| Publicatienummer: | P.B. 2026, no. 128 (Geconsolideerde Tekst) |
| Categorie: | Geconsolideerde Tekst Landsverordening |
| Ministerie: | Justitie |
| Datum ondertekening: | 28-05-2026 |
| Datum inwerktreding: | 16-09-1973 |
| Geregistreerd in: |
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK XV Justitie )
|
BIJLAGE behorende bij het Landsbesluit van de 28ste mei 2026, no. 26/1453, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Landsverordening op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht tot en met | Datum ingetrokken | Betreft | Vindplaats | Zittingsjaar |
| 16-09-1973 | n.v.t | n.v.t. | Geconsolideerde tekst | P.B. 2026, no. 128 (GT) | n.v.t. |
TITEL I
De justitiële documentatie
§ 1. Het registreren van gegevens
§ 2. De strafregisters
1. De strafregisters bestaan uit:
a. strafbladen van de tegen natuurlijke personen gewezen onherroepelijke veroordelingen, waarbij, al dan niet tezamen met maatregelen, een of meer straffen zijn opgelegd, door Curaçaose rechters gewezen:
1°. wegens misdrijven;
2°. wegens overtredingen, indien daarbij vrijheidsstraf — anders dan vervangende — is opgelegd, alsmede wegens overtreding van artikel 3:52 van het Wetboek van Strafrecht;
b. uittreksels van onherroepelijk geworden veroordelingen door andere dan rechters gewezen, voor zover de Minister van Justitie daartoe een voorschrift heeft gegeven. Deze uittreksels worden voor de toepassing van deze landsverordening met strafbladen gelijkgesteld.
2. Met veroordeling wordt gelijkgesteld het in artikel 1:80 respectievelijk artikel 1:81 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde bevel van de rechter tot plaatsing in een psychiatrische inrichting respectievelijk tot beschikking stelling.
3. Met veroordeling wordt mede gelijkgesteld het in artikel 1:174 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde bevel van de rechter tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
4. (vervallen)
1. Het strafblad vermeldt:
1°. de personalia van de veroordeelde;
2°. de rechter bij wiens onherroepelijk geworden uitspraak de straffen of maatregelen zijn bepaald;
3°. de dagtekening van de uitspraak;
4°. kwalificatie van het feit, waarvoor de veroordeling is uitgesproken met aanhaling van de daarbij betrokken strafbepalingen. De procureur-generaal kan bepalen, dat in daartoe aangewezen gevallen wordt volstaan met een korte aanduiding;
5°. de opgelegde straffen of maatregelen;
6°. de datum, waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden;
7°. indien gehele of gedeeltelijke gratie wordt verleend van de opgelegde straf, het daartoe strekkende landsbesluit;
bij het verlenen van voorwaardelijke gratie, met vermelding van de duur van de proeftijd.
2. (vervallen)
3. Op de wijze door de procureur-generaal te bepalen wordt in de strafregisters aantekening gehouden van:
1°. een last tot herroeping van een voorwaardelijke veroordeling;
2°. een last tot verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling;
3°. een beschikking tot voorwaardelijke invrijheidstelling, met vermelding van de duur van de proeftijd;
4°. een beschikking tot intrekking van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
5°. een bevel tot verlenging van de termijn van ter beschikkingstelling van de Regering;
6°. een last tot verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijke terbeschikkingstelling van de Regering;
7°. een beschikking tot vervallenverklaring van een voorwaardelijke gratie.
Een strafblad wordt uit het strafregister verwijderd, indien na vernietiging van het gewijsde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
1. Een strafblad wordt uit het strafregister verwijderd na verloop van een termijn van vier jaren.
2. De termijn beloopt acht jaren, indien bij de veroordeling is opgelegd gevangenisstraf of plaatsing in een lands-werkinrichting.
3. Het voorgaande lid is niet van toepassing:
a. indien de rechter met toepassing van artikel 1:19 van het Wetboek van Strafrecht heeft bepaald, dat de straf of straffen geheel niet zullen worden tenuitvoergelegd en een last tot herroeping voor het geheel of een deel niet is gegeven;
b. indien de veroordeling een persoon betreft, die tijdens de uitspraak van het eindvonnis in eerste aanleg de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt en de opgelegde straf de duur van drie maanden niet te boven gaat.
4. (vervallen)
De termijn, in het voorgaande artikel bedoeld, vangt aan op de dag na die, waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden.
(vervallen)
§ 3. De strafkaarten
Alle bij het parket van de officier van justitie binnengekomen processen-verbaal of politiële rapporten betreffende een persoon, worden geregistreerd op een ten name van die persoon gestelde strafkaart.
1. Op de wijze door de Minister van Justitie te bepalen worden op de strafkaart de volgende gegevens geregistreerd:
1°. de personalia van degene ten wiens name de strafkaart gesteld is;
2°. het registratienummer van het proces-verbaal of politieel rapport;
3°. de datum van het strafbaar feit of van het feit, waaromtrent een politieel rapport is opgemaakt;
4°. een korte aanduiding van het strafbaar feit of van het feit, waaromtrent een politieel rapport is opgemaakt;
5°. de wijze van afdoening van het proces-verbaal of het politieel rapport, met vermelding van de datum;
6°. een korte aanduiding van het eindresultaat;
7°. al hetgeen voorts in het belang van een goede rechtsbedeling nodig is.
2. Het model van de strafkaart zal door de Minister van Justitie worden vastgesteld.
Een strafkaart wordt vernietigd:
a. indien de daarop geregistreerde strafbare feiten overtredingen zijn en vijf jaren zijn verstreken sedert de datum, waarop de desbetreffende zaken zijn afgedaan, zonder dat een nieuw proces-verbaal of politieel rapport is geregistreerd;
b. indien de daarop geregistreerde feiten misdrijven zijn, die gestraft zijn met een geldboete van niet meer dan die van de eerste categorie terwijl er acht jaren zijn verstreken sedert de dag van het eindvonnis, zonder dat er een nieuw proces-verbaal of politieel rapport is geregistreerd;
c. indien de verdachte ter zake van de daarop geregistreerde strafbare feiten is vrijgesproken dan wel indien het openbaar ministerie besloten heeft de zaak niet te vervolgen en twee jaren zijn verstreken sedert de datum van het eindvonnis onderscheidenlijk de beslissing tot niet-vervolging;
d. indien betrokkene is overleden;
e. indien de geboortedatum van betrokkene tachtig jaar of langer in het verleden ligt.
§ 4. Het verstrekken van gegevens uit de justitiële documentatiedienst
1. De justitiële documentatiedienst verstrekt inlichtingen uit het strafkaart-systeem en de strafregisters aan:
1°. rechterlijke ambtenaren;
2°. andere dan Curaçaose rechterlijke ambtenaren, voor zover de Minister van Justitie dat voorschrijft;
3°. (vervallen)
2. De op grond van het voorgaande lid verkregen gegevens mogen uitsluitend ten behoeve van de justitie worden gebruikt.
3. De justitiële documentatiedienst verstrekt voorts inlichtingen uit het strafkaartsysteem en de strafregisters aan door de Minister van Justitie aan te wijzen instellingen, die werkzaam zijn op het gebied van de reclassering en kinderbescherming, alsmede aan door de Minister van Justitie aan te wijzen psychiaters en psychologen, en aan de secretaris van de voogdijraad, in die gevallen waarin dit nodig is voor het voorbereiden van enig rapport of het uitoefenen van enig toezicht.
4. Tot het geven van inlichtingen als in dit artikel bedoeld is bevoegd de procureur-generaal en — voor zover betreft het strafkaartsysteem — mede de officier van justitie.
De Minister van Justitie kan aan de procureur-generaal de bevoegdheid verlenen om, indien het openbaar belang dit vordert, uit inlichtingen van de justitiële documentatiedienst overeenkomstig bij ministeriële regeling te geven voorschriften tot andere doeleinden gegevens te verschaffen aan bepaalde personen of instellingen, die met een publieke taak belast zijn.
TITEL II
Verklaringen omtrent het gedrag
§ 1. Algemeen
1. De Minister van Justitie geeft geen andere verklaring omtrent het gedrag, onder welke benaming ook, af dan overeenkomstig de bepalingen van deze landsverordening.
2. Het voorgaand lid geldt niet:
a. indien het verzoek om inlichtingen betrekking heeft op politiepersoneel, dat onder hem dient of onder hem gediend heeft;
b. indien het verzoek om inlichtingen betrekking heeft op een persoon in dienst van het Land;
c. indien, buiten het geval, waarin het verzoek om inlichtingen omtrent een bepaald persoon verband houdt met het vervullen van een bepaalde werkzaamheid, de Minister van Justitie gehouden is andere bestuursorganen te dienen van bericht en raad;
d. indien, buiten het geval, waarin het verzoek om inlichtingen omtrent een bepaald persoon verband houdt met het vervullen van een bepaalde werkzaamheid, de Minister van Justitie optreedt als plaatselijk hoofd van politie.
3. Een verklaring omtrent het gedrag houdt niet anders in dan dat de Minister van Justitie uit het onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokkene ingesteld, gelet op het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon. De Minister van Justitie stelt het model voor de verklaring vast, die behalve in het Nederlands ook in het Engels en in het Spaans kan worden gesteld.
De afgifte van een verklaring omtrent het gedrag geschiedt door de Minister van Justitie.
§ 2. De beoordeling van het verzoek
1. De Minister van Justitie weigert het verzoek in behandeling te nemen, indien:
1°. (vervallen)
2°. niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 17 of in, dan wel krachtens, artikel 18;
3°. de afgifte zou strijden met een beschikking als in het voorgaande artikel bedoeld, dan wel anderszins het doel, waarvoor de afgifte wordt gevraagd, het instellen van een onderzoek niet wettigt.
2. Zodanige beslissing wordt onverwijld bij aangetekende brief aan de verzoeker medegedeeld, met vermelding van de reden der weigering en van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 21, eerste lid.
§ 3. De beoordeling van het gedrag
1. De Minister van Justitie mag bij zijn onderzoek uitsluitend acht slaan op:
1°. de uittreksels uit de strafregisters, die hem ten aanzien van de betrokkene verstrekt worden;
2°. gegevens ontleend aan de registers van de politie in de tegenwoordige of in de vroegere woonplaatsen of verblijfplaatsen van betrokkene;
3°. andere schriftelijke bescheiden, welke hem in verband met de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag ter beschikking zijn gesteld.
2. Indien ten aanzien van betrokkenen geen strafblad in de strafregisters voorkomt, let de Minister van Justitie bij zijn onderzoek niet op feiten en gedragingen, vermeld in andere registers en bescheiden, indien sedert de dag, waarop deze zijn voorgevallen, meer dan vier jaren zijn verlopen.
3. In bijzondere gevallen kan de Minister van Justitie van het bepaalde in het voorgaande lid afwijken. Alvorens in zodanig geval op het verzoek te beslissen, wint hij het advies in van de procureur-generaal.
§ 4. Het beroep
1. De betrokkene kan binnen veertien dagen na ontvangst van de mededeling in artikel 24, tweede lid, bedoeld, daartegen een klaagschrift indienen ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg.
2. Het klaagschrift wordt door betrokkene, zijn gemachtigde of zijn raadsman ondertekend en wordt in tweevoud ingediend.
3. Het klaagschrift houdt in:
a. de naam en de woonplaats van de betrokkene;
b. een gekozen woonplaats binnen Curaçao, indien de verzoeker daarbuiten woonplaats heeft;
c. een duidelijke omschrijving van de beslissing van de Minister van Justitie, waartegen het klaagschrift is gericht, onder overlegging voor zoveel mogelijk van een afschrift van de beslissing.
Wordt het klaagschrift gegrond verklaard, dan geeft de Minister van Justitie binnen drie dagen na ontvangst van de in het voorgaande artikel bedoelde brief de verklaring omtrent het gedrag af.
TITEL III
Overgangs- en slotbepalingen
(vervallen)
De verklaring omtrent het gedrag en het in artikel 17 bedoelde formulier zijn vrij van zegel. De Minister van Justitie bepaalt het bedrag, dat ten bate van ’s Lands kas geheven wordt voor de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag.