetrokken of gewijzigd, treedt in werking met ingang van de dag waarop het door de minister van Financiën is ondertekend. Dit is van overeenkomstige toepassing op het tweede lid.
  5. Van alle besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt, zodra zij in werking zijn getreden, door of namens de minister van Financiën een afschrift gezonden aan de Algemene Rekenkamer en aan de accountant van het Land.
  6. Privaatrechtelijke handelingen betreffende het aangaan van financiële verplichtingen als bedoeld in het eerste lid zijn nietig indien zij zijn aangegaan door personen die daartoe niet of niet voldoende gemachtigd zijn conform het in het eerste lid aangeduide besluit.
  7. In afwijking van het zesde lid is een rechtshandeling als bedoeld in dat lid wel rechtsgeldig als de bevoegdheid tot het aangaan van de betreffende verplichting blijkt uit een ten behoeve van die rechtshandeling verstrekte schriftelijke machtiging. Een dergelijke machtiging wordt slechts in incidentele gevallen door de minister Financiën verstrekt.

Artikel 41

  1. De minister van Financiën is belast met het toezicht op de uitvoering van de begroting.
  2. De minister van Financiën wijst een organisatieonderdeel van zijn ministerie aan dat namens hem is belast met de uitvoering van dit toezicht.
  3. Dit toezicht omvat mede de toetsing aan het algemene financiële beleid.
  4. Bij ministeriële regeling met algemene werking wordt bepaald welke gegevens hem ten behoeve van het in het eerste lid bedoelde toezicht dienen te worden verstrekt, alsmede wanneer en in welke vorm dit dient te geschieden.
  5. De minister van Financiën is belast met het toezicht op de inrichting van de financiële en andere administraties van het Land, alsmede op de wijze waarop die administraties worden gevoerd.
  6. De minister van Financiën, en de minister die het aangaat, hebben ten aanzien van derden in de collectieve sector en rechtspersonen aan wie door het Land of een derde voor rekening of risico van het Land rechtstreeks of middellijk een subsidie, lening of garantie wordt verstrekt, recht op inzage in de jaarrekening, het jaarverslag en andere verantwoordingen, gegevens en documenten die nodig zijn voor de definitieve vaststelling van de subsidie, lening of garantie, alsmede de verslagen van de onderzoeken van accountants die deze bescheiden hebben gecontroleerd.
  7. Indien de bescheiden, bedoeld in het zesde lid, daartoe aanleiding geven, zijn de minister van Financiën en de minister die het aangaat bevoegd om bij de betrokken derde nadere inlichtingen in te winnen, dan wel inzage in ontbrekende bescheiden, documenten en andere informatiedragers te vorderen, alsmede, mede aan de hand van de administratie van de betrokken derde, een onderzoek in te stellen.

Artikel 42

  1. Elk jaar biedt de minister van Financiën aan de Staten uiterlijk op 15 mei een nota aan waarin hij voorlopig verslag doet van het voorafgaande dienstjaar en van het lopende dienstjaar, uiterlijk op 15 augustus en vervolgens uiterlijk 15 november biedt hij een nota aan waarin hij voorlopig verslag doet van het lopende dienstjaar.
  2. In een nota als bedoeld in het eerste lid sluit de minister van Financiën aan bij het meest recente verslag dat in een zodanige nota dan wel in de bij de begroting of de jaarrekening behorende stukken is opgenomen geweest. Tevens omvat bedoelde nota:
    a. een overzicht van de wijzigingen die door de Regering in de opgestelde ramingen noodzakelijk worden geacht, alsmede van de consequenties die deze wijzigingen naar zijn verwachting voor het saldo van de baten en lasten, de meerjarenbegroting en ’s Lands financiën zullen hebben;
    b. een verslag aangaande de rechtshandelingen die op grond van artikel 44 tot stand zijn gekomen.
  3. Bij ministeriële regeling met algemene werking kan worden bepaald welke andere elementen naast het bepaalde in het tweede lid tenminste in een nota als bedoeld in eerste lid moeten worden opgenomen.

Artikel 43

Een nota als bedoeld in artikel 42, eerste lid, wordt door of namens de minister van Financiën ter kennisneming aan de Algemene Rekenkamer en de accountant van het Land toegezonden, zodra deze aan de Staten is aangeboden.

Artikel 44

  1. Alleen de minister van Financiën kan bij landsverordening tot vaststelling van de begroting gemachtigd worden om overeenkomsten aan te gaan:
    a. betreffende het uitgeven van geldleningen door het Land;
    b. om aan het Land toebehorende gelden aan een derde uit te lenen;
    c. waarbij het Land zich borg stelt voor de financiële verplichtingen van een derde.
  2. Alleen de minister van Financiën indien het hemzelf aangaat, dan wel de minister die het aangaat gezamenlijk met de minister van Financiën kunnen bij landsbesluit gemachtigd worden om overeenkomsten aan te gaan:
    a. betreffende de oprichting of mede-oprichting van privaatrechtelijke rechtspersonen door het Land;
    b. betreffende de verwerving of mede-verwerving van aandelen in privaatrechtelijke rechtspersonen door het Land.
    c. (vervallen)
  3. Alleen de minister van Financiën indien het hemzelf aangaat, dan wel de minister die het aangaat gezamenlijk met de minister van Financiën, kunnen bij landsbesluit gegeven krachtens landsverordening worden gemachtigd tot het vervreemden van aan het Land in eigendom toebehorende aandelen in privaatrechtelijke rechtspersonen.
  4. Een landsbesluit als bedoeld in het tweede lid wordt door of namens de minister van Financiën ter kennisneming aan de Algemene Rekenkamer toegezonden. Deze toezending geschiedt met inachtneming van de Landsverordening Algemene Rekenkamer Nederlandse Antillen, voor zover in die landsverordening regels terzake zijn gesteld.

§ 3. Wijzigingen en afwijkingen van de begroting

Artikel 45

  1. Dreigende overschrijdingen van in de begroting opgenomen bedragen worden met het oog op een stringent begrotingsbeleid zoveel mogelijk door passende en tijdige maatregelen voorkomen.
  2. Onder overschrijding als bedoeld in het eerste lid worden begrepen zowel lasten en investeringen die hoger, als baten die lager zijn dan in de begroting was voorzien.
  3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden nadere regels gegeven die tot doel hebben de begrotingsdiscipline te versterken.

§ 3. Wijzigingen en afwijkingen van de begroting

Artikel 45

  1. Dreigende overschrijdingen van in de begroting opgenomen bedragen worden met het oog op een stringent begrotingsbeleid zoveel mogelijk door passende en tijdige maatregelen voorkomen.
  2. Onder overschrijding als bedoeld in het eerste lid worden begrepen zowel lasten en investeringen die hoger, als baten die lager zijn dan in de begroting was voorzien.
  3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden nadere regels gegeven die tot doel hebben de begrotingsdiscipline te versterken.

Artikel 46

  1. Wijziging van de begroting geschiedt bij of krachtens een landsverordening tot wijziging van die begroting of een landsverordening tot vaststelling van de jaarrekening.
  2. Wijziging van de begroting als bedoeld in het eerste lid, vindt plaats op drie vaste momenten in het jaar, gelijk met het aanbieden van de uitvoeringsnotas zoals gesteld in artikel 42 eerste lid.
  3. Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen regels worden gesteld aangaande de algemene inrichting van ontwerpen van landsverordening tot wijziging van de begroting.
  4. De bepalingen van de hoofdstukken 1 en 2 zijn op wijzigingen van de begroting zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 47

  1. In de volgende gevallen kan worden afgeweken van de begroting voorafgaand aan het tot stand komen van een landsverordening tot wijziging van de begroting:
    a. indien het landsbelang zulks acuut vordert;
    b. bij onverwacht opgekomen dringende behoeften in het dienstjaar waarin de begroting niet was voorzien.
  2. Het woord „acuut”, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, moet worden verstaan als uitdrukking van de omstandigheid dat de gevolgen van oorlog of oorlogsgevaar, een ramp of een ander buitengewoon voorval door het Land moeten worden opgevangen. Voor zover de beoordeling of er sprake is van deze omstandigheid niet ingevolge een wettelijke regeling aan een ander orgaan is opgedragen, komt zij toe aan de Minister-President. De Staten worden zo spoedig mogelijk na het betreffende besluit schriftelijk ingelicht over de daardoor ontstane financiële gevolgen, waarbij voorstellen worden gevoegd voor het opvangen daarvan.
  3. Nadat de Raad van Ministers ermede heeft ingestemd dat zich een dringende behoefte als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft voorgedaan, kan op voorstel van de minister die het aangaat door de minister van Financiën over de benodigde gelden worden beschikt ten laste van de subfunctie voor onvoorziene lasten of de raming voor onvoorziene verplichtingen voor investeringen indien toereikend.
  4. De minister van Financiën draagt er zorg voor dat de in dit artikel bedoelde lasten en verplichtingen voor investeringen, nadat over de benodigde gelden is beschikt, worden overgeschreven naar de subfunctie onderscheidenlijk de raming voor onvoorziene verplichtingen voor investeringen waarop zij betrekking hebben.
  5. De betreffende subfuncties of ramingen voor onvoorziene verplichtingen voor investeringen in de begroting worden in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, niet eerder aangetast dan nadat de Minister-President terzake een beslissing heeft genomen en in het geval, bedoeld in onderdeel b van genoemd lid, niet eerder dan nadat de minister van Financiën over het betreffende bedrag heeft beschikt.
  6. De minister van Financiën stelt terstond, voor een overschrijving als bedoeld in het vierde lid een ontwerp-landsverordening, tot wijziging van de begroting voor het betreffende dienstjaar met de daarbij behorende toelichting op. Hij biedt deze ontwerp-landsverordening met de daarbij behorende toelichting namens de Raad van Ministers aan de Gouverneur aan ter indiening bij de Staten.
  7. Een afschrift van een ontwerp van een landsverordening als bedoeld in het zesde lid, en de toelichting daarop wordt door of namens de minister van Financiën zodra het bij de Staten is ingediend aan de Algemene Rekenkamer en de accountant van het Land gezonden.

Artikel 48

  1. 1De voor een dienstjaar op de kapitaaldienst van de begroting ter beschikking gestelde bedragen, die in dat dienstjaar niet tot verplichtingen voor investeringen hebben geleid, kunnen bij ministeriële beschikking worden toegevoegd aan de begroting voor het daaropvolgende dienstjaar voor de overeenkomstige ramingen terzake verplichtingen voor investeringen in de kapitaaldienst.
  2. Indien de bedragen zijn toegewezen voor functies, of ramingen betreffen voor investeringsverplichtingen die betrekking hebben op het beheer van een andere minister dan de minister van Financiën, geschiedt de toevoeging bij gezamenlijke ministeriële beschikking van deze minister en de minister van Financiën. Het model van een zodanige ministeriële beschikking kan bij ministeriële regeling met algemene werking worden vastgesteld.
  3. In de ministeriële beschikking, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt aangegeven op welke wijze in de dekking van de toegevoegde bedragen kan worden voorzien.
  4. Een ministeriële beschikking als bedoeld in het eerste en tweede lid treedt in werking op de dag waarop zij door de minister van Financiën is ondertekend.
  5. Van een ministeriële beschikking als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt zodra zij in werking is getreden, door of namens de minister van Financiën onverwijld een afschrift gezonden aan de Staten, de Algemene Rekenkamer en de accountant van het Land. Het afschrift wordt vergezeld van een toelichting bij de betreffende beschikking.
  6. Toevoegingen van bedragen in de begroting aan de functies of aan de ramingen voor investeringsverplichtingen voor het daaropvolgende dienstjaar als bedoeld in het eerste en tweede lid worden bij de eerste landsverordening tot wijziging van de begroting als bedoeld in artikel 46, eerste lid, door de Staten bekrachtigd.

§ 4. Het opstellen van de jaarrekening

Artikel 49

  1. De jaarrekening over een dienstjaar wordt vóór 1 september van het jaar volgende op dat waarop zij betrekking heeft opgesteld door de minister van Financiën.
  2. Ten dienste van de opstelling van de jaarrekening zendt elke minister tijdig aan de minister van Financiën de daartoe benodigde financiële gegevens en overige benodigde informatie.
  3. De minister van Financiën kan regels geven aangaande het tijdstip waarop de overige ministers de financiële gegevens en overige informatie, bedoeld in het tweede lid, uiterlijk aan hem dienen te verstrekken, alsmede aangaande de inrichting daarvan.

Artikel 50

  1. De door de minister van Financiën opgestelde jaarrekening wordt al dan niet gewijzigd door de Raad van Ministers geaccordeerd. Onmiddellijk nadat de jaarrekening is geaccordeerd, zendt de minister van Financiën deze naar de Algemene Rekenkamer en naar de accountant van het Land.
  2. De accountant zendt zijn verklaring en het daarbij behorende verslag binnen een termijn van één en een halve maand na ontvangst van de jaarrekening aan de minister van Financiën met afschrift, aan de Algemene Rekenkamer.
  3. De Algemene Rekenkamer brengt binnen een termijn van één en een halve maand na de ontvangst van het afschrift van het verslag van de accountant een mede aan de Staten gericht verslag uit van haar bevindingen ten aanzien van de door haar onderzochte rekening, bedoeld in artikel 85, vijfde lid, van de Staatsregeling van Curaçao.

Artikel 51

  1. Uiterlijk binnen twee maanden na het uitbrengen van het verslag van de Algemene Rekenkamer, bedoeld in artikel 50, derde lid, dient de Gouverneur bij de Staten ter verlening van décharge aan de ministers over het door hen gevoerde financieel beheer met betrekking tot het voorafgaande dienstjaar een ontwerp-landsverordening tot vaststelling van de jaarrekening in.
  2. Bij de ontwerp-landsverordening tot vaststelling van de jaarrekening wordt gevoegd:
    a. een accountantsverklaring en het daarbij behorende verslag van de accountant;
    b. het door de Algemene Rekenkamer uitgebracht verslag van haar bevindingen met betrekking tot de jaarrekening.
  3. Indien de verklaring, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, of het verslag, bedoeld in onderdeel b van bedoeld lid, niet tijdig beschikbaar is, voegt de Gouverneur bij de ontwerp-landsverordening, bedoeld in het eerste lid, een mededeling aangaande de oorzaak van het niet beschikbaar zijn en het tijdvak waarbinnen de verklaring of het verslag alsnog aan de Staten zal kunnen worden toegezonden.
  4. De Staten stellen de ontwerp-landsverordening tot vaststelling van de jaarrekening niet vast voordat zij hebben kunnen kennisnemen van het verslag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.

Artikel 52

Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden ontlast het besluit van de Staten om de ontwerp-landsverordening tot vaststelling van de jaarrekening vast te stellen de ministers ten aanzien van het door hen gevoerde beleid en beheer.

HOOFDSTUK 5. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 53

  1. De begroting voor het dienstjaar 2010 wordt voor wat betreft de organisatie-eenheden en taken die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze landsverordening een dienst van het eilandgebied Curaçao respectievelijk een verantwoordelijkheid waren van dat eilandgebied, ingericht overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Comptabiliteitsvoorschriften eilandgebieden.
  2. De begroting voor het dienstjaar 2010 wordt voor wat betreft de organisatie-eenheden en taken die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze landsverordening dienst van het land de Nederlandse Antillen respectievelijk een verantwoordelijkheid waren van dat land, ingericht overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Comptabiliteitslandsverordening.
  3. De kredieten in de begroting voor het dienstjaar 2010 komen overeen met de restant kredieten in de begroting voor het dienstjaar 2010 van het eilandgebied Curaçao en de kolom van het eiland Curaçao in de Begroting voor het dienstjaar 2010 van het land de Nederlandse Antillen – na overdracht van taken – naar de stand per 9 oktober 2010.

Artikel 54

  1. De meerjarenraming in de begroting voor het dienstjaar 2010 zoals deze luidt ingevolge dit artikel komt overeen met de ramingen in de begroting voor het dienstjaar 2011 voor de jaren 2011, 2012 en 2013.
  2. In afwijking van artikel 15, tweede lid, bevatten de begroting voor het dienstjaar 2010 en de begroting voor het dienstjaar 2011 geen geraamde bedragen en geen gerealiseerde bedragen voor het voorafgaande dienstjaar.
  3. In afwijking van artikel 21, derde lid, bevatten de jaarrekening voor het dienstjaar 2010 en de jaarrekening voor het dienstjaar 2011 geen gerealiseerde bedragen voor het voorafgaande dienstjaar.

Artikel 55

Deze landsverordening treedt in werking op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip. Bij landsbesluit kan een ander tijdstip worden vastgesteld waarop de artikelen in werking treden.

Artikel 56

Deze landsverordening kan worden aangehaald als: Landsverordening comptabiliteit 2010.

Naar boven