Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou Uw mening

Wet- en Regelgeving

Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014

Publicatienummer: P.B. 2013, no. 54, zoals laatstelijk gewijzigd bij  P.B. 2013, no. 54
Categorie: Landsverordening
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 16-05-2013
Datum inwerktreding: 01-01-2014
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK IV Belastingen)


Landsverordening van de 16de mei 2013 houdende regels inzake de belastingheffing van onroerende zaken (Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014).

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats                 Zittingsjaar
1-01-2014 Moederregeling P.B. 2013, no. 54 Staten stukken Zitting 2012-2013-031
1-01-2017 Art. 4 P.B. 2016, no. 37 Staten van Curaçao, zittingsjaar 2015 – 2016 – 093
1-01-2017 Art. 4 P.B. 2016, no. 77 Staten van Curaçao, zittingsjaar 2016 – 2017 – 088
1-09-2019 Artt. 2, 10a P.B. 2019, no. 55 Staten van Curaçao, zittingsjaar 2018 – 2019 – 147

HOOFDSTUK I
Belastingplichtige

Artikel 1

Onder de naam onroerendezaakbelasting wordt jaarlijks een belasting geheven terzake van de waarde van een op Curaçao gelegen onroerende zaak.

Artikel 2

  1. Deze belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een onroerende zaak.
  2. Indien bij het begin van het kalenderjaar meer dan een belastingplichtige het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een onroerende zaak, wordt de belasting geheven van alle belastingplichtigen gezamenlijk.
  3. Indien meerdere belastingplichtigen bij het begin van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een onroerende zaak hebben en dit genot elk van deze belastingplichtigen afzonderlijk het recht geeft om de onroerende zaak gedurende een deel van het kalenderjaar te gebruiken (time-share), wordt de belasting geheven van al deze belastingplichtigen gezamenlijk.
  4. Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid, wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt, degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat op dat tijdstip een ander genothebbende is krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
  5. In afwijking van de voorgaande leden wordt de belasting terzake van de waarde van een opstal op huurgrond welke eigendom is van Curaçao geheven van de huurder van de grond of indien is komen vast te staan dat er geen huurder is, degene die het genot heeft van een opstal op huurgrond welke eigendom is van Curaçao.

 

HOOFDSTUK II
Voorwerp van belasting

Artikel 3

  1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als één onroerende zaak aangemerkt:
    a. een gebouwd eigendom;
    b. een ongebouwd eigendom;
    c. een gedeelte van een in onderdeel a of in onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
    d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.
  2. In afwijking van het eerste lid worden huurgrond welke eigendom is van Curaçao en een daarop aanwezige opstal van de huurder als twee onroerende zaken aangemerkt.

 

Artikel 4

  1. De belasting wordt niet geheven terzake van de waarde van:
    a. onroerende zaken, welke eigendom zijn van Curaçao;
    b. onroerende zaken, welke eigendom zijn van de Staat der Nederlanden en uitsluitend gebezigd worden voor de openbare dienst;
    c. gebouwen, die in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare eredienst alsmede aanhorigheden;
    d. begraafplaatsen en crematoria met aanhorige gebouwen;
    e. gebouwen, uitsluitend dienende tot het verzorgen van niet-commercieel onderwijs;
    f. gebouwen, uitsluitend dienende tot genezing of verpleging van zieken of gebrekkigen;
    g. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, voor zover die niet de ondergrond vormt van gebouwen;
    h. bedrijfspanden, welke eigendom zijn van ondernemingen die voldoen aan de in de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen gestelde bepalingen en voorwaarden, voor de duur van de bij die landsverordeningen bepaalde perioden;
    i. onroerende zaken die eigendom zijn van hetzij een rechtspersoon die is toegelaten tot een economische zone met toepassing van artikel 3 van de Landsverordening economische zones 2000 , hetzij een instantie als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van genoemde landsverordening, hetzij een rechtspersoon die ingevolge artikel 8 van genoemde landsverordening een vergunning heeft verkregen voor het tot stand brengen van infrastructurele voorzieningen in een economische zone, mits de onroerende zaken in de desbetreffende economische zone zijn gelegen, voor de duur van een periode die eindigt op 1 januari 2026 of zoveel eerder als respectievelijk de toelating is beëindigd, de aanwijzing tot beheer of exploitatie is vervallen, of de vergunning is vervallen;
    j. natuurterreinen die opengesteld zijn voor het publiek na goedkeuring door de Minister;
    k. sportterreinen en sportfaciliteiten;
    l. een LNG overslagstation.
  2. De bepalingen van de onderdelen c tot en met f alsmede onderdeel k zijn alleen van toepassing, indien de zaken duurzaam tot de omschreven bestemmingen zijn ingericht en, wat de onder de onderdelen d tot en met f alsmede onderdeel k bedoelde onroerende zaken betreft, voor zover zij aan Curaçao of stichtingen toebehoren en geen winst wordt beoogd of gemaakt.

HOOFDSTUK III
Heffingsmaatstaf en waardevaststelling

Artikel 5

  1. De waardepeildatum ligt aan het begin van het vijfjarige tijdvak waarvoor de waarde wordt vastgesteld.
  2. De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
  3. De waarde, bedoeld in het tweede lid, voor een onroerende zaak waarvoor marktgegevens beschikbaar zijn, wordt bepaald door systematische vergelijking.
  4. De waarde, bedoeld in het tweede lid, voor een onroerende zaak waarvoor onvoldoende marktgegevens beschikbaar zijn, wordt bepaald door een methode van kapitalisatie van de bruto huur dan wel door middel van een discounted-cash-flow-methode.
  5. In afwijking in zoverre van het vierde lid wordt de waarde van de onroerende zaken, met uitzondering van onroerende zaken die zijn aangewezen als beschermd monument op grond van de Monumenteneilandsverordening Curaçao , bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het vierde lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:
    a. de aard en de bestemming van de onroerende zaak;
    b. de sedert de stichting van de onroerende zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen.
  6. De vervangingswaarde, bedoeld in het vijfde lid, wordt berekend door bij de waarde van de grond van de onroerende zaak op te tellen de waarde van de opstal van de onroerende zaak. De waarde van de grond wordt bepaald door middel van een methode van vergelijking als bedoeld in het derde lid, rekening houdend met de bestemming van de zaak. De waarde van de opstal wordt gesteld op de kosten die herbouw van een vervangend identiek object zou vergen, gecorrigeerd met een factor wegens technische veroudering gebaseerd op de verstreken en de resterende gebruiksduur en met inachtneming van de restwaarde, en gecorrigeerd met een factor wegens functionele veroudering gebaseerd op economische veroudering, verouderde bouwwijze, ondoelmatigheid en excessieve gebruikskosten.
  7. Bij de berekening van de vervangingswaarde, bedoeld in het vijfde lid, voor onroerende zaken met cultuurhistorische betekenis wordt een zodanige factor voor functionele veroudering toegepast dat de waarde overeenstemt met de benuttingswaarde van die onroerende zaak.
  8. Bij de berekening van de vervangingswaarde, bedoeld in het vijfde lid, voor bedrijfsmatig gebruikte onroerende zaken wordt een zodanige factor voor functionele veroudering toegepast dat de waarde overeenkomt met de bedrijfswaarde van die onroerende zaak rekening houdend met de economische situatie in de desbetreffende branche of bedrijfstak.
  9. De waarde van een opstal op huurgrond welke eigendom is van Curaçao wordt bepaald zonder rekening te houden met de waarde van de ondergrond.

HOOFDSTUK IV
Tarief

Artikel 6

Het bedrag van de belasting wordt bepaald aan de hand van de navolgende tabel. Bij een vastgestelde waarde van

Meer dan Doch niet meer dan Bedraagt de belasting Benevens voor elk bedrag boven dat in kolom I
I II III IV
350.000 0,4%
350.000 750.000 1.400 0,5%
750.000 3.400 0,6%

 

HOOFDSTUK V
Aanslag, bezwaar en navordering

Artikel 7

1. De onroerendzaakbelasting wordt geheven bij wege van aanslag.
2. In afwijking in zoverre van de Algemene landsverordening Landsbelastingen, stelt de Inspecteur de aanslag vast, zonder dat daaraan een aangifte is voorafgegaan.
3. De Inspecteur stelt de waarde van de onroerende zaak vast bij de eerste aanslag van het vijfjarige tijdvak genoemd in artikel 5, eerste lid.
4. De Inspecteur vermeldt op het aanslagbiljet dat het de eerste aanslag van het vijfjarig tijdvak danwel een aanslag met toepassing van artikel 8, eerste lid, betreft.
5. In de gevallen bedoeld in het vierde lid neemt de Inspecteur in de aanslag een verwijzing naar artikel 9, eerste lid, op. In de overige aanslagen wordt verwezen naar artikel 9, tweede lid.
6. Indien er met betrekking tot een onroerende zaak meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, kan de Inspecteur de aanslag opleggen aan één van hen.
7. Indien aan een persoon meerdere aanslagen opgelegd worden kan de Inspecteur deze in één aanslagbiljet verenigen.
8. Aanslagen met een bedrag aan verschuldigde belasting van minder dan NAf 100,– worden niet opgelegd.
9. Bij toepassing door de Inspecteur van het bepaalde in het zevende lid, geldt het in de vorige volzin bedoelde bedrag voor het totaalbedrag van alle aanslagen opgenomen in het aanslagbiljet.
10. Een aanslag bevat in ieder geval:
a. de naam, het adres en de woon- of vestigingsplaats van degene aan wie de aanslag wordt opgelegd;
b. een aanduiding van de onroerende zaak;
c. de waarde van de onroerende zaak;
d. de waardepeildatum;
e. het kalenderjaar waarvoor de aanslag geldt;
f. het te betalen belastingbedrag.

Artikel 8

  1. Indien de onroerende zaak wijzigt als gevolg van bouw, verbouwing, verbetering, afbraak, vernietiging, het geheel of gedeeltelijk belastbaar worden van vrijgestelde zaken en omgekeerd en splitsing en vereniging wordt in afwijking van artikel 5, eerste lid, en artikel 7, derde lid, de waarde bepaald naar de staat van die zaak bij het begin van het kalenderjaar volgend op dat waarin de genoemde wijziging zich heeft voorgedaan.
  2. De waarde genoemd in het eerste lid wordt alleen toegepast als de wijziging meer dan 5% van de waarde en minimaal NAf 25.000,– bedraagt.

Artikel 9

  1. In afwijking van het bepaalde in de Algemene landsverordening Landsbelastingen kan de belanghebbende slechts over het eerste jaar van het vijfjarige tijdvak, bedoeld in artikel 5, eerste lid, en over het kalenderjaar bedoeld in artikel 8, eerste lid, een bezwaarschrift indienen bij de Inspecteur tegen de vastgestelde waarde van de onroerende zaak.
  2. Een bezwaarschrift tegen andere aanslagen dan die bedoeld in het eerste lid kan niet gericht zijn tegen de vastgestelde waarde.

Artikel 10

  1. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de waarde, bedoeld in artikel 7, derde lid, te laag is vastgesteld kan de Inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn kan geen grond tot navordering opleveren.
  2. De bevoegdheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag als bedoeld in het eerste lid vervalt door het verloop van vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld.

Artikel 10a

  1. In afwijking van artikel 7, tweede lid en artikel 7 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen is verplicht degene die:
    a. op enig moment het genot verkrijgt krachtens het recht van eigendom, bezit of beperkt recht van een onroerende zaak, binnen twee maanden na die verkrijging aangifte te doen bij de Inspecteur. Ingeval meerdere personen het genot krachtens het recht van eigendom, bezit of beperkt recht verkrijgen van een onroerende zaak kan één van hen als vertegenwoordiger de in de eerste volzin bedoelde aangifte doen.
    b. het genot krachtens het recht van eigendom, bezit of beperkt recht heeft van een onroerende zaak, binnen twee maanden nadat zich wijzigingen voorgedaan hebben, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, hiervan aangifte te doen bij de Inspecteur. Ingeval meerdere personen het in de eerste volzin bedoelde genot krachtens het recht van eigendom, bezit of beperkt recht hebben van de onroerende zaak kan één van hen als vertegenwoordiger de in de eerste volzin bedoelde aangifte doen.
    c. het genot krachtens het recht van eigendom, bezit of beperkt recht heeft van een onroerende zaak en binnen twaalf maanden na afloop van een kalenderjaar geen aanslag heeft ontvangen, aangifte te doen bij de Inspecteur binnen twee maanden na het verloop van de twaalf maanden. Ingeval meerdere personen het genot krachtens het recht van eigendom, bezit of beperkt recht hebben van een onroerende zaak kan één van hen als vertegenwoordiger de in de eerste volzin bedoelde aangifte doen.
  2. De aangifte als bedoeld in het eerste lid bevat in ieder geval de volgende informatie:
    a. de naam, het adres en Crib-nummer van de belastingplichtige;
    b. de datum vanaf wanneer er sprake is van het genot krachtens het recht van eigendom, bezit of beperkt recht van een onroerende zaak;
    c. krachtens welk recht er genoten wordt van de onroerende zaak;
    d. het adres van de onroerende zaak;
    e. een indicatieve waarde van de onroerende zaak.
  3. Ingeval de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, omdat niet is voldaan aan de aangifteplicht, bedoeld in het eerste lid, kan de Inspecteur gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete van ten hoogste 100% van het bedrag van de aanslag opleggen.
  4. Een aanslag en boete als bedoeld in het derde lid wordt binnen twee maanden na dagtekening van de aanslag volledig voldaan tenzij tijdig gemotiveerd bezwaar is ingediend.
  5. In afwijking van artikel 10 verloopt de bevoegdheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag en een boete, na verloop van een periode van tien jaar na het ontstaan van de belastingschuld, ingeval niet is voldaan aan de aangifteplicht als bedoeld in dit artikel dan wel indien er in deze aangifte onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt aan de Inspecteur.
  6. Het eerste tot en met het vijfde lid zijn tevens van toepassing op degene die op basis van artikel 2, vijfde lid, belastingplichtig is.

HOOFDSTUK VI
Invordering

Artikel 11

  1. Indien er met betrekking tot een onroerende zaak meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, vordert de ontvanger de belastingaanslag in bij degene op wiens naam de aanslag is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van de overige belastingplichtigen.
  2. Indien artikel 2, tweede of derde lid, van toepassing is, is ieder van de belastingplichtigen hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele belastingbedrag.

HOOFDSTUK VII
Wijziging en intrekking van andere wettelijke regelingen

Artikel 12

De Overdrachtsbelastingverordening 1908 wordt gewijzigd als volgt:
A. In artikel 1 vervalt de definitie van legger.
B. In artikel 15 vervalt de laatste volzin.

Artikel 13

De Algemene landsverordening Landsbelastingen wordt gewijzigd als volgt:
A. Na onderdeel k wordt een (nieuw) onderdeel ingevoegd:g, komt te luiden:
k. onroerendezaakbelasting als bedoeld in de Landsverordening onroerendezaak- belasting 2014 (P.B. 2013, no. 54);
B. In artikel 2, eerste lid, onderdeel c, vervallen de woorden “de eilandelijke opcenten voor wat betreft de grondbelasting en”

Artikel 14

De Landsverordening vereffening belastingschulden bij vertrek 1977 wordt gewijzigd als volgt:
In artikel 1 wordt “de Grondbelastingverordening 1908” vervangen door: de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014.

Artikel 15

In de titel van hoofdstuk I en in artikel 1 van de Invorderingsverordening 1954 wordt “de grondbelasting en de gebruiksbelasting” vervangen door: de grondbelasting, de gebruiksbelasting en de onroerendezaakbelasting.

Artikel 16

De Grondbelastingverordening 1908 wordt ingetrokken.

Artikel 17

De Eilandsverordening regelende de heffing van opcenten op de aanslagen in de Grondbelasting wordt ingetrokken.

Artikel 18

De Eilandsverordening regelende de heffing van opcenten op de aanslagen in de Grondbelasting wordt ingetrokken.

Artikel 19

De Eilandsverordening regelende de heffing van opcenten op de aanslagen in de Grondbelasting wordt ingetrokken.

 

Artikel 20

Het Besluit ter uitvoering van de verordening wordt ingetrokken

Artikel 21

Het Besluit ter uitvoering van de verordening wordt ingetrokken.

HOOFDSTUK IX
Slotbepalingen

Artikel 22

  1. Deze landsverordening treedt in werking op 1 januari 2014.
  2. Het eerste vijfjarige tijdvak, bedoeld in artikel 5, vangt aan op 1 januari 2014.

Artikel 23

Deze verordening wordt aangehaald als: Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014.

Naar boven