Landsverordening ombudsman (bijlage r) - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou Uw mening

Wet- en Regelgeving

Landsverordening ombudsman (bijlage r)

Publicatienummer: A.B. 2010, no. 87, bijlage r, zoals laatstelijk gewijzigd bij  P.B. 2020, no. 128
Categorie: Landsverordening
Onderwerp(en): Ombudsman
Ministerie: Algemene Zaken en Minister President
Datum ondertekening: 04-09-2010
Datum inwerktreding: 10-10-2010
Geregistreerd in:
Klapper Afkondigingsblad ( HOOFDSTUK XVII Organisme der eilandgebieden)


Landsverordening van de regelende de instelling van een ombudsman

§. 1 Algemene bepalingen

Artikel 1

  1. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
    a. ambtenaar:
    1◦ een ambtenaar in de zin van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht en een gewezen ambtenaar;
    2◦ een persoon met wie een bestuursorgaan een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan, ook na het beëindigen van deze arbeidsovereenkomst;
    3◦ een dienstplichtige in de zin van de Dienstplichtverordening 1961 , ook na het einde van de dienstplicht;
    4◦ andere personen werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, ook na het beëindigen van de werkzaamheden;
    b. bestuursorgaan:
    een persoon of een college met enig openbaar gezag bekleed, met uitzondering van:
    1. de Staten van Curaçao;
    2. onafhankelijke, bij landsverordening of rijkswet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, daaronder mede begrepen de voorzitters, de leden, de commissies uit hun midden, de griffiers en de secretarissen;
    c. gedraging:
    het handelen of nalaten door een bestuursorgaan of door een privaatrechtelijke organisatie in een bepaalde aangelegenheid;
    d. jeugdige:
    een persoon die de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt;
    e. kinderombudsman:
    de kinderombudsman, bedoeld in artikel 9, vierde lid;
    f. minister:
    de minister van Algemene Zaken;
    g. ombudsman:
    de ombudsman, bedoeld in artikel 2;
    h. privaatrechtelijke organisatie:
    een rechtspersoon, niet zijnde een bestuursorgaan, die een taak uitoefent op het gebied van onderwijs, jeugdzorg, kinderopvang, gezondheidszorg of anderszins belast is met een taak ten aanzien van jeugdigen;
    i. rechten van jeugdigen:
    de rechten van jeugdigen, opgenomen in het op 20 november 1989 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 46);
    j. rechterlijke instantie:
    personen of colleges, bij of krachtens landsverordening geheel of gedeeltelijk met rechtspraak belast en, voor zover het deze rechtspraak betreft, van het openbaar bestuur onafhankelijk.
  2. Een gedraging van een ambtenaar verricht in de uitoefening van zijn functie, wordt aangemerkt als een gedraging van het bestuursorgaan onder wiens verantwoordelijkheid hij werkzaam is.
  3. Een gedraging van een medewerker of van een orgaan van een privaatrechtelijke organisatie verricht in de uitoefening van zijn functie, wordt aangemerkt als een gedraging van die privaatrechtelijke organisatie.

§ 2. De ombudsman

Artikel 2

  1. Er is een ombudsman.
  2. De ombudsman heeft tot taak desgevraagd of uit eigen beweging:
    a. onderzoek in te stellen naar gedragingen van bestuursorganen of privaatrechtelijke organisaties;
    b. te bevorderen dat de rechten van jeugdigen worden geëerbiedigd door bestuursorganen en door privaatrechtelijke organisaties.
  3. De taak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, verricht de ombudsman door in elk geval:
    a. voorlichting en informatie te geven over de rechten van jeugdigen;
    b. gevraagd en ongevraagd advies te geven aan de regering en aan de Staten over respectievelijk wetgeving die en beleid dat de rechten van jeugdigen raken;
    c. het instellen van onderzoek naar de eerbiediging van de rechten van jeugdigen;
    d. het houden van toezicht op de wijze waarop klachten van jeugdigen of hun wettelijke vertegenwoordigers door de daartoe bevoegde bestuursorganen of privaatrechtelijke organisaties worden behandeld.
  4. Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, houdt de ombudsman zoveel mogelijk rekening met het belang en de mening van de jeugdige die in staat is zijn eigen mening te vormen, waarbij aan de mening van de jeugdige passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid.

Artikel 3

  1. De ombudsman wordt benoemd door de Staten. De benoeming van de ombudsman geschiedt op een voordracht, bevattende tenminste drie personen die in gezamenlijk overleg is opgemaakt door de ondervoorzitter van de Raad van Advies, de president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de voorzitter van de Algemene Rekenkamer.
  2. Om tot Ombudsman benoemd te worden moet men de Nederlandse nationaliteit bezitten en ingezetene zijn van Curaçao.
  3. De benoeming geschiedt voor de duur van zes jaren. De ombudsman is slechts eenmaal voor een tweede termijn herbenoembaar.
  4. Indien de Staten voornemens zijn de ombudsman te herbenoemen, kunnen de Staten bepalen dat het eerste lid, tweede volzin, buiten toepassing blijft.
  5. Ter waarborging van de kwaliteit van het functioneren van het instituut van de ombudsman wordt het profiel waaraan zowel de ombudsman als diens waarnemer moet voldoen bij besluit van de Staten van Curaçao vastgesteld.
  6. Indien blijkt dat de Staten niet tijdig tot de benoeming van een nieuwe ombudsman zullen kunnen komen, voorzien de Staten zo spoedig mogelijk in de waarneming van het ambt van ombudsman.
  7. De voorziening in de waarneming van het ambt van ombudsman geschiedt nadat de Staten advies bij de Raad van Advies hebben ingewonnen hetzij voor het gebruik maken van deze bevoegdheid hetzij bij de voordracht van de waamemer.
  8. De waarneming eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop een nieuwe ombudsman in functie is getreden.

Artikel 4

  1. De Staten ontslaan de ombudsman met ingang van de eerstvolgende maand na die waarin hij de zeventigjarige leeftijd bereikt.
  2. De Staten ontslaan de ombudsman voorts:
    a. op zijn verzoek;
    b. wanneer hij uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
    c. bij aanvaarding van een ambt of betrekking als bedoeld in artikel 6 ;
    d. bij het verlies van het Nederlanderschap;
    e. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
    f. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld.

Artikel 5

  1. De Staten stellen de ombudsman op non-activiteit ingeval:
    a. er tegen hem een ernstig vermoeden bestaat van feiten en omstandigheden die tot ontslag op grond van artikel 4, tweede lid, onder e of f, leiden;
    b. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
    c. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
    d. hij onder curatele is gesteld, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
  2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder a, eindigt de non- activiteit na drie maanden. De Staten kunnen de getroffen maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.
  3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, beëindigen de Staten de non-activiteit zodra de grond voor de maatregel is vervallen.
  4. De Staten kunnen bij de beslissing waarbij de ombudsman op non-activiteit wordt gesteld, bepalen dat tijdens de duur van de non- activiteit geen salaris of slechts een gedeelte van het salaris zal worden genoten, in het laatste geval onder aanwijzing van het gedeelte dat zal worden genoten.
  5. Indien de non-activiteit anders dan door ontslag is geëindigd, kunnen de Staten beslissen dat het niet genoten salaris alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden uitbetaald, in het laatste geval onder aanwijzing van het gedeelte dat zal worden uitbetaald.

Artikel 6

  1. De ombudsman kan niet tevens zijn:
    a. lid van publiekrechtelijke colleges waarvoor de keuze geschiedt bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen;
    b. lid van een vast college van advies en bijstand aan de regering;
    c. advocaat, procureur of notaris;
    d. lid van het bestuur van een politieke partij, een vakorganisatie of een vereniging of stichting die van overheidswege een subsidie ontvangt.
  2. De ombudsman kan voorts geen openbare functie bekleden waaraan een vaste beloning of toelage is verbonden.
  3. De ombudsman vervult overigens geen betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
  4. De betrekkingen die de ombudsman buiten zijn ambt vervult, worden door hem openbaar gemaakt.

Artikel 7

  1. De bezoldiging van de ombudsman wordt bij landsverordening geregeld.
  2. De Pensioenregeling politieke gezagsdragers is van overeenkomstige toepassing op de ombudsman, met dien verstande dat hij wordt gelijkgesteld met een statenlid.
  3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden de overige rechten en plichten van de ombudsman, die deel uitmaken van zijn rechtspositie, geregeld.

Artikel 8

Alvorens zijn ambt te aanvaarden legt de ombudsman in de handen van de voorzitter van de Staten af:
a. de eed of verklaring en belofte dat hij tot het verkrijgen van zijn benoeming rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of onder welk voorwendsel ook, aan iemand iets heeft gegeven of beloofd, alsmede dat hij om iets in zijn ambt te doen of te laten rechtstreeks noch middellijk van iemand enig geschenk of enige belofte heeft aangenomen of zal aannemen;
b. de eed of belofte van trouw aan de Staatsregeling.

Artikel 9

  1. De Staten benoemen op verzoek van de ombudsman één of meer personen tot ombudsman-plaatsvervanger. De Staten slaan bij de benoeming van de ombudsman-plaatsvervanger zodanig acht op een aanbeveling, opgemaakt door de ombudsman en die de namen bevat van tenminste drie personen.
  2. De benoeming van een ombudsman-plaatsvervanger geschiedt voor de duur van de ambtstermijn van de ombudsman op wiens verzoek hij is benoemd.
  3. De ombudsman regelt de werkzaamheden van een ombudsman- plaatsvervanger. De ombudsman kan bepalen dat één of meer van de bevoegdheden van de ombudsman mede worden uitgeoefend door een ombudsman-plaatsvervanger met inachtneming van eventueel door de ombudsman vast te stellen richtlijnen.
  4. De ombudsman wijst zo spoedig mogelijk een ombudsman-plaatsvervanger aan die de bevoegdheden, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, uitoefent. Deze ombudsman-plaatsvervanger, bedoeld in de eerste volzin, heeft de functie van kinderombudsman.
  5. De ombudsman regelt zijn vervanging door een ombudsman-plaatsvervanger voor het geval hij tijdelijk niet in staat is zijn ambt te vervullen.
  6. Indien geen ombudsman-plaatsvervanger aanwezig of beschikbaar is, voorzien de Staten zo spoedig mogelijk in de vervanging van de ombudsman. In dat geval eindigt de vervanging zodra de ombudsman weer in staat is zijn ambt vervullen, of indien de ombudsman op non-activiteit is gesteld, op het tijdstip dat de non-activiteit eindigt.
  7. Indien de ombudsman voor het einde van zijn ambtstermijn overlijdt of ingevolge artikel 4 wordt ontslagen, blijft de ombudsman-plaatsvervanger, in afwijking van het tweede lid, in functie totdat een nieuwe ombudsman in functie treedt.
  8. De artikelen 4 tot en met 6 en 8 zijn van overeenkomstige toepassing op de ombudsman-plaatsvervanger.

Artikel 10

  1. De ombudsman beschikt voor het vervullen van zijn taak over een bureau.
  2. De ombudsman stelt de werkwijze en de inrichting van het bureau vast.
  3. De ombudsman is bevoegd personeel op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst te nemen. De arbeidsvoorwaarden van het personeel worden neergelegd in een reglement dat door de ombudsman wordt vastgesteld na verkregen goedkeuring bij landsbesluit.
  4. In afwijking van het derde lid zijn de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren en de regeling vergoeding behandelings- en verplegingskosten overheidsdienaren van overeenkomstige toepassing op het personeel.
  5. De begroting van het bureau alsmede de verantwoording van de gedane uitgaven maken deel van de begroting respectievelijk de rekening van het Land, onder het hoofdstuk staatsorganen.

Artikel 11

  1. De ombudsman is bevoegd binnen een aan hem bij de begroting beschikbaar gestelde budget uitgaven te doen en verplichtingen aan te gaan ten behoeve van de uitvoering van zijn taken.
  2. De ombudsman doet jaarlijks een voorstel aan de Staten voor de nodige middelen voor een goede uitoefening van zijn taken.
  3. De ombudsman verantwoord de baten en lasten van het vorige begrotingsjaar in het verslag aan de Staten zoals bedoeld in artikel 27.

§ 3 procedures

Artikel 12

  1. Een ieder heeft het recht de ombudsman te verzoeken een onderzoek als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, respectievelijk artikel 2, derde lid, onderdeel c, in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan of privaatrechtelijke rechtspersoon zich in een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijke persoon of rechtspersoon heeft gedragen, tenzij sedertdien meer dan een jaar is verstreken.
  2. Een ieder die meent dat één of meer rechten van jeugdigen niet worden geëerbiedigd door een bestuursorgaan of een privaatrechtelijke organisatie, kan de ombudsman verzoeken een onderzoek als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel c, in te stellen.
  3. Op de behandeling van de verzoeken, bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 12, vierde lid, tot en met 25 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
    a. voor bestuursorgaan wordt gelezen: bestuursorgaan of privaatrechtelijke organisatie;
    b. voor ambtenaar wordt gelezen: ambtenaar of medewerker;
    c. voor administratiefrechtelijke voorziening, wordt gelezen: administratiefrechtelijke voorziening of klachtenprocedure.
  4. Indien binnen een jaar nadat de gedraging plaatsvond, die gedraging aan het oordeel van een rechterlijk instantie dan wel ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening aan het oordeel van een andere instantie is onderworpen, eindigt de termijn een jaar na de datum waarop in die procedure een uitspraak is gedaan waartegen geen beroep meer openstaat of de procedure op een andere wijze is geëindigd.
  5. Alvorens het in het eerste lid bedoelde onderzoek in te stellen, gaat de ombudsman na of de verzoeker het bestuursorgaan, en voor zover van toepassing de betrokken ambtenaar, in kennis heeft gesteld van zijn bezwaren tegen de gedraging en in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze daaromtrent kenbaar te maken.
  6. Het verzoekschrift wordt op schrift gesteld en bevat tenminste:
    a. de naam en het adres van de verzoeker;
    b. een zo duidelijk mogelijke omschrijving van de gedraging waarop het verzoekschrift betrekking heeft;
    c. een aanduiding van het bestuursorgaan of, indien van toepassing, zo mogelijk van de betrokken ambtenaar, waarop het verzoek betrekking heeft;
    d. een omschrijving waar, wanneer en jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden;
    e. de reden waarom de verzoeker meent bezwaar te moeten maken tegen de gedraging; en
    f. de wijze waarop en aan wie de in het derde lid bedoelde inkennisstelling heeft plaatsgevonden en, indien de daar bedoelde zienswijze is gegeven, een omschrijving daarvan.
  7. De ombudsman is verplicht aan een verzoek als bedoeld in het eerste lid gevolg te geven behoudens in de gevallen, bedoeld in de artikelen 14 en 15.
  8. Indien het verzoekschrift in een andere dan de Nederlandse, Papiamentse of Engelse taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van de klacht noodzakelijk is, kan de ombudsman besluiten het verzoekschrift niet in behandeling te nemen, mits de verzoeker de gelegenheid heeft gehad binnen een door de ombudsman gestelde termijn het verzoekschrift met een vertaling aan te vullen.
  9. Indien de verzoeker daartoe de wens te kennen geeft, verleent het bureau van de ombudsman medewerking bij het opstellen van hetverzoek.
  10. De ombudsman bericht de verzoeker binnen dertig dagen na de indiening van het verzoek omtrent de behandeling ervan.
  11. De ombudsman kan gedurende de behandeling van een verzoek de verzoeker en het bestuursorgaan voorstellen doen om onderling tot een oplossing met betrekking tot de gewraakte gedraging te komen.

Artikel 13

  1. Indien naar het oordeel van de ombudsman ten aanzien van de in het verzoekschrift bedoelde gedraging voor de verzoeker een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening openstaat, verwijst hij hem onverwijld naar de bevoegde instantie en draagt hij het verzoekschrift, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, aan die instantie over.
  2. Voor de toepassing van de regeling waarop de openstaande voorziening berust, wordt het verzoekschrift beschouwd als te voldoen aan de in die regeling voorkomende bepalingen met betrekking tot de wijze van indiening en adressering en wordt voorts het tijdstip, waarop het verzoekschrift door de ombudsman is ontvangen, beschouwd als het tijdstip waarop de zaak bij de in die regeling bedoelde instantie aanhangig is gemaakt.
  3. De instantie, bedoeld in het tweede lid, stelt de verzoeker in de gelegenheid om binnen dertig dagen nadat zij hiervan mededeling heeft gedaan, zijn verzoekschrift overeenkomstig de voor die voorziening geldende regels aan te vullen of te wijzigen en, in voorkomend geval, het voor behandeling verschuldigde recht te voldoen.

Artikel 14

De ombudsman is niet verplicht een onderzoek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, in te stellen of voort te zetten, indien:
a. het verzoekschrift te laat is ingediend of niet voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 12, vierde lid;
b. het verzoek kennelijk ongegrond is;
c. het belang van de verzoeker of het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is;
d. de verzoeker een ander is dan degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden;
e. een verzoekschrift, dezelfde gedraging betreffende, bij hem in behandeling is of – behoudens een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid bekend is geworden en zulks tot een ander oordeel over bedoelde gedraging zou hebben kunnen leiden – door hem is afgedaan;
f. ten aanzien van de gedragingen voor de verzoeker een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening heeft opengestaan en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt;
g. ten aanzien van de gedraging anders dan ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening door een rechterlijke instantie uitspraak is gedaan;
h. ten aanzien van een gedraging van het bestuursorgaan die nauw samenhangt met het onderwerp van het verzoekschrift een procedure aanhangig is bij een rechterlijke instantie, dan wel ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening bij een andere instantie.

Artikel 15

De ombudsman is niet bevoegd een onderzoek in te stellen of voort te zetten:
a. indien de aangelegenheid behoort tot het algemeen regeringsbeleid, daaronder begrepen het algemeen beleid ter handhaving van de rechtsorde, of tot het algemeen beleid van het betrokken bestuursorgaan;
b. betreffende algemeen verbindende voorschriften;
c. zolang ten aanzien van de gedraging een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening openstaat of ingevolge een zodanige voorziening een procedure aanhangig is;
d. zolang ten aanzien van de gedraging anders dan ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening een procedure bij een rechterlijke instantie aanhangig is, dan wel beroep openstaat tegen een uitspraak die in een zodanige procedure is gedaan;

Artikel 16

  1. Indien de ombudsman op grond van artikel 14 of 15 geen gevolg geeft aan een verzoek tot het instellen van een onderzoek, dan wel het onderzoek niet voortzet, doet hij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk en met redenen omkleed mededeling aan de verzoeker. In het geval hij een onderzoek niet voortzet doet hij de hiervoor bedoelde mededeling tevens aan het betrokken bestuursorgaan en, in voorkomend geval, aan de betrokken ambtenaar.
  2. De ombudsman geeft aan een ieder die daarom verzoekt, afschrift of uittreksel van de mededeling, bedoeld in het eerste lid. Met betrekking tot de daarvoor in rekening te brengen vergoedingen en de eventuele kosteloze verstrekking is het Landsbesluit uitvoeringsregels openbaarheid van bestuur en de eventuele kosteloze verstrekking daarvan het Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing. Tevens legt hij een zodanige mededeling ter inzage op een door hem daarvoor aan te wijzen plaats.

Artikel 17

  1. De ombudsman stelt het bestuursorgaan en indien van toepassing, de ambtenaar, op wiens gedraging het onderzoek betrekking heeft, alsmede in het geval, bedoeld in artikel 12, eerste lid, de verzoeker in de gelegenheid schriftelijk dan wel – ter beoordeling van de ombudsman – mondeling, al dan niet in elkaars tegenwoordigheid, hun standpunt toe te lichten.
  2. De betrokkenen kunnen zich doen vertegenwoordigen of doen bijstaan door een gemachtigde. De gemachtigde legt hiertoe een schriftelijke machtiging over van degene die hij vertegenwoordigt, tenzij hij advocaat is of verschijnt in aanwezigheid van degene die hij vertegenwoordigt.

Artikel 18

  1. De ombudsman is bevoegd bij het desbetreffende bestuursorgaan, de verzoeker en, voor zover van toepassing de betrokken ambtenaar, alle inlichtingen te vragen die een aangelegenheid betreffen waarop het onderzoek betrekking heeft. De gevraagde inlichtingen worden verstrekt binnen een door de ombudsman aan te geven termijn.
  2. Inlichtingen die betrekking hebben op het beleid, gevoerd onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, kan de ombudsman bij de daarbij betrokken ambtenaren slechts inwinnen door tussenkomst van dat orgaan.
  3. Het orgaan door welks tussenkomst de inlichtingen worden ingewonnen, kan zich bij het horen van ambtenaren doen vertegenwoordigen.
  4. De betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, kunnen zich van het verstrekken van inlichtingen verschonen op grond van wettelijk of andere gewichtige redenen. De ombudsman kan ter staving van het beroep op het verschoningrecht overlegging vragen van daartoe strekkende bewijsstukken.

Artikel 19

  1. De ombudsman is bevoegd ten dienste van het onderzoek het bestuursorgaan, de ambtenaar op wiens gedraging het onderzoek betrekking heeft, de verzoeker, getuigen, deskundigen en tolken op te roepen.
  2. De getuigen, deskundigen en tolken zijn verplicht voor de ombudsman te verschijnen en hun diensten en medewerking als zodanig te verlenen.
  3. De ombudsman kan bevelen, dat getuigen, deskundigen en tolken die, hoewel opgeroepen, niet zijn verschenen met behulp van de sterke arm voor hem worden gebracht om aan hun verplichting te voldoen.
  4. Deskundigen, die zijn opgeroepen, verrichten hun taak onpartijdig en naar beste weten.
  5. De tolken en deskundigen zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun ter zake van dienstverlening ter kennis komt.
  6. De getuigen, deskundigen en tolken kunnen zich van hun verplichtingen verschonen wegens wettelijke of andere gewichtige redenen. Artikel 18, vierde lid, tweede volzin, is van toepassing.
  7. De ombudsman is voorts bevoegd ten dienste van het onderzoek incidenteel een beroep te doen op binnen het overheidsapparaat aanwezige deskundigheid. De betrokkenen zijn gehouden hieraan alle medewerking te verlenen.

Artikel 20

Oproepingen ingevolge de artikelen 18 en 19 geschieden bij aangetekende brief, ondertekend door de ombudsman.

Artikel 21

  1. De ombudsman kan besluiten dat getuigen niet zullen worden gehoord en deskundigen of tolken niet tot de uitoefening van hun taak zullen worden toegelaten dan na het afleggen van een eed of belofte in de handen van de ombudsman.
  2. Getuigen leggen de eed of belofte af “dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid”; deskundigen leggen de eed of belofte af “dat zij verslag zullen doen naar hun geweten”; en tolken leggen de eed of belofte af “dat zij hun plichten als tolk met nauwgezetheid zullen vervullen”.

Artikel 22

  1. De ingevolge deze landsverordening door de ombudsman opgeroepen personen ontvangen desverlangd een vergoeding uit ’s Lands kas voor reis- en verblijfskosten alsmede wegens tijdsverzuim en daarmee verband houdende kosten overeenkomstig het bij of krachtens het Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken bepaalde.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op hen die in de openbare dienst werkzaam zijn, indien zij zijn opgeroepen in verband met hun taak als zodanig.
  3. De ombudsman begroot de ingevolge dit artikel verschuldigde vergoeding.

Artikel 23

  1. De ombudsman is te allen tijde bevoegd inzage te vorderen van de boeken en bescheiden, waarvan de inzage naar zijn redelijk oordeel voor de vervulling van zijn taak nodig is, en daarvan afschrift te nemen.
  2. De ombudsman heeft te allen tijde toegang tot plaatsen, waarvan de betreding naar zijn redelijk oordeel voor de vervulling van zijn taak nodig is, met uitzondering van woningen.
  3. Het betreden van woningen mag slechts geschieden met toestemming van de bewoner.

Artikel 24

  1. Alvorens het onderzoek af te ronden en de bevindingen naar aanleiding daarvan in een rapport neer te leggen, stelt de ombudsman het bestuursorgaan en in voorkomend geval de ambtenaar wiens gedraging voorwerp van onderzoek is geweest, alsmede in het in artikel 12, eerste lid bedoelde geval de verzoeker, in kennis van zijn voorlopige bevindingen.
  2. De ombudsman stelt het bestuursorgaan, de ambtenaar en de verzoeker in de gelegenheid zich binnen een door hem gestelde termijn over de voorlopige bevindingen uit te spreken.

Artikel 25

  1. Zodra de ombudsman het onderzoek heeft afgerond, maakt hij rapport op waarin hij zijn bevindingen neerlegt en zijn oordeel uitspreekt of de gedraging van het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk al dan niet behoorlijk was.
  2. De ombudsman neemt, indien de desbetreffende gedraging onderwerp is geweest van een rechterlijke uitspraak anders dan ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening, de rechtsgronden van die uitspraak in acht.
  3. De ombudsman zendt het rapport zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan en, in voorkomend geval, aan de ambtenaar wiens gedraging voorwerp van onderzoek is geweest, alsmede in het in artikel 12, eerste lid, bedoelde geval aan de verzoeker.
  4. De ombudsman kan het bestuursorgaan aanbevelingen doen om maatregelen te nemen. Het bestuursorgaan deelt de ombudsman mee of, en zo ja op welke wijze, het aan de aanbevelingen heeft gevolg gegeven en motiveert het niet overnemen dan wel afwijken van de aanbevelingen.
  5. In afwijking van het eerste lid spreekt de ombudsman geen oordeel uit indien het onderzoek hem naar zijn oordeel onvoldoende zekerheid verschaft over de feitelijke toedracht van de gedraging waartegen het verzoekschrift gericht is.
  6. Artikel 16, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

§ 4 Slotbepalingen

Artikel 26

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze landsverordening en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Artikel 27

  1. De ombudsman brengt jaarlijks verslag uit van zijn werkzaamheden aan de Staten.
  2. De ombudsman draagt zorg, dat het verslag openbaar wordt gemaakt en algemeen verkrijgbaar wordt gesteld.
  3. Artikel 11 van de Landsverordening openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat de ombudsman bij het verslag gegevens kan voegen, slechts ter vertrouwelijke kennisneming door de Statenleden en de ministers.
  4. De Staten zijn bevoegd de ombudsman op te roepen in een zitting van de Staten te verschijnen om inlichtingen te verstrekken.

Artikel 28

  1. De ombudsman is, al dan niet op verzoek van de Staten, bevoegd dadelijk na het afsluiten van een onderzoek de Staten in te lichten omtrent zijn bevindingen en zijn oordeel.
  2. Artikel 27, tweede, derde en vierde lid, zijn van toepassing.

Artikel 29

Deze landsverordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.

Artikel 30

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Landsverordening ombudsman.

Naar boven