Omnibus-Sanctiebesluit Curaçao - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Omnibus-Sanctiebesluit Curaçao

Publicatienummer: P.B. 2026, no. 144
Categorie: Landsbesluit, houdende algemene maatregelen
Ministerie: Algemene Zaken en Minister President
Datum ondertekening: 20-05-2025
Datum inwerktreding: 23-05-2025
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK XIV Landsverdediging )


LANDSBESLUIT, HOUDENDE ALGEMENE MAATREGELEN, van de 20ste mei 2025 ter uitvoering van artikel 2 van de Rijkssanctiewet en de artikelen 2 en 5 van de Sanctielandsverordening (Omnibus-Sanctiebesluit Curaçao)

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
23 mei 2025 n.v.t. n.v.t. Uitvoering art. 2 Rijkssanctiewet
en artt. 2 en 5 Sanctielandsverordening
PB 2025 no 52 n.v.t.
Wijzigingen
18 juli 2026 n.v.t n.v.t. Artt 1.5 t/m 1.38 vernummerd tot 1.6 t/m 1.39;
Art 1.5 k.t.l.;
Art 1.8 k.t.l.;
Art 1.19 k.t.l.;
Art 1.22;
Art 1.35 vervalt;
Art 2.1, lid 1 en 2;
Art 3.1 vernummerd tot 3;
Art 3 (nieuw) k.t.l.;
Artt 3.2 t/m 3.16 vervallen;
Art 4.1;
Art 4.2, lid 2 en 6;
Art 4.5 k.t.l.;
Art 4.6 k.t.l..
PB 2026 no 144 n.v.t.

DOORLOPENDE TEKST

Hoofdstuk I
Verbodsbepalingen

Artikel 1.1

Chemische wapens

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 7, eerste Lid, en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 2018/1542 van de Raad van de Europese Unie van 15 oktober 2018 betreffende beperkende maatregelen tegen de proliferatie en het gebruik van chemische wapens (PbEU 2018, L 259).

Artikel 1.2
Conflictdiamanten

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, artikel 11, en artikel 24, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2368/2002 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2002 tot uitvoering van de Kimberleyprocescertificering voor de internationale handel in ruwe diamant (PbEG 2002, L 358).

Artikel 1.3

Cyberaanvallen

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 9 van Verordening (EU) nr. 2019/796 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2019 betreffende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen die de Unie of haar lidstaten bedreigen (PbEU 2019, LI 129).

Artikel 1.4

Mensenrechtenschendingen

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste en tweede lid, artikel 9, eerste lid, en artikel 10 van Verordening (EU) nr. 2020/1998 van de Raad van de Europese Unie van 7 december 2020 betreffende beperkende maatregelen tegen ernstige schendingen van de mensenrechten (PbEU 2020, LI 410).

Artikel 1.5

Terrorismebestrijding

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3 en 4 van de Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PbEG L 344).

Artikel 1.6

Afghanistan

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 3, eerste, tweede en derde lid, en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 753/2011 van de Raad van de Europese Unie van 1 augustus 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, groepen, ondernemingen en entiteiten in verband met de situatie in Afghanistan (PbEU 2011, L 199).

Artikel 1.7

ISIS en Al Qaida

  1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste lid en tweede lid, en tweede lid bis, artikel 3, artikel 4 en artikel 5, eerste en tweede lid, van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al-Qaida-netwerk (PbEG 2002, L 139).
  2. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, artikel 9, artikel 10, eerste lid, en artikel 11 van Verordening (EU) nr. 2016/1686 van de Raad van de Europese Unie van 20 september 2016 tot vaststelling van bijkomende beperkende maatregelen tegen ISIS (Da’esh) en Al Qaida en daarmee verbonden natuurlijke en rechtspersonen, entiteiten of lichamen (PbEU 2016, L 255).

Artikel 1.8

Belarus

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1 bis, eerste lid, artikel 1 bis bis, eerste en tweede lid, artikel 1 bis ter, eerste lid, artikel 1 ter, eerste lid, artikel 1 ter bis, artikel 1 ter ter, eerste, tweede en derde lid, artikel 1 quater, eerste lid, artikel 1 quinquies, eerste lid, artikel 1 sexies, eerste lid, lid 1 bis, tweede lid en derde lid, tweede alinea, artikel 1 septies, eerste lid, lid 1 bis, lid 1 bis bis, tweede lid en derde lid, tweede alinea, artikel 1 septies bis, eerste lid en lid 1 bis, artikel 1 septies quinquies, eerste en tweede lid, artikel 1 octies, eerste lid, en lid 1 bis, artikel 1 octies bis, eerste, tweede en derde lid, artikel 1 octies ter, eerste lid, artikel 1 octies quater, eerste en tweede lid, artikel 1 octies quinquies, eerste en tweede lid, artikel 1 nonies, eerste lid, tweede en vijfde lid, artikel 1 decies, eerste lid, en lid 1 bis, artikel 1 undecies, artikel 1 undecies bis, eerste lid, artikel 1 undecies ter, artikel 1 undecies quater, eerste tot en met vijfde lid, artikel 1 duodecies, eerste lid, artikel 1 terdecies, eerste lid, artikel 1 quaterdecies, artikel 1 sexdecies, eerste lid, artikel 1 septiesdecies, eerste lid, artikel 1 octiesdecies, eerste lid, artikel 1 noviesdecies, eerste lid, artikel 1 noviesdecies bis, eerste en tweede lid, artikel 1 noviesdecies ter, eerste tot en met vierde lid, artikel 1 noviesdecies quater, eerste tot en met derde lid, artikel 1 vicies, eerste lid, en lid 1 bis, artikel 1 vicies bis, eerste lid, lid 1 bis, tweede tot en met vierde lid, artikel 1 unvicies, eerste lid, artikel 1 duovicies, eerste, tweede en derde lid, artikel 1 quinvicies, eerste lid, artikel 1 sexvicies, eerste lid, artikel 1 septvicies, artikel 1 septvicies bis, eerste lid, artikel 1 septvicies ter, eerste lid, artikel 1 septvicies quater, eerste lid, lid 1 bis, lid 1 ter, lid 1 quater en lid 1 quinquies, artikel 2, eerste, tweede en derde lid, artikel 5, artikel 8 ter, eerste lid, artikel 8 quinquies, eerste lid, artikel 8 octies, eerste lid, vierde lid tot en met zesde lid, artikel 8 octies bis, eerste lid, lid 1 bis, derde lid en lid 3 bis, artikel 8 decies en artikel 8 undecies, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 765/2006 van de Raad van de Europese Unie van 18 mei 2006 betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne (PbEU, L 134).

Artikel 1.9

Birma/Myanmar

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 3, eerste en tweede lid, artikel 3 bis, eerste, derde en vierde lid, artikel 3 ter, eerste lid, artikel 3 quater, eerste lid, artikel 4 bis, eerste en tweede lid, artikel 4 sexies, eerste lid en artikel 4 octies, van Verordening (EU) nr. 401/2013 van de Raad van de Europese Unie van 2 mei 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Myanmar/Birma en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 194/2008 (PbEU 2013, L 121).

Artikel 1.10

Burundi

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 8 van Verordening 2015/1755 van de Raad van de Europese Unie van 1 oktober 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi (PbEU 2015, L 257).

Artikel 1.11

Centraal – Afrikaanse Republiek

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 5, eerste en tweede lid, artikel 11, eerste lid, en artikel 12 van Verordening 224/2014 van de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek (PbEU 2014, L70).

Artikel 1.12

Congo

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1 bis, artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 6, eerste lid, en artikel 7 ter van Verordening (EG) nr. 1183/2005 van de Raad van de Europese Unie van 18 juli 2005 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die handelen in strijd met het wapenembargo tegen de Democratische Republiek Congo (PbEG 2005, L193).

Artikel 1.13

Guatemala

Het is verboden te handelen in strijd met de artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 9, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 2024/287 van de Raad van de Europese Unie van 12 januari 2024 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Guatemala (PbEU 2024, L00287).

Artikel 1.14

Guinee

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 6 en artikel 12, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1284/2009 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2009 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen ten aanzien van de Republiek Guinee (PbEU 2009, L 346).

Artikel 1.15

Guinee Bissau

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste, tweede en derde lid, en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 377/2012 van de Raad van de Europese Unie van 3 mei 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van bepaalde personen, entiteiten en lichamen die de vrede, de veiligheid of de stabiliteit van de Republiek Guinee-Bissau bedreigen (PbEU, 2012, L 119).

Artikel 1.16

Haïti

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 3, artikel 10, eerste lid en artikel 11, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 2022/2309 van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2022 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Haïti (PbEU 2022, L 307).

Artikel 1.17

Hamas en PIJ

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 8, eerste lid, en 9, eerste lid, van Verordening (EU) 2024/386 van de Raad van de Europese Unie van 19 januari 2024 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen degenen die gewelddadige acties door Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad steunen, faciliteren of mogelijk maken (PbEU 2024, L 386).

Artikel 1.18

Irak

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste, tweede en derde lid, artikel 7 en artikel 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad van de Europese Unie van 7 juli 2003 betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2465/96 (PbEG 2003, L 169).

Artikel 1.19

Iran

  1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 3, eerste en vierde lid, artikel 4, artikel 4 bis, eerste lid, artikel 4 ter, artikel 4 quater, artikel 5, eerste lid, artikel 8, eerste lid, artikel 9, artikel 10 bis, eerste lid, artikel 10 ter, artikel 10 quinquies, eerste lid, artikel 10 sexties, artikel 11, eerste lid, artikel 13, eerste lid, artikel 14 bis, eerste lid, artikel 15, eerste lid, artikel 15 bis, eerste lid, artikel 15 ter, eerste lid, artikel 16, artikel 17, eerste, tweede en vierde lid, artikel 18, eerst lid, artikel 22, artikel 23, eerste tot en met vierde lid, artikel 29, eerste lid, tweede volzin, artikel 30, eerste, derde, vijfde en zesde lid, artikel 30 bis, eerste en derde lid, artikel 30 ter, tweede lid, artikel 31, eerste lid, artikel 33, eerste en tweede lid, artikel 34, artikel 35, eerste en vierde lid, artikel 36, eerste en tweede lid, artikel 37, eerste, tweede en derde lid, artikel 37 bis, artikel 37 ter, eerste lid, artikel 40, eerste lid, en artikel 41 van Externe link:Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van de Europese Unie van 23 maart 2012 (Pb L 88).
  2. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1 bis, artikel 1 ter, eerste lid, artikel 1 quater, eerste lid, artikel 2 en artikel 9, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 359/2011 van de Raad van de Europese Unie van 12 april 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen, in verband met de situatie in Iran (Pb L 100).
  3. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 2 bis, eerste lid, artikel 3, artikel 3 septies, tweede lid, artikel 5, eerste lid, en artikel 12, eerste en tweede lid, van Externe link:Verordening (EU) nr. 2023/1529 van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2023 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de militaire steun van Iran aan de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne (PbEU 2023, L 186).

Artikel 1.20

Jemen

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1 bis, artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 9, eerste lid, en artikel 10 van Verordening 1352/2014 van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2014 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Jemen (PbEU 2014, L 365).

Artikel 1.21

Libanon en Syrië

  1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste, tweede en derde lid, en artikel 5 van Verordening (EG) nr. 305/2006 van de Raad van de Europese Unie van 21 februari 2006 tot vaststelling van specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die ervan worden verdacht betrokken te zijn bij de moord op de voormalige Libanese premier Rafiq Hariri (PbEG 2006, L 51).
  2. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1412/2006 van de Raad van de Europese Unie van 25 september 2006 betreffende bepaalde beperkende maatregelen ten aanzien van Libanon (PbEG 2006, L 267).
  3. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 9 van Verordening (EU) nr. 2021/1275 van de Raad van de Europese Unie van 30 juli 2021 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libanon (PbEU 2021, LI 277).

Artikel 1.22

Libië

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 2 bis, eerste lid, artikel 3, eerste en tweede lid, artikel 3 bis, artikel 4, artikel 5, eerste tot en met vierde lid, artikel 15, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en artikel 18, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2016/44 van de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2016 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van Verordening (PbEU 2016, L 12).

Artikel 1.23

Mali

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 7, eerste lid, en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 2017/1770 van de Raad van de Europese Unie van 28 september 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Mali (PbEU 2017, L 251).

Artikel 1.24

Moldavië

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid, artikel 9 en artikel 11, eerste lid, van Verordening (EU) 2023/888 van de Raad van de Europese Unie van 28 april 2023 betreffende beperkende maatregelen in verband met acties die de situatie in de Republiek Moldavië destabiliseren (PbEU 2023, L 114).

Artikel 1.25

Nicaragua

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 9 van Verordening (EU) nr. 2019/1716 van de Raad van de Europese Unie van 14 oktober 2019 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Nicaragua (PbEU 2019, L 262).

Artikel 1.26

Niger

Het is verboden te handelen in strijd met de artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 9, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 2023/2406 van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2023 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Niger (PbEU 2023, L 2406).

Artikel 1.27

Noord-Korea

  1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, artikel 5, artikel 7, eerste lid, artikel 10, eerste lid, artikel 11 tot en met artikel 13, artikel 15, artikel 16 bis, artikel 16 ter, artikel 16 quater, artikel 16 quinquies, artikel 16 septies, artikel 16 nonies, artikel 16 undecies, artikel 16 duodecies, artikel 16 terdecies, artikel 16 quaterdecies, artikel 16 quindecies, artikel 16 septdecies, artikel 17, artikel 18, eerste lid, artikel 20, eerste lid, artikel 21, eerste en tweede lid, artikel 23, artikel 24, artikel 26, artikel 28, artikel 30 tot en met 32, artikel 34, eerste tot en met derde lid, artikel 38, vierde lid, artikel 39, eerste lid, artikel 41, eerste lid, artikel 43, eerste lid, artikel 44 bis, artikel 50, eerste lid, en artikel 52 van Verordening (EU) nr. 2017/1509 van de Raad van Europa van 30 augustus 2017 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 329/2007 (PbEU 2017, L 224).
  2. Het is verboden om gespecialiseerde kennis die rechtstreeks of middellijk bijdraagt of kan bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Noord-Korea of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens in Noord-Korea aan te bieden aan personen die niet beschikken over een ontheffing van de Minister.
  3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, heeft in elk geval betrekking op de volgende gebieden van onderwijs en onderzoek:
    – geavanceerde natuurkunde
    – geavanceerde computersimulatie en aanverwante computerwetenschappen
    – geospatiale navigatie
    – nucleaire technologie
    – ruimtevaarttechnologie
    – luchtvaarttechnologie en aanverwante vakgebieden
    – geavanceerde materiaalwetenschap
    – geavanceerde chemische technologie
    – geavanceerde machinebouw
    – geavanceerde elektrotechniek
    – geavanceerde industriële techniek.
  4. De Minister verleent de gevraagde ontheffing tenzij hij het risico onaanvaardbaar groot acht dat het aanbieden van de bedoelde kennis aan de persoon voor wie de ontheffing is gevraagd, zal bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Noord-Korea of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens in Noord-Korea.
  5. Het is verboden op wetenschappelijk of technisch gebied samen te werken met personen of entiteiten die gefinancierd worden door Noord-Korea of die Noord-Korea vertegenwoordigen.
  6. Een instelling voor hoger onderwijs of een rechtspersoon voor hoger onderwijs verstrekt de Minister gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen over wijzigingen in het door de instelling verzorgde onderwijs en onderzoek die van belang kunnen zijn voor de toepassing van de leden 2 tot en met 5.

Artikel 1.28

Oekraïne

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 8, eerste lid, en artikel 9 van Verordening 208/2014 van de Raad van de Europese Unie van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PbEU 2014, L66).

Artikel 1.28a

Territoriale integriteit Oekraïne

  1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 8, eerste lid, lid 1 bis, lid 1 ter, derde volzin, lid 1 quater, en artikel 9 van Verordening 269/2014 van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PbEU 2014, L78).
  2. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, lid 1 bis en tweede lid, artikel 2 bis, eerste lid, lid 1 bis en tweede lid, artikel 2 bis bis, artikel 2 sexies, eerste en derde lid, artikel 2 septies, artikel 3, eerste en tweede lid, artikel 3 bis, eerste en tweede lid, artikel 3 ter, eerste en tweede lid, artikel 3 quater, eerste tot en met vierde lid, artikel 3 quinquies, eerste en vijfde lid, artikel 3 sexies bis, eerste lid, lid 1 bis en tweede lid, artikel 3 sexies ter, eerste lid, artikel 3 sexies quater, eerste lid, artikel 3 septies, eerste en tweede lid, artikel 3 octies, eerste lid, artikel 3 nonies, eerste lid, tweede lid en lid 2 bis, artikel 3 decies, eerste en tweede lid, artikel 3 duodecies, eerste lid, lid 1 bis, tweede en zesde lid, artikel 3 terdecies, eerste lid en lid 1 bis, artikel 3 quaterdecies, eerste, tweede, zevende, achtste en elfde lid, artikel 3 quindecies, eerste lid, vierde lid, vijfde lid, lid 6 bis, zevende en twaalfde lid, artikel 3 sexdecies, eerste tot en met vierde lid, artikel 3 septdecies, eerste tot en met vijfde lid, achtste en tiende lid, artikel 3 octodecies, eerste, vierde en vijfde lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste tot en met vijfde lid, en zesde lid, eerste volzin, artikel 5 bis, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, vierde lid, lid 4 bis, lid 4 ter, lid 4 quater, achtste en negende lid, artikel 5 bis bis, eerste lid, lid 1 bis en lid 1 ter, artikel 5 ter, eerste lid, tweede lid en lid 2 bis, artikel 5 sexies, eerste lid, artikel 5 septies, eerste lid, artikel 5 octies, artikel 5 nonies, artikel 5 decies, eerste lid, artikel 5 undecies, eerste en tweede lid, artikel 5 duodecies, eerste lid, artikel 5 terdecies, eerste lid, artikel 5 quaterdecies, eerste en tweede lid, artikel 5 quindecies, eerste lid, tweede lid, lid 2 bis, lid 2 ter en lid 3 bis, artikel 5 sexdecies, eerste lid, artikel 5 septdecies, eerste lid, artikel 5 novodecies, eerste en tweede lid, artikel 6 ter, eerste lid, artikel 11, eerste lid, artikel 12, artikel 12 septies, eerste en tweede lid, en artikel 12 octies, eerste, derde en vierde lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van de Europese Unie van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PbEU 2014, L 229).
  3. Het verbod tot overtreding van artikel 4, eerste lid, onder a en b, tweede lid en de leden 2bis, 2bisbis en 2ter, van Verordening (EU) nr. 833/2014, op grond van het tweede lid strekt zich tevens uit tot het verlenen van tussenhandeldiensten met betrekking tot goederen en technologie vermeld in de gemeenschappelijke lijst van militaire goederen.

Artikel 1.28b

Erkenning Donetsk en Loehansk

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste en tweede lid, artikel 5, eerste en derde lid, artikel 6, eerste lid, artikel 8 en artikel 10, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2022/263 van de Raad van de Europese Unie van 23 februari 2022 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de erkenning van de niet onder het gezag van de regering vallende gebieden in de oblasten Donetsk en Loehansk van Oekraïne en het bevel aan de Russische strijdkrachten om die gebieden binnen te trekken (PbEU 2022, L 42I).

Artikel 1.28c

Inlijving Krim en Sebastopol

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 2bis, eerste lid, artikel 2ter, eerste en tweede lid, artikel 2quater, eerste en derde lid, artikel 2quinquies, eerste en tweede lid, en artikel 4 van Verordening (EU) nr. 692/2014 van de Raad van de Europese Unie van 23 juni 2014 betreffende beperkende maatregelen, als antwoord op de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol (PbEU 2014, L 183).

Artikel 1.29

Syrië

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2bis, eerste lid, artikel 2 ter, eerste lid, artikel 2 quater, eerste lid, artikel 3, eerste en vierde lid, artikel 3 bis, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, artikel 7bis, eerste lid, artikel 8, eerste lid, artikel 9, artikel 11, artikel 11bis, eerste lid, artikel 11ter, eerste lid, artikel 11quater, eerste lid, artikel 12, eerste lid, artikel 13, eerste en tweede lid, artikel 14, artikel 19, tweede lid, artikel 24, artikel 25, artikel 26, eerste en vierde lid, artikel 26bis, eerste lid aanhef en derde lid, artikel 27bis en artikel 29, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/2011 (PbEU 2012, L16), met dien verstande dat de toepassing van het verbod is opgeschort van de hiervoor bedoelde artikelen 6, 7 bis, eerste lid, 8, eerste lid, 9, 11, 12, eerste lid, 13, eerste en tweede lid, en 26 bis, eerste lid aanhef en derde lid, op grond van artikel 1 bis van Verordening (EU) nr. 36/2012.

Artikel 1.30

Soedan

  1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 5, eerste en tweede lid, artikel 9, eerste lid, en artikel 10 van Verordening (EU) nr. 747/2014 van de Raad van de Europese Unie van 10 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Soedan en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 131/2004 en Verordening (EG) nr. 1184/2005 (PbEU 2014, L 203).
  2. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 9, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 2023/2147 van de Raad van de Europese Unie van 9 oktober 2023 betreffende beperkende maatregelen in het licht van activiteiten die de stabiliteit en de politieke transitie van Sudan ondermijnen (PbEU 2023, L 2147).

Artikel 1.31

Somalië

  1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1, artikel 2, artikel 3bis, artikel 3ter, eerste lid, en artikel 3quater, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 147/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 betreffende een aantal beperkende maatregelen ten aanzien van Somalië (PbEG 2003, L 24).
  2. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 8 en artikel 9, van Verordening (EU) nr. 356/2010 van de Raad van de Europese Unie van 26 april 2010 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, in het licht van de situatie in Somalië (PbEU 2010, L 105).

Artikel 1.32

Tunesië

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 2bis en artikel 9 van Verordening 101/2011 van de Raad van de Europese Unie van 4 februari 2011 betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Tunesië (PbEU 2011, L31).

Artikel 1.33

Turkije

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 2019/1890 van de Raad van de Europese Unie van 11 november 2019 betreffende beperkende maatregelen in het licht van ongeoorloofde booractiviteiten van Turkije in het oostelijk deel van de Middellandse Zee (PbEU 2019, L 291).

Artikel 1.34

Venezuela

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 3, artikel 6, eerste lid, artikel 7, eerste lid, artikel 8, eerste en tweede lid, artikel 12, eerste lid, en artikel 14 van Verordening (EU) nr. 2017/2063 van de Raad van de Europese Unie van 13 november 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela (PbEU 2017, L 295).

Artikel 1.35

Zimbabwe
(vervallen)

Artikel 1.36

Zuid-Soedan

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 5, eerste tot en met derde lid, artikel 14, eerste lid, en artikel 15 van Verordening (EU) nr. 2015/735 van de Raad van de Europese Unie van 7 mei 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zuid-Soedan en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 748/2014 (PbEU 2015, L 117).

Artikel 1.37

Destabiliserende activiteiten Russische Federatie 2024

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 8, eerste lid, en 9, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 2024/2642 van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2024 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de destabiliserende activiteiten van Rusland (PbEU 2024, L 2642).

Artikel 1.37a

Binnenlandse repressie Russische Federatie 2024

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste lid, 4, 5, eerste lid, 6, eerste en tweede lid, 12, eerste lid, en 13, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 2024/1485 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2024 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Rusland (PbEU 2024, L 1485).

Artikel 1.38

Uitzonderingen op verbodsbepalingen

Een verbod op grond van dit hoofdstuk is niet van toepassing in gevallen, bepaald in de betreffende Verordening van de Europese Unie of de Europese Gemeenschap.

Artikel 1.39

Undue delay

Indien de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties wijzigingen aanbrengt in de kring van personen, organisaties en entiteiten of lichamen waarop beperkende maatregelen als bedoeld in hoofdstuk I van toepassing zijn, gelden deze wijzigingen met ingang van het tijdstip van bekendmaking door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van de desbetreffende wijziging.

Hoofdstuk II
Bevoegde autoriteiten

Artikel 2.1

De Minister van Algemene Zaken en de minister die het mede aangaat tezamen

  1. meldplichten zoals bepaald in dit landsbesluit van toepassing verklaarde verordeningen, respectievelijk besluiten van de Raad van de Europese Unie, waaronder tevens de Resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, met dien verstande dat de melding of in kennis stelling aan de bevoegde organen van de Europese Raad en de Verenigde Naties geschiedt door tussenkomst van de Directie Buitenlandse Betrekkingen van het Ministerie van Algemene Zaken:
    a. technische bijstand, dan wel vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen of informatie anders dan van financiële aard;
    b. de overdracht, vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard;
    c. het verlenen van ontheffing voor het gebruik van bevroren middelen of tegoeden;
    d. financiële en bancaire aangelegenheden, zoals het verlenen van financiering en financiële bijstand, de verstrekking van leningen, kredieten en verzekeringen of herverzekeringen, het openen van bankrekeningen, het uitbreiden van een deelneming of het oprichten van een joint venture en de vestiging van financiële instellingen;
    e. het verlenen van vrijstellingen, vergunningen, het in ontvangst nemen en het doen van meldingen met betrekking tot de onderwerpen bedoeld in de onderdelen a, b, c, of d;
    f. tussenhandeldiensten, bouwdiensten of ingenieursdiensten, dan wel een melding over de invoer van goederen;
    g. kunst – en cultuurobjecten;
    h. niet-beursgenoteerde ondernemingen;
    i. het verkopen, leveren, overdragen of uitvoeren van militaire goederen, militaire technologie of onderdelen daarvan;
    j. het aanbieden van kennis die rechtstreeks of middellijk bijdraagt of kan bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Noord-Korea of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens in Noord-Korea;
    k. inlichtingen en instructies ten aanzien van redelijke vermoedens over financiering van proliferatie van Noord-Korea;
    l. meldplichten over personen en entiteiten ten aanzien van de onder de jurisdictie van Curaçao vallende tegoeden en economische middelen;
    m. het doorgeven van informatie aan en fungeren als contactpunt voor regeringen van andere landen of de Europese Commissie;
    n. de communicatie met het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland over internationale sancties, waaronder de voordracht tot opvoeren van een lokale terrorist of terroristische groep op de sanctielijst van de Veiligheidsraad of de Europese Commissie.
    o. andere acties welke volgen uit Hoofdstuk I en waarvoor geen autoriteit is aangewezen.
  2. De volgende bestuursorganen, diensten, toezichthouders of andere personen, verstrekken desgevraagd kosteloos alle informatie aan de ministers die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit landsbesluit:
    a. de Minister van Economische Ontwikkeling;
    b. de Minister van Financiën;
    c. de Minister van Justitie;
    d. de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning;
    e. de veiligheidscommissie of beveiligingsfunctionaris, ingesteld door de onderneming, voor zover het gegevens betreft inzake inbreuken of dreigende inbreuken op beperkingen of verboden ten aanzien van toegang tot gevoelige informatie of bedrijfsprocessen;
    f. de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten;
    g. de Kamer van Koophandel en Nijverheid Curaçao’;
    h. het Kadaster;
    i. de Financial Intelligence Unit;
    j. de Stichting Gaming Control Board of de Curaçao Gaming Authority’;
    k. de Curaçao Ports Authority;
    l. de Curaçao Civil Aviation Authority;
    m. de Sociale Verzekeringsbank;
    n. het Bureau Telecommunicatie en Post;
    o. de overige ministeries of uitvoerende diensten, voor zover het informatie betreft bedoeld in de verbodsbepalingen uit hoofdstuk I of III van dit landsbesluit.

Artikel 2.2

Douane

  1. Voor de toepassing van Hoofdstuk I is de Douane de bevoegde autoriteit voor wat betreft inbeslagneming of vernietiging van lading.
  2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 bis van Verordening (EG) nr. 147/2003 en in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 2016/44 is de Inspecteur, bedoeld in artikel 1, van de Algemene verordening I.U. en D. 1908.

Artikel 2.3

De Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning

Voor de toepassing van Hoofdstuk I is de Minister van Verkeer, Vervoer, en Ruimtelijke Planning de bevoegde autoriteit voor wat betreft:
a. het laden, vervoeren of lossen van aardolie, inclusief ruwe olie en geraffineerde aardolieproducten;
b. vaar- en luchtvaartuigen;
c. het verlenen van toegang aan vliegtuigen tot vliegen in of het landen op het grondgebied van Curaçao en het vliegen in het luchtruim van Curaçao;
d. vastgoed, inclusief bedrijfspanden;
e. het verlenen van vrijstellingen, vergunningen, het in ontvangst nemen en het doen van meldingen met betrekking tot de onderwerpen bedoeld in de onderdelen a, b, c of d.

Artikel 2.4

De Havenmeester

Voor de toepassing van Hoofdstuk I is de Havenmeester de bevoegde autoriteit voor het verlenen van toegang tot havens en binnenwateren aan vaartuigen.

Hoofdstuk III
Wapenembargo’s

Artikel 3

Wapenembargo’s

Het is verboden om militaire goederen, alsmede militaire technologie, dan wel onderdelen daarvan, direct of indirect te verkopen of te leveren aan, door of uit te voeren naar, dan wel over te dragen aan, daaronder begrepen over te brengen naar, natuurlijke personen, rechtspersonen of entiteiten in of voor gebruik in of ten behoeve van de hierna aangewezen landen of personen of entiteiten, ongeacht het land van oorsprong:
a. de personen of entiteiten, genoemd in bijlage I van het Besluit nr. 2011/486/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 1 augustus 2011 (Pb L199) (Afghanistan) en de Verordening (EU) nr. 753/2011 van de Raad van 1 augustus 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, groepen, ondernemingen en entiteiten in verband met de situatie in Afghanistan;
b. de personen, groepen, ondernemingen of entiteiten die door de VN-Veiligheidsraad — uit hoofde van UNSCR’s (United Nation Security Councel) 1267 (1999), 1333 (2000) en 2253 (2015), zoals bijgewerkt door het overeenkomstig UNSCR 1267 (1999) ingestelde comité, of door de Raad zijn aangewezen, of aan degenen die namens hen of op hun aanwijzing handelen, door onderdanen van de lidstaten of vanaf of via het grondgebied van de lidstaten, of met gebruikmaking van onder hun vlag varende schepen of hun luchtvaartuigen, is verboden, ongeacht of de goederen oorspronkelijk van het grondgebied van de lidstaten afkomstig zijn op grond van het Besluit nr. 2016/1693/GBVB van de Raad van 20 september 2016 betreffende beperkende maatregelen tegen ISIS (Da’esh) en Al Qaida en daarmee verbonden personen, groepen, ondernemingen en entiteiten, en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2002/402/GBVB;
b. Belarus op grond van Verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen tegen president Loekasjenko en bepaalde functionarissen van Belarus ;
c. Birma/ Myanmar op grond van Verordening (EU) nr. 401/2013 van de Raad van 2 mei 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Myanmar/Birma en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 194/2008;
d. Centraal-Afrikaanse Republiek op grond van het Besluit nr. 2013/798/GBVB van de Raad van 23 december 2013 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek;
e. China op grond van de Verklaring van de Europese Raad van Madrid van 27 juni 1989;
f. Democratische Republiek Congo op grond van de Verordening (EG) nr. 1727/2003 van de Raad van 29 september 2003 betreffende een aantal beperkende maatregelen ten aanzien van de Democratische Republiek Congo;
g. de personen of entiteiten aangewezen bij punt 19 van Resolutie 2653 (2022) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties ingestelde comité dan wel aan of ten behoeve van de in bijlage II van Besluit nr. 2022/2319/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2022 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Haïti (Pb EU 2022, L 47) (Haïti);
h. Irak op grond van de Verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad van 7 juli 2003 betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2465/96;
i. Iran op grond van Besluit van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB (2010/413/GBVB);
j. de personen of entiteiten die door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, of door het op grond van punt 19 van Resolutie 2140 (2014) ingestelde comité, zijn aangewezen alsmede naar de personen die namens hen of op hun aanwijzing handelen in Jemen;
k. Democratische Volksrepubliek Korea op grond van het Besluit nr. 2016/849 van de Raad van 27 mei 2016 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Besluit nr. 2013/183/GBVB en de Verordening (EU) nr. 2017/1509 van 30 augustus 2017 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 329/2007;
l. Libanon en Syrië op grond van het Gemeenschappelijk Standpunt 2006/625/GBVB van 15 september 2006 betreffende een verbod op de verkoop of levering van wapens en aanverwant materieel en op het verrichten van aanverwante diensten aan entiteiten of personen in Libanon overeenkomstig Resolutie 1701 (2006) van de VN-Veiligheidsraad en de Verordening (EG) nr. 1412/2006 van de Raad van 25 september 2006 betreffende bepaalde beperkende maatregelen ten aanzien van Libanon;
m. Libië op grond van het Besluit nr. 2015/1333/GBVB van de Raad van 31 juli 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van Besluit nr. 2011/137/GBVB en de Verordening (EU) 2016/44 van 18 januari 2016 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 204/2011;
n. Oekraine/Russische Federatie op grond van Verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren en Besluit nr. 2014/512/GBVB van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren;
o. Soedan op grond van het Besluit nr. 2014/450/GBVB van de Raad van 10 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Sudan en tot intrekking van Besluit nr. 2011/423/GBVB;
p. Somalië op grond van Verordening (EG) nr. 147/2003 van de Raad van 27 januari 2003 betreffende een aantal beperkende maatregelen ten aanzien van Somalië en het Besluit nr. 2010/231/GBVB van de Raad van 26 april 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Somalië en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2009/138/GBVB;
q. Syrië op grond van het Besluit nr. 2013/255/GBVB van de Raad van 31 mei 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië en de Verordening (EU) Nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/2011;
r. Venezuela op grond van het Besluit nr. 2017/2074/GBVB van de Raad van 13 november 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela;
s. Zimbabwe op grond van het Besluit nr. 2011/101/GBVB van de Raad van 15 februari 2011 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zimbabwe en de Verordening (EG) nr. 314/2004 van de Raad van 19 februari 2004 inzake bepaalde beperkende maatregelen tegen Zimbabwe;
t. Zuid-Soedan op grond van de Verordening (EU) nr. 2015/735 van de Raad van 7 mei 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zuid-Sudan en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 748/2014 .

Artikel 3.2

Belarus
(vervallen)

Artikel 3.3

Birma/ Myanmar
(vervallen)

Artikel 3.4

Centraal-Afrikaanse Republiek
(vervallen)

Artikel 3.5

Democratische Republiek Congo
(vervallen)

Artikel 3.6

Irak
(vervallen)

Artikel 3.7

Iran
(vervallen)

Artikel 3.8

Libanon en Syrië
(vervallen)

Artikel 3.9

Libië
(vervallen)

Artikel 3.10

Oekraïne/Rusland
(vervallen)

Artikel 3.11

Soedan
(vervallen)

Artikel 3.12

Somalië
(vervallen)

Artikel 3.13

Syrië
(vervallen)

Artikel 3.14

Venezuela
(vervallen)

Artikel 3.15

Zimbabwe
(vervallen)

Artikel 3.16

Zuid-Soedan
(vervallen)

Hoofdstuk IV
Nationale terrorismesancties

Artikel 4.1

Voor de toepassing van het in dit hoofdstuk bepaalde wordt verstaan onder:

a. middelen:

activa van welke aard ook, juridische documenten of instrumenten in welke vorm ook, ook elektronisch of digitaal, waaruit eigendom van of een belang in dergelijke activa blijkt, met inbegrip van, doch niet beperkt tot, bankkredieten, reischeques, bankcheques, postwissels, aandelen, obligaties, wissels, kredietbrieven en andere effecten;

b. bevriezing van middelen:

het voorkomen van het op enigerlei wijze muteren, overmaken, corrigeren, gebruiken of omgaan met middelen met als gevolg wijzigingen van hun omvang, bedrag, locatie, eigenaar, bezit, onderscheidende kenmerken, bestemming, of andere wijzigingen waardoor het gebruik van bedoelde middelen, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk zou worden gemaakt;

c. financiële diensten:

alle diensten van financiële aard, waaronder alle verzekeringsdiensten en met verzekeringen verband houdende diensten, en alle bankdiensten en andere financiële diensten, met uitzondering van verzekeringen;

d. personen of organisaties:

natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteit of lichaam, alsmede juridische constructies.

 

Artikel 4.2

  1. Indien personen of organisaties naar het oordeel van de Minister behoren tot de kring van personen of organisaties, bedoeld in Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 28 september 2001, kan de Minister ten aanzien van deze personen of organisaties een aanwijzingsbesluit vaststellen.
  2. Het aanwijzingsbesluit, bedoeld in het eerste lid en het besluit om een persoon of organisatie van de lijst te verwijderen, wordt terstond in het Publicatieblad bekendgemaakt. De gronden voor de tot standkoming van het aanwijzingsbesluit worden uitsluitend bekendgemaakt aan betrokken persoon of organisatie.
  3. Alle middelen die toebehoren aan de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid, worden bevroren.
  4. Het is verboden financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid.
  5. Het is verboden aan personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid, rechtstreeks dan wel middellijk middelen ter beschikking te stellen.
  6. De Minister stelt in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Financiën een procedure vast voor de totstandkoming van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in het eerste lid en van het besluit om een persoon of organisatie van de lijst, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, onderdeel c, te verwijderen. De procedure wordt bekend gemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden opgenomen.
  7. De Minister kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën, gehoord de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, op verzoek ontheffing verlenen van het bepaalde in het derde tot en met vijfde lid. Een schriftelijk verzoek tot ontheffing wordt gericht aan de Minister en ingediend bij de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten.

Artikel 4.3

Artikel 4.2, derde, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op personen en organisaties waarop krachtens de Sanctieregeling terrorisme 2007-II een aanwijzing door de minister van Buitenlandse Zaken van toepassing is.

Artikel 4.4

Commissie aanwijzing personen en organisaties

  1. Er is een Commissie aanwijzing personen en organisaties.
  2. De Commissie heeft als taak:
    a. het adviseren en anderszins ondersteunen en bijstaan van de Minister, de Minister van Financiën en de Minister van Justitie bij de uitoefening van de aanwijzingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 4.2, alsmede inzake alle daarmee samenhangende aangelegenheden;
    b. het adviseren over en anderszins ondersteunen en bijstaan van de Minister , de Minister van Financiën en de Minister van Justitie bij de beëindiging van een aanwijzing als bedoeld onder a;
    c. het adviseren van de Minister, de Minister van Financiën en de Minister van Justitie over de totstandkoming van een geconsolideerde lijst van personen aan de hand van de aanwijzingen, bedoeld onder a en de beëindiging van aanwijzingen, bedoel onder b.

Artikel 4.5

  1. In de commissie, bedoeld in artikel 4.4. hebben als lid zitting:
    a.  de Procureur-Generaal, tevens voorzitter;
    b.  het hoofd van de Financial Intelligence Unit;
    c.  de Korpschef van het Korps Politie Curaçao;
    d.  het hoofd van de Veiligheidsdienst Curaçao;
    e.   het hoofd van de Douane Curaçao;
    f.   de Directeur van de Directie Buitenlandse Betrekkingen;
    g.  de Directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken.
  2. Elke functionaris, genoemd in het eerste lid, wijst een persoon werkzaam onder zijn verantwoordelijkheid aan, om deel te nemen aan de werkzaamheden van de commissie.

 

Artikel 4.6

  1. De commissie stelt een regelement van orde vast en maakt deze bekend in de Landscourant.
  2. De commissie stelt na overleg met de ministers, bedoeld in artikel 4.2, zesde lid, de noodzakelijke werkprocessen vast met inachtneming van de daarvoor geldende internationale richtlijnen en aanbevelingen vastgesteld door een sanctiecomité van de Veiligheidsraad of de Financial Action Taskforce, waaronder met betrekking tot de publicatie van de geconsolideerde lijst, bedoeld in artikel 4.4, onderdeel c. Deze werkprocessen worden door de Minister van Algemene Zaken bekendgemaakt in de Landscourant.
  3. Het werkproces van bevriezen en vrijgeven van middelen, is van overeenkomstige toepassing op alle verbodsbepalingen van hoofdstuk 1.

Hoofdstuk V
Intrekking andere landsbesluiten

Artikel 5.1

Het Sanctiebesluit Libië, het Sanctiebesluit Al-Qaida c.s., de Taliban van Afghanistan c.s., ISIL c.s., ANF c.s. en lokaal aan te wijzen personen en organisaties, het Sanctiebesluit Democratische Volksrepubliek Korea 2015 en het sanctiebesluit Jemen worden ingetrokken.

Hoofdstuk VI
Slotbepalingen

Artikel 6.1

Dit landsbesluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking.

Artikel 6.2

Dit landsbesluit wordt aangehaald als: Omnibus-Sanctiebesluit Curaçao.

Naar boven